Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Stichting en vereniging H1-H3

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 4606 woorden
  • 17 september 2015
  • 46 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 46 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
M&O

H1



1.2 Stichtingen en verenigingen zijn organisaties die een bepaald, niet-commercieel doel willen bereiken. Ze zijn dus niet gericht op het maken van winst, maar op het bereiken van dat ideële doel. Voor commerciële en niet-commerciële organisaties zijn rechtsvormen ontwikkeld, dit is de juridische vorm van de organisatie waarin word vastgesteld wie de leiding heeft en wie aansprakelijk is voor de schulden. Bekende rechtsvormen voor commerciële organisaties zijn:



- Naamloos vennootschap (nv)

- Besloten vennootschap (bv)

- De eenmanszaak



En voor niet-commerciële organisaties:



- Stichting

- Vereniging



Voor iedere rechtsvorm zijn regels opgesteld waarin staat:



- Wie de leiding heeft

- Wie er aansprakelijk is voor schulden

- Hoe besluiten worden genomen

- Of er belasting over de winsten moet worden betaald

- Hoe de organisatie wordt opgericht

- Hoe de organisatie wordt beëindigd



Voor banken kan het belangrijk zijn om te weten wat voor rechtsvorm een organisatie heeft, voor het geval een organisatie bijvoorbeeld failliet gaat.



Naast het onderscheid van commercieel en niet-commercieel, maken we ook onderscheid tussen organisaties met en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. De eenmanszaak is de enige die geen rechtspersoon heeft. Een rechtspersoon is geen persoon van vlees en bloed, maar een organisatie met een rechtspersoonlijkheid. Rechtspersonen kunnen mensen aannemen, leningen afsluiten en koopcontracten afsluiten. Mensen die voor de organisatie werken, werken onder naam van de organisatie. Bij een eenmanszaak is er een persoon de eigenaar en die is aansprakelijk voor de schulden.



1.3 Om met een organisatie een ideëel doel te bereiken is het handig om een stichting of organisatie te gebruiken. Je ziet dit vaak bij sportclubs, recreatie, onderwijs, cultuur, milieu en natuur, gezondheidszorg of maatschappelijk werk. Deze organisaties zijn vak plaatselijk actief, maar er zijn ook stichtingen en verenigingen die landelijk werken.



De meeste verenigingen in Nederland zijn sportverenigingen, maar het beheer van sportaccommodaties is vaak bij stichtingen ondergebracht. In de gezondheidszorg zijn meer stichtingen en ook in het onderwijs zijn er meer stichtingen.



Verenigingen en stichtingen hebben dus een ideëel doel dat ze willen bereiken en ze richten zich niet op het maken van winst. Ze kunnen wel winst maken, maar het is wettelijk verboden om deze winst onder leden te verdelen. De winsten kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om de vereniging in stand te houden.



1.4 Een stichting is een rechtspersoon die geen leden heeft en opgericht is om met behulp van een bepaald vermogen een in de statuten vermeld doel te realiseren. Dat doel mag niet het uitkeren aan oprichters of bestuurders van de stichting, uitkeringen mogen alleen aan derden zijn en als deze van sociale of ideële aard zijn. De wet wilt dus niet dat iemand onder een stichting geld inzamelt en het in eigen zak steekt. Volgens de wet moet een stichting een bestuur hebben, in het begin benoemt het bestuur zichzelf, dit noemen we coöptatie. Er is vaak naast een algemeen bestuur ook een dagelijks bestuur dat beslissingen neemt over de minder belangrijke zaken. Het blijft echter wel verantwoording schuldig aan het algemeen bestuur en het algemeen bestuur blijft het wettelijk bestuur. In het bestuur worden besluiten met meerderheid van stemmen genomen en hier zijn, mits vastgelegd in de statuten, afwijkingen mogelijk.  Stichtingsbestuurders zijn in principe niet aansprakelijk voor schulden. Bij grotere organisaties (school, ziekenhuis) is er vaak ook nog een directeur, rector of schoolleider. De directeur doet dan de dagelijkse werkzaamheden van het bestuur.



