Politieke Besluitvorming

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 15859 woorden
  • 22 mei 2015
  • 9 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
9 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1 

1.1 Het begrip politiek

Zelfs binnen de politicologie bestaat geen definitie van politiek. Een aantal mogelijk betekenissen van politiek: 

  • Beslissingen van de regering, het overheidsbeleid om een probleem op te lossen. (Bijv. drugspolitiek) 

  • Staatsinrichting, alle regels voor de manier waarop een land bestuurd wordt. 

  • Handelswijze of strategie om een doel te bereiken.  

  • Behendig, sluw. (Politiek spelletje) 

    Wij beschrijven politiek als: “het proces van omzetting van verlangens, wensen en eisen vanuit de samenleving in bindende besluiten,” ofwel het proces van politieke besluitvorming.  

    Politieke besluitvorming is gericht op het oplossen van maatschappelijke problemen. Veel problemen zijn verdelingsvraagstukken, waarbij het gaat om de verdeling van materiële dingen. We definiëren een politiek probleem als “een situatie die mensen ongewenst vinden en die ze (mede) door middel van overheidsingrijpen veranderd willen zien”. De inhoud van maatschappelijke kwesties verandert door de tijd heen, mede door de verandering van opvatting.  

    Problemen die aandacht krijgen van burgers en van maatschappelijke groeperingen vormden de publieke agenda. Door media-aandacht of omdat belangenverenigingen aandringen bij politici komen deze publieke problemen op de politieke agenda.  

    De Amerikaanse politicoloog Easton omschreef politiek als “de gezaghebbende toedeling van waardevolle materiële en immateriële zaken voor een samenleving”. Bij toedeling van zaken draait het om de vragen: wie krijgt wat, waar, wanneer en in welke vorm? 

    Bij materiële zaken staat de verdeling van schaarse middelen centraal, zoals geld en bijv. Gezondheidszorgen. Bij immateriële zaken gaat het om de toedeling van waarden. Bijvoorbeeld van vrijheid en gelijkwaardigheid. ‘Gezaghebbende toedeling’ zegt iets over het proces van politiek, hoe besluitvorming tot stand komt. Politieke besluiten kunnen alleen tot stand komen wanneer er voldoende steun is of te weinig verzet. De steun kan op een democratische en legitieme manier ontstaan, of door geweld/vervolgingen/martelingen.  

    Met de beschrijving van Easton komen we tot de volgende definitie: “politiek is het besluitvormingsproces over de vraag hoe schaarse middelen verdeeld moeten worden, waarbij de manier van besluiten nemen en de inhoud ervan ‘gezag moeten hebben’ en daarmee steun krijgen van een meerderheid van de bevolking."  

    1.2 

    Mensen hebben heel verschillende ideeën en belangen. Het is een taak van de overheid om deze af te wegen, keuzes te maken en beleid te formuleren. Overheidsbeleid is “het kiezen van een bepaalde oplossing voor een maatschappelijk probleem en het inzetten van (financiële) middelen om het beoogde politieke doel op een vastgesteld moment te bereiken”.  

    Bij politieke vraagstukken/problemen gaat het altijd om kwesties die voor meer mensen van belang zijn en die zij zelf niet kunnen oplossen. Het gaat om collectieve belangen en collectieve goederen. Collectieve goederen zijn goederen waar de meeste mensen belang bij hebben omdat ze er gebruik van maken of kunnen maken. Collectieve belangen hoeven niet door de overheid behartigd te worden, zij kunnen ook door particuliere organisaties behartigd worden.  Bij een particulier bedrijf is er een rechtstreeks verband tussen gebruik en kosten, wanneer de overheid het behartigt betaalt iedereen evenveel.  

    Solidariteit vormt de basis voor dit voorzieningen. In ruil voor de diensten die de overheid levert, aanvaarden de burgers een beperking van hun financiële vrijheid. Op immaterieel gebied geldt hetzelfde. De burgers aanvaarden vrijwillig een bepaalde mate van dwang.  

