Hoofdstuk 4

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 733 woorden
  • 23 januari 2004
  • 8 keer beoordeeld
Cijfer 6.9
8 keer beoordeeld

Hoofdstuk 4: De Vermogensmarkt

Vermogensmarkt: geheel van vraag naar en aanbod van vermogen.

Aan de aanbodzijde van de vermogensmarkt vinden we:
1. institutionele beleggers en spaarders;
2. ondernemingen;
3. de overheid.

Institutionele beleggers = instellingen die grote sommen geld te beleggen hebben als uitvloeisel van hun hoofdtaak.
Voorbeelden van institutionele beleggers:
· pensioenfondsen;

· levensverzekeringsmaatschappijen.
Institutionele beleggers verstrekken vaak geld in de vorm van een onderhandse lening.
Onderhandse lening = langlopende lening, waarbij geld wordt uitgeleend door een geldgever. De geldgever ontvangt als vergoeding rente.
Een onderhandse lening heeft voordelen voor de geldnemer:
1. het rentepercentage is lager dan dat van een obligatielening;
2. over de leningsvoorwaarden kan worden onderhandeld;
3. de betaling van rente en aflossing gaat aanzienlijk sneller.
Obligatielening = lening die opgesplitst is in kleinere gedeelten.
Spaarders met een hoog inkomen of groot vermogen kopen aandelen van een NV.

Ondernemingen kunnen met geld dat tijdelijk over is (winst) beleggen door aandelen en obligaties te kopen van andere ondernemingen of instellingen.
Investeren = als een onderneming productiemiddelen aanschaft.

Beleggen = als een particulier of onderneming geld over heeft en waarvoor effecten worden gekocht.

De overheid leent ook geld uit dat tijdelijk over is (als de inkomsten groter zijn dan de uitgaven).

Aan de vraagzijde van de vermogensmarkt vinden we:
1. consumenten;
2. ondernemingen;
3. de overheid.

Als consumenten geen spaargeld hebben maar wel grote uitgaven willen doen kunnen ze een persoonlijke lening afsluiten of kopen op afbetaling.
Persoonlijke lening = consument leent een bepaald bedrag van de bank voor een bepaald doel.
Kopen op afbetaling = de koopprijs van een artikel wordt in termijnen terugbetaald.

Een onderneming kan voor de financiering van productiemiddelen het volgende gebruiken:
- eigen vermogen (aandelenkapitaal, gereserveerde winst);

- vreemd vermogen (leningen).

De overheid geeft staatsobligaties uit die door institutionele beleggers, particulieren en (buitenlandse) organisaties gekocht kunnen worden. Dit doet de overheid alleen als de uitgaven groter zijn dan de inkomsten.
geldmarkt: kort krediet
Vermogensmarkt{
kapitaalmarkt: lang krediet en aandelenvermogen

Krediet = wanneer een bank aan een onderneming een geldlening verstrekt.

Kredieten van de geldmarkt zijn o.a.:
· rekening-courantkrediet (bankkrediet) = een schuld van een particulier of een onderneming aan een bank;
· leverancierskrediet = de verkoper levert eerst de goederen of diensten en pas enige tijd later betaalt de koper. De koper heeft op rekening gekocht;
· afnemerskrediet = de koper betaalt eerst en pas daarna moet de verkoper aan zijn verplichtingen voldoen.


Kredieten van de kapitaalmarkt zijn o.a.:
· aandelen;
· obligaties;
· onderhandse leningen;
· hypothecaire leningen.

De kapitaalmarkt kan worden onderverdeeld in:
· openbare markt à waardepapieren worden via de effectenbeurs verhandeld. Wanneer dergelijke waardepapieren voor het eerst door de onderneming/instelling op de markt wordt gebracht, spreken we van emissie (uitgifte) van aandelen of obligaties. Wanneer deze effecten vervolgens worden verkocht aan beleggers, hebben we het over plaatsing. Bij emissie van obligaties worden de voorwaarden m.b.t. de aflossing en rente vooraf bekendgemaakt;
· onderhandse markt à vraag en aanbod van leningen tussen 2 partijen komen hier samen. De onderhandse leningen en hypothecaire geldleningen worden verstrekt door institutionele beleggers. Over de voorwaarden van de lening wordt tussen de geldgever en geldnemer overlegd.


Via de openbare markt kan er meer geld worden aangetrokken dan op de onderhandse markt.

Effecten = waardepapieren die kunnen worden gekocht en verkocht (aandelen, obligaties).

Effectenbeurs = de plaats waar de aankoop- en verkooporders van effecten worden uitgevoerd.

Op een effectenbeurs kan alleen gehandeld worden door leden (banken, commissionairs) van de Vereniging voor de Effectenhandel. Commissionairs bemiddelen bij de aankoop of verkoop van effecten. Als een belegger effecten wil kopen of verkopen, dan moet hij zich wenen tot een van deze leden, die vervolgens de opdracht uitvoert. Voor deze bemiddeling moet provisie worden betaald.

Aan eoronext zijn aandelen van bijna 1600 ondernemingen genoteerd. Daarnaast is er handel mogelijk in beleggingsfondsen, obligaties, en andere soorten effecten.
Euronext 100 = 100 grootste ondernemingen die zijn genoteerd aan Euronext.
Next 150 = de daaropvolgende 150 ondernemingen.
AEX-index = 25 grootste in Amsterdam genoteerde ondernemingen.
In het fondsenreglement staat:
· voorwaarde voor notering aan de beurs;
· regels voor notering;
· inhoud van het prospectus;
· informatieverstrekking aan belegger.

Prospectus = een boekje waarin allerlei bijzonderheden staan van de onderneming die de effecten uitgeeft.


De handel op Euronext vindt plaats op 2 manieren:
- doorlopende handel;
- handel door veiling.

Doorlopende handel à koop- en verkooporders worden tegenover elkaar gezet en indien mogelijk uitgevoerd.

Er zijn 2 soorten orders:
- limietorders = de belegger geeft aan de bank of commissionair een maximale koopprijs of een minimale verkoopprijs. Maar de kans is dan dat de opdracht niet wordt uitgevoerd, omdat de prijs niet binnen de limiet valt.
- Market orders = de opdracht wordt tegen de eerstvolgende prijs uitgevoerd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.