Samenvatting DAUT.

 

  • Historische achtergrond 1875 - 1914

Industrialisering vond plaats. Kapitalisme kwam veel voor. Veel arbeiders werkten in slechte omstandigheden. In de cultuurgeschiedenis wordt deze periode het Fin de siècle genoemd. Dit houdt in dat de kunst overging van oud naar nieuw. Er zijn nog trekken van oude kunst, maar ook de moderne kunst komt al naar voren. Er waren in het Fin de siècle verschillende kunststromen waarvan het impressionisme, naturalisme, symbolisme en de neoromantiek het belangrijkste zijn.

 

  • Het Fin de siècle

Charles Darwin werkte met zijn boeken mee aan het vormen van een nieuw wereldbeeld. Ook Freud droeg hier een steentje aan bij. Freud schreef bijvoorbeeld Die Traumdeutung.

Het Fin de siècle gevoel: de idee dat men aan het eind van een grote cultuurperiode stond en op de drempel van een nieuwe en onbekende eeuw die met angst, maar ook met verwachting werd tegemoetgezien.  Fin de siècle wordt ook wel La belle époque genoemd.

Estheticisme:  De opvatting dat kunst uitsluitend iets moois dient te zijn.

L’art pour l’art: Kunst omwille van kunst. Het gaat niet om de inhoud, maar om de vorm.

 

  • Het impressionisme

Het impressionisme is een reactie en een voortzetting op het realisme. Realisme gaat uit van objectieve waarneming. Bij het impressionisme gaat het niet om het weergeven van de werkelijkheid, maar om het weergeven van de werkelijkheid zoals de kunstenaar de werkelijkheid ervaart. Het impressionisme is nauw verbonden met het estheticisme. Vincent van Gogh is een voorbeeld van een impressionistische schilder.

Er werden in de impressionistische literatuur veel stijlmiddelen gebruikt, zoals:

Neologismen: Nieuwe woorden.

Archaïsmen: Oude woorden die niet meer gebruikt worden.

Synesthesie, alliteratie & enjambementen.

Literair impressionisme was vooral te vinden in de poëzie. In proza werd dit woordkunst of lyrisch proza genoemd.

Een schrijver die impressionistisch schrijft is Willem Kloos -> Avond.

 

  • Het naturalisme

Met het naturalisme wilde men niet alleen laten zien hoe alles is, maar ook hoe dat komt. Men meende dat er drie factoren zijn die het leven van de mens bepalen: de erfelijke aanleg die men heeft, het milieu waarin men opgroeit, en de tijd waarin men leeft. In de romans van de naturalisten komt naar voren hoezeer de mens van deze drie factoren afhankelijk is. Veel naturalisten waren ook socialisten. Naturalistische romans zijn vaak somber en pessimistisch.

Fatalisme: De opvatting dat het leven van de mens geheel bepaald wordt door het noodlot en dat vrije wil niet bestaat.

Het naturalisme staat haaks op het impressionisme en het estheticisme, maar toch heeft het naturalisme ook vaak neologismen, beeldspraken en gedetailleerde bepalingen zoals het impressionisme.

Het noodlot/fatum speelt ook een grote rol.

 

  • De beweging van Tachtig

Naturalisme en impressionisme kwamen naar voren in Nederland in de groep de ‘Tachtigers’. De Tachtigers zetten zich af tegen de literatuur van hun voorgangers: de taal vonden ze ouderwets en de inhoud moraliserend.

Willem Kloos (1859-1938) beoordeelde boeken op grond van argumenten.

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) gaat op zijn gevoel af om een boek te beoordelen. Grootmeester op het gebied van ‘scheldkritiek’. Schreef Nieuw Holland.

De Tachtigers kregen hun werk niet gepubliceerd in De Gids, dus richtten ze De Nieuwe Gids op. In 1893 bleef Willem Kloos als enige nog over als redacteur van De Nieuwe Gids, dus stierf het blad in 1943 uit. Het hoofdprincipe van de Tachtigers was dat vorm en inhoud één horen te zijn. Hun tweede principe was dat kunst een persoonlijke uiting dient te zijn, individualisme dus.

 

  • Frederik van Eeden

Frederik van Eeden was de veelzijdigste en productiefste Tachtiger. Zijn bekendste boek, De Kleine Johannes, is een roman waarin de ontwikkeling van kind tot volwassene wordt uitgebeeld. Een andere roman van van Eeden is Van de koele meren des doods, een psychologische roman met sterk naturalistische trekken.

Het stukje van De Kleine Johannes dat we hebben gelezen gaat over mieren. Vrede-mieren en Strijd-mieren, dit geeft duidelijk aan hoe mensen over elkaar denken in de maatschappij.

