Examenkandidaten gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Literatuur: Bladzijde 12 t/m 34

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1229 woorden
  • 24 september 2014
  • 3 keer beoordeeld
Cijfer 6.8
3 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
"Hij was echt die meester die iedereen voor de klas wil hebben"

Pabo-student Melle wil graag leraar worden. Wij spreken hem over zijn rolmodel en hoe het is om stage te lopen. Wil je meer weten over hoe het is om voor de klas te staan en hoe je zelf leraar kunt worden? Check onze pagina over ‘leraar worden’! 

Naar de pagina

Bladzijde : 12 tot en met 19

  1. Een tekst heeft vaak een bepaald effect op je. Een reden om te lezen heet een leesmotivatie. Zoals nieuwsgierigheid (wat er gaat gebeuren en waarom). Door inleving in personages heb je soms herkenningen en kan je ondervinden hoe mensen zijn.
  2. De ene houdt van avontuur boeken, de ander van spanning dat ligt aan de smaak van boeken die je hebt. Als je ouder wordt of andere interesses krijgt ontwikkel je je smaak = smaakontwikkeling.
  3. Verwachtingen over een boek ontstaan door:

1.Wat je er over hoor, heb gelezen.

2.Door het genre. (avontuur, horror)

3.Door titel/boekomslag/ achterflap

Verwachtingen over gedichten/verhalen.

1.Door suggesties krijg je bepaalde vermoedens.

2.Inleven in personages die interessant/bijzonder zijn.

Het wel of niet uitkomen van verwachtingen laten een bepaald effect op je na en grotendeels jouw oordeel over het boek.

  1. In zakelijke teksten zoals schoolboeken is informatie zo eenduidig mogelijk gemaakt -> alles duidelijk -> en de informatie moet ook kloppen. Bij literaire teksten is dit niet -> meerduidigheid. Onduidelijkheden door open plekken.
  2. Open plek is een klein of groter tekst gedeelte wat onduidelijk is (vragen oproept) Open plekken kun je al lezend opvullen. Open plekken ontstaan door:

1.informatie achterstand (tegenstrijdige informatie/ontbrekende informatie)

2.vermoedens je wilt weten of ze kloppen of verwachtingen over het verloop van het verhaal (of suggesties)

3.Of het gedrag van personages waarom ze iets doen of niet.

4.Ook de titel roept een open plek op: Waarom is dat de titel? Welk verband kan je leggen tussen de titel en het boek?

Sommige open plekken kan je al snel invullen sommige na een paar hoofdstukken en sommige pas aan het einde van het boek. Sommige ingevuld = gesloten einde en als er nog onduidelijk heden en vragen zijn = open einde.

  1. Literaire teksten op 3 manieren gepresenteerd.
  1. Proza manier waarop de tekst op de bladzijde staat speelt geen rol ->  totale breedte van pagina worden gevuld. De lengte van een proza verschillen.

100> = roman                    80-100 = novelle                      80< = (kort)verhaal

  1. Gedichten herken je door de bijzondere manier hoe het op een pagina staat, het bestaat uit versregels, dus niet over de hele blz. groepjes bij elkaar horende zinnen zijn strofen.
  2. Toneel -> voor publiek gespeeld te worden uitgangspunt van een toneelvoorstelling.
    1. bv. Zakelijke teksten -> werkelijkheid + betrouwbaarheid -> Non- fictie

fictionele tekst -> werkelijkheid veranderen -> fictie

Veel literaire teksten -> fictie -> geen werkelijkheidseis

3.1Afvragen wat de betekenis of thematiek van het verhaal is -> spontaan = spontane betekenisgeving -> aandacht voor bepaalde aspecten. Gericht op wat je opvalt of aanspreekt -> tekst anders gezien. Ook verder dan spontane betekenis geving. Hoe de tekst is geschreven en of je nog andere samenhangen kunt ontdekken. = dergelijke meer bewuste manier van lezen -> bewuste betekenisgeving -> analyseren.

 

Bladzijde 23 tot en met

H2 1.1   Bij een verhaal de vragen van waarover verteld wordt.

  • De chronologische volgorde van gebeurtenissen van het verhaal.
  • de personages
  • tijd en ruimte waar het plaats vindt,
    1. Verhaal = gebeurtenissen die chronologisch te ordenen zijn. Maar niet altijd chronologisch verteld worden, je legt verbanden tussen chronologische op elkaar volgende gebeurtenissen.
    2. De personages zijn in verhalen verbonden met de gebeurtenissen, gebeurtenissen beginnen = als personages iets doet of op gebeurtenissen reageert. Personages vervullen hun rollen als:
  1. Hoofdpersoon, die een bepaald doel heeft, de hoofdpersoon is een personage die betrokken is bij belangrijkste gebeurtenissen.
  2. Bij personen die de rol hebben van helper of tegenstander.