Een stichting wordt bij notariële akte opgericht, dit is een door een notaris volgens wettelijke eisen opgemaakt stuk. In de akte van de stichting moeten de statuten opgenomen zijn, deze dienen voorzien te zijn van:



- De naam van de stichting

- Het doel van de stichting

- De wijze van benoeming en ontslag van de bestuursleden

- De gemeente waar de stichting haar zetel heeft

- De bestemming van het overschot in geval van ontbinding



Ook moet een stichting bij de kamer van koophandel ingeschreven zijn en zolang dat niet gebeurd is elke bestuurder van de stichting aansprakelijk voor de schulden. Deze zijn hoofdelijk aansprakelijk, de schuldeiser kiest in zo’n geval een willekeurig persoon om aansprakelijk te stellen.



Volgens de wet neemt het bestuur alle besluiten en is het bestuur belast met de dagelijkse gang van zaken en met het beleid op lange termijn. Het bestuur heeft als taak om alles te doen wat kan bijdragen aan het realiseren van het doel en het bestuur is verplicht een boekhouding bij te houden en na elk boekjaar een jaarrekening op te maken die een balans, winst- en verliesrekening en een toelichting op beide omvat. Het bestuur vertegenwoordigd de stichting ook naar buiten toe en het bestuur sluit overeenkomsten met derden. Als er een directeur is is er sprake van mandaat, de directeur handelt in naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuur.



1.5 Een vereniging is een samenwerking tussen twee of meerdere personen die een niet-commercieel doel willen realiseren. Kenmerkend is dat de leden deelnemen aan de besluitvorming van de organisatie en verenigingen worden voor onbepaalde tijd opgericht en zijn in hun bestaan niet afhankelijk van één persoon. Als er een bestuurslid aftreedt, wordt ere een nieuwe gekozen.



Het grote verschil tussen stichtingen en verenigingen is dat bij een vereniging de leden deelnemen aan de besluitvorming in de vereniging. Een stichting heeft alleen een bestuur en dat neemt alle beslissingen. Voor het oprichten van een vereniging zijn twee personen nodig en het bestuur wordt gekozen door en uit de leden van de vereniging. Tenminste een keer per jaar is er een algemene ledenvergadering en hiervoor worden alle leden uitgenodigd, dit is het hoogste besluitvormingsorgaan van een vereniging. Het besturen van een vereniging is meestal geen dagtaak, meer iets voor in de vrije tijd. Bij grote verenigingen kan er behoefte zijn aan een directeur, dit is dan meestal opgenomen in de statuten.



Bij verenigingen wordt er onderscheidt gemaakt tussen formele en informele verenigingen, formele verenigingen zijn verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (VVR). Informele verenigingen zijn verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid (VBR). Ze zijn beide rechtspersoon, maar bij de VVR zijn de statuten opgenomen in een notariële akte. Een VBR kan ook statuten hebben, maar deze zijn niet opgenomen in een notariële akte. Het bestaan van een VBR stichting kan op mondelinge afspraken berusten. Het verschil is vooral voor de bestuurders van een vereniging belangrijk, de bestuurders van een VBR zijn zelf aansprakelijk voor de schulden die een vereniging maakt.



De notariële akte van een vereniging wordt door de notaris en oprichters ondertekend en er wordt in opgenomen:



- De verklaring van de oprichters dat zij de vereniging oprichten

- De statuten:



    - naam van de vereniging



    - plaats van de vestiging



    - doel van de vereniging



    - de wijze van benoeming en ontslag van de bestuursleden



    - de bestemming van het batig saldo in geval van ontbinding



Een VVR is verplicht zich bij de kamer van koophandel in te schrijven.



Het bestuur is belast met het besturen van de vereniging volgens de wet, dit betekent meer concreet:



1. Het financiële beheer: een boekhouding bijhouden en na elk boekjaar een jaarverslag opmaken met daarin een balans, een overzicht van ontvangsten en uitgaven en een toelichting op beide.



2. Het vertegenwoordigen naar buiten van de vereniging: het sluiten van contracten, in dienst nemen van mensen, het lenen van geld en het kopen of verkopen van goederen.



3. Het uitvoeren van besluiten van de algemene ledenvergadering.



De algemene ledenvergadering is het hoogste besluitvormingsorgaan en alle leden mogen meedoen aan de besluitvorming. Elk lid heeft één stem en zeggenschap en democratie zijn dan ook de kenmerken van een vereniging. In de ledenvergadering legt het bestuur haar jaarverslag ter goedkeuren voor aan de leden en dit gebeurt minstens een keer per jaar. Ook worden er bestuursleden benoemt, ontslagen en geschorst en er worden besluiten genomen zoals het wijzigen van de statuten of het ontbinden van de vereniging. Er kunnen geen besluiten genomen worden die in strijd zijn met de statuten.



Stichting versus vereniging



Betreft het doel is er geen verschil in verenigingen en stichtingen.



Ook betreft de juridische aanspraak niet, de bestuursleden zijn niet aansprakelijk voor schulden.



Stichtingen en verenigingen worden aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij in de statuten anders is vermeld en beide kunnen in bepaalde gevallen worden ontbonden. De leiding is in handen van een bestuur.



Op het terrein van besluitvorming en zeggenschap zijn er wel grote verschillen, bij een vereniging worden bestuursleden gekozen door de algemene ledenvergadering en bij een stichting benoemt het bestuur zichzelf. Een vereniging heeft leden en een stichting niet, maar bij een school moet een stichting zich bijvoorbeeld wel bezig houden met leerlingen en ouders.



1.6 Niet-commerciële organisaties krijgen hun ontvangsten via:



- Contributies

- Giften

- Bijdragen van de overheid

- Sponsoring door het bedrijfsleven

- Extra gelden uit commerciële activiteiten



Niet-commerciële organisaties kunnen ook een lening afsluiten voor hun vaste activa, zoals huur van de locatie. Sommige organisaties, zoals scholen, zijn totaal afhankelijk van de overheid. De meeste organisaties krijgen een klein bedrag, dit noemen we subsidie. Hiertoe is de overheid niet verplicht, maar ter ondersteuning en stimulering geeft het vaak subsidie.  Er zijn drie subsidievormen:



1. Inputfinanciering: Hierop was de financiering van onderwijs lang berust, dit betekende dat het rijk alle lasten van de school vergoedde. De school moest wel toestemming vragen, maar dit was niet meer dan formaliteit. Declaratiebasis is een vorm van inputfinanciering, hierbij wordt eerst gekeken naar hoeveel geld er nodig is voor onderwijs en dit wordt vervolgens beschikbaar gesteld. Scholen schroefden de uitgaven hoog op en het was niet zinvol om een uitgave niet te doen. Scholen konden niets reserveren en daarom gingen ze niet efficiënt met spullen om.



2. Outputfinanciering: De inputfinanciering was moeilijk in de hand te houden en dus stapte het rijk over naar een financiering op basis van output. Kenmerkend is dat de organisaties een vergoeding krijgen op de prestaties die ze leveren. De lumpsumfinanciering in het voortgezet onderwijs en de budgetfinanciering in de gezondheidszorg zijn beide voorbeelden van outputfinanciering.



3.1 Lumpsumfinanciering: Scholen krijgen hierbij een bepaald bedrag dat ligt aan het aantal leerlingen. Veel leerlingen betekent dus veel geld en hoe de school dit geld besteedt, mogen ze zelf weten.



3.2 Budgetfinanciering: Hierbij stelt de geldgever vooraf een bedrag vast en welke prestaties hier tegen over moeten staan. Bij een ziekenhuis betekent dit bijvoorbeeld dat er voor operaties een bepaald bedrag beschikbaar is en als er geen geld meer is voor nog een operatie moet het ziekenhuis dit zelf betalen. De belangrijkste kenmerken zijn:



- De maximumsubsidie staat van tevoren vast



- Tegenover de subsidie staat een prestatie die geleverd moet worden



- De wijze waarop, wordt aan de instelling overgelaten



- Verschotten mogen naar eigen inzicht aangewend worden



- Tekorten moet de instelling zelf aanvullen.



1.7 Bij niet-commerciële organisaties is het belangrijk dat de begroting sluitend is: de ontvangsten moeten voldoende zijn om de uitgaven te financieren. Bij commerciële organisaties is het juist de bedoeling om winst te maken, een bedrijf dat als doelstelling het maken van winst heeft noemen we een onderneming.



