ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Samenvatting nask H6.
Natuur- en scheikunde overal 2 vwo.

Stofeigenschap = waaraan je een materiaal kunt herkennen (bijv. kleur, geur, smaak).
Diffuus = licht in alle richtingen weerkaatst (onregelmatig).
Diffusie = hetzelfde, maar dan met twee vloeistoffen.
Molecuul = de kleinste hoeveelheid van een bepaalde stof.
Zuivere stof = een stof die bestaat uit één soort moleculen.
Mengsel = een stof die uit meer molecuulsoorten bestaat.
Oplossing = een mengsel waarbij een vaste stof is opgelost in een vloeistof en waarbij een heldere vloeistof ontstaat.
Veronderstelling 1 = elke stof heeft zijn eigen soort moleculen.
Veronderstelling 2 = de moleculen van een stof bewegen.
Veronderstelling 3 = er zit ruimte tussen de moleculen.
Veronderstelling 4 = in vaste stoffen bewegen de moleculen heen en weer rondom een vaste plaats.
Veronderstelling 5 = moleculen bewegen gemiddeld sneller naarmate de temperatuur hoger is.
Veronderstelling 6 = moleculen trekken elkaar aan.
Molecuulmodel of molecuultheorie = alle eigenschappen en veronderstellingen bij elkaar.
Cohesie = de aantrekking tussen moleculen van dezelfde soort.
Adhesie = de aantrekking tussen moleculen van verschillende stoffen.
Capillairen = heel dunne buisjes of kanaaltjes in papier.
Capillaire werking = het omhoog gaan van water in capillairen.
Meniscus = het oppervlak van vloeistoffen.
Fasen = vast, vloeibaar en gas.
Smelten = van vast naar vloeibaar.
Stollen = van vloeibaar naar vast.
Verdampen = van vloeibaar naar gas.
Condenseren = van gas naar vloeibaar.
Sublimeren = van vast naar gas.
Rijpen = van gas naar vast.
Smeltpunt of stolpunt = de faseovergang van vast naar vloeibaar en omgekeerd bij een zuivere stof.
Het vindt plaats bij één bepaalde temperatuur.
Smelttraject of stoltraject = de faseovergang van vast naar vloeibaar en omgekeerd bij een mengsel.
Het vindt plaats bij een (licht) veranderende temperatuur.
Kookpunt of kooktraject = hetzelfde als een smeltpunt of smelttraject, maar dan met de
faseovergang van vloeibaar naar gas en omgekeerd.
Massa = het gewicht van een stof.
Volume = de ruimte die een stof inneemt (bij vaste stoffen het kleinst, bij gassen het grootst).
Onderdompelmethode = een voorwerp in een maatcilinder met een vloeistof leggen, en dan kijken
wat het verschil is.
Dichtheid = massa van een stof van precies één kubieke centimeter. Het teken is de ρ (rho).
Je berekent de dichtheid met: dichtheid = massa / volume of ρ = m / V.
Dichtheid van voorwerp groter dan water = het voorwerp zinkt.
Dichtheid van voorwerp even groot dan water = het voorwerp zweeft.
Dichtheid van voorwerp kleiner dan water = het voorwerp drijft.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Nice

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Hartelijk dank!, goed samenvatting!

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Fabienne

Fabienne

goed gedaan helpt enorm voor mijn toetsweek!!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

thanks heb een 10 als cijfer :)

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Dat is niet de bedoeling he zemmel

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

Dankje dit heb ik overgenomen voor een versslag !

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Marit

Marit

Super goede samenvatting!!!
Thank you <3

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

goede samenvatting!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast