Nederlands Samenvatting

Taal en Woordenschat 

Hoofdstuk 3

Dubbel op (fouten):

  • Pleonasme: een eigenschap van een zn, wordt in een bn ten overvloede gebruikt

Voorbeeld: groen gras, witte sneeuw, zwarte neger

  • Tautologie: Twee synoniemen, dezelfde woordsoort

Voorbeeld: enkel en alleen, je mond houden en zwijgen

  • Contaminatie: twee woorden of uitdrukkingen verwarren

Voorbeeld: optelefoneren (opbellen en telefoneren), uitprinten (uitdrukken en printen)

 

Lezen

Hoofdstuk 3/4

Tekststructuren:

  • Argumentatiestructuur:                inleiding;                 stelling, standpunt

Middenstuk; argumenten stelling, tegenargumenten en weerlegging

Slot; herhaling stelling

  • Probleem/oplossingstructuur:   Inleiding;                 probleem

Middenstuk; gevolgen, oorzaken, oplossingen

Slot; de beste oplossing

  • Verklaringsstructuur:                     Inleiding;                 noemen van een bepaald verschijnsel
  • Vraag/antwoordstructuur:          Inleiding;                 vraag

Slot; samenvatting of conclusie

  • Aspectenstructuur:                         Inleiding;                 aankondiging onderwerp

Middenstuk; diverse aspecten van een onderwerp

Slot; samenvatting

  • Verleden/heden/
  • Inleiding;                 introductie onderwerp

Middenstuk; situatie vroeger/in de toekomst/nu

  • Voor- en nadelenstructuur:        Inleiding;                 vraag of stelling

Middenstuk; voor- en nadelen

Slot; afweging, conclusie

 

Woordjes Woordenschat

Hoofdstuk 3/4

  1. Kosmos = f, het heelal
  2. Controverse = j, strijdvraag, twistpunt, onderwerp waar je niet uitkomt, onenigheid
  3. Neurologen = k, specialisten op het gebied van zenuwen, zenuwartsen
  4. Visuele = indrukken die je ziet, indrukken die je waarneemt met het oog
  5. Dwangmatigheid = c, neiging die je beslist níet kunt laten
  6. Rap = snel, heel vlug
  7. Grillige = n, onregelmatige (vorm)
  8. Is toegerust = d, heeft het vermogen of de eigenschappen (om)
  9. Neuronen = zenuwcellen
  10. Markante = i, opvallende
  11. Diametraal = precies tegenovergesteld, lijnrecht tegenover elkaar
  12. Opsteker = g, meevaller
  13. Prestigieuze = e, heel belangrijke, met veel aanzien
  14. Alerter = h, oplettender
  15. Neigde naar = lijkt op
  16. Uitsluitsel = b, beslissend antwoord
  17. Sublieme = uitmuntende, voortreffelijke
  18. Cognitieve = a, alles wat met het verstand en het kennen te maken heeft
  19. Perceptie = m, waarneming
  20. Firmament = l, sterrenhemel

 

  1. Bewindslieden = ministers
  2. Gaat mank = klopt niet
  3. Beginselen = de uitgangspunten
  4. Genetica = b; erfelijkheidsleer
  5. Omtrent = betreffende, over
  6. Waakzaamheid = oplettend
  7. Refereerde = k; verwees naar, doelde op
  8. Furore maakten = l; steeds bekender werden
  9. Zich meester maakte = overvallen
  10. Situeren = lokaliseren, aanwijzen, vertellen waar iets zich bevindt
  11. Apartheid = h; politiek-sociaal systeem in Zuid-Afrika waarbij zwarten, kleurlingen en blanken strikt gescheiden leefden (afgeschaft in 1994)
  12. Struisvogelpolitiek = c; gedrag van iemand die zijn ogen sluit voor problemen of gevaren, net doen of er niets aan de hand is
  13. Overspel = i; seksuele relatie met een ander dan degene met wie je getrouwd bent
  14. Zich inbeelden = zich voorstellen
  15. Euvel duiden = g; kwalijk nemen
  16. Het hart op de tong = niet nadenken voordat je iets zegt
  17. Iets op de lever hebben = e; iets graag willen vertellen omdat je er mee zit
  18. Fris van de lever = j; spontaan, vrijuit
  19. Temperament = f; kant van je karakter die bepaalt of je heftig en emotioneel reageert of juist niet
  20. Ter verontschuldiging = a; als excuus (voor)

 

  1. Bakkie troost = een kopje koffie
  2. Drie keer niks = helemaal niks
  3. De inwendige mens versterken = eten
  4. Verweggistan / Timboektoe = (denkbeeldig) ver land
  5. Gemeentepils = leidingwater
  6. Reukorgaan = de neus
  7. Tussen de klamme lappen = in bed
  8. Dat wil je niet weten = is te erg om te weten / achter te komen
  9. Tig = heel veel
  10. Jongeheer = penis

 

  1. Niet door de beugel kunnen = onacceptabel
  2. Op de automatische piloot = zonder na te denken 
  3. Iets kortsluiten = iets snel oplossing
  4. Een domper (op de feestvreugde) = de feestvreugde verminderen
  5. Stoom afblazen = agressie kwijtraken
  6. Iemand door de mangel halen = iemand onderdrukken
  7. Het paard achter de wagen spannen = zinloze maatregelen treffen
  8. De stoppen zijn doorgeslagen = over de rooie gaan
  9. Tandje hoger = iets harder werken, iets meer inzet tonen
  10. Een heet hangijzer = een onderwerp waar je je niet aan moet branden, een onderwerp waar je liever niet over spreekt

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.