VACATURE! Vind je het leuk om te schrijven en heb je originele ideeën? Wij zoeken nieuwe bloggers. Klik hier voor de vacature.


ADVERTENTIE
Maak nu een gratis account aan op Mijn Examenbundel!

Nog 17 weken tot de eindexamens beginnen. Wil jij je zo goed mogelijk voorbereiden? Check Mijn Examenbundel voor een gepersonaliseerd dashboard en rooster, examenstof per vak, gratis oefenexamens en meer!

Naar mijn.examenbundel.nl
Samenvatting van de literaire begrippen:

Hoofdpersoon:

De hoofdpersoon van een verhaal is de persoon uit verhaal die de meeste aandacht krijgt van de schrijver. Je leest het verhaal via die persoon. Je weet wat hij doormaakt, denkt en zegt. Soms heb je meerdere hoofdpersonen in een boek, het kan ook zijn dat de hoofdpersoon wisselt in het boek.

Karakter:

Een karakter is een personage uit het boek waarvan het innerlijk wordt beschreven, dus ook de gevoelens en gedachten. Karakters zijn veelzijdig en onvoorspelbaar en een karakter maakt bijna altijd een ontwikkeling door in het boek.

Type:

Een personage wat geen ontwikkelingen doormaakt in het boek is een type. De lezer kent zijn innerlijk niet en weet niet wat hij denkt of voelt. Bij een type wordt alleen het uiterlijk beschreven. Types zijn veel oppervlakkiger dan karakters. Types zijn vaak bijpersonen.


Antiheld:

Een antiheld is een (heldhaftige) hoofdpersoon in een verhaal die om een bepaalde reden niet uitnodigt tot identificatie. Een antiheld is een neutrale aanduiding voor hoofdfiguur en het is aanduiding voor een personage dat heldhaftige daden verricht. Er is altijd wel iets mis met een antiheld. Zijn heldhaftige acties lopen vaak verkeerd af. Daarom zijn ze vaak menselijker en interessanter dan ‘gewone’ honderd-procent-goed-helden.

Speaking name:

Een personage heeft een “speaking name” als zijn naam een extra betekenis heeft. De schrijver denkt goed na over de namen van de personages. In een roman hebben ze vaak een speciale betekenis. Dan zijn de namen bijv. van Griekse goden en godinnen.

Personages:

Een personage is een verhaal- of filmfiguur. Hoofdpersonen en bijfiguren zijn allemaal personages. Als je het verhaal goed wilt begrijpen kan je eens goed naar de personages kijken. Dat doe je als volgt:
• Vraag je af of de personages karakters of typen zijn.
• Bepaal wie de hoofd- en bijpersonen zijn.
• Vraag je af welke relatie de personages tot elkaar staan.
• Let op de beschrijving van het uiterlijk van de hoofdpersoon.
• Let op wat je te weten bent gekomen van het innerlijk van de hoofdpersoon.

• Let op de naam van de hoofdpersoon, ga na of het een betekenis heeft.

Perspectief en verteller:

Perspectief betekent gezichtspunt. Daarmee wordt bedoeld dat de lezer als het ware ‘over de schouder’ meekijkt met een van de personages. Er zijn drie verschillende soorten perspectief:
•Ik-perspectief:
Het lijkt alsof de ik-figuur al schrijvend verslag doet van de dingen die hij direct meemaakt of ooit beleefd heeft.
•Hij/Zij-perspectief:
De vertelwijze is hier iets ingewikkelder dan die van het ik-verhaal. Het lijkt namelijk alsof er in zo’n verhaal geen verteller aanwezig is en dat het verhaal ‘zichzelf vertelt’.
•Gecombineerd perspectief en alwetende verteller.
Deze vorm tref je niet zo vaak aan. Het is een soort mengvorm van het verhaal met een ik-verteller en het verhaal met een verborgen verteller. In deze mengvorm lijkt het erop alsof er iemand het verhaal aan jou vertelt. Soms is deze verteller(die optreed als een ik-figuur) duidelijk in beeld en richt hij zich direct op jou en soms lijkt het erop dat de verteller afwezig is en het verhaal vertelt aan zichzelf. Er wordt vaak ook commentaar geleverd op de gebeurtenissen.
In schema ziet het er als volgt uit:
Hoofdfiguren Vertellers Perspectief ligt bij…
ik-figuur (eventueel met naam) ik-verteller ik-figuur (eventueel met naam)
hij- of zij-figuur (met naam) onzichtbare (verborgen) verteller hij- of zij-figuur (met naam)
hij- of zij-figuur (met naam) alwetende (auctoriële) verteller hij- of zij-figuur (met naam) óf alwetende verteller.