1.8 Leasen is het huren van een product voor een bepaalde tijd, het voordeel is dat je zelf geen geld in het product hoeft te investeren. Er zijn twee verschillende soorten van leasen:



1. Operational lease:



- Lijkt op huur



- Verhuurder blijft eigenaar



- Afschrijving en onderhoud voor verhuurder



- Contract tussentijds opzegbaar



- Dpm op de balans van verhuurder



2. Financial lease:



- Lijkt op koop



- Contract niet opzegbaar



- Afschrijving en onderhoud voor verhuurder



- Staat op de balans van huurder



- Afschrijving en onderhoud voor verhuurder



- Koop is verplicht einde looptijd



- Looptijd contract = levensduur



Stichting en vereniging H2



Zoals je uit hoofdstuk 1 weet zorgt het het bestuur voor het financiële bestuur, hierbij hoort dat ze in de jaarrekening een balans en een staat van baten en lasten zetten en een toelichting hier op. In dit hoofdstuk leer je wat een balans is en er wordt aandacht besteedt aan de begroting van ontvangsten en uitgaven, dit is een overzicht van de te verwachten ontvangsten en uitgaven.



2.1 Een balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen waarmee de bezittingen zijn gefinancierd, het vreemd of eigen vermogen. De balans is een t-vorm en aan de linkerkant staan de bezittingen, deze kant noem je de debet kant. Aan de rechterzijde staan de schulden en het eigen vermogen, dit is de credit kant. Het eigen vermogen hoort bij de creditzijde, leningen noemen we vreemd vermogen of schulden.



Een ander woord voor bezittingen zijn activa, deze kan je onderverdelen in:




  • Vaste activa: bezittingen die langer dan een jaar mee gaan, zoals boten en de inventaris.

  • Vlotterende activa: bezittingen die minder dan een jaar mee gaan, zoals voorraden (eten en drinken). Ook wordt geld dat de organisatie op korte termijn moet ontvangen tot de vlotterende activa gerekend en ook vooruitbetaalde bedragen (zoals huur) worden tot vlotterende activa gerekend.

  • Liquide activa: bezittingen waarmee je kan betalen, zoals de bank en kas.



Voorbeelden van bezittingen zijn:




  • boten (bijv. van een kanoclub)

  • de kas

  • de materialen (gaan niet langer dan een jaar mee en moeten bijgevuld worden)

  • de bank

  • de inventaris (spullen die langer dan een jaar meegaan)



Een ander woord voor het eigen vermogen + de schulden is passiva. De passiva worden dus ingedeeld in schulden en eigen vermogen.




  • Eigen vermogen kan de organisatie altijd gebruiken en het hoeft niet terugbetaald te worden.

  • Vreemd vermogen is geleend geld en moet terugbetaald worden. Bij vreemd vermogen maken we nog onderscheidt in:

  • Lang vreemd vermogen: geld waar de organisatie langer kan gebruiken (> 1 jaar).

  • Kort vreemd vermogen: geld waar de organisatie kort over beschikt (< 1 jaar).



Over vreemd vermogen moet je rente betalen, hoeveel dit is ligt aan de grootte van de lening en het rentepercentage. Naast rente moet je ook de lening terugbetalen, dit noemen we aflossen. Door aflossen wordt de schuld minder en zal de rente afnemen. Het rentepercentage geldt altijd per jaar.



Er zijn 2 soorten lang vreemd vermogen:



Hypothecaire lening: dit is een langlopende lening met een ontroerend goed als onderpand, bijvoorbeeld een bedrijfspand. Vaak ligt de looptijd van een lening rond de 20 tot 30 jaar.



Onderhandse lening: Hierbij leen je geld van relaties, de bank, vrienden of familie. De looptijd, rentepercentage en aflossingstermijnen worden onderling afgesproken.



Er zijn 3 soorten kort vreemd vermogen:



Rekening-courantkrediet: hierbij bespreekt de lener met de geldgever dat hij een bepaald bedrag rood mag staan, dit bedrag noemen we de kredietlimiet.



Vooruit ontvangen bedragen: hiervan is sprake als een lid de contributie al voor een jaar vooruit heeft betaald, de organisatie heeft dan een schuld aan dit lid, want als deze zijn lidmaatschap op zal zeggen moet de bank het terugbetalen.



Nog te betalen bedragen: Dit zijn bedragen die de organisatie nog moet betalen.



Een balans is altijd in evenwicht, dit kan ook niet anders. Aan de creditkant zie je hoe de organisatie aan het geld is gekomen en aan de debetzijde zie je hoe het is uitgegeven. Op de balans zie je dus de bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald tijdstip. Maar je kan toch niet zien hoeveel geld er in een jaar is binnengekomen, uit is gegaan en hoeveel er is afgelost op een lening, dit zie je wel bij de ontvangsten en uitgaven. Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven en baten en lasten is dat bij ontvangsten en uitgaven er echt daadwerkelijk iets binnenkomt en bij baten en lasten gaat het om een bepaalde periode.



2.2 Een liquiditeitsbalans is een balans waarbij de activa zijn gerangschikt naar mate van liquiditeit en de passiva naar de tijd waarover men over het vermogen of geld kan beschikken. Kas en bank staan zo bovenaan, zo krijg je een rijtje van de vaste activa > vlotterende activa > liquide activa . Aan de creditzijde komt eerst het eigen vermogen > lang vreemd vermogen > kort vreemd vermogen.



2.3 Het overzicht van ontvangsten en uitgaven is een samenvatting van de ontvangsten en uitgaven per kas/bank in één bepaalde periode, meestal een jaar. Dit geeft een verklaring voor de verandering van de liquide middelen in de voorbije periode. Het overzicht van ontvangsten en uitgaven gaat dus over een periode, terwijl een staat van baten en lasten over één bepaald moment gaat. Een overzicht van ontvangsten en uitgaven…




  • heeft betrekking op financiële feiten die een verandering in een kas of bank veroorzaken.

  • heeft betrekking op een bepaalde periode (vaak een jaar).

  • heeft betrekking op een voorbije periode.

  • geeft een verklaring voor de verandering in de liquide middelen in een bepaalde periode.



Een positief saldo op het overzicht van ontvangsten en uitgaven leidt tot een toename van de liquide middelen en dit zie je in een toename in de bank of kas. Als de uitgaven de ontvangsten overtreffen is er een afname van de liquide middelen en zal de bank of kas kleiner worden. Als de bank aan de creditzijde van de balans staat, is er sprake van een schuld (rood staan). Nu hoort de bank niet bij de liquide middelen.



2.4 Het overzicht van ontvangsten en uitgaven heeft altijd betrekking op het verleden en geeft een overzicht van ontvangsten en uitgaven die hebben plaatsgevonden. Bij een begroting van ontvangsten en uitgaven kijken we naar de toekomst, ontvangsten en uitgaven die men van plan is te gaan doen. Een organisatie heeft een activiteitenplan waarmee de doelen van die organisatie worden nagestreefd. Een begroting is de financiële versie hiervan. Een begroting van ontvangsten en uitgaven…




  • heeft betrekking op financiële feiten die een verandering in kas of bank gaan veroorzaken.

  • heeft betrekking op een bepaalde periode, vaak een jaar.

  • heeft betrekking op een toekomstige periode.

  • geeft een verklaring voor de te verwachten verandering in de liquide middelen in een bepaalde periode.



Als basis voor een begroting gebruik je de begroting van het vorige jaar aangevuld met het overzicht van ontvangsten en uitgaven van het vorige jaar. Als je de overzichten vergelijkt kan het worden bijgesteld voor de nieuwe begroting. Bij het opstellen van een begroting zullen in het algemeen de uitgaven gelijk zijn aan de ontvangsten.



2.5 Als de verwachte ontvangsten hoger zijn de de verwachte uitgaven in een begroting zal dit tot een toename van de liquide middelen leiden. Dit geeft vaak niet goed genoeg weer hoe de liquiditeit zich in de loop van het jaar ontwikkelt. Om dit te kunnen beoordelen wordt een liquiditeitsbegroting opgesteld, hierbij wordt vaak de periode in kwartalen of maanden opgedeeld. Een liquiditeitsbegroting is dus eigenlijk hetzelfde als een begroting alleen zijn de ontvangsten en uitgaven oer maand of kwartaal uitgesplitst.



