Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

Pr- model:

Presentatie geschikt: geen doorhalingen enz.

Schr. Of Mond. Weergave: geen typfouten of zo



Tekstdoelen:

Uiteenzetting: pure feiten

Beschouwing: van 2 kanten bekijken met meningen

Betoog: mensen van jouw mening overtuigen en laten overnemen.



Bijvoorbeeld een folder is een concrete tekst die een uiteenzetting is.

Bijvoorbeeld een recensie is een voorbeeld van een concrete beschouwing.

Een opstel of een debat zijn voorbeelden van een concreet betoog.





Lezersprofiel:

3 dingen waarmee je rekening moet houden:

+ Leeftijd van de doelgroep (taalgebruik)

+ Opleiding of beroep van de doelgroep (taalgebruik)

+ Belang van de tekst voor de doelgroep (hebben ze er iets aan)



Bouwplan:

Het bouwplan is een schets van de tekst, en hierbij heb je 3 vaste structuren:

Uiteenzettingsstructuur:

Inleiding: Onderwerp/probleem introduceren waarover uitleg gegeven gaat worden

Kern: Uitleg/Oplossing/bewijzen geven

Slot: Een constatering doen



Beschouwingsstructuur:

Inleiding: Het onderwerp introduceren waarover en beschouwing zal volgen

Kern: Verschillende gezichtspunten aandragen met betrekking tot het onderwerp en de voor- en nadelen op een rijtje zetten



Slot: een conclusie geven



Betoogstructuur:

Inleiding: een mening geven over het onderwerp in kwestie

Kern: Argumenten geven die de mening ondersteunen en tegenargumenten weerleggen

Slot: Een conclusie of aansporing geven en wijzen op eventuele consequenties daarvan



Zin 1: Het feest was een sof Zin 1: K

Zin 2: Er was bijna niemand Zin 2: A1 (oorzaak 1)

Zin 3: En de muziek was knudde Zin 3: A2 (oorzaak 2)

Zin 4: Ze draaide alleen maar hoempapamuziek. Zin 4: A3 (detaillering van O2)



Indeling van de totale tekst:

Inleiding

1. Onderwerp- of probleembeschrijving

Je begint met een introductie op het onderwerp of het probleem



2. Anekdote

Een waar gebeurd, amusant, zeer kort verhaal met een climax of een pointe erin die gebruikt als een inleiding.



3. Sfeerbeschrijving

Hierbij probeer je de sfeerbepalende elementen rondom het onderwerp te beschrijven. (bijvoorbeeld vervallen muur of een spinneweb)



4. Actiealinea

Dit is een alinea waarin er meteen iets gebeurd in een verhaal.



5. Filosofische gedachtegang

Een inleiding waarbij er een filosofische gedachtegang wordt weergegeven



Aan het einde van een inleiding altijd duidelijk maken waar een tekst over gaat, als dat nog niet gebleken is uit de openingszinnen.

In een geschreven tekst moet je je onderwerp vrijwel nooit expliciet aankondigen. (dus niet van: in deze tekst ga ik het hebben over…)



Kern

De kern moet het antwoord zijn op de hoofdvraag die genoemd is in de inleiding. Bij het schrijven van een kern moet je letten op:

- een natuurlijke overgang tussen de inleiding en de kern

- een goede indeling in alinea’s

- vloeiende overgangen – al dan niet door middel van verbindingswoorden – tussen de alinea’s

- een goede structuur van elke alinea afzonderlijk



Slot

Je moet zorgen dat de tekst in het slot niet als een nachtkaars uitgaat. Je moet ervoor zorgen dat de boodschap blijft hangen. Hiervoor heb je een aantal middelen (zijn wel bepaald door de tekstsoort):

- In de slotalinea kun je weer terugkeren naar het begin, naar de hoofdvraag. Je maakt als het waren de cirkel rond.

