Gegevens van het boek
Auteur: Fred Bredschneyder (geboren in 1927)
Titel: Elseviers grote boek voor Operette en Musical
Voor het eerst gepubliceerd in: 1972
Uitgeverij: Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972, 1e druk
Aantal pagina’s: 208
Genre: muziekgeschiedenis
Samenvatting van het boek

Het boek opent met een voorwoord van niemand minder dan de legendarische Oostenrijkse operettecomponist Robert Stolz (1880 – 1975). Hij stelt, dat de operette een “sprookje voor volwassenen” is en dat deze de mensen vreugde schenkt in het “grauwe dagelijkse bestaan”.
In een “ter inleiding” geeft Bredschneyder aan, dat in dit boek de korte biografieën te vinden zijn van een zestigtal operette- en musicalcomponisten alsmede de bespreking van een kleine honderdtwintig van hun werken. Bovendien - en persoonlijk vind ik die erg leuk - laat Bredschneyder de lezer in dit boek genieten van allerlei anekdotes, beschrijvingen van bijzondere gebeurtenissen of informatieve achtergrondverhalen over bepaalde operettes of musicals.
In een “beknopt historisch overzicht” geeft Bredschneyder aan, dat hij operette en musical gezamenlijk behandelt, omdat beide het “lichte muzikale theater” betreffen. Er is in feite ook geen principieel verschil tussen beide genres. De operette is ondenkbaar zonder de opera, waaruit zij in feite is voortgekomen. Naast de opera ontwikkelden zich allerlei lichtere vormen, zoals de “opera buffa” in Italië, het “Singspiel” in Duitsland, de “ballad opera” in Engeland en de “vaudeville” in Frankrijk. De aartsvader van de operette is de grote Franse componist Jacques Offenbach (1819 – 1880). In 1855 opende hij zijn Parijse theater “Bouffes-Parisiens”, waarin hij zijn beroemd geworden operettes opvoerde. Deze hadden een groot succes, niet in de laatste plaats vanwege hun parodistische en satirische elementen. Andere grote Franse operettecomponisten, zoals Charles Lecocq (1832 – 1918), Edmond Audran (1842 – 1901) en Robert Planquette (1848 – 1903) zochten het meer in romantische geschiedenissen, die ze verpakten in uitermate aanlokkelijke melodieën.
De “Weense” operette werd geboren in 1860 met de opvoering van een eigen operette van Franz von Suppé (1819 – 1895). Daarna volgden meer werken van componisten zoals Johann Strauss Jr. (1825 – 1899), Karl Millöcker (1842 – 1899) en Carl Zeller (1842 – 1898). Zij behoorden tot het “gouden” tijdperk van de Weense operette. Het “zilveren” tijdperk nam een aanvang in 1905 met de opvoering van “Die lustige Witwe” van Franz Léhar (1870 – 1948). Andere componisten uit dit zilveren tijdperk waren Oscar Straus (1870 – 1954), Leo Fall (1873 – 1925), Emmerich Kálmán (1882 – 1953), Oskar Nedbal (1874 – 1930) en de al genoemde Robert Stolz.
In Berlijn werden uiteraard ook operettes geschreven. De bekendste componisten in deze bruisende Duitse metropool waren Paul Lincke (1866 – 1946), Eduard Künneke (1885 – 1953), Paul Abraham (1892 – 1960) en Léon Jessel (1871 – 1942).
In Engeland zou er zonder Sir Arthur Sullivan (1842 – 1900) hoogstwaarschijnlijk geen sprake geweest zijn van een Engelse operette. Naast de verrukkelijke muziek is de typisch Engelse humor vaak een karakteristiek van deze operettes. Ook de naam van de componist Sydney Jones (1861 – 1946) mag hier zeker niet vergeten worden; zijn bekendste operette is “The Geisha”.
Ook in Spanje ontstond een vorm van operette - bekend geworden onder de naam “zarzuela” - die zich merkwaardigerwijs nooit heel erg over West-Europa verbreid heeft. Ook in Italië, Zwitserland, België en Nederland zijn operettecomponisten werkzaam geweest, maar heel bekend zijn deze eigenlijk nooit geworden.
