13.1
Doel distributiebeleid: de juiste producten op de juiste plaats en het juiste moment aan de doelgroep aanbieden.
Bij het tot stand komen van een distributiebeleid moeten 2 vragen worden beantwoord:
• welke handelskanalen moeten er gebruikt worden/ zijn het meeste geschikt? Via groothandel of detaillist. Welke detaillisten komen in aanmerking.
• Hoeveel distributiepunten van elk winkelsoort zijn voor het product nodig om te doelgroep te bereiken?
Er zijn 3 distributiekanalen te onderscheiden:


1. directe distributie: product  consument
2. indirecte “ met kort kanaal  producten , detaillist, consument.
3. “ “ met lang kanaal  producten, im-exporteur, groothandel, detaillist consument.
Daarbij spelen factoren een rol:
• Spreiding van de afnemers. Dichtbij = kort kanaal, ver weg = lang kanaal.
• Aard van het product.
• De KOSTEN!
De distributie intensiteit: hoeveel distributiepunten zijn er van elke winkelsoort nodig om de doelgroep te bereiken?
• Intensieve distributie. Zoveel mogelijk punten. Vooral bij convience goods.
• Selectieve distributie. Slecht een aantal geselecteerde punten. Bij shopping goods, gaat ervan uit dat mensen bereid zijn aankopen te doen.
• Exclusieve distributie. Per regio of land slechts 1 distributiepunt. Bij specially goods. Soms krijgt het bedrijf een alleenrecht tot verkoop. Iemand doet hier moeite om afstand af te leggen, door bijvoorbeeld een hoge prijs.


Er zijn 3 soorten goederen:
1. convience goods  dagelijkse aankopen. Dicht bij de klant.
2. shopping goods  mensen winkelen, als ze iets leuks zien kopen ze het. Centra winkelcentra in grote steden.
3. speciality goods  langer over nagedacht, duurzame goederen. Vestiging buiten normale winkelcentra, aan de rand van grote steden.
Verbruikersindentiteit: hoe groot is het verbruik van een product?

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.