Hoofdstuk 5 en 6

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2022 woorden
  • 4 januari 2002
  • 26 keer beoordeeld
Cijfer 7.7
26 keer beoordeeld

Management & Organisatie
H5 Vormen van eigen vermogen en lang vreemd vermogen
5.1 Verkrijgen van vermogen: 1. eigen vermogen; het aandelen kapitaal
2. vreemd vermogen op lange termijn ------------ a. hypothecaire lening
3. vreemd vermogen op korte termijn b. obligatielening
c. onderhandse lening
Kort vermogen: al het vermogen dat voor korter dan 1 jaar nodig is. 5.2 Obligaties: schuldbrieven. Aandelenkapitaal = permanent vermogen, blijvend. Bv: aandeel KLM gekocht, wel te verkopen aan andere beleggers, niet KLM, kan gestorte bedrag permanent gebruiken. Emitteren: aandelen geplaatst (verkocht) worden. Aandeel: bewijs van deelname i/h aandelenkapitaal v/e NV. Aandeel  dividendblad  wanneer NV winst heeft gemaakt ontvangen de eigenaren een deel daarvan.  mantel  eigenlijke aandeel | belangrijkste gegevens staan erop: - naam v/d Nv - nominale waarde v/h aandeel - plaats van vestiging - maatschappelijk aandelenkapitaal - nummer v/h aandeel

Aandeel  nominale waarde: bedrag dat op het aandeel vermeld staat (moet je ervoor betalen).  koerswaarde: bedrag dat voor het aandeel moet worden betaald als men het wil kopen. Dividend: gedeelte v/d winst v/h dividendblad dat a/d aandeelhouders wordt uitgekeerd (inl. bij NV/ bank). Emissie: onderneming wil het aandelenkapitaal uitbreiden,  emissie van aandelen. Emissiekoers: prijs waartegen het publiek/ de institutionele beleggers deze (aandelen) kunnen kopen. Maatschappelijk aandelenkapitaal: totaal bedrag dat men aan nominaal aandelenkapitaal nodig denkt te hebben. Geplaatst aandelenkapitaal: het maatsch aandelenkap verminderd met het bedrag v/d niet uitgegeven aandelen  = nominale bedrag v/d werkelijk uitgegeven aandelen  maatsch aandkap – in portefeuille = gepl aandkap. 5.3 Hypothecaire lening: een geldlening op onderpand van onroerend goed (grond/ gebouwen)  de geldgever (bank/ institutionele beleggers) krijgt het recht het onroerend goed (huis) openbaar te laten verkopen als je niet meer aan je verplichtingen voldoet. Soorten hypotheken: 1. Lineaire hypotheek, 2. Spaarhypotheek, 3. Annuïteitenhypotheek. 5.4 Lineaire hypotheek Geleende bedrag + interestbedrag worden jaarlijks kleiner
Jaren Schuldrest
A Aflossing
B Interest (6% van A) C Belasting voordeel (50% van C) D Lasten p. mnd. E
1 100.000 10.000 6.000 3.000 1.083,33
Lasten p. maand: aflossingsbedrag vermeerderen met het deel v/d interest dat voor jouw rekening komt
Progressief inkomstenbelasting: naarmate het inkomen hoger is, betaalt men procentueel meer belasting (60%). Voordelen l. hypotheek: - de interestkosten worden snel lager - de schuld wordt steeds kleiner
Nadelen l. hypotheek: - doordat de interestkosten steeds lager worden neemt ook het belastingvoordeel snel af. 5.5 Spaarhypotheek

Kenmerk s. hypotheek: lost gedurende looptijd niet af, maar betaald elk jaar (mnd) een spaarpremie  worden belegd  10jr  F100.000  lening kan worden afgelost. Hoogte spaarpremie: afhankelijk v/d looptijd v/d lening e/d leeftijd v/d geldnemer.  kortere looptijd: meer premie betalen  leeftijd: spaarpremie is lager bij een jong iemand. Voordelen s. hypotheek: - groot fiscaal voordeel (elk jr max. interest aftrek) - over de interest v/h spaarbedrag hoeft geen belasting te worden betaald - de maandlasten blijven (op het laatste jaar na) elk jr even hoog zodat je precies weet waar je aan toe bent. Nadelen s. hypotheek: - hoge interestlasten: je betaalt elk jr interest over het geleende bedrag - het % interest dat je over het spaar bedrag vergoed krijgt, is vaak lager dat het % dat je zelf moet betalen. 5.6 annuïteitenhypotheek Annuïteit: periodiek (gelijkblijvend) bedrag aan interest en aflossing samen. Jaarlijkse uitgaven blijven gelijk