    De kerntaken van de overheid:  

  • Het garanderen van de openbare orde en veiligheid, zoals het zorgen voor voldoende agenten, rechters, celruimte. 

  • Het onderhouden van goede buitenlandse betrekkingen. (Binnen de EU en NAVO, ook met landen als bijv. China) 

  • Het scheppen van werkgelegenheid, sociale zekerheid, goede arbeidsomstandigheden, infrastructuur en een voorspoedig economisch klimaat. 

  • Het zorgen voor welzijn, onderwijs, volksgezondheid, kunst en andere goederen op sociaal-cultureel gebied. 

    Welke collectieve belangen door de overheid behartigd worden veranderd met de samenleving. In de negentiende eeuw zorgde de overheid voor verdediging van de landsgrenzen en de openbare orde. In de twintigste eeuw breidden deze taken zich uit, zoals de financiering van overheid. Na de tweede wereldoorlog stelde de overheid zich steeds meer verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Zij ging zich onder andere bezighouden met sociale uitkeringen, betaalbare huisvesting en de toegankelijkheid van kunst & en cultuur. Er ontwikkelde zich een verzorgingsstaat. Door een aantal maatschappelijke en economische ontwikkelen groeide het besef dat de overheid meer moest terugtreden. Later werd duidelijk dat aan deze liberalisering en privatisering ook nadelen kleefden.  

    Hoofdstuk 2 

    2.1

    Sinds de oprichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1588 kunnen we spreken van een Nederlandse staat. Een staat wil zeggen dat: 

  • De overheid over soevereine macht beschikt 

  • Er sprake is van een bevolking, waarover geregeerd wordt 

  • Het grondgebied internationaal erkend is 

  • De overheid beschikt over het geweldsmonopolie 

    Soevereiniteit betekent de hoogte macht en geeft de overheid het recht het land zelf te besturen, zonder inmenging van andere landen. Macht is het vermogen om je wil aan andere op te leggen, eventueel tegen hun zin. Om dat vermogen te hebben moet je beschikken over machtsbronnen, zoals wetten, bevoegdheden, morele steun, kennis, geld, charisma en de mogelijkheid om geweld te gebruiken.  

    Macht is niet hetzelfde als gezag. Het begrip gezag wordt meestal gebruikt voor situaties waarin mensen de zeggenschap van anderen als legitiem accepteren. Vaak is gezag ook wettelijk vastgelegd. 

    In een dictatuur is de macht in handen van één persoon of een kleine groep mensen. De oppositie is verbannen of monddood gemaakt, zodat er geen controle van de politieke macht kan plaatsvinden. Doordat de burgers in een democratie hun beslissingsrecht aan politieke bestuurders overdragen, beschikken deze bestuurders over veel politieke macht. Politieke macht: het vermogen hebben om direct invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten. Een belangrijke voorwaarde voor een democratie is dat niet één persoon of instantie alle macht heeft. Om machtsmisbruik te voorkomen zijn in Nederland een aantal waarborgen gecreëerd.  

    2.2 

    De meeste Europese landen hebben een ontwikkeling doorgemaakt van rechtsstaat naar een democratische rechtstaat. Nu zien we in de hele wereld een ontwikkeling naar een democratische rechtstaat. Er rechtsstaat definiëren we als een staat waarin de rechten en plichten van zowel de inwoners als van de overheid zijn vastgelegd zodat burgers beschermd worden tegen machtsmisbruik door de overheid. De burgerrechten beperken de mogelijkheden van de staat om in te grijpen in het bestaan van burgers. Anderzijds schept het bezit van die rechten vrijheden, beperkingen en verantwoordelijkheden voor burgers met betrekking tot het maatschappelijk verkeer. 