Amerika is het land van de musical. Aanvankelijk werden de Europese operettes in vertaling op Broadway in New York opgevoerd. Veel musicalcomponisten stamden ook uit de oude wereld. De Europese invloeden zijn vanuit dat oogpunt bezien dan ook niet zo vreemd. Zo kwam Victor Herbert (1859 – 1924) uit Ierland, Rudolf Friml (1879 – 1972) uit Tsjechië en Sigmund Romberg (1887 – 1951) uit Hongarije. De musical is overigens niet zo maar uit de lucht komen vallen. Ze grijpt terug op oudere vormen van het lichte muzikale theater, zoals die zich in Amerika hebben ontwikkeld. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de “extravaganza”, de “ballad opera” en de “minstrel show”. Ook de revue oefende een sterke invloed op de musical uit. Zo sterk zelfs, dat het onderscheid soms behoorlijk vervaagd is. Wat kenmerkend is voor veel Amerikaanse musicals, is, dat veel waarde gehecht wordt aan het bedrijven van “show”. De “echte” Amerikaanse musicalcomponisten zijn Jerome Kern (1885 – 1945), George Gershwin (1898 – 1937) en Richard Rodgers (1902 – 1979).
In een apart hoofdstuk gaat Bredschneyder specifiek in op de operette en musical in Nederland en België, waarbij het dan met name gaat om de vraag of de liefhebber qua voorstellingen en dergelijke voldoende aan zijn trekken komt. Ik wil hier verder niet te veel over zeggen, omdat veel informatie uit dit hoofdstuk inmiddels behoorlijk verouderd is. Zo gaat Bredschneyder bijvoorbeeld uitvoerig in op het legendarische operettegezelschap “De Hoofdstadoperette”. Dit gezelschap ging echter in de jaren negentig van de twintigste eeuw - toen de subsidie stopgezet werd - ten onder. Ook zetten sommige operagezelschappen - helaas! - steeds minder vaak een operette op het programma. En of er nu nog steeds zo veel amateur-operettegezelschappen zijn als Bredschneyder beweert - hij spreekt over een aantal van “meer dan honderd” in Nederland - waag ik inmiddels te betwijfelen. Wat natuurlijk wel gebleven is, is de muziekweergave via grammofoonplaten en (inmiddels) compact disks.
Het grootste gedeelte van het boek wordt in beslag genomen door het alfabetisch opgezette deel, dat handelt over de componisten en hun belangrijkste werken. Ik zal slechts een gedeelte hieruit behandelen, waarbij ik een droge opsomming wil proberen te vermijden.
Ik begin met Paul Abraham die in 1892 in Hongarije geboren werd. Zijn twee bekendste operettes zijn “Viktoria und ihr Husar” uit 1930 en “Die Blume von Hawaii” uit 1931. Persoonlijk vind ik het lied “Reich mir zum Abschied noch einmal die Hände” uit het eerstgenoemde werk het mooiste wat Abraham ooit geschreven heeft. Het heeft een prachtige, serene melodie die werkelijk vol melancholie zit. Abraham heeft geleden onder het opkomende Naziregime. Hij was jood en vluchtte uiteindelijk naar Amerika. Hij kon daar echter niet wennen, werd overspannen en kwam in een krankzinnigengesticht terecht. Na de oorlog dacht men in Duitsland aanvankelijk, dat Abraham in de oorlog overleden was. Toen bleek, dat Abraham nog leefde, werd een speciaal genootschap voor hem opgericht dat voldoende fondsen verzamelde om hem in 1956 terug te halen naar Duitsland. In een kliniek in Hamburg werd aan zijn behandeling gewerkt en deze wierp uiteindelijk vruchten af. Abraham werd uit de kliniek ontslagen en met zijn vrouw verenigd. Door auteursrechten en een hem toegekend smartengeld kon Abraham tot zijn dood in 1960 in Hamburg comfortabel en rustig leven.
Een tijdgenoot van Abraham was Ralph Benatzky die in 1887 in Tsjechië geboren werd. Hij studeerde muziek in Praag en werd aanvankelijk vooral bekend door zijn chansons. Echt beroemd werd hij door zijn revueoperette “Im weissen Rössl” uit 1930, waarvan ik vooral het lied “Im Salzkammergut da kann man gut lustig sein” waardeer door zijn oprechte vrolijkheid en heerlijke melodie. Benatzky schreef overigens ook filmmuziek en regisseerde soms zelf ook enkele van zijn eigen muzikale blijspelen. Daarnaast stelt Bredschneyder, dat Benatzky ook nog literatuur vertaalde en zelf romans en gedichten schreef. In andere literatuurbronnen lees ik daar echter niets over, zodat ik een beetje aan dit verhaal twijfel. Benatzky overleed in 1957 in Zürich.
