Maatschappijwetenschappen hoofdstuk 1 tm 9

Beoordeling 9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 5532 woorden
  • 19 juni 2022
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 9
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

Maatschappijwetenschappen:


Paragraaf 1.1Een voornaam aan iemand geven heeft ook te maken met iemands referentiekader. Een referentiekader is het geheel aan kennis, ideeën, opvattingen, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt. Een referentiekader wordt ook wel een sociale bril genoemd. 


Iemands voornaam hoort bij wie iemand is en maakt daarom onderdeel uit vaniemands identiteit. Het gaat over beelden en ideeën. Er zijn 3 aspecten van identiteit:



  • persoonlijke identiteit, heeft te maken met het beeld dat iemand van zichzelf heeft

  • sociale identiteit, het deel van iemands identiteit dat past bij de groepen waar iemand deel van uitmaakt. 

  • collectieve identiteit, gaat om het beeld dat iemand heeft van een groep, en wel het beeld dat ze blijvend kenmerkend vinden voor die groep.


De beelden en verwachtingen van iemands identiteit kunnen tot spanning leiden. Bijvoorbeeld een persoonlijke identiteit van een moslim kan botsen met de collectieve identiteit van moslims. 


Paragraaf 1.2


De woorden ‘vaker’ en ‘gemiddeld’ geven aan dat er een wetmatigheid van 100% is, er zijn altijd uitzonderingen.
Het woord kans is bij onderzoek doen heel belangrijk en betekent: de waarschijnlijkheid dat een bepaalde gebeurtenis zal optreden. 


Een variabele is een kenmerk van een actor of samenleving en kan variëren. 


Paragraaf 1.3


Ouders voeden kinderen verschillend op, sommige ouders zijn streng, andere ouders zijn vrijer. Daar komt bij dat ook op andere plekken kinderen leren hoe ze zich moeten gedragen. Het hele proces van het gedrag aanleren en aangeleerd krijgen noemen we socialisatie. Socialisatie wordt ook wel het proces van leren samenleven genoemd.


Socialisatie bestaat uit 2 delen:



  • het proces van overdracht, mensen brengen cultuur van een groep of samenleving over aan nieuwkomers. De mensen die de cultuur overbrengen noemen we socialisatoren.

  • het proces van verwerving, in dit deel van het socialisatieproces maken mensen zich de cultuur van een groep of samenleving eigen. De waarden en normen die ergens bij horen nemen mensen over en internaliseren ze. 


Je hebt 3 soorten socialisatie:



  • Primaire socialisatie, socialisatie tussen mensen die direct met elkaar verbonden zijn zoals een gezin en vrienden.

  • Secundaire socialisatie, socialisatie die plaatsvindt in een formele sfeer zoals school of werk. Binding is secundaire groepen wordt versterkt door collectieve rituelen.

  • Tertiaire socialisatie, vindt plaats door anonieme socialisatie, actoren met wie mensen niet rechtstreeks een band hebben bijvoorbeeld door het lezen van literatuur of door sociale media.


een bijzondere vorm van socialisatie is politieke socialisatie. In elk land bestaat er een politieke cultuur, met eigen regels en tradities die daarbij horen. In het onderwijs vindt er voor een belangrijk deel politieke socialisatie plaats.


Bij enculturatie leert iemand de cultuur aan waarin hij geboren wordt en bij acculturatie gaat het juist om het aanleren van een nieuwe cultuur. 


 Paragraaf 1.4


Bij onderzoek wordt vaak gekeken naar de relatie, het verband tussen verschillende variabelen. De invloed van variabelen op elkaar wordt weergegeven in een conceptueel model. Het wordt gelezen van links naar rechts. In hoeverre heeft …. invloed op …


 Soort school ------------> mate van gepest worden.


Soort media-opvoeding ouders ------------> onderwijsprestaties kinderen


 Paragraaf 1.5


Soms zijn er gevallen van tegendraads gedrag. Dat is gedrag wat je niet perse zou verwachten. Mensen als individu vertonen soms gedrag dat bewust afwijkt en soms leren groepen mensen dat elkaar ook aan. Het gedrag van grote groepen mensen vertoont zo wetmatigheid.


 Paragraaf 2.1


Je hebt 4 soorten bindingen.



  • affectieve bindingen, dit zijn emotionele bindingen. Mensen geven elkaar liefde en sten en zijn daarvoor ook van elkaar afhankelijk.

  • cognitieve bindingen, bindingen op het gebied van kennis. Mensen zijn afhankelijk van mensen die hun iets leren, bijvoorbeeld van je ouders of juf als je jong bent. 

  • economische bindingen, bindingen die te maken hebben met het werk, met goederen die ze nodig hebben om te bestaan. 

  • politieke bindingen, bindingen die te maken hebben met zaken die geregeld moeten worden op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, zorg, verkeer etc.


 Bindingen die mensen hebben kunnen ertoe leiden dat mensen een groep vormen. Mensen die horen bij dezelfde groep delen iets met elkaar en beïnvloeden elkaar, dat is groepsvorming


 De groep mensen die erbij hoort, wordt ingroup genoemd, daar is binding mee. De outgroup bestaat uit mensen die niet bij de groep horen. Je bent daarmee in een soort strijd/afzet, Om de groepsregels te handhaven is er in een groep vaak sprake van sociale controle: dat is het geval als mensen anderen ertoe brengen zich te houden aan de normen van de groep. 


