ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Paragraaf 1.1 A
De sterkte van een spanningsbron is uitgedrukt in Volt, wat wij schrijven als een (V). Je kunt je stroom verdelen in twee verschillende schakelingen; parallel en serie. Op elke stroomgroep kun je verschillende apparaten aansluiten. Bij een serieschakeling zitten alle onderdelen in dezelfde stroomkring. Dit houd ook in dat als één onderdeel kapot dat de rest dan ook niet meer werkt. Bij een parallelschakeling zitten alle onderdelen apart van elkaar. Hier zit elk onderdeel voor zich, en als er een onderdeel stuk is, werkt de rest gewoon door.
Paragraaf 1.1 B
De stroomsterkte van een stroomkring word gemeten met een ampèremeter. Deze moet je altijd in serie schakelen. Een elektrische stroomschakeling transporteert de energie door de stroomschakeling. Het transportmiddel hier is elektrische stroom.
Bij een stroomschakeling is de stroomsterkte op elke plek even hoog. In de formulevorm is dit:
Ibron = I1 = 12
Ibron = de stroomsterkte uit de spanningsbron in Ampère
I1 = de stroomsterkte in deel 1 in Ampère
l2 = De stroomsterkte in deel 2 in Ampère
Bij een parallelschakeling zitten de stroomkringen apart van elkaar. Dit betekent dat de stroom zich vertakt. In een parallelschakeling is de stroomsterkte de opgemeten stroomkringen bij elkaar opgeteld. In de formule vorm is dit
Ibron = I1 + 12
Ibron = de stroomsterkte uit de spanningsbron in Ampère
I1 = de stroomsterkte in deel 1 in Ampère
l2 = De stroomsterkte in deel 2 in Ampère
Gelijke lampjes noemen we identiek.
Paragraaf 1.2 A
Al die draden zijn heel onoverzichtelijk. Daarom tekenen we vaak een schema, zodat je het beter kunt zien. Voor dit soort schema’s heb je bepaalde tekens.
Een schakelschema word heel ruim getekend. Dit schema word altijd in een rechthoek getekend, en de symbolen worden heel ruim en ver van elkaar af getekend.
Paragraaf 1.2 B
Een elektrische stroom is een bewegende lading. Dit betekend dat er per seconde een grotere stroomsterkte is. Bij een grote stroomsterkte beweegt de lading dus sneller. Met een ampèremeter kun je de stroomsterkte meter. Deze moet dan wel in serie zijn geschakeld. Het symbool is een rondje met een A erin.
De lading deelt energie uit. Nadat hij door de hele schakeling heen is gegaan krijgt hij weer nieuwe energie. Een sterke spanningsbron kan dus ook meer energie geven. De spanning in de schakeling is dus groot. Schakeling is de hoeveelheid die hij krijgt of afgeeft. Dit meten we met een voltmeter. Dit is een rondje met een V erin als symbool. Je moet een voltmeter parallel schakelen.
Paragraaf 1.3 A
Een weerstand laat zien hoeveel moeite het kost om een elektrische stroom door een stukje materiaal te laten gaan. De weerstand van bijv. een metalen draad hangt af van het soort metaal, de dikte, en de lengte.
Bij het nemen van een foto kun je een belichtingsmeter gebruiken. Hierin zit een LDR. Dit is een Light Dependent Resistor (=lichtgevoelige weerstand). Deze heeft heel weinig weerstand als er veel licht op valt. Een NTC-weerstand word gebruikt om temperaturen elektrisch te meten en regelen. Deze geleiden dus beter bij hogere temperatuur. De stroom word groter, dit word bijvoorbeeld gebruikt bij een verwarming.
Er bestaat ook een regelbare weerstand. Dit gebruik je bijvoorbeeld bij het harder en zachter zet knopje bij een cd-speler. Dit word ook wel een potentiometer genoemd (potmeter).
Je hebt verschillende weerstanden. Deze moet je met verschillende symbolen weergeven (zie blz. 23)
Paragraaf 1.3 B
Een weerstand kun je ook berekenen. De eenheid van weerstand is Ohm. (=afgekort van Omega Ω). De weerstand is rechtevenredig met een draad waarbij je de weerstand moet berekenen.
Paragraaf 1.4 A
De energie uit batterijen word eerst opgeslagen in een condensator. Deze kan de opgeslagen energie snel leveren.
Paragraaf 1.4 B
De weerstand is groter als er bij bepaalde spanningen een kleine stroomspanning loopt. De weerstand is ook groter als er bij een bepaalde stroomsterkte een grotere spanning hebt. De verhouding van de spanning en stroomsterkte heet de weerstand. In de formulevorm is dit:
R = U : I
R = weerstand in Ohm
U = Spanning in volt
I = stroomsterkte in ampère.
Bij sommige legeringen verandert de weerstand bijna niet, hoe hoger of lager de temperatuur is, het maakt niet uit.
De wet van Ohm houd in: Spanning en stroomsterkte zijn rechtevenredig met elkaar. Dit geld alleen als de weerstand niet veranderd. Een constante weerstand heet dan ook een ohmse weerstand.
Paragraaf 1.5 A
In bepaalde schakelingen word weinig energie omgezet. Dit noemen we dan vaak elektronica. Hierin gebruiken we bijvoorbeeld condensatoren, diodes en LED’s.
Een batterij levert gelijkstroom. Dit houd in dat de stroom steeds in dezelfde richting rondstroomt. Een elektriciteitsbedrijf levert heen-en-weer gaande stroom. Dit heet wisselstroom. Dit is goedkoper. Met diodes kun je wisselstromen gelijk maken. Je hebt diodes die licht geven als er stroom doorgaat. Dit heet een LED (Light Emitting Diodes)
De uitvinding van de Transistor in 1918 was heel belangrijk. De uitvinders (John Bardeen, Walter H Brittain en William Shockley) kregen er de nobelprijs voor. Een transistor heeft drie aansluitingen. Een Emitter, Basis en Collector. Een transistor kun je gebruiken als elektronische schakelaar.
Men kan verschillende diodes, weerstanden en transistoren samenbrengen op een chip. Zo’n schakeling heet een IC (= integraded circuit: geïntregreerde schakeling)
Paragraaf 1.5 B
De vervangingsweerstand kun je berekenen met de formule:
Rv = Ubron : Ibron
Rv = Vervangingsweerstand in Ohm
Ubron = Spanning in Volt
Ibron = Stroomsterkte in Ampère.
Elke schakeling heeft een vervangingsweerstand van 6 Ohm.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.