Irving Berlin werd in 1888 in Rusland geboren uit Russisch-joodse ouders. Zijn ouders vluchtten naar Amerika waar Berlin een typisch Amerikaanse carrière maakte: van krantenjongen werd hij uiteindelijk miljonair. Berlin schreef in totaal een kleine duizend liederen, waarvan een groot deel wereldberoemd werd. Ik noem slechts “I’m dreaming of a White Christmas” (vooral in de uitvoering door zanger / acteur Bing Crosby), “Cheek to cheek”, “Blue skies” en “Easter parade”. Uit zijn bekende musical “Annie get your gun” stamt het zeer bekende “There’s no business like show-business”, dat met recht het volkslied van de show-business is geworden. Berlin stierf in 1989 op 101-jarige (!) leeftijd.
Nico Dostal werd als operettecomponist wel de “laatste der Mohikanen” genoemd. Hij werd in 1895 in Oostenrijk geboren en volgde aanvankelijk een rechtenstudie. Maar omdat het muzikale bloed in hem de overhand kreeg - zijn grootvader was dirigent en zijn oom Hermann was ook componist -, werd hij al gauw leerling van een muziekschool. Hij startte met ernstige muziek, maar kwam uiteindelijk bij de lichtere muze terecht. Met de operette “Clivia” uit 1933 vestigde hij zijn naam als operettecomponist. Zijn mooiste operette vind ik zelf “Die ungarische Hochzeit” uit 1939. Het is een “Hongaarse” operette, wat wil zeggen, dat de muziek op Hongaarse elementen gebaseerd is. Het melancholieke “Spiel mir das Lied von Glück und Treu” vind ik zelf het hoogtepunt uit deze operette. Dostal stierf in 1981. Hij was toen de laatste nog levende grote operettecomponist en zijn dood sloot een tijdperk af.
Léon Jessel werd in 1871 in Polen geboren. Aanvankelijk had hij als componist weinig succes, maar niemand minder dan Johann Strauss Jr. stimuleerde hem om door te gaan. Rond 1900 had hij groot succes met zijn salonmuziek die toen zeer in de mode was. Zijn grootste succes als operettecomponist behaalde Jessel met “Schwarzwaldmädel” uit 1917. De muziek is van begin tot einde verrukkelijk. Het zijn uitermate goed in het gehoor liggende melodieën, waarbij het walslied “Erklingen zum Tanze die Geigen” mijn absolute favoriet is. Het is heel lastig om dan stil te blijven zitten! Jessel’s leven eindigde tragisch. Omdat hij jood was, kreeg hij na 1940 van de Naziterreur te lijden. Hij werd in 1941 gearresteerd en in de gevangenis in Berlijn gestopt. Daar werd hij zo mishandeld, dat hij in het begin van het jaar 1942 naar een ziekenhuis gebracht moest worden. Daar bezweek hij na een paar dagen aan zijn verwondingen. Wat een ongelooflijk triest einde van zo’n begaafde musicus!
Emmerich Kálmán werd in 1882 in Hongarije geboren. Aanvankelijk studeerde hij rechten, maar hij voltooide daarnaast tevens een muziekstudie. Hij is het meest bekend geworden door een drietal operettes, namelijk “Die Csárdásfürstin” uit 1915, “Gräfin Mariza” uit 1924 en “Die Zirkusprinzessin” uit 1926. Deze operettes bevatten door en door Hongaarse muziek. Dat kwam natuurlijk primair doordat Kálmán zelf een Hongaar was. Maar secundair ook omdat Kálmán zelf iets van een zigeuner had: hij was een echte kosmopoliet en voelde zich overal thuis. Het gaat wellicht wat afgezaagd klinken, maar ik vind de genoemde operettes ware meesterwerken. De muziek is warm en meeslepend, maar tegelijkertijd ook doortrokken van weemoed. Ik mag deze muziek graag op CD beluisteren en op de piano spelen! Omdat ook Kálmán jood was, moest hij voor de Nazi’s vluchten. Via Frankrijk ging hij naar Amerika. In 1949 keerde hij naar Europa terug, waar hij in 1953 in Parijs overleed.
Jerome Kern was een vruchtbare musicalcomponist. Hij werd in 1885 in New York geboren. Zijn vader wilde aanvankelijk, dat hij in zaken ging, maar toen hij daar duidelijk geen aanleg voor bleek te hebben, wijdde hij zich verder aan de muziek. Zijn ster steeg langzaam maar zeker. In 1927 bereikte hij een absoluut hoogtepunt met “Show boat”. Dit werd een soort archetype voor de Amerikaanse musical. De bekendste hits uit deze musical zijn het ongelooflijk mooie “Ol’ man River” en “Can’t help lovin’ that man”.