Perspectief en spanning.

Het gehanteerde perspectief draagt in hoge mate bij aan de spanning van het verhaal. Bijv. als je als lezer eerst over de schouder meekijkt met een schurk die een bom in een koelkast plaatst en daarna meekijkt met de hoofdpersoon die een biertje uit de koelkast wil pakken. Op dat moment heeft de lezer meer informatie dan de hoofdpersoon waardoor de lezer een vermoeden krijgt wat er gaat gebeuren en het erg spannend wordt. Het kan ook andersom, dus dat de lezer juist te weinig informatie heeft. Bijv. als er in een verhaal een moord is gepleegd en de hoofdpersoon is het hele verhaal bezig met het ontmaskeren van de moordenaar. De lezer wordt ook erg nieuwsgierig naar de dader en de spanning wordt opgebouwd.

Ruimte:

De ruimte is de plaats waar het verhaal zich afspeelt. De ruimte bepaalt voor een belangrijk deel de sfeer en de spanning in een boek of film. Je moet er altijd goed op letten waar de meeste gebeurtenissen afspelen en of de schrijver veel of weinig aandacht aan de beschrijving van de ruimte besteedt. Met ruimte wordt niet alleen de topografische plaats bedoeld waar het verhaal zich afspeelt, maar ook de klimatologische omstandigheden (bijv. het weer).

Tijd:

Behalve dat de gebeurtenissen zich afspelen in een bepaalde ruimte, strekken de gebeurtenissen zich ook uit over een bepaalde tijd. Niet alles uit een verschreven periode is even belangrijk voor het verhaal. Verrassende constructie van een verhaal, afwisseling van tempo en ritme zorgen voor spanning in een verhaal.
Aantal tijdsaspecten waar je in een leesverslag zeker aandacht aan moet besteden:
• Chronologisch:
Een verhaal noem je chronologisch als de gebeurtenissen in het verhaal worden verteld in de volgorde zoals ze zich in werkelijkheid ook hadden afgespeeld. Als je een samenvatting maakt van een verhaal en je zet de gebeurtenissen uit het verhaal in de volgorde zoals die in werkelijkheid plaats hebben gevonden, dan geef je de fabel van het verhaal. Als je in je samenvatting de gebeurtenissen zet in de volgorde zoals die in het boek beschreven worden, dan geef je het sujet van het verhaal.
• Flashback:
Wanneer een personage terugblikt naar een gebeurtenis in het verleden spreek je van een flashback. De gebeurtenis onderbreekt de loop van het verhaal.
• Flashforward:
Een flashforward is een vooruitwijzing naar een mogelijke gebeurtenis in de toekomst in het verhaal. Bij die vooruitwijzing wordt er niets onthuld, maar wordt er gezinsbeeld op een mogelijke afloop.
• Tijdverdichting.
Als een schrijver bepaalde stukken in een roman kort in enkele woorden of regels samenvat, spreek je van een tijdverdichting.
• Tijdsprong:
Een tijdsprong is een bijzondere vorm van een tijdverdichting. Met een witregel geeft de schrijver aan dat er een hoeveelheid tijd is gepasseerd. Als er in een roman veel tijdsprongen worden gemaakt noem je zo’n roman een discontinu.
• Tijdvertraging:
Als een schrijver een gebeurtenis in zijn boek langer laat duren dan dat het in werkelijk aan tijd gekost zou hebben, spreek je van tijdvertraging.
• Vertelde tijd:
De tijd waarover de gebeurtenissen zich uitstrekken wordt aangeduid met de term “vertelde tijd”.
• Verteltijd:
De tijd die een schrijver nodig heeft om zijn verhaal onder woorden te brengen, wordt verteldijd genoemd (hoeveelheid woorden, pagina’s, zinnen, alinea’s of hoofdstukken).