Mndlasten: aflossing – interest (na aftrek v 50 % bel) : 12=…. Kenmerk annuïteitenlening: de geldnemer betaalt gedurende de gehele looptijd v/d lening p jr hetzelfde bedrag. Annuïteitenlening: interest neemt vaan jaar tot jaar af, waardoor ook het belastingvoordeel van jr tot jr kleiner wordt. Schematisch zie blad
Leeftijd: jong: verwacht nodige loonsverhoging 5.7 Obligatielening (= vreemd/ tijdelijk vermogen): geldlening die kleine bedragen opsplitst.  Nadeel t.o.v. onderhandse lening: worden emissie + administratiekosten gemaakt. Obligatie: bewijs van deelneming i/e geldlening. Obligatie:  mantel: het officiële stuk, staan belangrijkste gegevens op.  couponblad: aantal coupons + een talon. Coupons: dienen voor interestbetaling (jrl inleveren, houder obligatie ontvangt interest)  Op vermeldt: datum voor interestbetaling, bedrag waar hij recht op heeft. Talon: krijgt de houder als hij alle coupons heeft verbruikt, krijgt later weer een nieuw couponblad. Manieren aflossing obligatie: - in 1x a/h einde v/d looptijd v/d lening - in gedeelten gedurende een aantal jaren d.m.v. uitloting - inkopen van eigen obligaties
Prospectus: daarin worden bijzonderheden over de instelling/ onderneming + obligatie vermeld, o.a.: - verhouding tussen eigen en vreemd vermogen - het tijdstip waarop moet worden ingeschreven - de wijze van aflossen + de data waarop wordt afgelost

vb: 10.000 obligaties totaal toegewezen: schrijft er voor 90 in 10.000
wordt ingeschreven op 15.000 oblig. 15.000 x 90 = 60 obligaties
Uitgiftekoers: mag niet van tevoren bekend worden gemaakt. Tendersysteem: door ministerie van Financiën, stelt de uitgiftekoers vast a/d hand v/d inschrijvingen. Toonbankuitgifte: als na de 1ste dag van uitgifte de plaatsing v/d obligaties nog enige tijd wordt voortgezet. Koers: afhankelijk v/d rentestand die op dat moment voor nieuw uit te geven obligaties geldt. Vervroegde aflossing: wanneer de instelling/ onderneming tijdens de looptijd v/d lening over gelden beschikt die voorlopig niet nodig zijn. Verschillen + overeenkomsten aandelen, obligaties: zie boek blz 84 5.8 Onderhandse lening: lening op lange termijn die door 1 geldgever wordt verstrekt (institutionele beleggers  levensverz, maatsch, pensioenf.) Voor geldnemer + geldgever zijn a/e onderh.l. e/d volgende voordelen verbonden: - er kan onderhandeld worden over de leningsvoorwaarden - er zijn geen emissiekosten - er zijn lagere administratiekosten t.o.v. bv de obligatielening 5.9 Leasing = het huren van bedrijfsuitrusting i.p.v. deze te kopen.  geen vermogen nodig om deze productiemiddelen aan te schaffen. Leasing (ook) = de huur van zeer gespecialiseerde apparatuur. Operational leasing = de lease-overeenkomst kan tussentijds worden opgezegd zodat de leasetermijn i/h algemeen vrij kort zal zijn. (Risico ec. veroudering is voor verhuurder, hogere huurprijs dan fin. leasing) Financial leasing = huurovereenkomst kan niet worden opgezegd, leasetermijn vrij lang. (Risico ec. veroudering is voor huurder). Sale and lease back: verkopen (sale) aan bv een leasemaatschappij en direct daarna weer te leasen (lease back). 5.10 Financiering v non profit-organisaties Belangrijkste vormen v financiering voor niet-commerciële organisaties: - Budgetfinanciering - subsidies - Lumpsum - leningen, contributies, giften
