ADVERTENTIE
Proefstuderen vanuit huis? Wil je vóór dat je een studie kiest, zeker weten of het qua inhoud is wat je ervan verwacht? Dat kan! Volg één van de vijf online proefstudies en ontdek hoe het is om aan de universiteit van Wageningen te studeren. Je volgt videocolleges en maakt opdrachten, gewoon vanuit je slaapkamer. Je wordt begeleid door studenten, die je vragen kunt stellen over de inhoud van de proefstudie of gewoon over het studentenleven! Alles is vrijblijvend, je zit nergens aan vast.

Meld je aan!
Het informatieve doel:
Een zender verstrekt gegevens over een gebeurtenis of situatie. Hij onthoudt zich van een eigen beoordeling van die gegevens.

Informeren: Wanneer de zender zich beperkt tot een zakelijke opsomming van de feiten spreken we van informeren. Voorbeelden zijn: een nieuwsbericht, een omroepbericht (bv. op een station), een zakelijke brief, een zakelijk verslag, een korte biografie.

Uiteenzetten: Wanneer de zender aan de gegevens uitleg toevoegt, spreken we van uiteenzetten. De uitleg kan betrekking hebben op de samenhang tussen de gegevens. De uitleg kan ook een verklaring of een toelichting inhouden. Voorbeelden zijn: een handleiding of gebruiksaanwijzing, een instructie, een historisch overzicht.

Het persuasieve doel:

Een zender wil de ontvanger aan het denken zetten over een kwestie en wil bereiken dat de ontvanger zich een mening vormt.

Beschouwen: Een zender wil de ontvanger aan het denken zetten door verschijnselen te verklaren, situaties te analyseren en/of ontwikkelingen te interpreteren. Daarbij kan hij zijn eigen mening naast die van anderen zetten. Voorbeelden zijn: een beschouwing, een achtergrondartikel, een ingezonden brief, een commentaar.

Betogen: Een zender geeft zijn mening over een gebeurtenis of situatie. De zender doet een beroep op het verstand van de ontvanger. De ontvanger moet de mening vd zender overnemen. De zender ondersteunt zijn standpunt met argumenten. Vaak gaat hij ook in op tegenargumenten. Voorbeelden zijn: een betoog, een ingezonden brief, een commentaar.

Activeren: Een zender doet een beroep op het verstand vd ontvanger en op zijn gevoel. De zender wil de ontvanger motiveren in actie te komen. Kenmerkend is de oproep aan de ontvanger. Die is soms heel duidelijk aanwezig en soms wat meer verborgen. Voorbeelden zijn: een open brief, een reclametekst, een recensie.

Het expressieve doel:

Een zender wil de ontvanger deelgenoot maken van zijn gevoelens, bijv. verbazing, ontroering, ergernis of boosheid. Voorbeelden van expressieve teksten zijn: een ingezonden brief, een gedicht, een liedtekst, een cabarettekst.

Het diverterende doel:

Een zender wil de ontvanger vermaken. Het gaat niet zozeer om de feitelijk gegeven info, maar om de amusementswaarde ervan. Voorbeelden zijn: een sprookje, een liefdesverhaal, een detective, een avonturenverhaal, een mop, een liedtekst, een reisverhaal.

- Ook zenders met andere doelen verstrekken de ontvanger gegevens. Zij beperken zich echter niet tot het zakelijk weergeven van de feiten zoals ze zijn. Zij willen meer (persuasief, expressief). Informeren is dan niet het hoofddoel, maar een subdoel.
- De grens tussen informeren en uiteenzetten is niet scherp. Gewoonlijk zijn uiteenzettende teksten langer. Sommige nieuwsberichten zijn deels informerend, deels uiteenzettend.
- Zenders met een persuasief doel maken hun tekst vaak deels diverterend. Zo proberen zij hun boodschap aardig te verpakken. Het diverterend doel ondersteunt dan het andere, eigenlijke doel. Vaak is het diverterend gedeelte dan aan het begin geplaatst, omdat daar de aandacht van de ontvanger moet worden getrokken.

Globaal lezen:

5 stappen:
- Kijk naar de auteur en de bron vd tekst.
- Probeer vast te stellen met welke aanleiding, bij welke gelegenheid of in welke situatie de tekst tot stand is gekomen.
- Kijk naar de titel, de eventuele ondertitel en naar eventuele tussenkoppen.
- Lees de inleiding.
- Lees het slot.

Intensief lezen:

Intensief lezen is altijd een vervolg op globaal lezen.
Volgende 4 stappen:
- Lees het middengedeelte van de tekst volledig en ga na uit welke delen deze kern bestaat.
- Ga na welke relaties of tekstverbanden er spelen tussen deze delen en inleiding en slot, tussen deze delen onderling en binnen deze delen.
- Onderzoek wat de belangrijkste mededelingen per alinea zijn.
- Ga na of de uitkomsten van het globaal lezen worden bevestigd of misschien moeten worden bijgesteld.

Kritisch lezen:

Kritisch lezen is weer een vervolg op intensief lezen.
Volgende 2 stappen:
- Ga, voor zover mogelijk, na of de gegevens in de tekst betrouwbaar en/of controleerbaar zijn. Als dat zo is, zijn het feiten.
- Beoordeel of de redenering in de tekst zuiver is. Het gaat hierbij om geldigheid en kracht van argumenten, om de onderbouwing van bv. stelling of conclusie.

4 manieren van communiceren:
1. spreken. 3. schrijven.
2. luisteren. 4. lezen.

Spreekschema:
1. Inleiding. 3. Slot.
2. Kern/middenstuk.

4 discussiefasen:
1. Probleemstelling. (2 stappen: 1. er is iets gebeurd, 2. daardoor ontstaat een probleem)
2. Meningsvorming.
3. Wikken en wegen. (meningen worden met elkaar vergeleken)
4. Samenvatting. (uiteindelijk standpunt)

Verschillende rollen in discussie:
1. De betweter.
2. De omslachtige deelnemer.
3. De verwaande deelnemer.
4. De negatieve deelnemer.
5. De agressieve deelnemer.
6. De ja-knikker.
7. De schuchtere deelnemer.
8. De stokpaardberijder.
9. De clown.
Op vier manieren deelnemen aan discussie:
1. Structureel.
2. Sociaal.
3. Communicatief.
4. Informatief.

5 argumentatie kenmerken:
1. Argumentatie is een sociale activiteit.
2. verstandelijke activiteit.
3. verbale activiteit.
4. Argumentatie draait altijd om meningen, feiten hebben geen argumentatie nodig.
5. Argumentatie is bedoeld om te overtuigen. Daarom gebruik je veel woorden als dus, want en omdat.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast

M.

M.

Aiii thanks boyyy
Soldier!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Bedankt ik heb d'r nog wel wat aan gehad.

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast