Thema Werk: Hoofdstuk 1 t/m 3

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 961 woorden
  • 31 oktober 2015
  • nog niet beoordeeld
Cijfer
nog niet beoordeeld

H1.

Arbeid: alle activiteiten die maatschappelijk en/of economisch nuttig zijn, voor degene die ze verricht, voor zijn of haar omgeving en/of voor de samenleving als geheel.

Functies van werk:

- welvaartsfunctie: inkomen verhoogt de welvaart

- sociale functie: integratie zorgt voor betere sociale cohesie

- verdelingsfunctie: geld en macht verdelen onder mensen

De kwaliteit van werk wordt bepaald door:

- arbeidsinhoud: afwisseling, zelfontplooiing

- arbeidsomstandigheden: werkplek, gereedschappen

- arbeidsverhoudingen: sociale contacten met collega’s en leidinggevenden

- arbeidsvoorwaarden: salaris, werktijden, vakantieregeling, auto van de zaak, verlofregeling, kinderopvang

Het arbeidsethos: het belang dat mensen aan werk hechten. Hoog -> positief beeld van arbeid, laag   -> negatief beeld van arbeid. De ethos is voor elke groep verschillend, daarom ontstaat er onenigheid over bijvoorbeeld een basisinkomen. Hoe een groep over werk denkt hangt af van de welvarendheid, werkloosheid, inkomensvoorzieningen en maatschappelijke druk binnen die groep. Ook verschillende tijden en plaatsen (landen) hebben invloed op dit denkbeeld.

Sociale stratificatie: de verdeling van de samenleving in groepen en lagen waartussen een verhouding van sociale ongelijkheid bestaat. Theorieën hierover:

- reproductietheorie: kinderen nemen de positie van hun ouders over.

- meritocratietheorie: personen veroveren hun positie in de samenleving op basis van hun persoonlijke capaciteiten.

Reproductie

Meritocratie

Voordelen:

- je hoeft niet na te denken over wat je wilt doen

- als je ouders een hoge positie hebben, heb jij dat ook

Nadelen:

- als je ouders een lage positie hebben, heb jij dat ook

- kinderen van hoogopgeleide ouders die zelf niet heel slim zijn moeten heel veel moeite doen om het niveau te bereiken

Voordelen:

- meer vrijheid (je kunt kiezen wat je doet)

- gelijke kansen -> rechtvaardig

- veel ruimte voor zelfontplooiing

Nadelen:

- minder solidariteit (mensen onderscheiden zich: minder begrip voor anderen)

- minder zelfrespect als je niet mee kan komen

- hoger opgeleiden hebben meer invloed in de democratie (hebben er meer kennis van) en de “lagere” mensen kunnen hun mening niet goed laten horen

- als je ouders een hoge positie hebben, heb jij dat niet automatisch

Bordieu beweerde dat kinderen uit lagere klassen nooit in hoge klassen terecht zouden komen omdat ze niet zo zijn opgevoed (gewoonten, taal, etc).

H2.

(Maatschappelijke) arbeidsverdeling: je verdeelt de werkzaamheden over de mensen (in de maatschappij). Technische arbeidsverdeling: je verdeelt het maken van het product op in verschillende deelhandelingen.

Landbouwrevolutie

Inhoud van het werk

Productie steeg -> niet iedereen hoefde voedsel te verbouwen -> nieuwe beroepen.

Arbeidsorganisatie

  • Dichtbij huis;
  • Gilden (vanaf 12e eeuw).

Arbeidsverhoudingen

  • Vrij: eigen grondbezit;
  • Gilden: eigen werkplaats waar men leerlingen aannam.

Sociale structuur van de samenleving

Grote sociale ongelijkheid: standen-maatschappij (positie bepaald door afkomst).

Industriële Revolutie

Inhoud van het werk

  • Deeltaken: oppervlakkig en saai (geen zicht op eindproduct);
  • Mogelijkheid voor werklieden om te ontwikkelen verdween.

Arbeidsorganisatie

Fabrieksmatige productie: zo efficiënt en goedkoop mogelijk.

Arbeidsverhoudingen

De arbeiders zijn afhankelijk van de fabriekseigenaren.

Sociale structuur van de samenleving

Klassenmaatschappij: positie bepaald door economische factoren.

Overgang naar een diensteneconomie

Inhoud van het werk

  • De klant is de koning;
  • Hoger opleidingsniveau nodig (vaardigheden belangrijk).

Arbeidsorganisatie

  • 24-uurseconomie;
  • De klant is de koning.

Arbeidsverhoudingen

  • Multinationale ondernemingen;
  • Afstand baas en werknemer groot -> tussenlaag managers;
  • Flexibilisering.

Sociale structuur van de samenleving

Intergenerationele mobiliteit (kinderen uit arbeidersklasse klimmen op).

Informatisering van de arbeid

Inhoud van het werk

  • Lichter, flexibeler en efficiënter in alle sectoren (agrarische, zakelijke dienstverlening en niet-commerciële sector aka de (semi)overheid);
  • Taakverarming / taakverrijking.

Arbeidsorganisatie

Flexibel werken & telewerken -> fragmentering van sociale rollen.

Arbeidsverhoudingen

  • Afstand tussen verschillende niveaus kleiner: platte organisatie;
  • Meer ruimte voor creativiteit en ontplooiing van werknemers.

Sociale structuur van de samenleving

Open samenleving: iedereen heeft goede kansen op maatschappelijke stijging

Informatisering: het effect van het steeds breder inzetten van informatietechnologie op de inhoud en organisatie van werk.

Productinnovatie: producten krijgen meer functies. Als het productieproces hiervan verandert spreek je van procesinnovatie.

H3.

Economische orde: manier waarop de economie in een samenleving is georganiseerd. Drie typen:

 

Vrijemarkteconomie

Centraal geleide economie / planeconomie

Gemengde economie

“Bedenker”

Adam Smith

Lenin, Stalin

John Maynard Keynes

Hoe werkt het?

 

het particulier initiatief bepaalt wat er geproduceerd wordt -> prijs en vraag staan vanzelf met elkaar in evenwicht door de onzichtbare hand: prijsmechanisme  / marktmechanisme

de overheid bepaalt wat, hoeveel en voor wat voor prijs er geproduceerd wordt

productie en prijsbepaling worden overgelaten aan de markt maar de overheid grijpt in door:

- grenzen te stellen aan concurrentie (bij essentiële goederen en diensten)

- kartels tegen te gaan

- toe te zien op de kwaliteit van producten en het milieu

- anticyclisch beleid ui te voeren (hoogconjunctuur -> overheid moet minder geld uitgeven)

Voordelen

- producenten zijn gedwongen producten met goede kwaliteit aan te bieden voor een lage prijs

- stimuleert innovatie

- maatschappelijke behoeften staan centraal

- efficiënt gebruik van de productiemiddelen

Dit is het ideale systeem volgens het boek.

Nadelen

- sociale ongelijkheid

- slecht voor het milieu

- producten worden soms niet geproduceerd omdat het te weinig oplevert terwijl er wel maatschappelijke vraag naar is

- ‘economisch calculatieprobleem’: overheid weet nooit precies hoeveel vraag er is naar een product

- stimuleert innovatie niet

- groot verschil tussen theorie en praktijk: vriendjespolitiek

- milieuschade door gebrek aan regels

-

Eigenlijk is overal in het geïndustrialiseerde Westen een gemende economie. De mate van bemoeienis van de overheid verschilt wel. Drie modellen:

- Scandinavisch model:  veel overheidsbemoeienis, flexibiliteit op de arbeidsmarkt, goed socialezekerheidsstelsel, hoge collectieve lastendruk, lage werkloosheid

- West-Europees model: harmonieuze samenwerking tussen overheid en sociale partners, collectieve goederen worden overgelaten aan de werking van de markt, kosten blijven beperkt

- Angelsaksisch model: goed ondernemingsklimaat, lage collectieve lastendruk, sociale tweedeling

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.