Formuleren

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 563 woorden
  • 22 januari 2002
  • 127 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 127 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Formuleren
1. Tips voor bij het schrijven.
Bij het schrijven spreektaal gebruiken, geen echte schrijftaal. Wel volle zinnen. Letten op:
- geen moeilijkere woorden als normaal gebruiken (zoek synoniemen voor moeilijke woorden)
- niet al te lange zinnen (+/- 13 woorden per zin)
- zinnen niet te ingewikkeld maken
- Geen lange woorden (max. 5 lettergrepen)
- Afkortingen alleen gebruiken als je ze ook uit zou spreken als afkorting.
- Niet te veel persoonlijke voornaamwoorden, liever synoniemen

- Gebruik zoveel mogelijk hoofdzinnen
- Lidwoord en zelfstandig naamwoord dicht bij elkaar. Niet te grote toevoegingen ertussen (tangconstructies)
- Gebruik zoveel mogelijk de bedrijvende vorm, niet de lijdende vorm.
- Herhaal het onderwerp als je twee zinnen met ‘en’ of ‘maar’ aan elkaar plakt.
- Niet te veel voorzetsels in een stuk, dat maakt het ingewikkeld.

2. Standaardfouten.
1. Dubbelop (als de ‘dubbelop’ geen functie heeft, maak je een fout)
1.1 Herhaling
1.2 Tautolgoie (twee keer met andere woorden hetzelfde zeggen)
1.3 Pleonasme (eigenschap van een woord nog eens nadrukkelijk omschrijven)
1.4 Contaminatie (twee uitdrukkingen met elkaar mengen)
1.5 Dubbele ontkenning (ook bij woorden als voorkómen, misbruiken, verbieden, weerhouden, (na)laten.

2. Storende woordherhalingen

Te veel het gebruik van bijvoorbeeld ‘toen’, ‘maar’ of ‘ook’.
Vermijden door synoniemen of verwijswoorden.

3. Fouten met verwijswoorden.
3.1 Onjuiste verwijswoorden
‘Het’ woorden: onzijdige woorden verwijs je met: ‘het’, ‘zijn’, ‘dit’, ‘dat’.
Namen van landen, steden en clubs en alle verkleinwoorden zijn ook ‘het’-woorden.

‘De’ woorden: mannelijk of vrouwelijk verwijs je met: ‘deze’ en ‘die’.
Vrouwelijk: vrouwelijke personen en dieren.
‘De’ woorden, eindigend op:
-heid -ie
-nis -ij
-ing -iek
-st (niet bast, lust) -theek
-schap -teit
-te -uur
-de

Naar vrouwelijke woorden verwijs je met de pers. vnw. ‘zij’, ‘ze’ en ‘haar’ (d’r)
Een vrouwelijk woord dat geen levend wezen is, verwijs je niet met ‘zij’, maar met ‘ze.
Mannelijke woorden verwijs je met ‘hij’ en ‘hem’ en met ‘zijn’ (z’n)
Meervoudige zelfstandige naamwoorden verwijs je met ‘ze’, ‘zij’, ‘hen’, ’hun, ‘deze’ en ‘die’.
‘Hun’ is een meewerkend voorwerp, ‘ik heb het hun gevraagd’, maar niet ‘het is hun konijn’!

Je gebruikt het betrekkelijk voornaamwoord ‘wat’:
- na een onbepaald voornaamwoord: alles, iets, niets, het enige
- na een overtreffende trap: het grootste, het beste, het leukste
- als je terugwijst naar een hele zin

Aan wie, op wie … / waaraan, waarop …
Verwijzingen naar personen: aan wie, op wie, met wie enz.
Verwijzingen naar dieren of dingen: waarop, waarmee, waaraan enz.

3.2 Slordig verwijzen
Niet verwijzen naar iets wat nog niet genoemd is, naar meerdere dingen tegelijk of het onduidelijk laten wat er nou wordt bedoeld met de verwijzing.
Verwijs ook niet naar iets wat een hele tijd terug verteld is. Men weet dan niet meer waar het ook al weer over ging.

4. Geen congruentie
Bij enkelvoudig onderwerp geen meervoudig werkwoord gebrukken!
Bijv.: gros = enkelvoud
een aantal = enkelvoud
dit soort = enkelvoud
uitvoering = enkelvoud
drugs = meervoud
media = meervoud

5. Woorden of zinsdelen op een verkeerde plaats zetten.
5.1 Niet bij elkaar zetten wat wel bij elkaar hoort.
5.2 dat / als- constructie (voorkomen door ‘volgens mij’ te gebruiken)
5.3 Tangconstructie (veel te veel tussen lidwoord / bijvoeglijk naamwoord en onderwer)

6. Foutieve samentrekking
Let onder andere op enkelvoud en meervoud. Ook naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde niet samenvoegen.

7. Onjuiste beknopte bijzinnen
Maak er twee goede zinnen van of geef duidelijk aan om wie het gaat.

8. Te lange zinnen.
Te lange zinnen lezen niet lekker en je raakt snel de draad kwijt. Probeer dus korte zinnen en woorden te gebruiken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

hey

bedankt voor dit betoog :D
ik had dezelfde opdracht voor nederlands en heb hier dus veel aan gehad:D

16 jaar geleden

\.

\.

een klein foutje:
Bij punt drie, over de verwijswoorden, staat dat je niet kan zeggen 'het is hun konijn'. Maar dat mag wel, in dat geval is 'hun' een bezittelijk voornaamwoord.

8 jaar geleden