Er is sprake van informele sociale controle als groepsleden elkaar wijzen op de waarden en normen van de groep. Er is sprake van formele sociale controle als mensen die vanuit hun beroep of functie anderen op de regels wijzen. 


 Stereotypen zijn vaststaande gegeneraliseerde beelden en ideeën over een groep mensen. Stereotypen zijn vaak gebaseerd op vooroordelen: vooringenomen meningen over een groep mensen. 


 Er zijn 3 situaties waarbij mensen niet meer bij een groep horen.



  • mensen kunnen er niet meer bij horen, bijvoorbeeld omdat ze verhuizen.

  • mensen mogen er niet meer bij horen, bijvoorbeeld sekten die mensen verbieden contact te hebben met familie.

  • mensen willen er niet meer bij horen, bijvoorbeeld mensen ervoor gekozen hebben om de katholieke kerk te verlaten. 


 In een informele groep kennen mensen elkaar en voelen ze zich emotioneel met elkaar verbonden. Formele groepen zijn groepen die met regels die vaak op papier zijn vastgelegd, bijvoorbeeld een klas. Uit een formele groep kan een informele groep ontstaan.


 Paragraaf 2.2


Een indicator zet je op het spoor van een variabele. Zo is een variabele als ‘opleidingsniveau’ te onderzoeken door te vragen naar iemands ‘hoogst afgeronde opleiding’. 


 Bij een onderzoek delen wetenschappers mensen vaak in groepen. Deze groepen worden sociale categorieën genoemd. Ze delen bepaalde kenmerken maar hebben geen gemeenschappelijke waarden en normen met elkaar. Het kan ook gaan om culturele variabelen, zoals de geloofsovertuiging van mensen. 


 Paragraaf 2.3


Een paar dingen die de samenleving bijeenhoudt zijn:



  • gedeelde waarden en normen, ze kunnen zorgen voor saamhorigheid besef. 

  • wederzijdse afhankelijkheid, mensen zijn verbonden met elkaar en zijn van elkaar afhankelijk en hebben elkaar dus nodig om eigen doelen te bereiken. 

  • dwang, een overheid of machthebber kan zijn politieke macht gebruiken om mensen te dwingen zich op een bepaalde manier te gedragen. 


 Bij de vraag wat een samenleving bijeenhoudt, speelt sociale cohesie ook een rol. Het wordt als een soort bindmiddel, lijn van de samenleving gezien. 


 Er is ook een nadeel aan sociale cohesie. Soms sluit een hechte groep anderen uit. Ze mogen er niet bij horen omdat de ‘anders’ zijn. Dit kan zorgen voor conflicten. 


 Paragraaf 2.4


Een aantal voorbeelden van indicatoren zijn:



  • of er veel mensen vrijwilligerswerk doen in een gemeente

  • de vraag of er veel problemen zijn in een bepaalde wijk

  • het zelfdoding percentage in een land

  • het aantal politiek moorden in een land



De samenhang tussen verschillende variabele wordt uitgedrukt in correlatie cijfers. Als de ene variabele verandert, geven die aan hoe groot de waarschijnlijkheid is dat de andere dat ook doet. Correlatie is de samenhang tussen 2 variabelen.



Bij causaliteit of een causale relatie is er een oorzakelijk verband tussen 2 variabelen. Dat houdt in dat variabele A rechtstreeks tot variabele B leidt: de ene variabele is op een of andere manier afhankelijk van de andere.



Sociale verschijnselen zijn vaak heel vaak multicausaal: veel factoren spelen tegelijkertijd en de vraag is welke werkelijk doorslaggevend zijn of ertoe doen. 



Een voorbeeld van een mogelijke causale relatie:


Een indicator van sociale cohesie is het doen van vrijwilligerswerk. Uit een Amerikaans onderzoek is gebleken dat mensen met een protestantse achtergrond dat vaker doen dan anderen. Op basis van iemands religieuze achtergrond is dan een voorspelling te doen van het al dan niet te doen van vrijwilligerswerk.



levensbeschouwing ----> mate van vrijwilligerswerk. 



Paragraaf 2.5


Er is een andere groep mensen die ergens niet bij willen horen. Zulk tegendraads gedrag vinden we bij klokkenluiders. Zij maken iets openbaar wat een bedrijf of organisatie liever verborgen wil houden. 



Ook zijn er situaties waarbij er wel een hoge mate van sociale cohesie binnen een groep is, maar waarbij dat een negatief effect heeft voor de mensen die daar niet bij horen, bijvoorbeeld een criminele bende. 



Paragraaf 3.1


Manieren van kleden en van het vieren van een verjaardag horen bij groepen mensen die dezelfde cultuur hebben. Een cultuur bestaat uit elementen die mensen met elkaar delen en doorgeven aan de volgende generatie (socialisatie). 



Je hebt wat mensen in hun hoofd meedragen:




  • waarden



  • opvattingen



  • voorstellingen



Je hebt wat je aan de buitenkant kunt zien of merken:




  • uitdrukkingsvormen



Je hebt hoe hun gedrag geregeld wordt:




  • normen



  • instituties



Er wordt onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële aspecten van cultuur. materiële aspecten van cultuur zijn tastbaar en concreet zoals symbolen en taal. materiële aspecten zijn gebouwen, producten, gebruiksvoorwerpen en kunst. 



Culturen zijn relatief, ze zijn plaats- en tijdgebonden



Je hebt een dominante cultuur en een subcultuur. De dominante cultuur zijn de elementen in een cultuur die op het gebied van taal, politiek, recht en economie het meest gemeengoed zijn. Bijvoorbeeld in Nederland spreken we Nederlands. 


De subculturen zijn kleinere culturen die passen in de dominante cultuur. Bijvoorbeeld dat ze Fries praten in friesland. 



In een tegencultuur zetten mensen zich af tegen de belangrijke waarden van de dominante cultuur en bij een tussencultuur duurt het enkele generaties om een cultuur over te nemen. 



Paragraaf 3.2


Ieder kind dat wordt geboren, heeft unieke eigenschappen zoals de vingerafdruk of het DNA-profiel. Die zijn aangeboren, en dat wordt nature genoemd. Er spelen ook kenmerken een rol in iemands identiteit. Aangeleerd gedrag, nurture heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en leeft. 



De vraag of eigenschappen van mensen meer worden bepaald door natuur of cultuur staat centraal in het nature-nurture-debat. 



Paragraaf 3.3


Er bestaan patronen in cultuurverschillen. Dit zijn gegroepeerd tot dimensies: de dimensies van hofstede. De cultuurverschillen zijn op verschillende niveaus zichtbaar:




  • microniveau



  • mesoniveau



  • macroniveau




De verschillende dimensies:


Dimensie machtsafstand -  Hoe gaan culturen om met ongelijkheid en macht? Het gaat om de mate waarin de minder machtige leden in een land verwachten en accepteren dat de macht in een land ongelijk verdeeld is. 


Dimensie individualistisch versus collectivistisch - Hoe gaan culturen om met vrijheid van een individu, ten opzichte van de groep waar het individu bij hoort? 


Dimensie masculien versus feminien - Hoe gaan culturen om met sekse en verschillende rollen van mannen en vrouwen.


Dimensie onzekerheidsvermijding - Hoe gaan culturen om met het onzekere of onbekende situaties? Bijvoorbeeld wat ze doen met een oorlog of ziekte.


Dimensie termijngerichtheid - Hoe gaan culturen om met het verleden, heden en de toekomst? Je hebt langetermijngerichtheid en kortetermijngerichtheid. 




Paragraaf 3.4































micro



meso



macro



de individuen onderling



de groepen mensen 



de samenleving



leden van een hockeyteam



de hockeyclub



de hockeybond



de leerlingen van een klas



de school



het landelijke onderwijssysteem



de leden van de gezinnen en families



de grote bedrijven of verenigingen



de verzorgingsstaat, de ‘moderne’ samenleving




Bij onderzoek - op elk niveau - worden vaak zaken met elkaar vergeleken, bijvoorbeeld culturen, opvoedingsstijlen en de mate van sociale cohesie. 



Paragraaf 3.5


Tegendraads is anders zijn.



Paragraaf 4.1


Criminaliteit is gedrag dat door de overheid strafbaar is gesteld. Het is niet altijd en overal hetzelfde. Criminaliteit is relatief, het verschilt per tijd en per samenleving. Ook is criminaliteit plaats- en tijdgebonden



Paragraaf 4.2


Voor een wetenschappelijk onderzoek zijn er allemaal eisen waar het aan moet voldoen:



  • betrouwbaarheid, een onderzoek is betrouwbaar als herhaling van het onderzoek dezelfde resultaten oplevert.

  • validiteit, in het onderzoek moet gemeten worden met helder omschreven standaarden die verantwoord kunnen worden op basis van eerder onderzoek. 

  • representativiteit, deze eis van onderzoek heeft te maken met de steekproef die gedaan wordt. Voor de representativiteit van zo'n steekproef is het belangrijk dat het een dwarsdoorsnede is van de totale groep die onderzocht wordt. 

  • generaliseerbaarheid, de steekproef moet ook gegevens opleveren die gelden voor het overige deel (dat niet meegedaan heeft in het onderzoek). 

  • transparantie, wetenschappers moeten helder zijn over hun manier van onderzoek doen, hun verzamelde gegevens en hun analyse. 



Er zijn 2 hoofdrichtingen binnen het debat van ‘wat is ware kennis?’ te onderscheiden:



  • het empirisme, alle ware kennis komt voort uit waarnemingen uit de buitenwereld.

  • het rationalisme, ware kennis komt voor uit de Rede, de ratio, het verstand; de buitenwereld is chaotisch, daarom zijn intelligentie en verstand nodig om orde te creëren.


Wetenschappers moeten op zoek naar waarnemingen die hun theorie ontkrachten, dat heet falsifiëren



Eenvoudig gezegd is een paradigma het referentiekader van een onderzoeker, een soort wetenschappelijke ideologie. 



Paragraaf 4.3


Er zijn 5 vraagstukken:



  • het vormings vraagstuk, het gaat op de manier waarop mensen een identiteit ontwikkelen. 

  • het bindings vraagstuk, het gaat over hoe mensen met elkaar verbonden zijn in een samenleving. Ze kunnen affectief, cognitief, economisch en politiek van elkaar afhankelijk zijn. 

  • Het verdelingsvraagstuk, mensen verschillen van elkaar in leeftijd, uiterlijk, inkomen etc. De manier waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en wijze waarop de samenleving daarmee omgaat horen bij het verdelingsvraagstuk.

  • het veranderings vraagstuk, gaat over de vraag hoe een samenleving verandert en waardoor dat bepaald wordt.

  • het welvaarts vraagstuk, gaat over hoe een samenleving haar welvaart in stand houd en hoe die verdeeld wordt. 



Sociale wetenschappers die vanuit het bindings vraagstuk naar criminaliteit kijken, concluderen onder andere het volgende:



  • mensen die crimineel gedrag vertonen voelen zich blijkbaar niet zo verbonden met de samenleving en ze hebben er daarom minder moeite mee om zich niet aan de regels te houden.

  • mensen in criminele groepen ontwikkelen vaak een sterke onderlinge verbondenheid (ingroup).

  • mensen die geen crimineel gedrag vertonen voelen zich vaak verbonden met elkaar in hun afkeer tegen mensen die crimineel gedrag vertonen. 



Paragraaf 4.4


Er zijn verschillende criminologische theorieën:



  • rationele keuzetheorie, mensen kiezen bewust om de wet te overtreden. 

  • etiketteringstheorie, mensen voelen zich gediscrimineerd en gaan zich gedragen naar het etiket ‘crimineel’ dat op hun geplakt wordt.

  • bindingstheorie, bindingen in de maatschappij kunnen ertoe leiden dat crimineel gedrag voorkomen wordt. 

  • structureledeviantietheorie, de machtigen en rijken zijn in het voordeel. De wetten werken in hun voordeel, ze worden mild aangepakt voor bepaalde dingen. 



Paragraaf 5.1:


De opbouw bij MAW ziet er als volgt uit:



  • inleiding

  • theoretisch kader

  • onderzoeksopzet

  • resultaten

  • conclusie

  • discussie en aanbevelingen



Paragraaf 5.2:


Je hebt verschillende soorten onderzoeken:


Kwantitatief onderzoek - gaat om hoeveelheden, horen cijfermatige resultaten bij. 


Kwalitatief onderzoek - gaat meer om achterliggende beweegredenen en is diepgaander.



Onderzoekers stellen verschillende soorten vragen:



  • Beschrijvende vragen, de onderzoeker wil meer weten over het maatschappelijke vraagstuk.

  • Verklarende vragen, onderzoeker wil verbanden tussen variabelen verklaren.

  • Evaluatieve vragen, onderzoeker wil een oordeel kunnen geven over een bestaande situatie.

  • Voorspellende en voorschrijvende vragen, onderzoeker probeert soms om de toekomst te voorspellen. 



Paragraaf 5.3:


Als een onderzoeker van veel mensen iets wilt weten, is een enquête een handige onderzoeksmethode. Bij een kwalitatief onderzoek kan een onderzoeker gebruik maken van een interview. Bij een onderzoek naar het gedrag van mensen is een observatie meer geschikt. Bij een experiment worden vaak 2 groepen gevormd, om te kijken of een bepaalde variabele de oorzaak is van de andere. De laatste onderzoeksmethode is de literatuurstudie



Paragraaf 5.4:


Een causaal model is een conceptueel model waarin alleen variabelen in staan die effect hebben op elkaar. Je hebt variabelen die beïnvloeden en variabelen die worden beïnvloed. De eerste is een onafhankelijke variabele  en de tweede is een afhankelijke variabele. Een interveniërende variabele is afhankelijk en onafhankelijk tegelijk. 




Een interactie-effect is een effect waarbij de derde variabele invloed heeft op de relatie van de twee andere variabelen. 




Paragraaf 6.2


In de analyse van de ontwikkelingen van de jager- en verzamelaar samenlevingen gebruiken we de kernconcepten samenwerking en conflict:


samenwerking - ze moesten samenwerken tijdens het jagen omdat dat makkelijker was dan alleen. Er was sprake van een gezamenlijk doel. 


conflict - In tijden van schaarste moesten ze soms met elkaar vechten omdat ze anders niet genoeg voedsel hadden. 



Er zijn verschillende redenen waarom actoren kiezen voor samenwerking, zoals ‘samen staan we sterker’ en profiteren van de sterke punten van een ander. Een voorbeeld hiervan is de NAVO. De ene heeft meer kennis en de ander meer technologie. Actoren moeten wel vaak iets opgeven tijdens het samenwerken, zoals tijd of geld. Ook hebben ze niet altijd helemaal hetzelfde doel en moeten  ze hier dus ook iets van inleveren. 


Bij conflict werken mensen elkaar juist tegen om hun eigen doel te bereiken. Macht en verschillen in macht spelen vaak een rol binnen een conflict. 



Soms werken mensen samen om een doel te bereiken waar meer mensen baat van hebben dan alleen de mensen die samenwerken. Dat is het geval als het over een algemeen belang of een collectief goed gaat, bijvoorbeeld schoon drinkwater en onderwijs. Collectieve goederen hebben als belangrijkste kenmerk dat ze non-exclusief zijn: het kan voor niemand worden uitgesloten. 


Tegenover collectieve goederen staan private goederen. Dat zijn goederen waar mensen voor moeten betalen, bijvoorbeeld eten en drinken of een abonnement op een sportschool.


Als mensen samenwerken om een collectief goed te realiseren, heet dat een collectieve actie.


De keuze waar mensen voor staan om wel of niet mee te werken, heet het dilemma van de collectieve actie. De actoren die wel profiteren van het collectieve goed maar er niet aan bijdragen noemen we free riders.



Paragraaf 6.3


Paradigma's over conflict


Een paradigma bestaat uit een groep aan elkaar verwante theorieën. 


Er zijn 4 paradigma’s die we onderscheiden verschillen op twee dimensies:



  • actor vs structuur:


speelt het maatschappelijk gebeuren zich meer af op het niveau van interacties en relaties tussen actoren of juist meer op macroniveau?



  • consensus vs conflict


is het sociale gebeuren gericht op evenwicht, stabiliteit en continuïteit of si de samenleving een arena waarin groepen in individuen strijden om de beschikbare middelen? 



Functionalisme paradigma:


Er wordt meer gekeken naar structuren dan naar actoren en gaat men meer uit van consensus dan conflict. Er wordt naar een samenleving gekeken als een levend wezen. Elk deel heeft zijn eigen functie en in totaal is het een levend wezen. 


Samenlevingen lossen volgens functionalisten conflicten en onbalans op door instituties (regels, afspraken)



Conflict-paradigma:


het conflict-paradigma kijkt net als het functionalisme-paradigma naar structuren, maar verklaart de verhoudingen niet vanuit een consensus maar vanuit conflicten. Een samenleving is een soort arena waarin actoren juist met elkaar strijden om schaarse goederen als geld, macht en status. 


Sociaalconstructuvisme-paradigma:


Voor wetenschappers vanuit het sociaalconstructuvisme-paradigma is niet de structuur van een samenleving maar het gedrag van individuele actoren het standpunt voor het doen van een onderzoek. De rol die mensen hebben zorgt voor een verwachting van anderen. Als mensen die verwachting dan niet bevestigen of waarmaken kan dat zorgen voor een rolconflict, bijvoorbeeld als een leraar zich opstelt als een van je vrienden. 


Rationele-actor paradigma:


Ook vanuit het rationele-actor paradigma ligt de nadruk op het gedrag van de actoren, maar dan vooral op hoe zij omgaan met tegengestelde doelen of belangen. Hoe leven actoren samen die verschillende zaken nastreven? Ook andere actoren zullen afwegen of een conflict mogelijke voordelen heeft ten opzichte van samenwerken. Als het juist gaat om samenwerking moet de sociale cohesie in stand worden gehouden, aldus het rationele-actor paradigma. 



Paragraaf 6.4


Door innovaties en technologie ontstond de landbouwsamenleving: jager-verzamelaars gingen zich vestigen en werden boer of landbouwer. 


In de veranderingen van de jager-verzamelaars samenleving naar landbouwsamenleving is het proces van rationalisering te herkennen. Mensen gebruiken efficiënte methoden om meer grip op het leven te krijgen. 


Het proces van rationaliseren bestaat uit 2 delen:



  • technische rationaliteit: doelgericht inzetten van middelen om zo efficiënt en effectief mogelijke resultaten te bereiken. 

  • wetenschappelijke rationaliteit: het ordenen en systematiseren van de werkelijkheid met de bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken. 


De technische en wetenschappelijke rationaliteit hebben gevolgen voor het menselijk samenleven. Mensen ontwikkelen allerlei organisaties, instellingen en wetten die worden toegepast in de samenleving. Dit wordt ook wel maatschappelijke rationaliteit genoemd. 



Paragraaf 7.2


In de analyse van de ontwikkelingen in de landbouwsamenlevingen gebruiken we de kernconcepten macht en politieke instituties. 



De boeren werden vroeger omringd door moerassen en veengebieden. Daarom konden ze hun productie niet uitbreiden voor een groeiende bevolking. Een collectief goed hiervoor was een dijk. 



Macht:


Om ervoor te zorgen dat er een collectief goed komt, moet er een instantie zijn die kan afdwingen dat iedereen meewerkt. Zo’n actor moet macht hebben. 



macht heeft 2 kanten:



  • een actor met macht heeft de mogelijkheid om hulpbronnen in te zetten om zijn doel te bereiken.

  • iemand met macht kan een andere actor beperken in zijn mogelijkheden of om hem juist meer mogelijkheden te geven.



Er werd een bestuur gemaakt die macht had over de boeren die er woonden. Zo werden de zogenaamde heemraadschappen bedacht. Ze kregen de macht om belasting te heffen. 


Hulp- of machtsbronnen zijn er in verschillende soorten:




  • Affectieve machtsbronnen, invloed op basis van emoties.




  • Cognitieve machtsbronnen, invloed op basis van kennis.

  • Economische machtsbronnen, invloed op basis van geld of het bezit van schaarse goederen.

  • Politieke machtsbronnen, invloed op basis van de overheid of politieke machtsdragers.



Ook heb je formele en informele macht:




  • Formele macht, macht die is vastgelegd in regels of wetten.




  • Informele macht, macht die niet officieel is vastgelegd. 



