Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Cursus 1 en 2

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1049 woorden
  • 21 juni 2012
  • 165 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 165 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Hoofdstuk 1: Literatuur en lezer

§1: Lezers


Effect van de tekst: de lezersreactie, de uitwerking op jou.

Leesmotivaties: een reden om te lezen.
- Leuk, plezierig, ontspannend
- Jezelf beter leren kennen door identificatie of inleving (door herkenning)
- Nieuwsgierigheid

Smaak = literaire voorkeur
Gender: sociaal geconstrueerde verschil in gedrag tussen mannen en vrouwen.

Verwachtingen (voor het lezen van het boek) worden opgeroepen door:
- Genre (soort boek, zoals thiller, detective of sprookje)
- Titel en omslag
- Wat je al over het boek hebt gehoord
Verwachtingen (na het lezen van het boek) worden opgeroepen door:
- Suggesties
- Vermoedens
- Meeleven met personages

§2: Literaire teksten

Zakelijke teksten: informatie zo eenduidig (duidelijk en herkenbaar) mogelijk aan de lezer presenteren.
Literaire teksten: veel meer ruimte voor meerduidigheid (er blijven vragen bestaan).

Open plek: een tekstgedeelte dat voor jou als lezer onduidelijk is en dat vragen bij je oproept, die je als lezer nog niet kunt beantwoorden.
Ontstaan open plekken:
- Informatieachterstand
- Vermoedens (kloppen je vermoedens)
- Suggesties
- Gedrag van personages
- Titel
- Kennis over de werkelijkheid
Gesloten einde: als aan het eind van een tekst alle open plekken door jou als lezer ingevuld zijn.
Open einde: als aan het eind van een tekst onduidelijkheden en vragen bij jou als lezer blijven bestaan.

Presentatie literaire teksten:
- Proza: de presentatie van de tekst speelt geen bijzondere rol.
• Roman: honderd pagina’s of meer
• Novelle: tachtig tot honderd pagina’s
• (kort) verhaal: tachtig pagina’s of minder
- Gedicht: de tekst staat op een bijzondere manier op de pagina.
- Toneel: De tekst is het uitgangspunt van een toneelvoorstelling. Het bestaat uit de tekst die verschillende personages uit moeten spreken.
Non-fictie: als jij erop vertrouwt dat de informatie van de tekst overeenkomt met de werkelijkheid en dus betrouwbaar en geloofwaardig is.
Fictie: de schrijver mag de werkelijkheid naar zijn hand zetten door deze te verdraaien en personages, emoties en gebeurtenissen verzinnen die een bepaald effect bij jou als lezer kunnen oproepen.
Essay: een beschouwende of betogende tekst waarin de schijver op literaire wijze zijn persoonlijke visie over het onderwerp presenteert.

§3: Tekst, lezer en betekenis

Betekenis of thematiek: wat de tekst voor jou betekent.
Spontane betekenisgeving: alleen aandacht voor bepaalde aspecten van de tekst.
Bewuste betekenisgeving: op zoek naar samenhang en betekenis (analyseren).

Hoofdstuk 2: Het lezen van verhalen


§1: Waarover wordt verteld?

Verhalende teksten: teksten waarin een geschiedenis wordt verteld.
De personages zijn in een verhalende tekst verbonden met een reeks van gebeurtenissen.
Rollen van de personages:
- Hoofdpersoon: streeft een bepaald doel na.
- Helper: steunt de hoofdpersoon bij het bereiken van zijn doel.
- Tegenstander: werkt hem of jaar tegen.
Genre: het soort verhalende tekst.

Personages herkennen:
- Directe manier: de verteller geeft een duidelijke opsomming van karaktereigenschappen, uiterlijk en innerlijk.
- Indirecte manier: je leert de personages vooral kennen door wat ze doen of juist nalaten en door wat ze wel of niet denken, zeggen of verzwijgen.
- Analogie: de personages worden bijvoorbeeld steeds vergeleken met dieren, of doordat personages een naam hebben die iets zegt over hun karakter.
Personages beoordelen:
- Psychologisch: je vindt wat een bepaald personage doet of nalaat dan verklaarbaar, aannemelijk, logisch of juist vreemd en onbegrijpelijk.
- Maatschappelijk/ethisch: als het bijvoorbeeld om geld gaat.
Als lezer ga je uit van bepaalde normen en waarden en die gebruik je bij je beoordeling of waardering van personages.

