Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 4 en 5.1/5.2

Beoordeling 9
Foto van la-chell
  • Samenvatting door la-chell
  • 4e klas havo | 1558 woorden
  • 19 maart 2021
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 9
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Maw Hoofdstuk 4,5,6 toetsweek 22-3-2021


§4.1 criminaliteit


Dit hoofdstuk gaat over onderzoek naar criminaliteit om te laten zien hoe een wetenschappelijk onderzoek gebeurt.


Wat is criminaliteit?


Criminaliteit is : gedrag dat door de overheid strafbaar is gesteld.Omdat elke overheid andere regels en wetten heeft, verschilt per land wat criminaliteit is. Criminaliteit is ook relatief: het verschilt per tijd en per samenleving.en is dus plaats-en tijdgebonden.


Een ander voorbeeld is: kauwgom op straat. In Nederland kan je er eigenlijk alleen op worden aangesproken, in Singapore krijg je meteen een flinke boete. Overal gelden andere normen en waarde dus criminaliteit  is daarmee plaats en tijdgebonden.


Criminologie


Criminologen zijn sociale wetenschappers die zich bezighouden met onderzoek naar gedrag van criminelen. In de criminologie bestaan verschillende visies over oorzaken van criminaliteit. Politici maken daar eigen keuzes uit. Sommige criminologen zijn bijvoorbeeld van mening dat er zwaardere gevangenisstraffen moeten komen, andere willen juist lichtere straffen en meer kijken naar de toekomst. 


Je hebt verschillende criminologische theorieën zoals:


Gelegenheidstheorie: 


Crimineel gedrag is een weloverwogen keuze, waarbij de voordelen hoger zijn dan de nadelen (ook wel rationele keuzetheorie genoemd)


Etiketteringstheorie:


Bijvoorbeeld: er zijn mensen die zich gediscrimineerd voelen en zich dan gaan gedragen naar het “etiket crimineel”dat hun opgeplakt wordt.


Bindingstheorie:


Dit betekent dat de aanhangers van de bindingstheorie beweren dat bindingen die mensen hebben in de maatschappij ertoe kunnen leiden dat crimineel gedrag voorkomen wordt. 


Structureel-deviantietheorie:


deze theorie veronderstelt dat de structuren in de samenleving zo zijn dat de machtigen, de rijken in het voordeel zijn. 


§4.2 concepten en vraagstukken



Bij het vak MAW wordt er gebruik gemaakt van hoofd en kernconcepten. Dit zijn de gereedschappen van MAW



  • Vorming : Socialisatie , acculturatie, cultuur, politieke socialisatie, ideologie, identiteit



  • Binding   : Sociale cohesie, sociale institutie, groepsvorming, cultuur, politieke institutie, representatie, representativiteit



  • Verandering :globalisering, staatsvorming, democratisering, institutionalisering, individualisering, rationalisering



  • Verhouding : conflict, samenwerking, gezag, macht, sociale ongelijkheid



Vorming: Het proces van verwering van een bepaalde identiteit


het vormings vraagstuk: de manier waarop mensen een identiteit ontwikkelen. Het proces begint bij baby’s en het gaat het hele leven door. Hierbij spelen socialisatie een belangrijke rol.


binding: de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat. 


het bindings vraagstuk: hoe mensen met elkaar verbonden zijn in een samenleving. Ze kunnen Affectief, cognitief, economisch en politiek van elkaar afhankelijk zijn.


verhouding: de manier waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en tot elkaar verhouden en de manier waarop samenlevingen in sociale zin vorm geven aan deze verschillen.


het verhoudingsvraagstuk: de manier waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en de wijze waarop de samenleving daarmee omgaat.


Verandering: De richting en het tempo van ontwikkelingen in de samenleving en de mogelijkheden en onmogelijkheden deze te beïnvloeden.


het veranderings vraagstuk: de vraag hoe een samenleving verandert, wat die veranderingen veroorzaakt of waardoor dat komt. Soms komen deze veranderingen voort door de natuur, soms komt het door een revolutie.


§4.3 Onderzoek doen



Er zijn verschillende manieren om onderzoek te doen


Kwantitatief onderzoek: Dit is een onderzoek waarbij het gaan om kwantiteit, hoeveelheid en daar horen dan cijfermatige resultaten bij.


Kwalitatief onderzoek: Bij dit onderzoek gaat het meer om de achterliggende beweegredenen. Dit onderzoek is diepgaander omdat men meer wilt weten over de motivaties en opvattingen.


Verschillende soorten vragen: Onderzoek kan verschillende soorten kennis opleveren. Niet alle kwantitatieve onderzoeksresultaten hebben dezelfde soort kennis en dat geldt ook voor de kwalitatieve onderzoeken. De vragen die onderzoekers stellen zijn dan ook verschillend.


Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende soort vragen:


Beschrijvende vragen:
Hierbij wil een onderzoeker meer weten over het maatschappelijk vraagstuk. Zijn vragen beginnen meestal direct met: Wanneer of Hoeveel. Het beschrijven van een vraagstuk is een belangrijk begin voor een onderzoek.


Verklarende vragen:
Een onderzoeker wil bij deze vraag verbanden tussen variabelen verklaren. Bij deze vraag hoor je vaak: Waarom en Waardoor. Oorzaak gevolg relaties zijn de wenselijke uitkomsten van zo’n onderzoek.


Evaluatieve vragen:
Deze vragen zijn er om een oordeel te kunnen geven over de bestaande situatie. Hiervoor is een evaluatief onderzoek en evaluatieve kennis nodig. Evaluatieve vragen worden achteraf het onderzoek gesteld om te beoordelen of een project of beleid succesvol is geweest.


Voorspellende en voorschrijvende vragen:
Deze 2 soorten vragen lopen in elkaar over. Een onderzoeker probeert soms de toekomst te voorspellen op basis van zijn onderzoek of het verleden. Dat is dan een voorspellende vraag. Door deze vraag kan er soms een advies naar de organisatie worden gegeven. Hier is dan een voorschrijvende vraag aan vooraf gegaan.


Methoden van onderzoek doen


Er zijn verschillende manieren om onderzoek te doen:



  • Met een enquette: je stelt hierbij open en/of gesloten vragen

  • Met een interview: Op deze manier kom je sneller bij de dieper liggende informatie

  • Met een observatie: Hierbij onderzoekt een onderzoeker het gedrag van mensen in de werkelijkheid 

  • Met een experiment: Kun je een situatie nabootsen. Er worden meestal 2 groepen tegenover elkaar gezet.



§4.4 Eisen aan onderzoek



Er zitten een paar eisen aan een goed onderzoek:



  • Betrouwbaarheid
    Een onderzoek is betrouwbaar als herhaling van het onderzoek dezelfde resultaten weergeeft.



  • Validiteit
    Het onderzoek moet gemeten worden met een helder omschreven standaarden die verantwoord kunnen worden op basis van eerder onderzoek.



  • Representativiteit
    Bij de representativiteit van een onderzoek moet er rekening worden gehouden met het feit dat het om elk persoon gaat. Als een onderzoek wordt gehouden over de veiligheid in Nederland, mag dat onderzoek niet alleen worden gehouden in de Randstad, maar dat moet in heel Nederland hetzelfde zijn.



  • Transparantie
    Wetenschappers moeten helder zijn over hun manier van onderzoeken.



Causaal model: een conceptueel model waarin alleen variabelen in staan die effect hebben op elkaar.


Soorten variabelen:


 er wordt onderscheidt gemaakt tussen enerzijds de variabele die invloed heeft op een andere variabele en anderzijds de variabele die wordt beïnvloed. De eerste noemen we onafhankelijke variabele en de tweede is afhankelijke variabele. 


in het conceptueel model staat de onafhankelijke variabele altijd links en de afhankelijke variabele altijd rechts.


de afhankelijke variabele wordt ook wel effect- of gevolg variabele genoemd.


de onafhankelijke variabele wordt ook wel oorzakelijke variabele genoemd.



 voorbeeld:


de hoeveelheid straatafval wordt beïnvloed door de hoeveelheid graffiti op de muren en daarin is de eerste variabele afhankelijk en de tweede onafhankelijk.


§5.1 genoeg eten?



Schaarste


In de prehistorie trokken jagers en verzamelaars van plek naar plek in groepen van rond de 30 mensen. Zij moesten steeds verhuizen doordat het eten op een bepaalde plek op was. Er was hier sprake van schaarste: Niet genoeg. Ze konden niet onbeperkt hun behoefte volgen. Ze moesten hard werken om te overleven. Tegenwoordig is er in de westerse cultuur bijna geen sprake meer van schaarste. 


§5.2 Samenwerking en conflict


Samenwerking:


Het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.


voorbeeld:


Voor jagers en verzamelaars was eten vinden een enorme klus. Het kostte zo’n 5 uur per dag. Het was makkelijker om samen te werken. Er is dan een gemeenschappelijk doel. Mensen maken dan afspraken om zo’n doel te bereiken. Het doel van de jagers en verzamelaars was bijvoorbeeld samen een hert of een bizon slachten.


Of


de verschillende politieke partijen die in ons land samen de macht hebben. Ze werken samen aan 1 doel: Nederland verbeteren.


Naast informele afspraken kan samenwerken ook formeel zijn. Meestal worden de afspraken dan ondertekend in een contract. Er moet dan wel een onderling vertrouwen zijn, wat weer goed is voor de sociale cohesie.


Conflict


Een situatie waarin individuen, groepen en of staten elkaar tegenwerken om de eigen doelen te bereiken.


bijvoorbeeld:


In de tijd van jagers en verzamelaars gingen groepen elkaar tegen het lijf om te zorgen dat ze meer voedsel hadden. Dit kwam door de schaarste. Bij samenwerking proberen groepen samen een doel te bereiken, maar tijdens een conflict probeert een groep een doel te bereken ten kosten van de andere groep


Collectieve en private goederen:


Mensen werken niet alleen samen om hun eigen doel te bereiken, maar ook om hun ideaal te realiseren. Dit is het geval als het over algemeen belang of een collectief goed gaat. Voorbeelden zijn: Schoon drinkwater, volksgezondheid en infrastructuur. Mensen betalen via belasting. Ze krijgen er geen winst door, maar profiteren er wel van.


Tegenover collectieve goederen vind je private goederen:


 Dat zijn goederen waar mensen voor moeten betalen. Zoals: de sportschool, vakantie en je auto. Als je er niet voor betaald, krijg je het ook niet.


Dilemma van de collectieve actie:


Als mensen samenwerken om een collectief goed te realiseren, heet dat een collectieve actie. Iedereen betaald voor wegen, maar sommige iets meer dan andere. Toch kunnen die andere wel op dezelfde wegen rijden.


Mensen kunnen er ook bewust voor kiezen om niet bij te dragen aan een collectieve actie. Bijvoorbeeld bij een schoolopdracht. Als 1 van de 4 leerlingen niks doet, haalt hij waarschijnlijk wel een voldoende. Maar als hij andersom als enige wat zou doen, is de kans klein dat ze een goed cijfer halen. Dit is het dilemma van de collectieve actie, ook wel het prisoners dilemma. Actoren die wel profiteren, maar er zelf niks voor doen, worden free riders  genoemd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.