- Als je denk dat het voor de lezer/luisteraar moeilijk is geweest om alles uit de kern te onthouden, dan kun je in het slot een samenvatting geven.(alleen bij langere tekst)

- Wanneer je de bedoeling had om iets te bewijzen of de lezer of luisteraar van iets te overtuigen, dan moet je in het slotgedeelte een conclusie geven. Een concluderend slot vinden we daarom altijd bij een betoog.

- Wanneer je de bedoeling had om de lezer of luisteraar tot actie aan te zetten, dan kun je je tekst beëindigen met een aansporing of aanbeveling om nu werkelijk iets te gaan doen.

- Je kunt besluiten met een retorische vraag om je mening nog eens onder de aandacht te brengen zonder die mening echt uit te spreken. Een retorische vraag is een zin die wel de vraagvorm heeft, maar in feite al het antwoord geeft op de vraag.

- Je kunt ook vooruitblikken.



Formulering:

Toegankelijk formuleren

1. formuleer niet te moeilijk

Niet te veel moeilijke woorden, afkortingen of ingewikkelde zinnen. De moeilijkheidsgraad kun je bepalen als je kijkt in relatie tot het publiek waarvoor de tekst bestemd is.

Ingewikkelde zinnen leiden tot:

- lange aanlopen

- te veel bijzinnen

- opeenstapeling van korte informatiedeeltjes die vaak beginnen met een voorzetsel.

- Tangconstructies

- Ontkennende woorden: (niet, geen) bemoeilijken soms een snel tekstbegrip, vooral als ze in combinatie met elkaar voorkomen. Daarom kun je beter ‘positief’ (met zo weinig mogelijk ontkennende woorden) formuleren.



Wees concreet

Je moet niet alleen begrijpelijk formuleren, je moet je boodschap ook concreet, dat wil zeggen zo direct als mogelijk en nodig is, verwoorden.

Dat kan door de volgende punten:

- Laat de lezer niet met onbeantwoorde vragen zitten

- Vermijd vage woorden

- Geef voorbeelden om een opvatting of een bepaald gegeven concreter te maken.



Wees bondig

Het is belangrijk dat je niet meer woorden gebruikt dan nodig is. Als je te omslachtig wordt maak je het jezelf als spreker en schrijver onnodig moeilijk, maar je moet natuurlijk ook weer niet te bondig zijn.

Dat kan door het volgende:

- Onnodige herhalingen

- Vaste, uitdijende woordconstructies die evengoed weggelaten kunnen worden of te vervangen zijn door een woord.



Wees interessant

Als een tekst saai wordt haken lezers of luisteraars af, maar als je te veel je best doet op hun interesse op te wekken raken ze vaak geïrriteerd.

Om het goed te doen kunnen deze punten helpen:

- Benadruk personen

- Varieer je zinnen

- Gebruik af en toe eens beeldspraak (iemand die heel lang is bijv. eiffeltoren noemen)

- Kies voor woorden die geen cliché zijn



Kies de juiste toon

Verschillende tonen:

De formele toon: Hierbij gebruik je deftige en plechtige tonen.

De informele toon: Hierbij gebruik je de gewone alledaagse spreektaal

De neutrale toon: Deze toon zit tussen ‘formeel’ en ‘informeel’ in en kan je in elke situatie gebruiken.

De modieuze toon: Hierbij gebruik je veel populaire, trendy woorden. Je schrikt lezers of luisteraars af als je te veel van die woorden gebruikt.

De ordinaire toon: De ordinaire toon is platvloers, onbehouwen en dus voor de meeste doelgroepen niet aanbevelenswaardig.



Zinsbouwfouten

1. de foutieve samentrekking

Van een samentrekking is sprake als je een zinsdeel weglaat in plaats van herhaalt.

- Als je een zinsdeel weglaat moet het zinsdeel wel dezelfde functie hebben.

- Het weggelaten deel moet dezelfde vorm hebben.

- Het weggelaten deel moet dezelfde betekenis hebben.



2. de ontspoorde zin

Synoniem voor een ontspoorde zin: anakoloet. Meestal gaat het hierbij om een lange zin waarbij het 2e deel niet aansluit op het 1e deel.