Dan komen we bij een muzikaal uiterst begaafde man terecht, namelijk Eduard Künneke die in 1885 in Duitsland geboren werd. Volgens zijn dochter Evelyn leerde haar vader al op driejarige leeftijd lezen en schrijven, waarna hij een schriftelijke cursus pianospelen volgde. Zijn eerste concert schreef hij op negenjarige leeftijd. Zijn vierde operette, “Der Vetter aus Dingsda” uit 1921 bezorgde Künneke wereldfaam. De muziek van deze operette is fris, geestig en fijnzinnig. Künneke was overigens op meer muzikale gebieden werkzaam. Zo componeerde hij ook opera’s, toneelmuziek, liederen en filmmuziek. Ook had hij grote interesse in wiskunde, mythologie en filosofie. Hij schijnt een enorme bibliotheek bezeten te hebben waar menig vakman jaloers op geweest zou zijn. Künneke stierf in 1953 in Berlijn. Zijn dochter Evelyn (1921 – 2001) werd een bekende chansonnière. Ik heb haar wel eens op de radio gehoord en ze had een aparte lage en zwoele stem. Tot haar dood is ze in het huis van haar vader in Berlijn blijven wonen.
De belangrijkste representant van de “zilveren” Weense operette is Franz Lehár die in 1870 in Hongarije werd geboren. Zijn vader was dirigent van een militaire muziekkapel en muziek werd de jonge Franz dan ook met de paplepel ingegoten. Lehár studeerde muziek in Praag en begon aanvankelijk als operacomponist. Dat is in een aantal van zijn operettes overigens ook goed te horen. Zeker in de latere, die ik buitengewoon opera-achtig vind. Het grote succes voor Lehár begon in 1905 met de première van zijn operette “Die lustige Witwe”, die overigens door niemand minder dan Robert Stolz gedirigeerd werd. Talloze operettes volgden en werden een groot - en vooral blijvend - succes. Ik noem slechts “Der Graf von Luxemburg” uit 1909, “Zigeunerliebe” uit 1910, het buitengewoon opera-achtige “Das Land des Lächelns” uit 1929 en natuurlijk zijn laatste operette, “Giuditta” uit 1934. Vanwege de vaak opera-achtige aria’s in zijn operettes kreeg Lehár als bijnaam “de Puccini van de operette”. Overigens waren Lehár en Puccini met elkaar bevriend en ik denk, dat beiden elkaar ook geïnspireerd hebben. Als u luistert naar bijvoorbeeld de aria’s “Immer nur lächeln” uit “Das Land des Lächelns” en “Warum hast du mich wach geküsst” uit “Friederike”, zult u begrijpen waarom deze aria’s in een opera beslist niet misstaan zouden hebben! Er zit ongelooflijk veel diepgang in deze muziek en volgens mij verklaart dat ook waarom Lehár’s muziek tot op de dag van vandaag nog zo populair is. Lehár kwam de Tweede Wereldoorlog in Oostenrijk ongeschonden door, hoewel hij met een joodse vrouw getrouwd was. Men zegt, dat Hitler een groot liefhebber van Lehár’s werk was en dat hij daaraan zijn “bescherming” te danken had. Lehár stierf in 1948 in Bad Ischl (Oostenrijk).
Een tragische operettecomponist is Oskar Nedbal die in 1874 in Tsjechië geboren werd. Hij studeerde aan het conservatorium van Praag en raakte daar bevriend met Antonin Dvorák. Op zijn tweeëntwintigste was hij al dirigent. In 1906 vestigde Nedbal zich in Wenen. Hij schreef muziek voor orkest, piano en balletmuziek. Zijn meesterwerk is de operette “Polenblut” uit 1913. De muziek hiervan is vrolijk en levenslustig, maar tegelijkertijd ook innig en enigszins melancholiek. Luistert u maar eens naar het walslied “Ihr seid ein Kavalier”! Het leven van Nedbal eindigde tragisch. Ondanks zijn opgeruimde karakter kreeg hij de nodige financiële tegenslagen te verwerken. Hij raakte depressief en pleegde zelfmoord door in 1930 uit een raam van het operahuis in Zagreb te springen.
De Amerikaanse musicalcomponist Cole Porter werd in 1893 in Amerika geboren. Hij studeerde aanvankelijk rechten, maar schakelde op een gegeven moment over op muziek. Hij ging het leger in en vestigde zich later in Parijs. Hij werd rijk toen hij een liedje schreef dat buitengewoon veel succes had. Ook erfde hij nog een kapitaal van zijn grootvader. Hij verhuisde vervolgens naar Venetië. Zijn ster steeg als componist van musicals (o.a. “Kiss me Kate” uit 1948), liederen (o.a. “I’ve got you under my skin” en “True love”) en filmmuziek. Privé zat het Porter niet mee. Als gevolg van een val van een paard brak hij beide benen. Hij bleef daar de rest van zijn leven last van houden. Toen in 1954 zijn vrouw overleed, trok hij zich langzamerhand uit de openbaarheid terug. Hij stierf in 1964 in Santa Monica (aan de Californische kust).
Een andere beroemde representant van de Amerikaanse musical was Richard Rodgers die in 1902 in Amerika geboren werd. Hij speelde al op vierjarige leeftijd piano. Ook zijn ster steeg langzaam maar zeker. Samen met de tekstschrijver Oscar Hammerstein vormde hij een gouden duo. Hun eerste musical was “Oklahoma” uit 1943. Daarna volgde nog een aantal buitengewone successen, zoals “South Pacific” uit 1949, “The King and I” uit 1951 en - uiteraard - “The Sound of Music” uit 1959. De laatste twee musicals zijn ook verfilmd en werden als zodanig kassuccessen. Rodgers stierf in 1979 in New York.
En dan komen we nu toe aan de “the grand old man” van de Weense operette, namelijk Robert Stolz die in 1880 in Oostenrijk geboren werd. Zijn vader had een muziekschool en van hem kreeg de kleine Robert zijn eerste muziekonderricht. Zijn eerste compositie schreef Stolz op elfjarige leeftijd. Zijn eerste operette ging in 1899 in première. Stolz’ roem steunt eigenlijk primair op de onvergetelijke liederen die hij geschreven heeft en die wereldberoemd geworden zijn. Ik noem als voorbeeld slechts “Im Prater blüh’n wieder die Bäume”. Daarnaast schreef hij veel filmmuziek en was hij een veelgevraagd dirigent. Hij werkte o.a. in Wenen en in Berlijn. In de Tweede Wereldoorlog week hij via Frankrijk uit naar Amerika. Hij hoefde als “Ariër” eigenlijk niet weg, maar hij koos daar zelf voor uit solidariteit met verschillende joodse collega’s. In Amerika ging het hem na een enigszins moeilijke start uiteindelijk zeer voor de wind. Stolz keerde na de oorlog - met zijn vijfde echtgenote, de onvergetelijke Einzi Stolz-Ulrich (1912 – 2004) - terug naar Wenen en gaf daar weer nieuwe impulsen aan het muzikale leven. We mogen als operetteliefhebbers Stolz heel dankbaar zijn, want hij toonde zich tot zijn dood een onvermoeibare promotor van de Weense muziek. Hij heeft de laatste jaren van zijn leven ontzettend veel plaatopnames gemaakt, waaronder diverse complete operettes. Deze grammofoonplaatopnames zijn inmiddels ook op compact disk beschikbaar en met name de vijftiendelige serie “Wiener Musik” koester ik bijzonder. Het zijn instrumentale opnames - de meeste met het Berlijns symfonieorkest - van walsen, marsen, polka’s, quadrilles en ouvertures e.d. van praktisch alle hierboven reeds genoemde operettecomponisten. De laatste opname op de laatste compact disk is een compositie van Stolz zelf, namelijk zijn wals “Wiener Café”. Een passender afsluiting is er niet, denk ik. Stolz stierf in 1975 in West-Berlijn, waar hij op dat moment bezig was met plaatopnames. Zijn lichaam werd teruggevlogen naar Wenen en daar opgebaard in de “Wiener Staatsoper”. Vervolgens werd Stolz bijgezet in een eregraf op het “Wiener Zentralfriedhof”. Ook Einzi werd daarin na haar dood bijgezet.
Johann Strauss Jr. kan hier natuurlijk evenmin ontbreken. Met hem wil ik deze selectie van korte biografieën afronden. Strauss Jr. werd geboren in 1825 in Wenen, studeerde er muziek en debuteerde als dirigent en componist in 1844. Hij beconcurreerde daarbij (het orkest van) zijn vader, Johann Strauss Sr. (1804 – 1849). Na de dood van zijn vader nam Johann Jr. het orkest van zijn vader over. Strauss werd een zeer bekend en beroemd componist van walsen, polka’s, marsen enz. In 1871 ging zijn eerste operette in première, namelijk “Indigo”. Het werd een enorm succes, hoewel het libretto niet sterk was. Dat laatste is eigenlijk ook het grote probleem van de meeste van de andere operettes van Strauss. Desondanks werden het allemaal grote successen vanwege de heerlijke muziek. De meeste operettes zijn nu overigens vergeten. Slechts enkele worden nog regelmatig opgevoerd. Daaronder zijn “Die Fledermaus” uit 1874, “Eine Nacht in Venedig” uit 1883 en “Der Zigeunerbaron” uit 1885. Vooral de laatste twee operettes vind ik absolute meesterwerken. Van Strauss is bekend, dat hij zijn composities niet achter de piano componeerde, maar achter het harmonium! Verder componeerde hij bij voorkeur - vanwege de stilte - tijdens de nachtelijke uren. Strauss stierf in 1899 in Wenen. Hij werd eveneens in een eregraf op het “Wiener Zentralfriedhof” begraven. Na zijn dood werd nog een aantal operettes uit zijn muziek samengesteld, waaronder het bekende “Wiener Blut” uit 1899.
Beoordeling van het boek

Als ik het mij goed herinner, kocht ik mijn eerste operetteplaat toen ik een jaar of twaalf was. Ik weet nog, dat het een 33 toeren-grammofoonplaat was van Lehár’s “Der Graf von Luxemburg”. Sindsdien ben ik verslingerd aan operettemuziek. Het is heerlijke lichtvoetige muziek die een mens vrolijk maakt en eventjes verheft uit zijn dagelijkse bestaan (zoals Robert Stolz in het voorwoord van dit boek ook zo treffend aangeeft).
Helaas lijkt de operette enigszins op haar retour te zijn. Grote operettegezelschappen bestaan niet meer of zijn inmiddels ter ziele gegaan. Operagezelschappen zetten nauwelijks nog een operette op het programma. Nieuwe cd-opnames vinden ook nauwelijks of niet plaats. Ik begrijp dat laatste overigens wel. De kosten van een productie zijn enorm en het is maar de vraag of de verkoop zodanig is, dat er winst gemaakt kan worden. Op televisie zijn er al helemaal geen operette-uitvoeringen meer te zien. Ook op de radio is er - voor zover ik heb kunnen nagaan - geen eigen operetteprogramma meer. Ik betreur nog steeds het schrappen in 2007 van het programma “Operette” van Henk Blankenstein voor de VARA-radio. Op de Duitse zenders kan de liefhebber echter gelukkig nog wel terecht. Zo is op de radiozender WDR4 nog steeds het prachtige programma “Operette nach Wunsch” te beluisteren. Ik heb dat programma jarenlang op de zondagmorgen tussen 10.00 uur en 12.00 uur beluisterd (tegenwoordig is het op vrijdagavond te beluisteren tussen 20.00 uur en 22.00 uur). Ik heb van deze programma’s ontzettend veel geleerd: allerlei wetenswaardigheden over de operettes, de componisten, de tekstschrijvers, de diverse thema’s enz. Deze programma’s waren echte schatkamers voor de liefhebber. Het heeft mijn liefde voor de operette in ieder geval verdiept. Hopelijk komt er nog eens een opleving van de operette!
Dit boek van Bredschneyder is ideaal als naslagwerk te gebruiken. Er staat ontzettend veel in en de samenvattingen van de inhoud zijn ideaal te gebruiken voor als u bijvoorbeeld weer eens een operette-cd opzet. De informatie is adequaat en wordt ook aantrekkelijk gepresenteerd. Vooral de achtergrondverhalen maken het boek tot een ware schatkamer. Natuurlijk is sommige informatie inmiddels ook al weer verouderd. Zo is de informatie over grammofoonplaten bijna veertig jaar later natuurlijk niet meer zo relevant. Veel grammofoonplaten zijn overigens op compact disk overgezet, zodat de liefhebber met een beetje geluk zijn collectie weer zal kunnen opbouwen (voor zover hij zijn grammofoonplaten niet koestert, natuurlijk). Van dit boek verscheen in 1989 bij Uitgeverij Tirion in Baarn een geheel nieuwe bewerking door dezelfde auteur. De gegevens over grammofoonplaten zijn daarin geheel vervangen door gegevens over compact disks.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.