    Democratische rechtstaat heeft de volgende kenmerken: 

  • Grondrechten worden geëerbiedigd.  
    De belangrijkste rechten (klassiek en sociaal) van de burgers zijn opgenomen in de grondwet. Klassieke grondrechten zijn rechten die de vrijheid en gelijkheid van burgers moeten garanderen. Sociale grondrechten zijn in ons land ontwikkeld om de zwakkeren in de samenleving te ondersteunen. Sociale grondrechten hebben betrekking op de verplichting van de overheid om te zorgen voor voldoende werkgelegenheid, sociale zekerheid etc. Het verschil in klassieke en sociale grondrechten zit in de mate waarin de overheid verplicht is de rechten te waarborgen.  

     

  • Er is sprake van een grondwettelijke scheiding van de politieke macht. 

    Trias politica: 

  • De wetgevende macht stelt wetten vast waar burgers zich aan moeten houden. In Nederland is de wetgevende macht in handen van regering (staatshoofd en ministers) en het parlement (1e + 2e kamer) samen. Zij hebben beide recht om wetsvoorstellen in te dienen. Meestal dienen ministers een nieuwe wet in, het parlement beslist vervolgens of het daadwerkelijk een wet wordt. 

  • De uitvoerende macht zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook worden uitgevoerd. Hiervoor zijn in Nederland de ministers verantwoordelijk. Zij geven richtlijnen aan ambtenaren of speciale instanties. Het parlement controleert of de uitvoerende macht haar werk goed doet. Gaat er iets niet goed, dan kan de verantwoordelijke minister ter verantwoordelijkheid geroepen worden. 

  • De rechterlijke macht beoordeelt of wetten goed worden nageleefd. Dit doen de onafhankelijke rechters.  
     

    De scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht is in ons land niet strikt doorgevoerd. Ministers hebben zowel wetgevende als uitvoerende macht. Achterliggend idee bij trias politica is dat de drie machten elkaar controleren en in balans houden (checks and balances). In Nederland kan de rechterlijke macht de wetgevende macht niet controleren. Wel kunnen zij nieuwe wetten toetsen aan internationale verdragen (niet aan de grondwet!) 
     

  • Het legaliteitsbeginsel; het bestuur van het land en alle bevoegdheden van personen en instellingen zijn vastgelegd in de grondwet. 
    Legaliteitsbeginsel betekent dat je pas voor iets gestraft kan worden als het voor de wet strafbaar is. Ook kan geen enkele bestuurlijke bevoegdheid bestaan zonder grondwettelijke grondslag. Hoe ons land wordt bestuurd is nauwkeurig vastgelegd in wetten.  

  • De mogelijkheden voor burgers om politiek te participeren zijn wettelijk vastgelegd. 
    Gebruikmakend van de politieke grondrechten als het petitierecht, kiesrecht, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging/meningsuiting, vrijheid van vergadering en recht op betoging kan iedere Nederlander zijn wensen kenbaar maken en het systeem beïnvloeden. 

  • Er is openbaarheid van bestuur.  

    WOB om het bestuur te kunnen controleren. Bestuurders kunnen gedwongen worden hun stukken openbaar te maken. 

     2.3 

    Nederland is een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De belangrijkste taken van de koning(in): 

  • Plaatsen van handtekening onder alle wetten 

  • Het voorlezen van de Troonrede op prinsjesdag 

  • Het benoemen van ministers en (in)formateurs bij de vorming van een nieuw kabinet 

  • Het regelmatig voeren van overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid. 

    Onze koning(in) maakt deel uit van de regering, maar is belangrijk voor zijn ceremoniële functie. Het staatshoofd is onschendbaar. Het koningshuis is vooral een bindende factor in een samenleving met uiteenlopende groepen mensen.  

    Kenmerken van onze parlementaire democratie zijn: 

  • Het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement dat door vrije en geheime verkiezingen wordt gekozen. We noemen dit een indirecte of representatiedemocratie. 

  • Alle burgers zijn gelijkwaardig voor de wet en hebben gelijke invloed op de samenstelling van het parlement. 

  • < > zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordiging. 

    De macht van de overheid wordt gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen, die uiterlijk iedere 4 jaar plaatsvinden. 

  • Het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging. 

  • Besluitvorming door regering en parlement vindt plaats bij meerderheid van stemmen. 

  • Het parlement is geen ‘dictatuur van de meerderheid’ maar houdt rekening met rechten en belangen van minderheden. 

  • Er is sprake van een tweekamerstelsel, waarbij het politieke primaat bij de direct gekozen 2e kamer ligt. De 1e kamer vervult de rol van laatste controle en wordt daarom ook wel kamer van reflectie genoemd. 

    2.4 Visies over politieke macht 

    Normatieve beschrijving: beoordelende, opvattingen door elkaar. 

    Descriptieve beschrijvingen: beschrijvende. 

  • Klassieke democratietheorie: de inwoners van een land kiezen mensen die vervolgens hun wil uitvoeren. Primaat ligt bij het volk. Dit is vrijwel onmogelijk, omdat mensen zich niet (intens genoeg) met politiek bezighouden. 

  • Representatiemodel: de bevolking legt haar primaat in handen van gekozen politieke vertegenwoordigers, die eenmaal gekozen, zelf politieke besluiten nemen.   

  • Pluralistisch democratiemodel: dit model erkent de diversiteit in de samenleving en gaat uit van de gedachte dat er verschillende groepen burgers zijn en gaat uit van de gedachte dat er verschillende groepen burgers zijn, niet alleen via verkiezingen, maar ook via maatschappelijke organisaties. 

  • Elitetheorie: volgens deze theorie is politieke macht altijd ongelijk verdeeld. Er is altijd sprake van een machtselite, die sleutelposities inneemt. De macht van de regering/parlement is daar nauwelijks tegen opgewassen.     

    Hoofdstuk 3: 

    3.1

    Nederlandse kiezers bemoeien zich niet elke dag met het bestuur van het land, ze geven het mandaat aan beroepspolitici met de opdracht om maatschappelijke kwesties te regelen.  

    In 1848 kreeg het Nederlandse volk blijvend kiesrecht. In eerste instantie alleen voor mannen die belasting betaalden; het censuskiesrecht. Het kiesrecht werd geleidelijk uitgebreid. In 1917 algemeen kiesrecht voor mannen, in 1919 algemeen kiesrecht voor vrouwen. Tegenwoordig hebben alle Nederlandse burgers van boven de 18 jaar en ouder actief en passief kiesrecht. Ook zien de verkiezingen geheim.  

    Er zijn 4 niveaus van besluitvorming: 

  • Europees niveau 

  • Landelijk niveau (het Rijk) 

  • Provinciaal niveau 

  • < > 

    Mensen die door een rechterlijke uitspraak zijn ontzet van het kiesrecht. 

  • Mensen die door de rechter onbekwaam zijn verklaard om rechtshandelingen te verrichten. 

    Verder wil de overheid voorkomen dat mensen zich als grap verkiesbaar stellen. Daarom moet een partij voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  • De partij moet ingeschreven staan in elk kiesdistrict waarin zij wil pogen stemmen te krijgen. (Nederland bestaat uit 19 kiesdistricten) 

  • De partij moet in elk kiesdistrict 25 handtekeningen van sympathisanten inleveren. 

  • De partij moet per kiesdistrict een waarborgsom van 450 euro betalen. De partij krijgt dit terug wanneer er 75% van de stemmen is behaald die nodig zijn om één zetel te behalen. 

    Nederland kent een evenredig kiesstelsel. Alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Bij de berekening gaat men uit van de zogenaamde kiesdeler, de hoeveelheid stemmen die je nodig hebben voor een zetel. Het voordeel is dat iedere stem telt. Het nadeel is dat er veel kleine partijen zijn. Daarom hebben sommige landen een kiesdrempel; een partij moet een minimumpercentage stemmen halen. 

    In een districtenstelsel wordt het land verdeeld in een aantal gebieden. De kandidaat die in een bepaald gebied de meeste stemmen haalt, wordt afgevaardigd naar het landelijk bestuur. Een variant van het districtenstelsel is het meerderheidsstelsel, zoals in Frankrijk. Hierbij moet de kandidaat in een district de absolute meerderheid behalen. Als er na een eerste verkiezingsronde geen meerderheid is, volgt een tweede verkiezingsronde tussen de twee kandidaten met de meeste stemmen uit de eerste ronde.  

    Voordeel: kiezers leren de kandidaten beter kennen. Of dit in de praktijk ook zo is ligt aan de grote van het district. In een districtenstelsel vertegenwoordigen de gekozen politici de belangen van hun district. Ze zijn generalisten; zij weten van alles wat en zijn geen specialisten. In het stelsel van evenredig kiesstelsel zijn er fractiespecialisten.  
    Nadeel: de partij die in totaal de meeste stemmen haalt, kan toch de minste zetels krijgen. 

    Tot aan het begin van de twintigste eeuw had Nederland een meerderheidsstelsel. Toen namen de bezwaren tegen het meerderheidsstelsel terug. In 1917 werd het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. In Nederland stemt men eigenlijk nog op één persoon. Daarom kan je lid blijven van de Tweede Kamer als je uit een partij stapt. Veel mensen stemmen automatisch op de lijsttrekker.  

     

Districten- en meerderheidsstelsel                              Stelsel evenredige vertegenwoordiging 

Nauwe relatie kiezer en gekozenen, gekozene komt op voor belangen burgers district 

Grotere afstand kiezer en gekozene; gekozene komt op voor algemeen belang 

Grotere kans op meerderheid van één partij in parlement, snelle regeringsvorming 

Zetels naar rato, kleine kans op meerderheid één partij, trage regeringsvorming. 

Kleine partijen hebben weinig kans en gaan samen of verdwijnen. 

Iedere stem weegt, ook kleine partijen komen in het parlement.  

 3.2 

Parlementaire democratie is een vorm van representatie. Idealiter resulteert representatie in een hoge mate van representativiteit. Ostrogorski-paradox: een rekenmodel waarmee we de spanning tussen kiezers en politici kunnen maken en waarom in een democratie wat de overheid doet niet overeenkomt met de wensen van de kiezers. Verklaring: 

  • Mensen stemmen op partijen maar zijn het (bijna) nooit met alle standpunten van een partij eens. 

  • Er zijn niet-stemmers, die het ook oneens kunnen zijn met de regering. 

  • De grootste groep kiezers zijn mensen met een modaal inkomen en een goede opleiding. Politici richten zich op deze groep. Veel mensen aan de onderkant van de samenleving stemmen daarom niet/op protestpartijen.  

  • In een democratie als de onze moeten altijd compromissen gesloten worden, omdat geen partij ooit een absolute meerderheid haalt en er een coalitie gevormd moet worden. 

    Dit gebrek aan representativiteit kan versterkt worden doordat het politiek ondoorzichtig/onbegrijpelijk wordt voor de matig in politiek geïnteresseerde mensen.  

    3.3  

    In landen waar het politiek primaat bij het parlement ligt, hebben de staatshoofden meestal een ceremoniële/bindende functie. In de VS is de president niet alleen het staatshoofd, maar vervult deze ook de functie van minister-president. In het presidentiële stelsel is er een striktere scheiding der machten. De president wordt door het volk gekozen en stelt vervolgens zijn eigen team van ministers samen, die alleen verantwoording schuldig zijn aan de president (niet aan parlement!) Het congres bestaat uit het Huis van Afgevaardigden en de Senaat. Hierin proberen de niet-regeringspartijen het de president zo moeilijk mogelijk te maken. Anders dan in Nederland kan de president dus niet automatisch op de meerderheid van het Congres rekenen.  

    Het Congres kan een impeachment-procedure starten, om een president/minister uit zijn ambt te ontzetten. De Senaat stemt na afloop van een proces.  

    Om de macht van de president te beperken heeft hij geen ontbindingsrecht, het recht om het Congres te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te roepen. Hij moet zijn plannen altijd ter goedkeuring aan het Congres voorleggen. Wel heeft de president het recht om door het Congres aangenomen wetten met een veto tijdelijk te blokkeren. Ook is de president in de VS opperbevelhebber van het leger. 