Stichting en vereniging H3



Niet commerciële organisaties werken vaak met een overzicht van ontvangsten en uitgaven. Het voordeel hiervan is de eenvoud, maar het wil niet zeggen dat het de beste manier van administreren is. In dit hoofdstuk zal je merken dat het erg handig is om met een overzicht van ontvangsten en uitgaven én een overzicht van baten en lasten te werken.



3.1 In een overzicht van ontvangsten en uitgaven worden alleen financiële transacties opgenomen die leiden tot een toename of afname van de kas/bank. Zo’n administratie noemen we een financiële verslaggeving op kasbasis, dit betekend niet dat het alleen om de kas gaat, want de bank komt er ook in voor. Je vraagt je natuurlijk af of er wel transacties zijn waarbij er geen geld in of uit de liquide middelen gaat. Voorbeelden hiervan zijn afschrijvingen op vaste activa, computers en dergelijke worden elk jaar minder waard. Elk jaar moet er een bedrag worden afgeschreven om rekening te houden met de waardevermindering. Hiermee word in een stelsel op kasbasis geen rekening gehouden. Iets anders dat niet in een stelsel op kasbasis word opgenomen zijn achterstallige betalingen, rekeningen betaald zijn worden er wel in opgenomen, maar als ze nog betaald moeten worden niet.



Het voordeel van een stelsel op kasbasis is wel de eenvoud, alleen binnenkomende en uitgaande geldstromen worden genoteerd. Bij kleine organisaties word dit systeem vaak gebruikt. Het kasstelsel antwoordt ook op de vraag of de ontvangsten ook zijn uitgegeven aan de afgesproken doelen. Het nadeel aan het kasstelsel is wel dat er geen goed inzicht is in de financiële situatie en de vermogenspositie van een organisatie.



Als de organisatie mooier wordt voorgesteld dan deze is noemen we dit manipulatie, dit kan bijvoorbeeld zijn als je uitgaven uitstelt of als je geen rekening houdt met de waardevermindering van de vaste activa.



3.2 In het kasstelsel worden dus alleen veranderingen in kas of bank opgenomen op één bepaald moment, in dit verband spreken we over tijdstipgrootheden. Baten en lasten vinden niet op één plaats nodig, maar over een bepaalde periode, bijvoorbeeld contributie of subsidie.



In commerciële organisaties spreekt men altijd over opbrengsten en kosten, in niet-commerciële organisaties spreek je eerder over baten en lasten. Als je wil weten wat er allemaal in en uit gaat hou dan rekening met…




  • Ontvangsten en uitgaven op één bepaald tijdstip plaatsvinden en altijd aanleiding geven tot een verandering van de liquide middelen (kas/bank).

  • Baten lasten altijd uitgedrukt worden in een bepaald bedrag per periode (of per stuk) en altijd aanleiding geven tot een verandering van het eigen vermogen.



Het is dus belangrijk om na te gaan of iets over een periode of één bepaald moment gaat



3.3 De staat van baten en lasten is een samenvatting of overzicht van de baten en lasten in een bepaalde periode, vaak een jaar. We zetten de baten links en de lasten rechts. Bij commerciële organisaties staan de kosten vaak links en de opbrengsten rechts.



Het eigen vermogen beginbalans + saldo baten en lasten = eigen vermogen eindbalans.



De baten en lasten beïnvloeden het eigen vermogen, baten vergroten het en lasten verkleinen het eigen vermogen. Ontvangsten en uitgaven beïnvloeden de liquide middelen.



De liquide middelen van de beginbalans + saldo ontvangsten/uitgaven = liquide middelen eindbalans.



Vaak maakt het een niet-commerciële organisatie niet uit of er winst gemaakt en ook niet of het eigen vermogen groeit.



3.4 Het periodetoerekeningsstelsel is een systeem van administreren waarbij…




  • Strikt onderscheid word gemaakt tussen baten en lasten enerzijds en ontvangsten en uitgaven anderzijds.