3. De foutieve beknopte bijzin

Vrolijk liedjes zingend werden de aardappels geschild. Bij deze zin is een onderwerp weggehaald, nu moet er dus vanuit worden gegaan dat het andere onderwerp ‘de aardappels’ hetzelfde onderwerp is, wat dus niet zo is in deze zin.



4. verkeerd geplaatste zinsdelen

Hierbij kunnen misverstanden ontstaan als een zinsdeel op een plek wordt neergezet waar hij beter niet kan staan omdat de zin dan niet meer klopt.



Woordkeuzefouten

1. woordvergissing

Het gekozen woord lijkt qua vorm sterk op het woord dat je zou moeten gebruiken, maar heeft een andere betekenis. ( Dit geneesmiddel verwijdert de bloedvaten…..verwijdert moet verwijdt zijn)



2. contaminatie

Dit gebeurt als je een woord wil zeggen maar er komt eigenlijk ook een ander woord uit: bijvoorbeeld edelmant => diamant + edelsteen OF hij rookt als een ketting => hij rookt als een schoorsteen + hij is een kettingroker



3. congruentiefout

Dit is als het onderwerp en de persoonsvorm in de verkeerde vorm worden gezet: Katja lopen op straat.



4. bijzondere gevoelswaarde

Dit is als er een woord gebruikt worden waardoor je meteen aan iets gaat denken waar dat woord bij hoort (concentratiekamp) terwijl je alleen iets probeerde te overdrijven.



Drogredenen

1. onjuist gebruikte reden, oorzaak of verklaring

Het aantal oogklachten is toegenomen nadat we nieuwe computers hebben gekregen. Dus er is iets met die beeldschermen aan de hand.



2. verkeerde vergelijking

Ik vind het heel gevaarlijk om jou dat alleen te laten beslissen. Kleine kinderen laat je ook niet alleen oversteken.



3. generalisatie

Kijk, daar staat eddie bij het fietsenhok. Dus de hele klas zal al we vrij zijn……. Je kan niet op grond van 1 voorbeeld een standpunt aannemen.



4. autoriteitsargument

Je denk dat je kunt volstaan met een verwijzing naar een bepaalde persoon die ooit iets heeft gezegd. (dat hoeft dus niet op iedereen van toepassing te zijn!)

Het is waar want het staat in de bijbel.



5. ontduiking van bewijslast

Je mag niet als argument noemen dat het geven van een argument onnodig is.

Ik mag thuiskomen wanneer ik dat wil. Moet ik daar nog een reden voor geven?



6. cirkelredenering

je moet met je argument niet het standpunt herhalen.

Ik mag thuiskomen wanneer ik dat wil, omdat ik dat mag bepalen.



7. vaag taalgebruik

Ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn tas, dus ik pas in mijn tas.



8. onzakelijke argumentatie

Als je in een betoog iets persoonlijks van je tegenstander in het geding brengt, dan maak je je schuldig aan onzakelijke argumentatie.

Iemand met zo’n kapsel kan toch niks zinnigs te vertellen hebben.



9. de overdreven consequentie

Ik ben echt tegen alcoholgebruik op schoolfeesten. Als we dat toestaan zijn onze leerlingen binnen de kortste keren aan de drugs.



10. vertekening van standpunten

De meeste feesten ontaarden in zuippartijen…… als je dan één voorbeeld noemt van een feest dat niet zo geëindigd is heb je de ander overtroefd.



Samenvatten:

1. verkennend lezen

- titel lezen

- bron bekijken

- 1e alinea lezen

- van elke volgende alinea lees je de 1e zin

- leest de laatste alinea

2. Studerend lezen

- leest de tekst helemaal

- stelt per alinea de kernzin vast

- stel van elke alinea de functie vast

3. kernzinnen eventueel aanvullen

- Je controleert of elke kernzin zonder aanvullende info duidelijk genoeg is zo nee… aanvullen

4. bepalen of alle kernzinnen noodzakelijk zijn

- Je gaat na of allen zinnen wel in de samenvatting moeten komen.