    3.4 

    In verkiezingsperiode zijn er vaker uitzendingen van politieke partijen. Op de avond voor de verkiezingen wordt er een groot lijsttrekkersdebat gehouden, waarbij vaak veel (loze) beloftes worden gedaan. Hierbij richten de politici zich vooral op de zwevende kiezers gericht. Doordat er in Nederland altijd een coalitie én regeerakkoord wordt gevormd, stemt een regeringspartij soms voor iets waar zij eigenlijk tegen is.  

    In Nederland moet een regering kunnen rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer, omdat de Tweede Kamer over wetsvoorstellen wordt gestemd. Wanneer er geen meerderheid is, is er een grote kans dat wetsvoorstellen niet worden aangenomen en het land niet bestuurd kan worden. In districtenstelsels is er vaak één partij die de meerderheid van het parlement heeft. In de VS kan de president afkomstig zijn uit een andere partij dan degene die in het Congres de meerderheid heeft.  

    In de eerste fase van het vormen van een coalitie heeft het staatshoofd een grote rol. Na de bekendmaking van de Tweede Kamer gaan de vice-president van de Raad van State, de voorzitters van de 1e en 2e kamer en de fractievoorzitters op bezoek bij het staatshoofd. Zij geven advies over de vraag welke combinatie van partijen volgens hen de beste regering kan vormen. Meestal wordt hiernaar een informateur benoemd, iemand die uitzoekt welke partijen gezamenlijk een beleid kunnen voeren dat op voldoende steun kan rekenen in de Tweede Kamer. 

    De partijen die een regering willen vormen maken afspraken, die worden vastgelegd in het regeerakkoord. Daarin staan voor elk ministerie de hoofdlijnen van het beleid. Meestal is het regeerakkoord een compromis. De politieke partijen die de regering in het parlement steunen, moeten het regeerakkoord onderschrijven. Zij beloven hiermee dat zij niet dwars zullen liggen bij beleidsvoornemens waar zij het niet eens mee eens zijn, maar die in het regeerakkoord zijn vastgelegd.  

    De precieze plannen worden elk jaar aangekondigd in de troonrede(hoofdlijnen van het te voeren beleid) en miljoenennota (welke voornemens op welk beleid en hoeveel geld daarvoor).  

    Als de informateur de partijen bij elkaar heeft gebracht benoemt het staatshoofd daarna een formateur, die daadwerkelijk het kabinet gaat vormen. In de regel gaat deze taak naar de nieuwe minister-president (die vaak door de grootste partij wordt geleverd).  Andere coalitiepartijen leveren vaak vice-premier. Hij verdeelt de ministeries en kiest de ministers- en staatssecretarisposten. Bij die verdeling wordt gekeken naar het aantal zetels, voorkeuren van partijen en zwaarte van functies. 

    Wat kan er mis gaan? 

  • Een minister kan (vrijwillig) ontslag aanvragen bij de koning(in). Deze hoeft het verzoek niet in te willigen, maar doet dit doorgaans wel. Er wordt een nieuwe minister aangewezen. 

  • Hele kabinet biedt zijn ontslag aan. Dit gebeurt als ministers/partijen een onoplosbaar conflict hebben of als de 2e kamer het vertrouwen in het kabinet opgeeft. Tijdens zo’n kabinetscrisis zijn er twee mogelijkheden:  

  • Er wordt een nieuwe (in)formateur benoemd. 

  • Er worden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Het oude kabinet wordt een demissionair kabinet, zonder missie, alleen voor de dagelijkse gang van zaken. Deze beslissing wordt genomen door het staatshoofd in overleg met vice-president van de Raad van Staten, de voorzitters van de 1e en 2e kamer en alle fractievoorzitters.  

    Welke keuze wordt gemaakt, hangt van de oorzaak van de kabinetscrisis. (Wanneer een partij van regeerakkoord af wil, gaat men vaak voor optie één.) 

    Hoofdstuk 4 

    Koninkrijk der Nederlanden: NL, Aruba en de Antillen. 

    Binnen de Nederlandse staat kennen we drie bestuurslagen: 

  • De rijksoverheid (landelijk niveau) 

  • Lagere overheid (provinciaal niveau) 

  • Lagere overheid (gemeentelijk niveau) 

    Onderlinge verhoudingen zijn vastgelegd in grondwet. Lagere overheden hebben een beperkte zelfstandigheid (moeten besluiten van hogere overheid uitvoeren) en dit maakt Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat.  

    4.1 

    Regering; dagelijks bestuur van Nederland, gevormd door staatshoofd + ministers. Beleidsvoornemens worden besproken in de ministerraad. Voor bepaalde onderdelen van het takenpakket van een minister zijn soms staatssecretarissen aangesteld.  

    Nederland is een constitutionele monarchie; de positie van de koning(in) is vastgelegd in de grondwet (constitutie). De ministers moeten verantwoording afleggen aan het parlement over het beleid van de regering. Het staatshoofd is onschendbaar. Ministers zijn verantwoordelijk voor wat het staatshoofd (+ alle leden Koninklijk huis) zegt/doet.  

    Ministers en staatssecretarissen hebben meestal een eigen ministerie. Uitzondering is de minister van ontwikkelingszaken, die valt onder Buitenlandse zaken. Hij wordt ook wel minister zonder portefeuille genoemd, hij heeft geen begroting. Programmaministers (bijvoorbeeld minister van Wonen, Werken en Integratie) hebben ook geen eigen ministerie.  

    De regering heeft drie hoofdtaken: medewetgeving, voorbereiding van overheidsbeleid en uitvoering van overheidsbeleid. 

    Takenpakket: 

  • De ministers besluiten over dagelijkse zaken.  

  • Ministers nemen besluiten over meer uitzonderlijke zaken die zonder wetgeving en zonder goedkeuring van het parlement kunnen worden genomen. 

  • Ministers dienen wetsvoorstellen in. 

  • Ministers nemen Algemene Maatregelen van Bestuur, om eerder genomen raamwetten aan te vullen. Een AMvB heeft geen parlementaire goedkeuring nodig, maar wordt bij Koninklijk Besluit geregeld. 

  • De regering maakt jaarlijks haar beleidsplannen bekend. Elke jaarlijkse begroting heeft de vorm van een wetsvoorstel. Tweede Kamerleden kunnen tijdens algemene beschouwingen wetsvoorstellen indienen, waarover gestemd wordt. 

    4.2 

    De Staten-Generaal: Tweede Kamer en Eerste Kamer. 

    Tweede Kamer: 150 rechtstreeks gekozen leden. Twee hoofdtaken: 

  • De medewetgevende taak (wetsvoorstellen indienen) 

  • Controlerende taak (van de regering) 

    Om haar taak als medewetgever te vervullen heeft de Tweede Kamer een aantal rechten: 

  • Het stemmen over wetsvoorstellen 

  • Het recht van amendement (wijzigen van deel van wetsvoorstel) 

  • Recht van initiatief (zelf wetsvoorstellen indienen) 

  • Budgetrecht (jaarlijkse begroting aan te nemen/verwerpen) 
    Kamer kan invloed uitoefenen op regeringsbeleid: beleidsbepalende taak. 

    Bij controleerde taak laat de Tweede Kamer erop of zij het eens is met de beleidsdoelen. Ook gekeken of deze doelen effectief/efficiënt zijn.  
    Rechten bij controlerende taak: 

  • Het vragenrecht (stellen van vragen aan bewindslieden) 

  • Recht van interpellatie (het ter verantwoording roepen van bewindspersonen over het (voorgenomen) regeringsbeleid).Voor een interpellatie (doorbreking vastgestelde agenda Kamer) of spoeddebat is steun van min. 30 Kamerleden nodig) 

  • Recht van motie (schriftelijk uitspraak te doen over het beleid van een minister. Motie van afkeuring gaat om beleid, motie van wantrouwen om de minister zelf) 

  • Recht van enquête, zelfstandig onderzoek instellen wanneer zij naar haar mening niet voldoende informatie krijgt.) 

