Cursus 8

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1120 woorden
  • 15 juni 2015
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.1
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Voorgeschiedenis



Spijkerschrift: op kleitabletten inkepingen. Na 2000 jaar abstracte tekens voor begrippen. Oorspronkelijk een beeldschrift van pictogrammen. (voor tempeleconomie)

Hiërogliefenschrift: tekeningen. Verschil > hiërogliefenschrift is meer met klanken.

Alfabet: duizenden jaren voor Chr. In Midden-Oosten.



5e eeuw voor Chr. > Griekse tragedie kwam op (in openlucht). Het had een vaste opbouw > de auteurs beeldden conflicten en dilemma’s uit zodat het publiek zich kon inleven. Het doel van een tragedie was de uitwerking op het publiek (ze moesten iets leren)



In Romeinse keizerrijk: christendom met Bijbel > oude testament + nieuwe testament. Het nieuwe testament: teksten van de vier evangelisten Matteus, Macus, Lucas en Johannes over het leven, de leer, de kruisdood en de opstanding van Jezus Christus.



Historische context



Islam: West-Europa reageerde erop met kruistochten.



Standentheorie (naar Adalbero): (rond 11e eeuw)

bidden = geestelijkheid, strijden = adel en ridders, werken = boeren en vissers.

Later komt de burgerij hierbij. (rond 10e eeuw)




  1. Geestelijkheid: reguliere geestelijkheid (volgens kloosterorde) bijvoorbeeld monniken en nonnen + seculieren geestelijkheid (wereldlijke geestelijkheid) bijvoorbeeld de paus, bisschoppen en pastoors.

  2. Adel en ridders: feodaliteit kwam op. Dit veroorzaakte een agrarische maatschappij. Hertogen hadden twee middelen: kastelen en ridders. De ridders vormden een ridderschap met eigen gedrag. De leenheer moest de zonen van de vazal een ridderopleiding geven. De feodale adel en ridders leefden volgens de eercultuur. Er was eer te verwerven door dappere daden te verrichten in dienst van de vorst of een geloof. Riddergedrag: moed, trouw, morele zuiverheid, dienstbaarheid en kameraadschap.

    (bij adel/ridder-verhalen: begint met hofdag. Dit is de dag waarop een vorst zijn heren bijeen heeft om recht te spreken en zaken af te handelen.

  3. Burgerij: burgerlijke mentaliteit, die afweek van de riddermentaliteit. Veel verstedelijking vanaf 10e eeuw: economische basis van stad zijn handel en productie van goederen. Doel: meer winst. Kenmerken: individualiteit, redelijkheid, vlijt, slimheid, leergierigheid, nuttigheid en spaarzaamheid.



Tot boekdrukkunst werden manuscripten geschreven door kopiisten. Door boekdrukkunst verliep de verspreiding van verhalen sneller (en goedkoper).



Culturele context



Kennis: artes liberalis, de zeven vrije kunsten. Dit zijn grammatica, retorica, dialectiek, wiskunde, muziek, geometrie en astronomie.



Kunst: neoplatonisme. Hier stond symboliek centraal. Alledaagse dingen stonden symbool voor iets anders. Ook werd er gewerkt in opdracht (mecenas). In deze opdrachten stonden veel eisen. Het ging niet om originaliteit, maar om artistieke traditie. De functie van middeleeuwse kunst was het beleren van het publiek.



Muziek: kerkelijke: eenstemmige geestelijke muziek > gregoriaans. Met als doel om gelovigen in een gewijde en vrome stemming te brengen. Wereldlijke: liefdesliederen geschreven door de adel en opgevoerd door iemand anders (troubadours, trouvères of Minnesänger).



Hoofsheid: gedragsregels die bedoeld zijn om onderlinge spanningen te voorkomen. Hierbij was zelfbeheersing belangrijk. In hoofse teksten staat hoofse liefde vaak centraal. Het werd gepresenteerd als zwaar, maar lonend. Ook nadruk op feodaliteit.  Hoofse cultuur was wereldlijke cultuur. Ontstond bij ridders, maar burgers gingen nadoen (annexatie).



Literaire ontwikkelingen



Middeleeuwse schrijvers (vaak uit schrijvende beroepsgroepen):




  1. Willem van Van den vos Reynaerde > onbekend

  2. Hendrik van Veldeke > uit ridderlijk milieu. Was clericus. Hij werkte voor adellijke opdrachtgevers, zoals de graven van Loon. (mecenas) had kerkelijke opleiding.

  3. Diederic van Assenede was kanselarijklerk aan het Vlaamse grafelijk hof.

  4. Jacob van Maerlant > clericus. Werkte voor het Hollandse gravenhof. Zijn Der naturen bloeme kan worden beschouwd als de eerste natuurencyclopedie.