 

  • Herman Gorter

Herman Gorter was de grootste dichter onder de Tachtigers. Hij werd beroemd met zijn eerste boek, het lange gedicht Mei. Het werk is impressionistisch, het is een episch-lyrisch dichtwerk van ruim 4000 versregels, het begint met de beroemde regel ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’. De korte gedichten die Gorter schreef werden gebundeld in Verzen. Hierna veranderde zijn schrijfstijl, het werd meer politiek en zeer maatschappelijk kritisch. Hij schreef bijvoorbeeld Zie je… en In de zwarte nacht…

 

  • Louis Couperus

Louis Couperus was de belangrijkste prozaschrijver rond de eeuwwisseling, hij wordt wel gerekend tot de Tachtigers maar hij stond buiten De Nieuwe Gids. Zijn 26 romans kunnen in drie groepen ingedeeld worden: de naturalistische-realistische, de sprookjesachtige en de historische romans. Zijn eerste roman was Eline Vere, wat gaat over een vrouw die langzaam tot zelfmoord komt. Ook schreef hij de volgende realistisch-naturalistische romans:

De boeken der kleine zielen: Speelt zich af te midden van de mondaine Haagse ‘haute bourgeoisie’.

Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan: Een psychologisch portret van een familie, die gekweld wordt door een verschrikkelijk geheim.

Hiernaast schreef Couperus ook een aantal neoromantische romans:

Psyche: Een sprookjesroman.

Fidessa: Gaat over een nimf die door een eenhoorn wordt meegevoerd naar het land van de gepantserde mensen, waar ze verliefd wordt op de ridder Sans-Joye.

De stille kracht: Een naturalistische roman, waar ook plaats is voor een geheimzinnige kracht.

Na 1995 begon Couperus aan historische romans die zich afspelen in de Klassieke Oudheid.

De binocle: Over een jongen die naar een theater gaat met een binocle (hebben we gelezen).

 

  • Symbolisme

Het symbolisme streef ernaar om de wereld boven of achter de realiteit van alledag te onthullen. Vrijwel alles in een symbolistisch werk staat symbool voor iets anders. Vandaar dat symbolistisch werk moeilijk te begrijpen is.

 

  • De neoromantiek

De neoromantiek is een reactie op het impressionisme en het naturalisme. Bij neoromantiek gaat het lieflijke, fantasievolle en wonderlijke boven het zakelijke en sombere. Bij neoromantiek is het noodlot iets bovennatuurlijks en geheimzinnigs. Het gaat in deze romans vaak om typische romantische zaken zoals eenzaamheid, zwerflust, verzet tegen de maatschappij, onvervulde verlangens, dood en verval. Uit neoromantiek ontstonden in Engeland romantische genres zoals de griezelroman, detectiveroman en sciencefiction (Sherlock Holmes, Dracula, The Time Machine).

 

  • Neoromantische schrijvers

 J.H. Leopold (1865-1925) werd bekent met zijn Oosterse kwatrijnen. Dit zijn vierregelige gedichtjess met een zwaarmoedige, cynische inhoud, rijmschema AABA.

 

Arthur van Schendel (1874-1946) schreef een roman die nog geregeld wordt herdrukt Een zwerver verliefd. Het speelt zich af in het middeleeuwse Italië, maar het was meer bedoeld als achtergrond voor het verhaal. Er kwam nog een vervolg getiteld Een zwerver verdwaald.

Hierna begon van Schendel aan een reeks realistische en sombere romans. Het meest gelezen hiervan is Het fregatschip Johanna Maria. Hoofdpersoon Jacob Brouwer wil hierin eigenaar worden van het schip waar hij altijd op heeft gevaren. Het fatum heeft een grote invloed op het verhaal, wat betekent dat het een beetje naturalistische trekken heeft.

Latere boeken van Schendel zijn De waterman, Een Hollands drama en De wereld een dansfeest. De wereld een dansfeest is opvallend opgebouwd, het verhaal wordt verteld door 19 personen die elk een deel van het verhaal weergeven.

 

J.C. Bloem (1887-1966) schreef een tiental meestal zeer dunne bundels met overwegend sombere gedichten. Af en toe zat er een wat positiever gedicht tussen, zoals een van zijn beroemdste: De Dapperstraat.

 

  • Historische achtergrond 1914 – 1945

Door de Eerste Wereldoorlog kwam er abrupt een einde aan het Belle Époque. Er kwam een cultuurontwikkeling, genaamd het Modernisme. In het Modernisme worden allerlei stromingen onderscheiden die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze een radicaal andere kunst voorstonden dan de vorige.

 

  • Het Modernisme

Kunstenaars van het Modernisme wilden geen realistische afbeelding van de werkelijkheid maken, maar zij wilden ideeën en gevoelens uitdrukken met behulp van kleuren, vormen en –eventueel- afbeeldingen. Moderne kunst is daarom ook moeilijk te begrijpen. In dictaturen werd Moderne kunst verboden omdat het zo ongrijpbaar was.