  • Baten en lasten toegerekend worden aan de periode waarop ze feitelijk betrekking hebben, ongeacht of de baten feitelijk zijn ontvangen dan wel dat de lasten daadwerkelijk tot uitgaven hebben geleid.



Een vereniging levert diensten aan leden, bijvoorbeeld traingingen, gezelligheid, uitstapjes etc. Hiervoor betalen leden contributie, dit wordt gezien als een bate voor de club. De contributie word gerekend op het moment dat het lid van de diensten geniet, niet op het moment dat daadwerkelijk betaald werd. Tot lasten horen de dingen die nodig waren om de doelen te realiseren, deze worden gerekend tot de periode dat de diensten werden uitgevoerd. Als het moment niet zo zeer belangrijk is spreek je van het matching-principe, dit houdt dus in dat baten en lasten toegerekend worden aan de periode waarop ze ook werkelijk betrekking hebben.



Het is belangrijk dat baten geen ontvangsten zijn en lasten geen uitgaven zijn, ontvangsten en uitgaven. Ontvangsten en uitgaven hebben namelijk geen betrekking op een periode. Het is vaak moeilijk om het onderscheidt te maken want baten en lasten leiden vaak tot ontvangsten en uitgaven.



Baten en lasten toegerekend worden aan de periode waarop ze feitelijk betrekking hebben, ongeacht of de baten feitelijk zijn ontvangen dan wel dat de lasten daadwerkelijk tot uitgaven hebben geleid.



Toch is het mogelijk om van een staat van baten en lasten een overzicht van ontvangsten en uitgaven te maken en omgekeerd. Je moet wel goed opletten of je met baten/lasten of met ontvangsten/uitgaven te maken hebt. Contributie is een bate die bij betaling tot een ontvangst leidt, daarentegen zijn afschrijving lasten die niet tot uitgaven leiden en aflossingen op leningen zijn uitgaven, maar geen lasten. Er zijn ook kosten die je wel op allebei de posten vindt, denk aan contributies, huur, rente, vergoedingen, etc. Een huur is een last, want het heeft betrekking op een bepaalde periode, maar leidt bij betaling tot een uitgave. Het kan wel zijn dat de bedragen op de posten van elkaar verschillen, bijvoorbeeld als iemand pas in 2010 zijn contributie voor 2009 betaald. De baat hoort dan bij 2009, maar het werd pas in 2010 ontvangen. Als je deze bate niet bij 2009 op zou schrijven krijg je niet de bate van die periode, dus het moet wel opgenomen worden. We moeten ook aandacht geven aan het eerder genoemde matching-principe. Om je goed aan de regel te houden dat een bate bij de periode moet staan waarop deze betrekking heeft kunnen we deze regel stellen:



Contributiebaten = contributieontvangsten - te vorderen contributie (op de balans aan



                                                                                  het begin van de periode)



Er is ook een verband tussen de contributiebaten, contributieontvangsten, het bedrag aan ‘te vorderen contributies’ op de beginbalans én op de eindbalans:



Te vorderen contributies eindebalans:



contributiebaten + te vorderen contributies beginbalans - contributieontvangsten



Je kan de formule ook omdraaien:



Contributiebaten = contributieontvangsten - te vorderen contributie beginbalans +



                                te vorderen contributie eindbalans



Er bestaat ook nog een verband tussen de contributiebaten, contributieontvangsten en de vooruit ontvangen contributie op de begin en eindbalans:



Contributiebaten = contributieontvangsten - vooruit ontvangen contributie (eindbalans) +



                                vooruit ontvangen contributie (beginbalans)



Als je de rentelast moet berekenen moet je deze eerst gelijk stellen aan de rente-uitgaven, daarna haal je de nog te betalen rente hier van af. Daarna tel je nog de te betalen rente hier bij op:



Rentelasten = renteuitgaven - nog te betalen rente + nog te ontvangen rente



                                                           beginbalans                        eindbalans



Als je de huur van 2010 in 2009 betaald, wordt deze uitgave in 2009 gedaan, maar de last valt onder 2010:



Huurlasten = huuruitgaven + vooruitbetaalde huur - vooruitbetaalde huur



                                                    beginbalans             eindbalans




REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

Het is vlottende activa niet vlotterende :)

4 jaar geleden