5.10.1 Budgetfinanciering: komt veel voor bij overheidsinstellingen (waterschappen, ziekenhuizen). Waterschappen = instellingen die zich bezig houden met de regeling v/d waterstand, bv polders. Ziekenhuizen: AMC moet beperkt aantal hartoperaties per jr uitvoeren (betaald door: ziekenfonds, particulierenziektekostenverzekeraars). 5.10.2 Financiering d.m.v. lumpsum vindt voor toepassing i/h onderwijs, afhankelijk v/h aantal leerlingen krijgt de school elk jr een som geld v/d overheid. 5.10.3 subsidies: geen overheid op de grond van wetten verplicht voor de financiering zorg te dragen, wel regels waaraan een organisatie zich moet houden om voor subsidie in aanmerking te komen (bib, sportverenigingen, sportbonden). 5.10.4 Leningen: in groot aantal situaties sluiten non profit-organisaties leningen af. Bib: verbouwing, nog voordat de daarvoor benodigde subsidies zijn toegekend. Risico kredietverstrekker is erg groot, wat weer tot gevolg heeft dat de interestvoet relatief hoog zijn. Contributie: betalen als je bv lid bent v/e tafeltennisvereniging. Giften: lid v/e kerkgenootschap, geacht d.m.v. giften de kerk in stand te houden. Deel v/d contributies + giften kan gebruikt worden voor de financiering v/d noodzakelijke investeringen.
Management & Organisatie
Hoofdstuk 6 Vreemd vermogen op korte termijn
6.2 De functie v/d banken Bank = instelling die zich bezighoudt met het verlenen van kredieten verschaft uit eigen middelen, uit van derden opgenomen gelden (o.a. spaarders), door creatie (geldschepping). Garantie: aandelenkapitaal + reserve > kredietverschaffing uit eigen middelen. Kredietverlening uit middelen van derden: de bank is afhankelijk van anderen: de bank moet maar afwachten hoeveel geld haar zal worden aangeboden. Kredietverlening door creatie: geldscheppen: meer geld uitlenen dan zij zelf geleend hebben. Gespecialiseerde banken, zoals hypotheekbanken, richten zich bij hun bedrijfsuitoefening op 1 bepaalde activiteit. Algemene banken: banken die in principe het gehele bankbedrijf uitoefenen. Hoofdtaken algemene banken: - het verstrekken van kredieten; - het aanbieden van spaarmogelijkheden. Andere taken alg. banken: - het verrichten van betalingen voor cliënten; - het bewaren van effecten (aandelen, obligaties); - effectenverkeer; - emissiebedrijf; - valutahandel. Deposito’s: je zet geld voor een bepaalde periode vast, > langer geld uitlening, interest% voor vergoeding omhoog. Vast interest: een aantal jaren hetzelfde % per periode (jr); het staat enige tijd vast. Variabele interest: kan elke dag worden aangepast aan de dan geldende interestvoet. Gesloten bewaarneming: de cliënt geeft de effecten i/e gesloten trommel bij de bank af en moet dan zelf alle (genoemde) handelingen verrichten. Open bewaarneming: de cliënt geeft a/d bank zijn effecten > bank verricht alle werkzaamheden die nodig zijn. Effecten: de bank verzorgt voor haar cliënten de aan- en verkoop van effecten. Clearing: gedeelte v/d orders met elkaar compenseren. Emissie: de onderneming geeft een prospectus uit, waarin het doel v/d emissie e/d vooruitzichten v/d onderneming worden aangegeven. De bank kan door 2 manieren bij een emissie worden betrokken: 1 De bank neemt de gehele emissie over v/d onderneming tegen een vooraf bepaalde koers over. 2 De bank ook alleen haar bemiddeling verlenen; hiervoor ontvangt ze provisie (geen risico). Valuta: verschillende soorten munten, uit verschillende landen. 