Het Modernisme wordt ook wel het avant garde genoemd. Dit houdt in: mensen die vooroplopen op de menigte.

 

  • Het expressionisme

Bij het impressionisme wordt er geschilderd met het oog en het hart, maar naar mate dit steeds verder overgaat naar het hart wordt het expressionisme. De realiteit wordt gedeformeerd naar wat de kunstenaar wil uitdrukken. Bijvoorbeeld bij het schilderij De toren der blauwe paarden.

Dit kan ook nog overgaan in abstracte of non-figuratieve kunst, waarin elke herkenbaarheid is verdwenen en het schilderij alleen nog bestaat uit vormen en kleuren. In Frankrijk werd het expressionisme fauvisme genoemd.

Expressionistische films: Das Kabinett des Dr. Caligari en Metropolis.

 

In het expressionisme werd het klassieke vers verworpen en werd er plaatsgemaakt voor vrije verzen. In deze vrije verzen maakt de normale zinsbouw plaats voor onvolledige en ongrammaticale zinnen, en er verdwijnen hoofdletters en interpunctie. Ook vind je woordcombinaties. Dit alles dient om de emotie of de gedachte zo direct mogelijk te uiten. Nog een verschil tussen het impressionisme en het expressionisme is dat bij expressionisme de onderwerpen eerder ontleend zijn aan het stadsleven dan aan de natuur. De expressionistische poëzie kan overgaan in poésie pure: gedichten waarin het niet zozeer gaat om een concrete inhoud maar waarin een sfeer, een gevoel wordt opgeroepen, zoals in Herfstlandschap van Paul van Ostaijen. In het proza speelt het expressionisme een kleinere rol dan in de poëzie.

  • Constructivisme

Het kubisme en het futurisme werden voortgezet in het constructivisme, waarin de herkenbaarheid geheel opgeofferd is aan de geometrie. Een belangrijk Nederlands constructivistisch blad is De Stijl (1917-1928), onder leiding van Theo van Doesburg (1883-1931) en Piet Mondriaan (1872-1944).

In de literatuur speelde constructivisme echter maar een kleine rol. I.K. Bonset plaatste uiterst abstracte gedichten in De Stijl, ze bestaan alleen maar uit losse woorden en een opvallende ‘beelden’ typografie. In de verhaal- en romankunst kan alleen Blokken van Bordewijk ertoe worden gerekend.

 

  • H. Marsman

Het vroege werk van Marsman is expressionistisch, maar had ook trekken van het futurisme. Zelf noemt Marsman zijn werk vitalistisch, omdat hij zich verzet tegen het Fin de siècle. Hij verafschuwde de Nederlandse bekrompenheid. Hij bewonderde Nietzsche voor zijn theorie over de Übermensch. Marsman voelde zich dan ook een tijd lang aangetrokken door het fascisme. Zijn vitalistische poëzie is te vinden in de bundels Verzen en Paradise Regained. Hierna schreef Marsman vooral realistische en traditionelere poëzie, zoals het bekende Herinnering aan Holland. De laatste jaren werkte hij aan Tempel en kruis. Hij schreef ook nog De overtocht.

 

  • F. Bordewijk

F. Bordewijk publiceerde drie bundels Fantastische vertellingen, die nauw verwant zijn aan het werk van expressionistische Duitse schrijvers. Maar hij werd pas echt bekend met zijn boeken Blokken (constructivistisch) en Bint. Blokken is zo opvallend omdat het geschreven is met een opvallende stijl; overwegend korte zinnen, vol vreemde woorden en af en toe afwijkende zinsbouw. Qua opbouw is het boek een ‘Blokkendoos’. Vorm en inhoud komen overeen.

Bint heeft dezelfde kenmerken, maar ook expressionistische kenmerken. Het verhaal gaat over een school met Directeur Bint.

Bordewijks meest  gelezen boek is Karakter: roman van zoon en vader. Ook in dit boek gaat het weer om macht, dat is iets waar Bordewijk graag over schrijft.

 

  • Het dadaïsme

Dadaïsten zagen zichzelf niet als kunstenaars maar als kunstenmakers. Tristan Tzara schreef dat het dadaïsme is ontstaan uit walging voor de kunst die niets anders deed dan deze wereld op een of andere manier representeren. Zelf noemden ze deze stroming liever dada. Bij dada draait het om antikunst. Marcel Duchamp is de voorloper van dada. Hij kreeg het voor elkaar om een fietswiel, een kammetje en een urinoir tentoon te stellen. Hij noemde dit ready-mades. Hans Arp hoort ook bij de dadaïsten. In Zürich droegen de dadaïsten simultaangedichten voor: verschillende mensen lazen tegelijk elk een ander gedicht voor, terwijl de overigen lawaai maakten (dit is overgenomen van het futurisme).

Tristan Tzara, Hans Arp, Hugo Ball en Richard Huelsenbeck organiseerden eems per week het Cabaret Voltaire. Dadaïstische avonden met als doel om het publiek te provoceren, hiervoor wordt de term Épater les bourgeois gebruikt. Ook werd door de dadaïsten het klankgedicht uitgevonden. Hugo Ball droeg het gedicht Karawane voor, wat enkel bestaat uit niet bestaande woorden.

Op een gegeven moment werd fotomontage uitgevonden. Rond 1925 is het dadaïsme uitgestorven.

 

  • Paul van Ostaijen

In 1916 publiceerde Paul van Ostaijen een bundel impressionistische poëzie getiteld Music Hall en twee jaar later de expressionistische bundel Het sienjaal. Op een gegeven moment raakte Ostaijen bevriend met dadaïsten en schreef toen de bundel Bezette stad. Het grondprincipe hiervan is de montagetechniek. Ook zitten er een aantal collages in en zitten er typografische elementen in.

Hierna schreef hij nog de bundel Eerste boek van Schmoll, dit is poésie pure. Zelf noemt Ostaijen zijn gedichten reinthematisch omdat het op muziek lijkt. Schreef ook bijvoorbeeld het gedicht Marc groet ’s morgens de dingen.

 

  • Martinus Nijhoff

Nijhof hoort NIET bij het Modernisme. Zijn werk is moeilijk in een stroming in te delen. De gedichten in zijn eerste twee bundels De wandelaar en Vormen zijn zuiver klassiek, in de bundel Nieuwe gedichten, wordt veel eenvoudigere taal gebruikt, overeenkomend met de nieuwe zakelijkheid. Men noemt dit parlando poëzie. Dit is poëzie die lijkt op gewone spreektaal. Het belangrijkste dichtwerk van Nijhoff is volgens velen Het Uur U. Hierin loopt een man door een straat wat zorgt voor zelfreflectie bij de bewoners. Als hij stil blijft staan op het einde zegt hij: ‘Het duurde een minuut misschien/ maar die een eeuwigheid was.’

In het boek staan de gedichten Twee reddelozen, Het lied der dwaze bijen en De moeder de vrouw.

 

  • J. Slauerhoff

J. Slauerhoff is een duidelijke neoromanticus. Slauerhoff was scheeparts, hij had een rusteloos leven, ook was hij een moeilijk mens. Dit noemen we een poète maudit, een gedoemde dichter die zich geen raad meer weet met de wereld en uitvlucht zoekt in met name poëzie. Zijn eerste bundel heette Archipel en zijn laatste Een eerlijk zeemansgraf. Hij behandelt telkens dezelfde onderwerpen en gebruikt dezelfde vorm: traditionele rijmende poëzie.

In het boek staan de gedichten Woningloze, Het einde en In memoriam mijzelf.

 

  • Het surrealisme

Op een gegeven moment ging het dadaïsme over in het surrealisme. Bij het surrealisme wordt de gewone werkelijkheid vermengd met alogische gedachten, invallen, associaties en dromen die uit het onderbewuste opwellen. Hierbij hoort ook de écriture automatique, wat inhoudt het zo snel mogelijk opschrijven van wat er in de gedachten opkomt. Tot de toevalskunst behoort onder andere het cadavre equis: een zin maken waarvan de verschillende zinsdelen onafhankelijk van elkaar bedacht worden door verschillende personen. In de Nederlandse literatuur speelt het surrealisme slechts een geringe rol.

Alleen Belcampo zou hiertoe gerekend kunnen worden. In zijn eerste bundel De verhalen staan allemaal bizarre verhalen. De invloed van het surrealisme komt tot uiting in de zwarte humor, de menging van mens en machine, het door elkaar lopen van droom en werkelijkheid en de vaak onderbewuste seksualiteit. Zijn twee meest surrealistische verhalen uit de bundel zijn Den Geckenhondt en De driesprong.

 

  • De nieuwe zakelijkheid

De nieuwe zakelijkheid ontstond in de 20ste eeuw in Duitsland rond het Bauhaus. Het principe wat hierachter zat is het functionalisme: gebruiksvoorwerpen moeten doelmatig zijn. De poëzie van de nieuwe zakelijkheid wordt parlando poëzie of poésie parlante genoemd. De nieuw-zakelijke literatuur was hele kritische literatuur. Ze waren erg antifascistisch. Ze moesten plaats maken voor wat het nazi-bewind Blut und Boden-literatuur noemde, nationalistische literatuur. Propaganda dus.

Het literaire tijdschrift waarin in Nederland de opvattingen van de nieuwe zakelijkheid werd verkondigd, was Forum dat geleid werd door Menno ter Braak en E. Du Perron. Het gaat in de literatuur niet om de vorm, maar om de inhoud. De leuze van Forum was: ‘Niet de vorm maar de vent.’ Vandaar dat de nieuwe zakelijkheid in Nederland ook wel ventisme wordt genoemd.

In het boek staan de gedichten De zieke man en Wiegeliedje.

 

  • Nescio

Nescio publiceerde Dichtertje. De uitvreter. Titaantjes., wat eerst niet vaak gelezen werd. Naarmate de herdrukken veranderde het werk en werd ook nog Mene Tekel toegevoegd. Ook werden de werken weer in chronologische volgorde gebundeld: De uitvreter. Titaantjes. Dichtertje.

Eerst vond met het taalgebruik niet fijn, nogal nuchter en cynisch. Maar in de tijd van de nieuwe zakelijkheid werd dit echter wel gewaardeerd. Titaantjes is eigenlijk een vervolg op De uitvreter en gaat dan ook over dezelfde personages.

 

  • Willem Elsschot (A.J. de Ridder)

Ook Elsschot kreeg pas erkenning voor zijn werk in de tijd van de nieuwe zakelijkheid. Hij schreef onder andere Villa des roses, Een ontgoocheling en De verlossing. Zijn meest gelezen werk is Lijmen, hierin duiken twee figuren op die in zijn latere werk terugkomen genaamd Boorman en Laarmans. Dit verhaal is gedeeltelijk autobiografisch., want net zoals Boorman in het verhaal het blad Het Wereldtijdschrift uitgeeft, doet Elsschot dit ook met La Revue Générale Illustrée. Even lijkt Elsschot te stoppen met schrijven, maar nadat hij in aanraking is gekomen met het Forum gaat hij weer verder. Hij publiceert Kaas, Verzen van vroeger, Het been en Het dwaallicht. Het dwaallicht wordt gezien als zijn meesterwerk. Het heeft namelijk religieuze trekken.

 

  • Simon Vestdijk

Vestdijk publiceerde meer dan 100 boeken. Hij deelde zelf zijn boeken in in vijf categorieën: de autobiografische, de semi-autobiografische, de historische, de contemporaine en de fantastische. Terug tot Ina Damman is het eerste deel van een reeks van acht autobiografische boeken. Ook enigszins autobiografisch is De koperen tuin, dat hij zelf als zijn beste boek beschouwde. Van de talrijke historische romans is Het vijfde zegel  het bekendste. Hij schreef ook nog Rumeiland, Ierse nachten, Pastorale en Ivoren wachters. Zijn beroemdste roman is De kelner en de levenden. Ook schreef hij over zijn collega-schrijvers in Gestalten tegenover mij.

 

  • De literatuur tijdens de oorlog

Tijdens de oorlog probeerden de Duitsers grip te krijgen op de kunst door het instellen van de Kultuurkamer (1941), hiervan moesten alle kunstenaars lid worden anders mochten ze hun beroep niet uitoefenen. Koos Groen schrijft in zijn boek Landverraders: ‘Over het algemeen kan gesteld worden, dat zij die voor hun levensonderhoud afhankelijk waren van inkomsten uit hun artistieke arbeid zich hebben aangemeld.’ De meeste schrijvers niet. Een aantal geheime kranten en weekbladen ontstonden zoals Het Parool, Trouw en Vrij Nederland. Een groot deel van de literatuur in de oorlog is verzetspoëzie, dit verscheen ofwel in illegale bladen of in een rijmprent (een pamflet met daarop een gedicht en een illustratie). Talrijke verzetsgedichten werden samengebracht in bundels zoals Nieuw geuzenliedboek, Geuzenliedboek en Het vrij Nederlands liedboek. Het allerberoemdste verzetsgedicht is De achttien doden van Jan Campert. Beroemde literatuur uit de oorlog is Het achterhuis/De dagboeken, Het bittere kruid en Kinderjaren. Nu nog steeds heeft de oorlog nog veel invloed in de literatuur.

 

  • Historische achtergrond 1945 – 1970

Indonesië werd onder andere onafhankelijk van Nederland. Op een gegeven moment zijn er provorellen in Amsterdam, waarover Harry Mulisch Bericht aan de rattenkoning schrijft, een erg vermakelijk boek. (De rest van deze periode weet ik al)

 

  • Literatuur

De stroming van het existentialisme ontstaat, dat houdt in dat de mens zijn eigen lot kiest, hij is zelf verantwoordelijk voor wat er gebeurd. Er ontstaat ook geëngageerde literatuur waarin men stelling nam tegen sociale en politieke mistanden. In de jaren 60 werden er vele taboes verbroken, zoals homoseksualiteit (Reve) en  het beschrijven van erotische activiteiten (Wolkers). Veel geëngageerde literatuur rekenen we tot de roman noir: sombere, ‘zwarte’ romans.