De mecenas betaalt voorzieningen en levensonderhoud van de schrijver. De schrijver kende zijn publiek goed en hield rekening met wensen (denk aan Ferguut: jacht).



Functies tekst: educatief & ontspannend.



Middeleeuwse teksten kwamen vaak uit de voorleescultuur. Ook rijmden ze vaak zodat ze makkelijker te onthouden waren.



Verschillende soorten literaire teksten:



Soort: Ridderroman. Deze was eliteliteratuur: voor adel en ridders. Het had een educatieve of ontspannende functie. Er zijn verschillende soorten:




  1. Oosterse roman: door de kruistochten. Het gaat om een hoofs liefdesverhaal in het Oosten

  2. Karelepiek: middeleeuwse verhalen waarin Karel de Grote of zijn vazallen centraal staan. Het gaat terug op chanson de geste (liederen over heldendaden en al dan niet verzonnen gebeurtenissen uit de 8e / 9e eeuw). Hierbij speelt epische concentratie een rol: historische feiten over verschillende personen worden toegedicht aan één beroemd persoon. Vaak 2 onderwerpen: de strijd tegen de heidenen en de spanningen binnen het feodale systeem. (want al geschreven in 12e eeuw)

    LEES CHANSON DE ROLAND & KAREL EN DE ELEGAST.

  3. Arthurepiek: door Chrétien de Troyes. Hij bewerkte ze uit orale traditie tot een fictioneel geheel. De verhalen spelen ‘eens’ en ‘ergens’. Ze gaan over liefde en ridderschap. Kenmerken: hoofse modelwereld, hofdag, verblijfplaats van koning Arthur wordt genoemd in het begin, het is sprookjesachtig en vaak een queeste. Ook eindigt het op het hof en is de inhoud van het verhaal een belangrijke periode van de hoofdpersoon.

    LEES FERGUUT (tekst 1), ROMAN VAN WALEWIJN EN LANCELOTCOMPILATIE.



Soort: Liederen



Hoofse lyriek: over hoofse liefde. Het draait om een minnaar die een onbereikbare vrouw aanbidt. Ontleend aan feodaliteit: minnaar (vazal) toont trouw aan vrouw (leenheer) en verwacht een beloning. Ze beginnen vaan met een Natureingang. Functioneerde aan adellijke hoven. Geschreven door Hendrik van Veldeke en Jan 1 van Brabant. (tekst 2!)





Soort: Dierverhaal



Dieren hebben eigenschappen waarmee ze slaan op de mensenwereld. (Van den vos Reynaerde van Willem). Ze misbruiken de taal en jagen menselijke begeerten na, bijvoorbeeld de listen van Reinaert. Er worden kenmerken van een Arthurroman gebruikt: begint met een hofdag. Verschillen: Arthur heeft al eer gekregen, Nobel wilt dit ook maar het lukt niet. Ook staan hoofsheid, beschaafd gedrag, gemeenschapselang en zelfbeheersing niet centraal in VDVR.

de verschillen tussen feodaliteit en stedelijke samenleving worden bekritiseerd. In het rijk van Nobel heerst ongecontroleerde macht (geen recht). Het is mogelijk geschreven voor Gentse elite die kritisch tegenover feodaliteit stonden.

LEES VAN DEN VOS REYNAERDE



Soort: Geestelijke letterkunde



Hoort bij kerkelijke cultuur. Absoluut geen wereldlijke cultuur. Opdrachtgevers zijn vooral geestelijken en religieus geïnteresseerden. In preken werden exempelen gebruikt om het aantrekkelijker te maken.

Belangrijke groep: Marialegenden > ter ere van Maria. Beatrijs: met veel symboliek verteld. Benadrukt het belang van de biecht maar ook de rol van Maria. Het publiek leert dat Maria bereid is iedere oprechte zondaar te helpen.



Soort: Toneel



Geestelijk toneel: tijdens kerkelijke hoogtijdagen.

Wereldlijk toneel: 4 abele spelen. Daarna werd een sotternie opgevoerd. Esmoreit, Gloriant en Lanseloet van Denemerken gaan over hoofse liefde en riddercultuur (annexatie), maar aangepast aan de stedelijke mentaliteit (adaptie).



Soort: Rederijkers



Dichters (rederijkers) beoefenden literatuur. En bekende rederijkerskamer: De Fonteine uit Gent. Vaak kwamen de schrijvers uit een beroep met schrijven. Geliefde vorm: refrein met een stok op het einde. Rederijkers konden een belangrijke opiniërende rol spelen in steden. In rederijkerskamer vaak gediscussieerd over nieuwe geloof (reformatie) en het humanisme. In de rederijkerskamer vaan een voorzitter, penningmeester, beschermheer/erevoorzitter en factor (artistiek leider).

LEES MARIKEN VAN NIEUMEGHEN






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.