BELANGRIJK: Ook emoties, omstandigheden, karaktereigenschappen kunnen als ‘helper’ of ‘tegenstander’ functioneren.

Doel van hoofdpersoon heeft vaak te maken met het genre.

Personages leer je kennen op

  1. Directe manier: Leest de karakter eigenschappen.
  2. Indirecte manier: Wat ze doen, denken, zeggen en verzwijgen.

Manieren van personages beoordelen:

  1. Psychologisch: wat een personage doet: kan je vreemd, verklaarbaar of onbegrijpelijk opvatten.
  2. Normen en waarde: Gedrag van personages kan afwijken dan wat jij zal doen: eerlijkheid, vrijheid enz.
    1. Tijd en ruimte = de setting. Bv. In een bepaalde historische tijd. ( in de 2e wereldoorlog bv.) ruimte is waar de gebeurtenissen plaats vinden.
    2. Ieder verhaal heeft zijn eigen structuur (ook opbouw) = volgorde, motieven, verhaallijnen enz. Centraal als vraag staat: hoe wordt het verhaal verteld?

Verteltijd = aantal blz.                        (bv. 87 blz.).

Vertelde tijd= duur van het verhaal (bv. een zomer).

 

 

 

 

  1. Chronologische volgorde & een niet chronologische volgorde, niet chronologisch = volgorde van de gebeurtenissen proberen vast te stellen.

Chronologie wordt doorgebroken door terug verwijzingen. Als je als lezer een terug of voorverwijzing ontdek ga je een samenhang ontdekken in het verhaal. Je legt verbanden. (= hoe meer verbanden des te groter is de samenhang).

Terugverwijzen wordt vaak gedaan met flashbacks. Gebeurtenis die een personage eerder heeft meegemaakt. Een functie van flashback is meer informatie geven over de personages.  Verklaringen over eigenschappen en gedrag enz.

  1. Als lezer van verhalen let je op betekenisvolle herhalingen. Elementen die in verhalen herhaald worden, zijn motieven. Er zijn twee soorten motieven:
  1. een verhaalmotief is het terugkeren van bepaalde situaties, waarnemingen, gebeurtenissen, gevoelens, opvattingen enz. = herkend terug kerend betekenis vol element.
  2. Een leidmotief is de herhaling van een bepaald woord of een volgens jou als lezer betekenisvol concreet voorwerp.
    1. Verhalen bestaan uit meerdere verhaallijnen, een verhaallijn is een samenhangende reeks van gebeurtenissen. Gebeurtenissen horen bij bepaalde personages. (personages veranderen = nieuwe verhaallijnen met bv andere personages)
    2. als je je richt op de verteller is de vraag: Wie vertelt het verhaal? Daarna de onbetrouwbaarheid.

Wie is een naamloze ik-figuur? NIET DE schrijver, de schrijver is een echt mens die bestaat. Deze vertelinstantie(of verteller) is een aspect van het verhaal: de verteller maakt deel uit van de verhaalwerkelijkheid.

  1. Verhaalinstantie bepalen - > twee aspecten vaststellen:
  1. Of de verhaalinstantie merkbaar in het verhaal aanwezig is.
  2. Als er een merkbaar aanwezige vertelinstantie is vaststellen of het een personage is of niet.

Bij de auctoriale vertelinstantie (de auctoriale verteller) is de verteller duidelijk merkbaar in de teskt aanwezig. Bv. commentaar, uitleg.

 

Net als bij de auctoriale vertelinstantie is bij de ik-vertelinstantie de verteller merkbaar aanwezig in het verhaal dat wordt verteld. De ik-figuur is de verteller. Wat hij bv. heeft beleefd of meegemaakt. Je leest het uit de ogen van de ik-figuur.

Behalve verhalen met één ik-verteller zijn er ook verhalen met meer dan één ik-verteller: meervoudige ik-vertelinstantie.

Bij de personale vertelinstantie: is de vertelinstantie niet duidelijk merkbaar. Laat niet merken dat het verteld wordt. Het wordt in de Hij of zij vorm verteld. Als je wilt weten wat er precies in verhalen gebeurd en waarom, moet je nagaan of de vertelinstanties (on)betrouwbaar zijn.

  1. Als lezer vraag je je af welk verband je kunt leggen tussen de titel en het verhaal. Je probeert een titelverklaring te geven. Titel kan letterlijk of figuurlijk bedoeld zijn. Soms heeft een verhaal een ondertitel. Waar je je door kan laten leiden.

Sommige boeken hebben een motto: meestal een citaat uit een boek dat aan het verhaal voorafgaat. Functioneren als leesaanwijzingen. Bv naar het onderwerp of de belangrijkste problematiek van het verhaal.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.