Het existentialisme leidde uiteindelijk tot het absurdisme. In de poëzie kwam de luchtige, dadaïstische beweging Barbarber naar voren en de sterk persoonlijke poëzie van bijvoorbeeld Herzberg en Kopland.

 

 

 

 

 

  • Willem Frederik Hermans

Hermans heeft zijn hele leven voor opschudding gezorgd. De hoofdpersoon in zijn roman De tranen der acacia’s is kritisch over het verzet en de bevrijding, mensen verwarden vaak het standpunt van de personage met dat van de auteur. Dit was bijvoorbeeld ook het geval met Ik heb altijd gelijk, voor een religieuze uitspraak had Hermans een proces aan zijn broek hangen. Hij werd echter wel vrijgesproken. In 1952 verscheen zijn bekende novelle Het behouden huis. In 1958 verscheen De donkere kamer van Damokles, dat vaak beschouwd wordt als zijn meesterwerk. In 1963 werd het boek verfilmd onder de titel Als twee druppels water. Hermans heeft hiernaast nog andere werken geschreven zoals Nooit meer slapen, Herinneringen van een engelbewaarder, Onder professoren, Uit talloos veel miljoenen, Een heilige van de horlogerie en  Au pair. Er zijn ook artikelen gebundeld over zijn literaire vijanden in de bundel Mandarijnen op zwavelzuur. Hij schreef ook nog de bundel Door gevaarlijke gekken omringd. Hermans was erg pessimistisch.

 

  • Gerard Reve

Het eerste boek van Reve, De avonden: een winterverhaal, maakte hem meteen beroemd. De roman is sterk autobiografisch en hij gaf het uit onder het pseudoniem ‘Simon van het Reve’. De beroemde slotpassage geeft aan het overwegend pessimistische boek een enigszins positief einde. Het bevat ook letterlijke citaten uit psalmen.

In een tijdschrift stond een ander verhaal van Reve genaamd De ondergang van de familie Boslowits. Ook schreef hij Werther Nieland, wat veel mensen beschouwen als zijn gaafste werk. Hierna komt er een deuk in zijn carrière, hij schreef namelijk in het blad Podium het in Engels geschreven verhaal Melancholia over een masturberende man. Dit werd niet gewaardeerd. Hij vertrok naar Engeland en schreef The acrobat and other stories, wat werd vertaald als Vier wintertellingen. Ook schreef hij Tien vrolijke verhalen.

Hierna sloeg Reve een hele andere weg in, hij begon in een tijdschrift ‘reisbrieven’ te publiceren. In 1963 werden ze gebundeld als Op weg naar het einde. De eerste bundel waarin homoseksualiteit werd beschreven. In 1966 verscheen een tweede brievenboek getiteld Nader tot u. Er verschenen nog enkele andere brievenboeken (zoals De taal der liefde) maar deze werden steeds negatiever beoordeeld. Aan het eind van de jaren 70 begon Reve weer ‘gewone’ romans te publiceren zoals Moeder en zoon. Ook schreef hij het Boekenweekgeschenk in 1981 genaamd De vierde man.  Hij schreef ook nog Bezorgde ouders, Klein gebrek geen bezwaar en Het Boek van Violet en Dood.

 

  • Harry Mulisch

De autobiografie van Mulisch heet Mijn getijdenboek. Mulisch’ oeuvre is zeer veelzijdig: romans, verhalen, toneelstukken, autobiografische boeken, essaybundels, reisverslagen, reportages, gedichten. Zijn centrale thema is dat de mens wordt gedreven door krachten die hij niet kan beheersen. Dit komt vooral tot uiting in Chantage op het leven, Het mirakel en De versierde mens. In Het mirakel staat het beroemde verhaal Gelijkenis. De versierde mens bevat klassiek geworden verhalen zoals Wat gebeurde er met sergeant Massuro?, De sprong der paarden en de zoete zee en het lange Quauhquauhtinchan in den vreemde.

Ook schreef hij Het zwarte licht en Het stenen bruidsbed, Voer voor psychologen, De zaak 40/61, De verteller, Twee vrouwen en De aanslag. De aanslag sloeg enorm aan bij het publiek, Twee vrouwen trouwens ook. De volgende romans die hij schreef hadden echter iets minder succes: Hoogste tijd, De pupil, De elementen.

In 1992 verscheen het ‘magnum opum’ van Mulisch: De ontdekking van de hemel.

 

  • Leo Vroman

Rond 1950 kwam er in Nederland een nieuw soort dichtkunst naar voren, de zogenaamde experimentele poëzie. Leo Vroman is een overgangsfiguur tussen nieuwe poëzie en de oudere poëzie van de nieuwe zakelijkheid. Experimentele kenmerken zijn de zeer rijke beeldspraak, vrije versvorm en woordspelletjes. Veel van zijn gedichten zijn autobiografisch, hij schreef ook veel over de dichtkunst. Vromans poëzie heeft vaak een didactisch aspect. Hij schreef bijvoorbeeld Over de dichtkunst, God en Godin en Liefde, sterk vergroot. In de bundel Fabels stonden echte fabels, maar ook gedichten die tot de parabel gerekend moeten worden, zoals het tragische Pijn en het meisje. In het boek staat ook nog Jeldican en het woord.

