ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Tot beste samenvatting verklaard door docenten!!
Nederlands: Laagland
Tijd:
- In wat voor soort opbouw van tijd een verhaal is geschreven geeft een gevolg van aantrekkelijkheid, spanning en uitdaging.
Chronologisch en niet-chronologisch:
• Chronologisch: We hebben een begin en daarop gaat de tijd verder.
• Niet-chronologisch: We vallen in een verhaal en d.m.v. terugwijzingen of lange terugwijzigingen/flashbacks snappen we de gebeurde gebeurtenis.
Kunstgreep:
- De tekst is dan fabel maar er komen ingrepen in de geschiedenis.
- Wanneer de schrijver een kunstgreep gebruikt ontstaat er een verschil tussen fabel en sujet.
1. Fabel = chronologisch:
- Samenvatting van de inhoud van een verhaal.
2. Sujet = chronologisch of niet-chronologisch:
- Het verhaal zoals het gepresenteerd wordt.
Tijdsverdichting:
- Overbruggen van een periode door een korte beschrijving, zoals: 2 jaar later…
Verteltijd en vertelde tijd:
• Verteltijd: De verteltijd is de tijd die nodig is (gebruikt wordt) om een verhaalgebeuren te vertellen. De verteltijd wordt gewoonlijk uitgedrukt in aantallen woorden, regels of bladzijden.
• Vertelde tijd: De vertelde tijd is de hoeveelheid tijd die verloopt vanaf het begin van een gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen tot het einde ervan.
Structuur:
- Opbouw van een literaire tekst.
- De structuur wordt gevormd door de relaties die er bestaan tussen de elementen van een tekst, waarvan:
1. Geleding:
- De hoofdstukken of delen waaruit een tekst bestaat.
2. Samenhang:
- Samenhang tussen verschillende gebeurtenissen en tekstelementen ontstaat door:
1. Herhaling en overeenkomst:
- Tekstdelen lijken op elkaar of bepaalde elementen komen terug.
2. Tegenstelling:
- In het ene tekstdeel is de situatie tegengesteld aan de andere.
3. Contrast:
- Voorbeeld: Geweld in een lieflijk landschap.
4. Spiegeling:
- Gebeurtenissen en tekstelementen keren terug in ’n andere tijd, ruimte of via een ander personage.
Verhaallijnen:
- Gevormd door samenhangende reeks gebeurtenissen.
Begin van een verhaal:
1. Ab ovo:
- Verhaal begint bij de eerste gebeurtenis en gaat chronologisch verder.
2. In medias res:
- Verhaal begint in ’t midden, terugblikken vertellen voorgaande gebeurtenissen.
3. Post rem:
- Het verhaal begint bij de laatste gebeurtenis, al het andere is flashback.
Cyclische opbouw:
- Begin en eind van een verhaal zijn bijna identiek of sluiten op elkaar aan.
Fictionele teksten in:
1. Proza:
1. Roman:
- Behoorlijke omvang.
- Hoofdpersoon is uitgewerkt.
- Veel bijfiguren.
- Meerdere verhaallijnen.
2. Novelle:
- Korter dan roman.
- Minder gebeurtenissen.
- Één verhaallijn.
3. Kort verhaal:
- Hoofdpersoon beperkt uitgewerkt.
- Één/enkele gebeurtenissen.
- Worden vaak samengebundeld tot één thematisch boek.
2. Poëzie:
- Gedichten en songteksten.
3. Toneel
Wat is literatuur en lectuur?:
1. De literatuur wil mensen aan ’t denken zetten, de lectuur wil mensen amuseren.
2. Literatuur heeft inhoudelijk meer diepgang, is in een betere stijl geschreven, heeft ‘n goede opbouw, geen voorspelbare personages en geen vaste rolpatronen. Literatuur wil vernieuwend + grensverleggend zijn en men verrassen + verbazen.
3. Erkenning van teksten door literaire recesenten = literatuur, geen erkenning van teksten door literaire recesenten = lectuur.
4. Literaire uitgeverijen geven alleen boeken met de hoogste kwaliteit uit = literatuur.
Personages:
• Hoofdpersoon: Belangrijkste persoon uit het boek.
• Bijfiguren: Minder belangrijk, relatie tot de hoofdpersoon wel.
Karakter/round character en type/flat character:
• Karakter: In ontwikkeling, uitgewerkte persoonlijkheid (hoofdpersoon).
•Type: Ontwikkelingloze, voorspelbare, één hebbende karaktereigenschap van persoonlijkheid (bijfiguur).
Ruimte:
- Waar het verhaal zich afspeelt, kan ook een functie hebben:
1. Concretisering:
- Gedetailleerd beschreven ruimte zodat de lezer een goed beeld ervan heeft.
2. Sfeer oproepen:
- Beschrijving van een ruimte zodat de lezer in de juiste stemming komt.
3. Contrast oproepen:
- Een gebeurtenis laten gebeuren in een tegenovergestelde sfeer van ruimte.
4. Relatie met thematiek:
- De ruimte staat in de sfeer van het thema.
5. Relatie met personage:
- De ruimte staat in de sfeer van een personage.
6. Weersomstandigheden:
- De ruimte staat in de sfeer van/typeert een gebeurtenis.
7. Symbolische betekenis:
- De ruimte staat symbool voor een gevoel/gedachte.
Perspectief:
1. Alwetende verteller:
- Je leest alle gedachten en gevoelens van alle personages.
- Objectief -> redelijk betrouwbaar.
2. Ik-verteller:
- Je leest alleen de gedachten en gevoelens van de ik.
- Subjectief -> onbetrouwbaar.
3. Personale vertelinstantie:
- Je leest als een persoon over een hij/zij.
- Subjectief -> onbetrouwbaar.
4. Meervoudig perspectief:
- Je leest het verhaal vanuit verschillende personages.
- Objectief -> betrouwbaar.
Open plekken geven spanning:
- Het ontstaan van vragen, ook wel in de literatuur ‘open plekken’, door:
1. Geven van tegenstrijdige informatie.
2. Achterhouden van informatie.
3. Verwijzigen naar elementen die nog niet bekend zijn.
4. De titel; welk verband is er tussen de titel en de tekst?
5. Ontbreken van motivatie voor het handelen van een persoon.
6. Overschakelen op een andere verhaallijn.
De spanningsboog
- De tijd tussen ‘t ontstaan van de vragen en ‘t moment waarop je antwoord krijgt.
Open einde en gesloten einde:
• Open einde: Als aan ‘t eind van ‘n verhaal niet alle vragen zijn beantwoord.
• Gesloten einde: Als aan ’t eind van ’n verhaal wel alle vragen zijn beantwoord.
Interpretatie:
- De betekenis die ‘n lezer toekent aan de tekst waardoor je ’t thema aangeeft.

Motieven:

- Concrete tekstgegevens die het thema vormen:
1. Verhaalmotieven:
- Terugkerende elementen binnen een verhaal.
2. Leidmotieven:
- Terugkerende voorwerpen binnen een verhaal.
3. Algemene literaire motieven:
- Komen in alle tijden voor en keren steeds terug, zoals: dood, schuld, misdaad.
De verhaallaag:
- Verzameling van lagen: gebeurtenissen, structuur en personages.
Betekenis laag/Thematische laag:
- Vertelt je wat er eigenlijk met het verhaal bedoeld wordt.
Concreet = Duidelijk
Abstract = Onduidelijk

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Louise

Louise

Thanks

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

heeft iemand nog meer goede sites?

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

handig

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

handig! bedankt!

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast