Algemene Muziekleer

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2712 woorden
  • 16 juni 2003
  • 145 keer beoordeeld
Cijfer 5.7
145 keer beoordeeld

PTA 2003 Muziek Samenvatting en Begrippenlijst Verlenging van de tekens: punt achter de noot of rust betekend dat de noot of rust wordt verlengd met de helft van de waarde. Verbindingsboog: de waarde van de eerste noot wordt verlengd met de waarde van de tweede. Syncope: het verleggen van het accent. Duool: onderverdeling in tweeën waar een andere verdeling gangbaar is. Triool: onderverdeling in drieën waar een andere verdeling gangbaar is. Kwintool: onderverdeling in vijven waar een andere verdeling gangbaar is. Polyritmiek: het gecombineerd voorkomen van metrische en anti-metrische figuren
Complementair ritme: het ritme van de ene partij vult dat van de andere aan. Opmaat: onvolledig maat aan het begin van een muziekstuk. Stuk begint niet met hoofdaccent. Wat in laatste maat ontbreekt staat vooraan. Onregelmatige maartsoorten: een combinatie van twee- en driedelige maten, bijvoorbeeld 5/4 of 7/8 maat. Afterbeat: Een vierkwartsmaat is herkenbaar aan accenten op de eerste en de derde tel. Indien in de begeleiding ook accenten klinken op de tweede en de vierde tel, spreekt men van afterbeat. Hemiool: een tijdelijke tweedeligheid in een driedelig stuk of omgekeerd. Polyritmiek: het gelijktijdige voorkomen van verschillende maatsoorten in meerstemmige muziek. Tactus: een pulsbeweging in een ritmische structuur die niet gebonden is aan de maatsoorten. Swing: Een subtiele tijdverschuiving door de timing van het moment van spelen, waardoor een karakteristieke vering ontstaat. Swing heeft een Afro-Amerikaanse oorsprong. Dominant en tonica: de spanningstoon is meestal de kwint, die heet dominant. De rusttoon of grondtoon heet tonica, deze is meestal uitgangspunt en slot van een compositie. Pentatoniek: selectie van 5 tonen uit een octaaf. Klinkt een beetje chinees. Diatoniek: selectie van 7 tonen uit een octaaf. De volgorde van toonafstanden is 1, 1, ½, 1, 1, 1, ½. Dit heet een diatonische toonladder. Volkomen consonanten intervallen: geen of minimale spanning tussen de toren (reine priem, kwart, kwint, octaaf) Onvolkomen consonanten intervallen: deze vertonen als iets meer spanningen maar zijn als samenklank toch nog rustgevend, welluidend (terts, sext) Dissonanten intervallen: hierbij is er zoveel spanning tussen de tonen, dat de samenklank gelijk om een oplossingen vraagt (grote, kleine seconde, grote, kleine septiem) wat als consonant of dissonant ervaren wordt is in de loop er eeuwen steeds verschoven. Grote drieklank: een akkoord dat bestaat uit een grondtoon, een grote terts op die grondtoon, een reine kwint op die grondtoon. Kleine drieklank: een akkoord dat bestaat uit een grondtoon, een kleine terts op die grondtoon, een reine kwint op die grondtoon. Akkoord functies 1, 4, 5: in een majeurladder ontstaat op de eerste, vierde en vijfde trap vanuit de ladder gerekend, een grote drieklank. De akkoordfuncties worden aangegeven met Romeinse cijfers 1: tonica, 4: onderdominant, 5: dominant. In de mineurladder ontstaat op de eerste, vierde en vijfde trap vanuit de ladder gerekend, een kleine drieklank. Vanwege de leidtoonfunctie wordt de drieklank op de vijfde trap steeds verhoogd tot een grote drieklank. Gebroken drieklank: het na elkaar tot klinken komen van een akkoord. Albertijnse bas: een begeleiding figuur dat uit gebroken akkoorden bestaat. Orgelpunt: een begeleidingsfiguur bestaande uit een lang aangehouden of steeds herhaalde toon in de bas. Bourdon: een begeleidingsfiguur bestaande uit een lang aangehouden samenklank van een kwint (tonica en dominant) in de bas. Close harmony: een samenklankopbouw waarbij de tonen zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. Chromatiek: het gebruik maken van halve- toonafstanden door middel van verhogingen en verlagingen van de tonen uit een diatonische toonladder. Unisono: eenstemmig: alle desbetreffende instrumenten spelen tegelijk dezelfde melodie. Cluster: een samenklank van een aantal dicht bij elkaar liggende tonen. Homofonie: meerstemmigheid, waarbij een van de stemmen de melodie voert, terwijl de andere een begeleidende, opvullende functie hebben. Polyfonie: meerstemmigheid, waarbij alle stemmen een zelfstandige melodische betekenis hebben. Modulatie: overgang van de ene naar de andere toonsoort. Tertsverwantschap: muzikale relatie tussen toonsoorten die een terts van elkaar verwijderd zijn. terrassendynamiek: plotselinge overgangen van sterk naar zacht en omgekeerd. Andere termen: ecodynomiek, registerdynamiek, contrastdynamiek. overgangsdynamiek: geleidelijke overgang van sterk naar zacht en/of omgekeerd. Legato: gebonden, aangegeven met een boog boven ov onder de noten

Staccato: kort alle tonen los van elkaar, aangegeven met een punt onder of boven de noot. Portato: bijna gebonden, aangegeven met een streepje onder of boven de noot of met een boog en punt. Frasering: het door middel van articulatie doen uitkomen van de muzikale zinnen en zinsdelen. Fermate: een verlenging van een noot of rust naar keuze van de uitvoerende
G.P.: Generale pauze
Da capo al fine: van het begin tot fine
Dal segno al fine: vanaf het segno-teken tot aan fine
Ima volta: prima volta, eerste keer
Ilda volta: secunda volta, tweede keer
Subito: plotseling
Attaca: meteen doorgaan
Tutti: met z’n allen
Obligaat: verplicht
Pizzicato: getokkeld
Arco: gestreken
Con sourdine: met demper. Vibrato: een schommeling van toonhoogte of –sterkte. Glissando: een glijdend verloop van toonhoogte
Arpeggio: tonen van een akkoord worden niet tegelijk gespeeld (zoals ze genoteerd staan), maar snel na elkaar
Fuzz: pedaal dat een elektrische gitaar scheurend laat klinken. Disortion: klankvervorming. Interpretatie: manier waarop de kunstenaar gestalte geeft aan de utvoering van een stuk. Ad libitum: naar believen

A capella: vocale uitvoering zonder begeleiding
Versieringen: Het toevoegen van niet genoteerde tonen en ritmes (triller, voorslag, dubbelslag) Inégalité: het ongelijk uitvoeren van gelijk genoteerde ritmische figuren. Vooral in Barok. Blue note: te laag geïntoneerde toon, meestal de terts. Scat vocal: manier van instrumentaal zingen op betekenisloze lettergrepen. Rappen: het spreken van teksten op een ritmische ondergrond
Dirty intonation: het opzettelijk te hoog of te laag intoneren of het vervormen van de toon. Veel gebruikt in jazz en pop
Transponeren: een compositie uitvoeren of noteren in een andere toonhoogte dan oorspronkelijk genoteerd staat. Partituur: gehele notatie van verschillende partijen van een muziekstuk. Arrangement: herschrijven van een bestaande compositie voor een andere bezetting. Coverversie: bestaande song uitgevoerd in een andere sound
Soundtrack: muziek van de geluidsband van een film
Demo: bandopname voor demonstratiedoeleinden. Opus (op.): werk. Met deze aanduiding gevolgd door een cijfer worden de verschillende werken van een componist aangegeven. Vrouwenstemmen: sopraan, mezzosopraan, alt
Mannenstemmen: tenor, bariton, bas

Vocale ensembles: gemengdàsopraan, alt, tenor, bas. Vrouwenkoorà sopraan, sopraan, alt, alt. Mannenkoorà tenor, tenor, bas, bas
Kleine instrumentale ensembles: duo, trio, kwartet, kwintet
Baroktrio: 2 melodische instrumenten en een continuo
Band: instrumentale combinatie voor jazzmuziek bestaande uit een ritmesectie en een melodiesectie. Combo: van combination, kleine band van drie tot zes personen. Big band: uitgebreide jazzband met groepsgewijs bezette blazers
Popformatie: drum, basinstrument, akkoordinstrument, melodie-instrument. Symfonieorkest: snaarinstrumenten, hout- en koperblazers, slagwerk
Harmonieorkest: hout- en koperblazers, slagwerk
Fanfareorkest: koperblazers en slagwerk. Motief: het kortste melodisch en/of ritmisch gegeven, dat als bouwsteen dient voor een muzikale zin of voor een compositie. Het is open, niet afgerond en meestal goed herkenbaar. Motiefverwerking: Motieven kunnen worden herhaald, bijvoorbeeld op andere toonhoogten; motieven kunnen worden veranderd, bijvoorbeeld door variatie, motiefsplitsing, motiefkoppeling, verkorting en uitbreiding, vergroting en verkleining van het ritme, kreeftengang en omkering. Thema: een afgerond melodisch gegeven dat als bouwsteen dient voor een compositie. Is langer dan een motief, eindigt meestal met een cadens. Muzikale zin: Een muzikale eenheid van vaak acht maten, meestal te ontleden in voorzin en nazin met aan het eind een muzikale ontspanning (cadens, slot). Een muzikale zin wordt ook wel aangeduid als periode of volzin. Periodische zinsbouw: Het samenstellen van muzikale zinnen door contrasterende motieven in een symmetrische structuur, bijvoorbeeld vier maten stijgend, vier maten dalend; voorzin met drieklanktonen, nazin in secondes. Liedvorm: Compositie opgebouwd uit muzikale zinnen. Bijvoorbeeld: - ééndelige liedvorm: A - tweedelige liedvorm: AB of AA
Samengestelde liedvorm: composities waarin grotere delen zelf weer kleinere, afgeronde structuren vertonen. Sequens: de onmiddellijke herhaling van een muzikaal gegeven op een hogere of lagere toon. break: De onderbreking van het ensemblespel gedurende een aantal maten in een jazz of popcompositie waarbij alleen de solist doorspeelt. Fill: ritmische verbinding tussen de melodische thema’s van een improvisatie, meestal gespeeld door een slagwerker. Bereidt een nieuwe zin, deeltje of harmonie voor. riff: een korte frase of een krot motief, dat een aantal keren herhaald wordt in jazz en popmuziek, bijvoorbeeld door een groep blazers achter een solist. Bridge: combinatie van tekst en muziek in een song, anders dan couplet en refrein, komt maar één keer voor. Walking bass: vloeiende manier van bas spelen, waarbij op iedere tel een andere bastoon wordt gespeeld. Spreekgezang: manier van tekstvoordracht tussen spreken en zingen in. Toonhoogte en/of ritme zijn door de componist genoteerd. Volkslied: muziek op een tekst in de volkstaal, mondeling overgeleverd en daardoor met veel varianten, door amateurs te zingen. Kunstlied: muziek op tekst van een zeker poëtisch gehalte, geschreven met esthetische bedoelingen. Song: Engels woord voor lied, meestal gebruikt in d betekenis van amusementslied. Kenmerken: vaak 32 maten, vaak AABA-vorm. Coupletlied: lied dat voor ieder vers dezelfde muziek heeft. Gevarieerd coupletlied: lied waarvan de coupletten variaties bevatten op het eerste couplet. Doorgecomponeerd lied: lied waarvan ieder couplet nieuwe muziek laat horen. Orkestlied: lied met orkestbegeleiding. Ballade: 1. in de middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter

2. tijdens en na de Weense klassieken een lied op tekst van een literaire ballade. 3. in de romantiek een instrumentale compositie, vrij lang en vaak o basis van een volksliedachtig thema. Protestlied: lied waarin onvrede met (wan)toestanden tot uitdrukking wordt gebracht. Schlager: Duits woord voor hit. Lied dat inslaat bij een groot publiek. Chanson: franse term voor lied. 1. In de renaissance een meerstemmige, vaak polyfone compositie op een wereldlijke, meestal amoureuze tekst. 2. Na de franse revolutie vaak een patriottisch coupletlied. 3. Na 1900 vooral cabaret of amusementslied. Blues: liederen van Amerikaanse negers, vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Inhoud is droevig en protesteren op gitaarbegeleiding met vast bluesschema. Hymne: loflied, gecomponeerd op een metrische meestal rijmende religieuze tekst. Contrafact: nieuwe tekst op bestaande melodie
Koraal: geestelijk coupletlied, vooral in protestantse eredienst sinds 16e eeuw
Rondo: compositie gebouwd op de afwisseling couplet-refrein. Refrein: Telkens herhaald hoofdthema dat minstens drie keer terug komt. Couplet: Gedeelte tussen het steeds terugkerende hoofdthema (refrein). Verse: synoniem voor couplet
Chorus: 1. refrein 2. akkoordenschema in zijn geheel 3. solo
Frans rondo: Rondo met als vorm: ABACADAE enzovoort (de lengte van deze reeks is niet relevant). Weens rondo: Rondo met als vorm: ABACABA
Ostinate bas: een voortdurend herhaalde melodie in de bas; soms een voortdurend herhaald harmonisch schema. chaconne: compositie bestaande uit een reeks variaties boven een ostinate bas. passacaglia: compositie bestaande uit variaties boven en ostinate bas; oorspronkelijk een Spaanse dans in driekwartsmaat. Boogie woogie: pianostijl uit de jazz van de jaren twintig, waarbij de pianist met zijn linkerhand voortdurend bepaalde toonladderfragmenten of akkoordbrekingen herhaalt, terwijl hij met de rechterhand snellere figuren daaroverheen speelt; een van de laatste bluesvormen

Ritmische variatie: het ritme wordt veranderd, terwijl de toonhoogten en de harmonie grotendeels hetzelfde blijven. Melodische variatie: de toonhoogten van een thema worden veranderd, terwijl het ritme en de harmonie grotendeels hetzelfde blijven. Tonale variatie: het thema wordt in een andere toonsoort gezet, terwijl melodie, ritme, en soms ook de harmonie grotendeels gelijk blijven. Harmonische variatie: melodie wordt voorzien van andere akkoorden. Dubbelkorige structuren: muziek geschreven voor twee (f meer) min of meer gelijkwaardige koorgroepen of instrumentale formaties, die nu eens elkaar afwisselen, dan weer samenspelen. Concerto grosso: 1. Muziek geschreven voor een solistengroep (concertino, soli) tegenover een grote groep (concerto grosso, tutti, ripieno), die elkaar meestal afwisselen, maar soms ook samen (tutti) spelen
2. De grote (orkest) groep in een concerto grosso (zie 1) Soloconcert: compositie waarin een solist begeleid wordt door een orkestraal ensemble; meestal een betrekkelijk groot werk in 3 delen: snel, langzaam, snel. Cadens: 1. Een waste opeenvolging van akkoorden ter afsluiting van een muzikale zin of van een zinsdeel; vaak t(onica) s(ubdominant) d(ominant) t. 2. Een melodische slotformule. 3. Een virtuoze solopassage aan het eind van een deel in een (solo)concert, gebaseerd op een akkoord uit de slotcadens voor het orkest. Sinfonia: 1. instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium of opera in de zeventiende en achttiende eeuw. 2. Werk voor (barok)orkest in de achttiende eeuw, bestaande uit drie delen: snel, langzaam, snel; voorloper van de symfonie, maar korter en minder complex. symfonie: groot werk voor symfonieorkest in meestal vier delen: snel, langzaam, (matig)snel, snel. Het eerste deel heeft meestal als structuur de hoofdvorm; het tweede deel staat meestal in de liedvorm; het derde deel is meestal een menuet, later een scherzo; het vierde deel is vaak een rondo. sonate: een compositie voor een of enkele instrumenten in meestal vier delen volgens de opbouw van de symfonie. sonatine: een kleine sonate, meestal niet vier, maar twee, of driedelig
Parallelle beweging: de toonhoogtes van twee of meer stemmen bewegen zich in dezelfde richting. Tegenbeweging: de toonhoogtes van twee stemmen bewegen zich in tegengestelde richting. Imitatie: een compositietechniek waarbij ritmes, motieven of melodische fragmenten van de ene stem vrij kort daarna (of zelfs overlappend0 in de andere stemmen terugkomen. Paarsgewijze stemvoering: compositietechniek waarbij in meerstemmige muziek telkens twee partijen contrapuntisch samenklinken. Tegenmelodie: een duidelijk herkenbare, van het thema afwijkende en gelijktijdig klinkende melodie met een zelfstandig karakter
Omkering: alles wat stijgend is dalend maken en andersom
kreeftengang: verandering van de melodie door haar van achter naar voren te spelen. vergroting: verandering van een melodie door haar notenwaarden te verlengen. verkleining: verandering van een melodie door haar notenwaarde te verkorten. Cantus firmus: polyfone compositietechniek waarbij tegen een reeds bestaande melodie (de tenor) een of meer tegenstemmen worden gecomponeerd. Bicinium: oorspronkelijk: tweestemmige fragmenten in grotere werken. Later: zelfstandige composities die zowel tweestemmig als polyfoon zijn. Canon: meerstemmige compositie waarin de leidende stem door de anderen notengetrouw wordt geïmiteerd. Fuga: 1. Meerstemmige imitatorische compositietechniek waarbij een thema achtereenvolgens in de verschillende stemmen terugkeet volgens vaste tonale ordeningspatronen (tonica-dominant-tonica-dominant) in de zogenaamde expositie. Tijdens de doorwerking ondergaat het thema dan allerlei andere polyfone bewerkingen. Het kan gedeeltelijk herhaald worden, al dan niet verkleind of vergroot, of moduleren naar verwanten toonsoorten. In het slotgedeelte van een fuga treft men vaak een orgelpunt aan en een stretto (een overlappende themaherhaling in de verschillende stemmen). 2. Compositie op basis van de techniek als in 1 beschreven. motet: vocale compositie of vooral geestelijke tekst, vaak polyfoon: a capella; per zinsdeel meestal een muzikale gedachte: de muziek volgt de tekststructuur. In de loop van de tijd verandert het motet vaak van vormgeving. Madrigaal: vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met polyfone en homofone passages. Recitatief: Een onderdeel van grotere vocale vormen waarin de solist een verhaal vertelt. De muziek is syllabische en de melodie is sober, met weinig toonverschillen en veel kleine intervallen. De begeleiding bestaat slechts uit ondersteunende harmonieën op de belangrijkste woorden. Secco recitatief: Recitatief met als begeleiding slechts een continuo; sobere uitwerking in enkele akkoorden. Recitativo accompagnato: Recitatief op basis van een rijker uitgewerkte begeleiding die door orkest gespeeld wordt. Meestal heeft de muziek ook een grotere melodische zelfstandigheid. Aria: Een onderdeel van grotere vocale vormen voor solostem met orkestbegeleiding; vaak melodische zeer rijk, melismatische en virtuoos. De tekst bevat veel herhalingen en is ondergeschikt aan de muziek. Komt ook voor als zelfstandige compositie. Opera: Muzikaal drama voor zangstemmen en orkest; de muziek vervult een rol bij het schetsen van het verloop van de handeling en het weergeven van stemmingen en emoties die daarmee samenhangen. Onderdelen: de ouverture(sinfonia), recitatieven, aria's, koren, balletten, instrumentale intermezzi, duetten, terzetten enz. De opera is bedoeld voor scenische uitvoeringen. Operette: Lichte opera uit de tweede helft van de negentiende eeuw; vooral gesproken dialogen en veel modieuze dansen (cancan, wals, polka, galop) en marsen; in een operette loopt het verhaal voor de hoofdpersonen meestal gelukkig af. Musical: muziekdramatische werk uit de 20e eeuw op engelse tekst, bedoeld als amusement, soms enigszins geëngageerd. Op basis van populaire dansritmen. Oratorium: Grote, meerdelige vocaal-instrumentale compositie op een meestal religieuze tekst. Onderdelen: ouverture(sinfonia), recitatieven, aria's, koren en instrumenten. Passie: Grote, meerdelige vocaal-instrumentale compositie met als tekst het lijdensverhaal van Jezus. Bij de onderdelen komen ook koralen voor. Cantate: Meerdelige, vocaal-instrumentale compositie, minder lang dan een oratorium. Meestal is de tekst religieus. Onderdelen: sinfonia's, recitatieven, aria's, koralen en koren. Solocantate: cantate voor solozangstem met instrumentale begeleiding
Koorcantate: cantate voor solisten, koor en orkest
Proprium: De wisselende gezangen van een mis. Iedere dag en ieder kerkelijk feest heeft eigen teksten voor Introitus, Graduale, Tractus, Alleluja, Offertorium en Communio. Ordinarium:De vaste gezangen van een mis. Deze teksten komen in iedere mis voor: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus (met Benedictus) en Agnus Dei. Requiem: Dodenmis in de katholieke eredienst. De naam is ontleend aan de openingswoorden van het Introitus: 'Requiem aeternam dona eis, Domine (Heer, geef hun eeuwige rust).

REACTIES

K.

K.

veel onduidelijke en zelfs foute definities in die muzikale-begrippenlijst!

16 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.