 

  • De experimentele poëzie

 Net als expressionisten gebruikten de experimentelen geen rijm, geen metrum, geen regelmatige strofebouw en nauwelijks hoofdletters en interpunctie. Het klassieke vers werd zo ver mogelijk gedeformeerd en de taal zo persoonlijk mogelijk gemaakt. Het bestaat vooral uit beelden die iets oproepen. De associatieve en autonome beeldspraak maakt de gedichten zeer persoonlijk en moeilijk. Dit is de poëzie van de Vijftigers. Hiertoe hoort bijvoorbeeld het gedicht Oote van Jan Hanlo. Ze hadden een tijdschrift genaamd Reflex. Lucebert schreef hierin onder andere Het proefondervindelijke gedicht.

 

  • Lucebert

Lucebert wordt beschouwd als de voornaamste experimenteel en Vijftiger. Zijn naam is een pleonasme en betekent ‘licht licht’. Zijn gedichten zijn vaak heel moeilijk. Ze staan helemaal vol met associaties, neologismen, woordspelingen, paradoxen, tegenstellingen en klanknabootsingen. Zijn taalgebruik is grootst en visionair. Na 1959 richtte Lucebert zich meer op de schilderkunst dan op het schrijven. Hij schreef onder andere Overhandig mij brekend… en Visser van Ma Yuan.

 

  •  Remco Campert

Van alle Vijftigers is Remco Campert de meest gematigde en de meest toegankelijke. Zijn poëzie is luchtig en lijkt soms op parlando poëzie. Hij schreef romans zoals Het leven is vurrukkulluk, Liefdes schijnbewegingen en De Harm en Miepje Kurk story, die spelen zich af in artistieke milieus. Heel grappig is Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland. Campert schreef heel humoristisch.

 

  • Nederlandse romanschrijvers 1950 – 1970

Hella S. Haasse werd beroemd met haar eerste prozawerk, Oeroeg. Twee bij elkaar horende romans die ze schreef zijn De verborgen bron en De ingewijden. Haasse maakt veel gebruik van het overvloeien van roman in essay en het spelen met verhaaltechnische middelen. Na een aantal moeilijke historische romans verscheen De wegen der verbeelding, Berichten van het blauwe huis, Heren van de thee. Heren van de thee kreeg veel aandacht van de pers, hierin keert Haasse weer terug naar Indonesië net als in haar eerste roman.

 

Jan Wolkers debuteerde in 1961 met de verhalenbundel Serpetina’s petticoat, maar kreeg pas bekendheid met zijn tweede boek, Kort Amerikaans, het is een ‘roman noir’. Ook de volgende roman, Een roos van vlees, is een somber en tragisch boek. Er zijn in deze werken autobiografische gegevens verwerkt, maar in Terug naar Oestgeest nog veel meer, dit is ook een van zijn beste romans. Hij schreef ook nog Turks fruit en De walgvogel. Wolkers gebruikte weinig literaire opsmuk In de jaren 60 werden zijn boeken juichend ontvangen, maar in de jaren 70 steeds negatiever. Slechts De doodshoofdvlinder en De perzik van onsterfelijkheid werden nog positief ontvangen.

 

Jeroen Brouwers werd geboren in Nederlands-Indië. Zijn werk is sterk autobiografisch. Hij kreeg bekendheid met zijn eerste roman Joris Ockeloen en het wachten, waarin een man wacht op de geboorte van zijn kind. Hij schreef later de succesvolle roman Zonsopgangen boven zee, waarin twee mensen opgesloten raken in een hotellift. Zijn bekendste roman is Bezonken rood, wat gaat over de Jappenkampen, maar verschillende mensen geven aan dat dit niet realistisch is.

 

 

 

 

 

  • De Vlaamse roman 1950 – 1970

Louis Paul Boon werd eerst niet zo gewaardeerd door zijn radicaal linkse en antireligieuze opvattingen. Tot 1960 werd Boon zelfs geweerd uit katholieke bibliotheken. In 1947 verscheen de bundel  Mijn kleine oorlog, waarin het overheersende thema de tegenstelling tussen de grote heren die profiteren en de kleine man die telkens de dupe is. De grondtoon van het boek is cynisme, zwart pessimisme en bitterheid. In 1953 en 1956 verscheen Boons meesterwerk, het grote tweeluik De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren. Veel eenvoudiger is de historische roman De bende van Jan de Lichte en het vervolg daarop De zoon van Jan de Lichte. In 1955 verscheen het veelgelezen Menuet, wat drie keer verteld wordt uit een verschillend perspectief. Hierna schreef Boon nog drie romans die een mix zijn tussen historisch en sociale geschiedenis: Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht, De zwarte hand of het anarchisme van de negentiende eeuw in het industriestadje Aalst en Het jaar 1901: verhalen naar de politiearchieven der stad Aalst. Vlak voor zijn dood voltooide Boon nog de omvangrijke roman Het Geuzenboek.