De heemraadschap moest ervoor zorgen dat de boeren bijdroegen aan het bouwen en onderhouden van de dijken. 


Zo’n regel/norm, noemen we een institutie en dat is een regel over hoe mensen zich gaan gedragen in de samenleving. Dit is een politieke institutie omdat deze norm te maken heeft met het uitoefenen van macht.



Paragraaf 7.3


Paradigma’s over macht



Functionalisme paradigma:


Volgens het functionalisme paradigma speelt macht een rol bij relaties tussen actoren. Het zit in de structuur van de samenleving dat macht een rol speelt. Volgens het functionalisme is de aanwezigheid van macht binnen een samenleving een positief iets. 



Conflict-paradigma:


De strijd tussen de machthebbers en de minder- machthebbers staat centraal. Welke actoren trekken binnen de samenleving aan de touwtjes?



Sociaalconstructuvisme-paradigma:


De betekenis die mensen aan macht en machtsverhoudingen geven is de kern van de theorie. Ze zijn meer gericht op de actoren dan op de structuren van de samenleving. Vinden actoren anderen machtig en respecteren ze dat of is er alleen sprake van macht?



Rationele-actor paradigma:


Mensen strijden met elkaar om te kunnen overleven als er schaarste is. Ze denken vanuit hun eigen belang en iemand die dan geen eten heeft zult conflict aangaan met anderen. 



Paragraaf 7.4


In de 19e eeuw werden ideologieën opgepikt door massale bewegingen en er ontstonden groepen mensen met dezelfde ideologie. Dat worden stromingen genoemd. 


Anarchisme:


Anarchisme betekent ‘zonder heerschappij’, ze willen dan ook geen overheid. Ze zijn tegen elke vorm van overheid.


Nazisme:


De mensen die het nazisme aanhangen, gaan uit van ongelijkheid en ongelijkwaardigheid tussen mensen. Ze beschouwen het leven als een voortdurende strijd tussen mensen. Ook geloven ze in ‘survival of the fittest’. 


Conservatisme:


Geweld is geen oplossing. Ze zien de overheid juist als een oplossing. De overheid heeft als taak om de burgers te beschermen en heeft daarvoor macht nodig. Burgers moeten de overheid gehoorzamen. 



Paragraaf 7.4


Door de komst van de heemraadschappen konden de boeren zich niet meer opstellen als free-riders. In de tijd van de landbouwsamenlevingen lag de macht bij de adel. Boeren en vorsten gingen samenwerken aangezien ze toch op 1 plek bleven, voedsel voor bescherming. Vorsten streden wel met elkaar voor macht en eer. Vorsten gingen politieke


instellingen ontwikkelen om verzekerd te zijn van inkomsten en van een leger. 



Al deze ontwikkelingen komen samen in het ontstaan van staten. Deze politieke institutie is een onderdeel van de maatschappelijke rationaliteit die bedacht is voor het menselijk samenleven. 


Een staat heeft de volgende kenmerken:



  • ze heeft een groep mensen

  • ze heeft een grondgebied

  • ze heeft een geweldsmonopolie en belastingmonopolie


Een staat is het bestuur van een stad en heeft een soevereine macht, ze is de hoogste, onafhankelijke macht en hoeft geen verantwoording af te leggen aan anderen. 


Je hebt interne en externe soevereiniteit:



  • externe soevereiniteit, het gezag van de staat wordt erkend door andere staten.

  • interne soevereiniteit, de inwoners van het land erkennen het gezag van de staat.



Paragraaf 8.1


Religie speelde in de zestiende eeuw een belangrijke rol en zorgde voor cohesie tussen mensen. In 1555 werd bij de ‘vrede van Augsburg’ besloten dat de vorst van een gebied bepaalde wat de godsdienst van de inwoners van dat gebied moest zijn. In Nederland zorgde deze vrede juist voor een conflict. De Nederlandse adel wilde zijn godsdienst zelf bepalen, terwijl de Spaanse koning wilde dat iedereen katholiek was. → plakkaat van verlatinge (De Nederlands staten-generaal verklaarde zich onafhankelijk van de Spaanse koning)



Paragraaf 8.2:


In de analyse van de ontwikkelingen rondom religie en binding gebruiken we de kernconcepten:




  • sociale cohesie, religie zorgde voor sociale cohesie in de samenleving. Doordat mensen binding met elkaar hebben zijn er minder conflicten en de sociale cohesie zorgt ervoor dat de samenleving niet uiteenvalt in allemaal actoren die in strijd zijn met elkaar. 



  • cultuur, binding komt voor een belangrijk deel tot stand doordat mensen dezelfde normen en waarden met elkaar delen. 



  • sociale institutie, het gedrag van mensen in het ‘sociale leven’ kent regels, net als het gedrag in het ‘politieke leven’. Naast politieke instituties zijn er dan ook sociale instituties




Paragraaf 8.4:


Er zijn 2 ideologieën met verschillende visies op binding in een samenleving. 


Confessionalisme:


Het belijden van een geloof in de ideologie van het confessionalisme baseert haar visie op een religie. Ze zijn niet links of rechts te noemen. Harmonie en samenwerking binnen een samenleving vinden ze belangrijk. De rol van de overheid hoeft niet al te groot te zijn. Er is sprake van rentmeesterschap, we hebben de aarde in bruikleen en we moeten hem goed verzorgen, 


Een bijzondere stroming binnen het confessionalisme is het fundamentalisme. Volgens hen moet er maar 1 godsdienst heersen en de politiek is daaraan ondergeschikt. Ze willen de ongelovigen discrimineren van de samenleving.



Fascisme:


Het fascisme is - net als nazisme - een extreem rechtse ideologie die ‘volk en vaderland’ superieur vindt ten opzichte van andere volken (eigen volk eerst). Ze willen met geweld en macht de minderheden onderdrukken. 



Er zijn confessionalistische partijen in Nederland, die worden ook wel christen democratisch genoemd. De drie christen democratische partijen zijn het CDA, de ChristenUnie en de SGP. 



Paragraaf 8.5:
Een natie is een volk dat een eigen staat wil vormen of in een eigen staat woont. De relatie tussen religie en nationalisme is dat nationalisme de religie seculariseert terwijl de natie het tot iets heiligs maakt. Etnie verwijst naar een groep met een gezamenlijke geschiedenis en cultuur. Een etnie heeft niet de wens om in een eigen staat te leven. 



De ‘nationalistische school’ gaat ervan uit dat naties in de middeleeuwen zijn ontstaan en dat tradities een belangrijke rol spelen in het bepalen van de nationale identiteit en cultuur. De ‘modernistische school’ gaat ervan uit dat staten een belangrijke rol hebben gespeeld in het proces van natievorming. 



Naties zijn te beschouwen als een onderdeel van de maatschappelijke rationaliteit. Voor vorsten was het wenselijk dat er sociale cohesie was tussen de mensen. Als mensen zich verbonden voelen met elkaar, verminderde dat de kans op interne conflicten en bleef het gezag van de koning gehandhaafd. 



Koning Willem I probeerde sociale cohesie te versterken door:



  • Nederlands als vaste voertaal vast te leggen.

  • Vaderlandse geschiedenis verplicht te stellen op scholen.

  • Nationale feestdagen in te voeren

  • De dienstplicht in te stellen. 




Hoofdstuk 9


Paragraaf 9.1


Aan het eind van de 18e eeuw vonden er in een korte tijd een aantal revoluties plaats. Een belangrijke drijfveer achter die revoluties was de drang van mensen naar vrijheid. Door de


Franse revolutie werd de macht van de koning, adel en kerk verbroken ik kregen de burgers meer zeggenschap. Koning Willem-Alexander heeft niet zoveel macht als zijn voorvader. Ook in andere landen hebben de staatshoofden en de adel een deel van de macht moeten inleveren ten gunste van het volk. 



Paragraaf 9.2



Gezag ligt in het verlengde van macht: bij gezag wordt de macht van een actor als legitiem beschouwd. Als een actor gezag heeft accepteren de anderen vrijwillig de beslissingen die hij neemt en aanvaarden dat ze hun vrijheid wordt ingeperkt. 



Op microniveau krijgen mensen gezag op basis van:



  • persoonlijke kwaliteiten

  • geleverde prestaties

  • de positie of functie die iemand heeft



In haar eigen land heeft de overheid de macht om de vrijheid van mensen te beperken door middel van gewelds- en belastingmonopolie. 



Representatie houd in dat mensen een bepaalde groep vertegenwoordigen. In Amerika wilden de mensen ook representatie. Ze wilden mensen kiezen die oog hadden voor hun belangen. Er ontstonden nieuwe politieke instituties als een kiesstelsel en politieke partijen.



Bij representatie gaat het om het feit dat een groep vertegenwoordigd wordt en bij representativiteit gaat het over hoe dat gebeurd. 



Bij representativiteit wordt er gekeken naar overeenkomsten op de volgende punten:



  • achtergrondkenmerken

  • standpunten

  • besluiten



Sinds er representatie was in Amerika, ontstonden er verschillende visies hierop. Er zijn 3 modellen:



  • het afspiegelingsmodel, volksvertegenwoordiging moet lijken op de samenstelling van het volk zelf. Een tweede kamer moet dus divers zijn. Dit is moeilijk haalbaar in de praktijk. 

  • het rolmodel, het gaat om de standpunten van de volksvertegenwoordiger en niet om hem zelf. Er zijn 2 opvattingen over die standpunten:


-het delegate model, volksvertegenwoordiger moet zijn standpunten laten leiden door het volk. 


-het trustee model, volksvertegenwoordiger moet zijn eigen afweging maken en zich machtig opstellen. 



  • het partijenmodel, de focus ligt niet op de vertegenwoordigers maar op de politieke partijen. De parlementsleden moeten zich houden aan de standpunten van de partij waar ze bij horen. 



Paragraaf 9.3


De paradigma’s over gezag:


Functionalisme paradigma:


Macht en gezag kunnen positief zijn voor de structuur van een samenleving. De samenleving is een geheel/systeem. Er zijn subsystemen zoals sociale instituties. Sociale cohesie kan versterkt worden doordat machthebbers gezag hebben.



Arend Lijphart heeft een theorie ontwikkeld over de Nederlandse democratie; de pacificatie democratie. Dit is tegenwoordig het poldermodel. 



Conflict-paradigma:


Er is meer aandacht voor macht dan gezag. De strijd tussen machthebbers en niet machtigen wordt goed bestudeerd. 




Ralph Dahrendorf wilde de verschillen tussen mensen niet negatief of positief beoordelen. Hij maakte op de volgende gronden verschil tussen mensen:



  • natuurlijke of sociale verschillen?

  • soort- rangverschil?


Dit leidt tot de volgende indeling:



  • natuurlijke soortverschillen, bijv geslacht, lengte en gewicht.

  • natuurlijke rangverschillen, verschillen in capaciteiten bijv loop- en gezichtsvermogen. 

  • sociale differentiatie, verschillen in positie rechten zoals gender en positie.

  • sociale stratificatie, verschil in taken en verantwoordelijkheden. 



Sociaalconstructuvisme-paradigma


Onderzoekt het denken en het handelen van mensen. Betekenissen die mensen aan macht en gezag geven zijn belangrijk. De manier waarop mensen naar de machtsverhoudingen kijken bepaald of er daadwerkelijk macht is.



Max Weber maakt onderscheid tussen 3 typen gezag:



  • traditioneel gezag, gezag wordt geaccepteerd op basis van religie of traditie bijv koningen of religieuze leiders die gezag hebben.

  • charismatisch gezag, gezag wordt geaccepteerd omdat mensen bijzondere eigenschappen hebben. 

  • rationeel-legaal gezag, gezag wordt geaccepteerd omdat er wetten zijn die die actoren de macht toekennen. 



Rationele-actor paradigma


Waarom kiezen mensen ervoor om anderen macht te geven, de macht van anderen te erkennen? 



Michael C Jensen en William H Meckling beschrijven de relatie tussen een een werkgever en werknemer en de moeilijkheden daarbij. De werknemer accepteert de macht van de werkgever tot op zekere hoogte. 



Paragraaf 9.4


Het liberalisme:


De verlichting is een belangrijke basis voor deze ideologie. Hierbij hoort het mensbeeld van vrije, rationeel denkende en handelende mensen. Ze wezen onderdrukking af en zijn voor de rechten van de mens. Gelijkheid is erg belangrijk maar moet niet tot het uiterste worden doorgevoerd. 



In de Nederlandse politiek zijn er 2 grote liberale partijen, de VVD en D66. VVD is een rechtse partij die een vrije markt benadrukt. D66 benadrukt meer individuele vrijheid van mensen, zoals privacy en gelijke rechten voor elk individu. 



Paragraaf 9.5


Verschillende verhoudingen in de samenleving van de 18e en 19e eeuw leidden tot revoluties waarbij de bevolking meer inspraak eiste. Er ontstond een oplossing waarbij vrijheid en gelijkheid belangrijke waarden zijn: de democratische rechtsstaat. Dit is een politieke institutie die hoort bij de maatschappelijke rationaliteit. 


Een democratische rechtsstaat bestaat uit 2 politieke instituties: democratie en rechtsstaat.



  • burgers in een democratie hebben de vrijheid om te stemmen en al die stemmen hebben dezelfde waarde.

  • burgers hebben rechten ten opzichte van de overheid.

  • mensen worden gelijk behandeld door de overheid. 



6 kenmerken rechtsstaat:



  1. gelijkheidsbeginsel; burgers zijn gelijk voor de wet en ook de overheid moet zich aan de wet houden.

  2. legaliteitsbeginsel; burgers zijn alleen strafbaar voor iets dat in de wet als strafbaar gesteld is. 

  3. onschuldpresumptie; burgers zijn onschuldig tenzij het tegendeel bewezen wordt.

  4. wetten worden democratisch goedgekeurd; wetten worden bepaald via volksvertegenwoordiger.

  5. er zijn grondrechten voor burgers om te zorgen dat een meerderheid de minderheid niet kan onderdrukken.

  6. macht moet verdeeld worden; het mag niet aan de hand van 1 actor zijn. 



6 kenmerken democratie:



  1. er is vrijheid van meningsuiting.

  2. er is vrijheid van vereniging.

  3. er is sprake van inclusief burgerschap; alle volwassenen hebben dezelfde rechten.

  4. er zijn regelmatig vrije en eerlijke verkiezingen.

  5. de gekozen vertegenwoordigers controleren de regering.

  6. burgers hebben meer manieren om informatie te verkrijgen om een mening te kunnen vormen.



Na de revoluties kregen burgers zeggenschap, maar dat wilde nog niet zeggen dat ze daadwerkelijk een democratie was. Een voorbeeld hiervan is het Nederlandse kiesrecht. 


19e eeuw - alleen mannen die belasting betalen.


1917 - alle mannen vanaf 23 jaar.


1919 - alle mannen en vrouwen vanaf 23 jaar.


1972 - alle mannen en vrouwen vanaf 18 jaar.



Democratisering verwijst naar het proces dat er meer rechten komen voor mensen die ze eerst nog niet hadden. In het proces van democratisering zijn er 3 soorten rechten te onderscheiden die in verschillende fases zijn ontstaan.



  • klassieke grondrechten; om burgers te beschermen ten opzichte van de staat.

  • politieke rechten; rechten voor de burgers om mee te mogen beslissen.

  • sociale rechten; rechten voor de burgers voor meer welvaart en welzijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.