5. controleren of de geselecteerde kernzinnen de hoofdpunten weergeven

6. herformuleren

- je gaat de overgebleven zinnen herformuleren in eigen woorden, hierbij kan het nodig zijn om een nieuwe alinea indeling te maken.

7. controleren van de spelling en interpunctie



Gegevens verwerken

Alfabetische indeling

Alle deelinformatie ga je alfabetisch ordenen



Chronologische indeling

Je gaat alles ordenen m.b.v. een tijdsvolgorde (bijvoorbeeld van heel lang geleden tot nu)



Aardrijkskundige indeling

Indelen via een geografisch principe (bijvoorbeeld nederland, europa, azië)



Thematische indeling

Je onderwerp splits je in thema’s ( bijvoorbeeld mannenmode, vrouwenmode, beroemde ontwerpers enz.)



Functies van tekstdelen

1. aaneenschakeling en, ook, verder enzovoorts…

2. tegenstelling maar, echter, daarentegen enz….

3. reden/argument want, omdat enz.

4. oorzaak-gevolg doordat, daardoor, hierdoor enz...

5. doel-middel opdat, om , daartoe, met de bedoeling……

6. detaillering/toelichting dat houdt in, dat wil zeggen……

7. voorbeeld bijvoorbeeld, zo, zoals……

8. voorwaarde als, indien, wanneer……

9. bewijs het bewijs is, dat bewijst

10. inperking/relativering hoewel, ofschoon, ondanks dat……

11. vergelijking alsof, evenals, net als……

12. samenvatting kortom, samenvattend

13. conclusie dus, concluderend, dat betekend……



Tekstverbanden

1. verwijswoorden

woorden die verwijzen naar een ander woord

2. signaalwoorden

deze geven een signaal dat er een bepaald verband bestaat tussen zinnen of delen van zinnen, maar ook tussen alinea’s (want, omdat…)

3.inhoudswoorden

deze woorden bepalen de eigenlijke inhoud van de tekst. Het kunnen werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden zijn.

4. onzichtbare verbindingen

Mildred is boos. Kevin is niet komen opdagen.



Verwijswoorden

Aanwijzende voornaamwoorden:

Deze, die, dit , dat

Betrekkelijke voornaamwoorden:

Die, die, hetgeen

Persoonlijk voornaamwoorden:

Ze, hij, het

Bijwoorden:

Daar, waarmee, waarvan



Fouten die kunnen voorkomen:

- verwijswoord is grammaticaal fout

- verwijswoord is onduidelijk (antecedent weg, blijft vaag, 2 mogelijk, staat te ver weg)

- verwijswoord is mannelijk terwijl er ook naar vrouwen word verwezen

- verwijswoord gebruikt maar niet volgens afgegeven signaal gehandeld.

- Word een dubbel signaal gegeven. (zoals bijvoorbeeld)



Een bijwoord zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord. Een voornaamwoord is een woord dat voor of in plaats van een zelfstandig naamwoord kan staan.



Hoofdletters:

- als een zin begint met een losse letter schrijf je de 1e letter van het hele woord als hoofdletter.

- Als een zin begint met een getal in cijfers krijgt het 1e woord geen hoofdletter

- Alles wat heilig is krijgt een hoofdletter

- Vorsten en staatshoofden krijgen een hoofdletter als het om de staatsrechtelijke functie gaat.

- Afleidingen van aardrijkskundige namen krijgen een hoofdletter

- Name van feestdagen en tijdperken (afleidingen niet !!!)

- Namen van culturele, maatschappelijke en godsdienstige stromingen krijgen een KLEINE LETTER

- Afkortingen van wetten en regelingen

- Afgekorte naam van bedrijf of instituut heeft de schrijfwijze die het bedrijf aanhoudt.

- Afkortingen meestal in KLEINE LETTERS zonder punten

- Persoonsnamen die tot zaaknaam/soortnaam zijn geworden, krijgen een KLEINE LETTER.

- Aardrijkskundige namen die niet meer echt als aardrijkskundige naam fungeren krijgen een KLEINE LETTER


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.