 

Hugo Claus heeft een groot en veelzijdig oeuvre. Hij schreef toneelstukken zoals Een bruid in de morgen, Suiker en Vrijdag. Zijn eerste roman was De Metsiers, wat een wisselend perspectief heeft. Een van zijn andere romans Omtrent Deedee lijkt hier verhaaltechnisch erg op. Sterk autobiografisch is Het jaar van de kreeft. Claus’ meesterwerk is Het verdriet van België, een mengeling van een familieroman, een ontwikkelingsroman, een sociale roman en een autobiografische roman.

Een zachte vernieling is een satirische roman en het verslag van een tragische liefdesgeschiedenis. Eveneens satirisch en zelfs hilarisch is Belladonna. Een wisselend perspectief werd ook gebruikt in De geruchten.

 

Jef Geeraerts heeft als overheersend thema de tegenstelling tussen de blanke (schijn)cultuur en het primitieve natuurleven van de inlanders. Zijn debuut is Ik ben maar een neger, het vervolg hierop heet Het verhaal van Matsombo. Geeraerts werd beschuldigd van racisme in deze boeken, ook in zijn volgende autobiografische romans getiteld Gangreen (Black Venus, De goede moordenaar, Het teken van de hond, Het zevende zegel). Vanaf 1979 hield Geeraerts zich vooral bezig met thrillers waarin veel kritiek zit verwerkt tegen de Vlaamse politiek. Een enkele thriller lijkt op science fiction De colt-moorden. Voor De zaak Alzheimer kreeg hij de Gouden Strop.

 

  • De poëzie van Barbarber

De experimentele poëzie van de Vijftigers was overwegend een ernstige poëzie, die op de gemiddelde lezer een duistere indruk maakte, toch was ze soms ook speels en ironisch.  Hieruit kwam het tijdschrift Barbarber voort. Hierin stonden vooral readymades. Af en toe gaven ze Barbarber ook gek uit, zoals met alleen maar stalen behangselpapier. Dit blad heeft natuurlijk banden met het dadaïsme, maar ook met popart en art nouveau reálisme. Negen jaar na de opheffing verscheen er ineens weer een aflevering.

 

Het voorbeeld hiervan is K. Schippers, in zijn gedichten, essays en romans probeert hij de werkelijkheid op een andere wijze te bekijken dan we gewoonlijk doen. Zijn motto is: ‘Wanneer een klok van opzij wordt gezien, geeft hij de tijd niet meer aan’. Schippers publiceerde ook diverse romans zoals Eerste indrukken en Holland Dada.

 

Het werk van Bernlef is verwant aan dat van Schippers, het zijn vaak collages van readymades en allerlei observaties. Hij schreef onder andere Hersenschimmen.

 

C. Buddingh was voor Barbarber  al bekent met de nonsensgedichten genaamd Gorgelrijmen. Aan het einde van zijn leven schreef hij nog een zulke rijmen (Nieuwe Gorgelrijmen).

 

In Barbarber stonden onder andere: Opening van het visseizoen, No, no Nanette (Schippers), Interpunctie in taal en interpunctie bevrijd van anekdotes (Schippers) en Simplicity (Buddingh).

 

  • Andere dichters uit de jaren 60

Judith Herzberg is het meest verwant aan Barbarber, haar meer persoonlijke gedichten publiceerde ze echter in het tijdschrift Tirade. Die hebben vaak een melancholieke ondertoon, maar vaak zijn ze ook speels en ironisch.

 

De belangrijkste dichter buiten de Barbarber-groep is Rutger Kopland. Zijn poëzie is heel persoonlijk en gevoelig. Hij schrijft veel over de zuiverheid van de natuur, waar dieren ook een rol in spelen. Zijn beste bundel is Een lege plek om te blijven. Hij verwerkte vaak ook autobiografische elementen.

De belangrijkste dichter buiten de Barbarber-groep is Rutger Kopland. Zijn poëzie is heel persoonlijk en gevoelig. Hij schrijft veel over de zuiverheid van de natuur, waar dieren ook een rol in spelen. Zijn beste bundel is Een lege plek om te blijven. Hij verwerkte vaak ook autobiografische elementen.

 

Veel moeilijker is de poëzie van Hans Faverey. Eerst reageerde de kritiek afwijzend, maar daarna werd het goed ontvangen omdat het een moderne variant is op de expressionistische poésie pure.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.