Thema:

Het thema is de kortste aanduiding van het centrale gegeven waar een verhaal eigenlijk over gaat. Het thema geeft de kortste samenvatting van een verhaal. Bijv bij assepoester, het thema van dat verhaal is: De gedachte dat eenvoud, eerlijkheid en deugdzaamheid uiteindelijk zullen worden beloond. Bij veel sprookjes leidt zo’n korte samenvatting tot de moraal van het verhaal. dat wil zeggen: de les die je eruit kunt leren. Bij boeken en verhalen is het wat moeilijker, hierbij hoeft een gedachte niet per se een “lesje” te zijn. Ik het algemeen valt er in een boek maar één thema aan te wijzen. Je kunt stellen dat fundamentele kwesties en ingrijpende gebeurtenissen uit een mensenleven, die voor iedereen duidelijk herkenbaar zijn, als thema van een roman uitgewerkt kunnen worden. De titel, het motto en soms de naam van de hoofdpersoon geven je bruikbare aanknopingspunten voor het vaststellen van het thema. Het thema moet altijd in een zin verwoord worden.

Motief:

Motief betekent ‘patroon’. Motieven geven het thema vorm en zorgen ervoor dat een lezer het verhaal als een zinvolle eenheid ervaart en niet als een aaneenschakeling van losse gebeurtenissen. De lezer krijgt het gevoel dat het verhaal ergens over gaat. Om ordening aan te brengen in de gebeurtenissen, personen en dialogen zal een auteur één of meerdere patronen aanbrengen in het verhaal.. Een patroon ontstaat wanneer kleinere delen door herhaling aan elkaar geschakeld worden.
Er zijn verschillende soorten motieven:
• Abstracte motieven:
Dit soort motieven zijn kleinere thema’s (toeval, liefde, haat verraad, angst, schuld, wraak).
• Leidmotief:
Een leidmotief is een concreet, tastbaar en terugkerend element. Dit element heeft altijd een symbolische functie: je kunt er een algemenere betekenis aan hechten.
• Klassieke motieven:
klassieke motieven zijn opvallende elementen uit klassieke verhalen. Bijv. als een verhaalfiguur slecht behandeld wordt door haar gemene stiefmoeder spreek je van een “assepoestermotief”.
Ten slotte: de term grondmotief is een ander woord voor thema.

Stijl:

Me ‘de stijl van een schrijver’ bedoel je het taalgebruik dat juist voor hem of haar zo opvallend is. Stijl is de persoonlijke optelsom van zinsbouw, woordkeus, beeldspraak, ruimtebeschrijving en dialoog.
Als je de stijl van een schrijver wilt karakteriseren,vraag je je af:
• of de auteur korte of lange zinnen gebruikt.
• of de auteur veel of weinig bijvoeglijke naamwoorden gebruikt.
• of de auteur moeilijke of makkelijke woorden gebruikt.
• of de auteur ouderwetse woorden (archaïsmen) of nieuwe woorden (neologismen) gebruikt.
• of de auteur veel dialogen gebruikt of juist niet.
• of de auteur beeldende ruimtebeschrijvingen geeft of juist weinig.

Cliché:

Een cliché is een afgezaagde uitdrukking of versleten beeldspraak. De gebruiker van clichés maakt met zijn taalgebruik een opvallende, originele en krachtige indruk. Literair taalgebruik kenmerkt zich juist door de afwezigheid van clichés. In bredere zin noem je verhalen, boeken of films clichématig, als deze naar vorm of inhoud voorspelbaar zijn.

Titelverklaring:

Wie iets zinnigs probeert te zeggen over de titel van een roman geeft een titelverklaring. De titel heeft vaak met het thema te maken. Soms is er niet veel over de titel te vertellen, maar soms zal het ook voor de hand liggen wat de titel betekent.

Motto:

En motto is een uitdrukking die in het kort de geest of bedoeling van een roman aanduidt. Je vindt het motto –als dat aanwezig is– in de vorm van een klein tekst fragment voorin de roman. De schrijver heeft dan een kernspreuk aan het boek gegeven. Het motto verwijst zich naar de thema van het boek.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

echt een goeie

4 jaar geleden