Setting: de benaming van tijdruimtelijke situering (de tijd en ruimte waarin een verhalende tekst zich afspeelt).
Ruimte: om de omgeving waar de gebeurtenissen plaatsvinden aan te duiden.

§2: Hoe wordt verteld?

Structuur/opbouw: ieder verhaal wordt op een specifieke manier vertelt.

Verteltijd: de tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.
Vertelde tijd: de tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis in beslag nemen.
Ritme: afwisseling van versnelling, vertraging en scène.
- Versnelling: hierbij wordt een gebeurtenis die lang duurt, kort verteld (samenvattend vertellen). De vertelde tijd is dan groter dan de verteltijd.
- Vertraging: hierbij is de tijd die je nodig hebt voor het lezen veel langer is dan de tijd van de gebeurtenissen zelf (zeer uitgebreide, paginalange beschrijvingen van iets wat in een paar minuten gebeurt). De verteltijd is groter dan de vertelde tijd.
- Scène: de verteltijd en de vertelde tijd zijn min of meer gelijk aan elkaar. Dit tref je regelmatig aan bij dialogen in een verhaal.

Volgorde presentatie gebeurtenissen:
- Chronologische volgorde
- Niet-chronologische volgorde: jij moet als lezer de volgorde van de gebeurtenissen proberen te reconstrueren.
Vooruitwijzing: wat er nog gaat gebeuren.
Terugwijzing: wat er al is gebeurd.
Flashback: het personage beleeft een gebeurtenis die eerder heeft plaatsgevonden opnieuw. Vaak verklaren ze door hun informatie over het verleden het gedrag van het personage in het heden.

Motieven:
- Verhaalmotief: het terugkeren van bepaalde situaties, waarnemingen, opvattingen, gebeurtenissen of gevoelens. Het is een door jou als lezer herkend terugkerend betekenisvol element in het verhaal.
- Leidmotief: de herhaling van een bepaald woord of een volgens jou als lezer betekenisvol concreet voorwerp.

Verhaallijn: een samenhangende reeks van gebeurtenissen hierin zijn de gebeurtenissen verbonden met een of meerdere personages.

§3: Wie vertelt?

Schrijver: een echte persoon die bestaat (of bestaan heeft) en die onderdeel uitmaakt van de echte werkelijkheid buiten het verhaal.

Vertelinstantie: een aspect van de verhaaltekst. Een verteller maakt deel uit van de verhaalwerkelijkheid.
- Auctoriale vertelinstantie: de verteller is duidelijk merbaar in de tekst aanwezig. Hijzelf is geen personage in het verhaal. Hij weet wat alle personages denken of voelen en kan vertellen wat er op verschillende plekken tegelijkertijd gebeurt.
- Ik-vertelinstantie: de verteller is merkbaar aanwezig in het verhaal dat wordt vertelt. Hij vertelt wat hij heeft beleefd of ervaren. Hijzelf is een personage in het verhaal.
• Vertellend ik: de ik vertelt en blikt terug.
• Belevend ik: de ik neemt deel aan de gebeurtenissen.
- Personale vertelinstantie: de vertelinstantie is niet merkbaar aanwezig. De verteller lijkt verdwenen, onzichtbaar. De vertelinstantie laat niet merken dat er verteld wordt. Het wordt in de derde persoon verteld.

Focalisatie: vertellen met gevoel. Het verwijst naar vertelinstanties of personages in het verhaal die waarnemen en/of een standpunt innemen.
“De verteller(s) en/of personage(s) die in het verhaal zien, denken of voelen zijn focalisators.” (belangrijkste zin)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

je hebt heel erg geholpen om vragen te beantwoorden die ik had. thanks!

5 jaar geleden

B.

B.

hai, leuk

4 jaar geleden

H.

H.

graaggedaan

3 jaar geleden