6.3 Leveranciers- en afnemerskrediet Leverancierskrediet = krediet dat de leverancier verleent a/d afnemer. Maakt er eerst gebruik van, betaalt later. Afnemerskrediet = krediet dat de afnemer verstrekt a/d leverancier. Betaalt eerst, maakt er later gebruik van. Consumptief leverancierskrediet = krediet dat de leverancier a/e consument. Dat de leverancier dit krediet geeft, ligt voor de hand: - Hij hoeft niet, zoals banken, aan dit krediet te verdienen; - Voor de banken zouden deze kleine kredieten veel werk meebrengen, waardoor de kosten hoog zouden zijn; kosten leverancier zijn lager; - Leveranciers kunnen meestal beter dan banken beoordelen of de kredietnemer zijn verplichtingen zal kunnen nakomen; - Door de kredietverlening bindt de leverancier de klant aan zich. Postorderbedrijven: verlenen leverancierskrediet. Productief leverancierskrediet = krediet dat een bedrijf verleent a/e ander bedrijf. Men maakt liever gebruik van leverancierskrediet dan van bankkrediet, omdat: - De kosten v/h leverancierskrediet meestal lager zijn dan die v/h bankkrediet. - Het risico voor de leverancier kleiner is dan voor de bank, omdat de leverancier meestal beter dan de bank kan beoordelen hoe de afnemer er voorstaat. Het zou echter de voorkeur verdienen een deel v/h leverancierskrediet te vervangen door eigen vermogen omdat: - Het leverancierskrediet duurder is dan eigen vermogen. - De leveranciers bij contante betalingen vaak grote kortingen geven; de kosten van het leverancierskrediet worden bepaald door de eventuele gemiste korting voor contante betaling. Het afnemerskrediet komt voornamelijk voor bij: - Dienstverlenende bedrijven; - De uitvoering van speciale orders; - De opkopende handel. Dienstverlenende bedrijven: verlenen diensten die bij de wanbetaling niet kunnen worden teruggevorderd. Vb: abonnementen, verzekeringen, transport. Speciale orders: risico voor de leverancier dat de afnemer hem met het vervaardigde laat zitten, vrij groot. Vb: speciale machines/ auto’s: Rolls Royce. Opkopende handel: bv: gebied van allerlei graangewassen, ter financiering ontvangt de boer (levc) geldmiddelen van zijn afnemer. Consumptief afnemerskrediet = de consument verstrekt krediet a/d leverancier, zoals vooruitbetaling van abonnementen/ tijdschriften/ kranten. Productief afnemerskrediet = kredietverlening tussen ondernemingen, waarbij vooruitbetaling plaatsvindt. 6.4 Het rekening-courantkrediet Rekening-courant = rekening die gebruikt wordt voor de dagelijkse betalingen en ontvangsten. Onderneming krijgt toestemming v/d bank om tot een bepaald maximum bedrag rood te staan: het kredietplafond. Dispositieruimte/ kredietruimte: het bedrag dat een onderneming nog kan opnemen als hij voor een bepaald bedrag in het rood staat. 6.5 Het consumptief krediet Consumptief krediet: bestemd voor particulieren, die het gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals aankoop v/e auto/ caravan, een verbouwing v/d woning en dergelijke. Tot het consumptief krediet rekenen we: - Doorlopend krediet; - De persoonlijke lening; - Koop en verkoop op afbetaling; - Huurkoop. Doorlopend krediet: bank en consument spreken af dat de consument krediet mag opnemen tot bv een bedrag van f6.000,-, dat in 60 maanden moet worden terug betaald. Persoonlijke lening: de consument leent een bedrag bij zijn bank voor een bepaald doel. Bv: belastingaanslag, vakantie. Financieringskosten: de bestaande kosten v/d lening afsluitprovisie en interest. Kredietprijs: hebben ze als risico als een aantal consumenten hun lening niet meer zullen aflossen. Koop en verkoop op afbetaling: koper en verkoper komen overeen dat de koopprijs v/e roerende zak, bv wasmachine, zal worden betaald in termijnen (2jr). De koper wordt eigenaar op het moment van levering. Duurzame consumptiegoederen: allerlei artikelen waar de consument jaren plezier van kan hebben. Huurkoop: de verkoper blijft eigenaar totdat de laatste termijn is betaald, pas dan wordt het eigendom overgedragen a/d koper.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.