    Informele middelen: 

  • Lobbyen (door gesprekken proberen belangrijke beslissingen te beïnvloeden) bij ministers 

  • Overleg plegen met ambtenaren en pressiegroepen 

  • Massamedia gebruiken 

    De Eerste Kamer (senaat) telt 75 leden. De Senaat moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen/normen van behoorlijke wetgeving. De Senaat heeft geen recht van amendement/recht van initiatief. Wel recht om schriftelijk vragen te stellen/parlementaire enquête te houden. De hoofdtaak is het controleren of een wetsvoorstel inhoudelijk in overeenstemming is met eerdere wetgeving/de grondwet. Het primaat ligt bij de Tweede Kamer. Tweede Kamer is rechtstreeks gekozen, daarom weegt het oordeel van de 2e kamer zwaarder. 

    4.3 

    De rijksoverheid stelt de grote lijnen van het beleid vast, de lagere overheden kunnen dit zelf detailleren. Dit heet het subsidiariteitsbeginsel. De gedachte hierachter is dat de lagere overheden: 

  • Beter op de hoogte zijn van de regionale en lokale situatie en beter kunnen beoordelen wat nodig is. 

  • Dichter bij de burger staan en makkelijker kunnen worden aangesproken. 

    De belangrijkste taken van provincie: ruimtelijke ordening en milieu. Bij het opstellen van streekplannen moet de provincie rekening houden met rijksbeleid. Eenmaal per 4 jaar vinden er provinciale verkiezingen plaats. De gekozen vertegenwoordigers vormen de Provinciale Staten, aantal leden afhankelijk van grote provincie. Uit de Provinciale Staten komt een coalitie: de Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur. Geen mogelijkheid tot vervroegde verkiezingen.  

    De voorzitter van zowel de Gedeputeerde Staten als Provinciale Staten is de Commissaris van de Koningin. Hij/zij wordt benoemd.  

    In de gemeente is het gemeentebestuur verantwoordelijk voor het openbare leven. Naast uitvoerende taken (bevolkingsregister, politie etc.) zijn meer beleidstaken gedecentraliseerd, als onderwijsbeleid en opvang van asielzoekers. Het bestuur van de gemeente wordt gevormd door de gemeenteraad. Raadsleden worden iedere 4 jaar rechtstreeks gekozen. Het dagelijkse bestuur van de gemeente is het College van Burgemeester en Wethouders, de B&W. Burgemeester wordt voor zes jaar benoemd. Uiteindelijk beslist de minister van Binnenlandse zaken. 

    4.4 

    Trias politica: 

  • Het parlement stelt de wetten vast 

  • De regering voert de wetten uit 

  • Het parlement controleert de uitvoering door de regering. 

    Dit is een dualistisch stelsel, een regeringsstelsel waarbij er sprake is van een duidelijke scheidding tussen regering en volksvertegenwoordiging. In de VS wordt dit toegepast. (Congres biedt weerstand tegen gekozen president) 

    Monisme: een regeringsstelsel waarbij de regering steunt op een meerderheid in de volksvertegenwoordiging en daarmee min of meer een eenheid vormt. Dit wordt in Groot-Brittannië toegepast. Er is hierbij geen spanningsveld. 

    In Nederland is er formeel gesproken sprake van een dualistisch stelsel; ministers kunnen geen Kamerlid zijn en de volksvertegenwoordiging heeft grondwettelijke rechten om haar controlerende taak vorm te geven. Maar in praktijk stellen de coalitiefracties in de Tweede Kamer zich minder onafhankelijk op.  

  • De mogelijkheid om tijdens een kabinetsperiode zelfstandig standpunten in te nemen, wordt voor coalitiefracties in de Tweede Kamer beperkt door een regeerakkoord. Kritiek op wetsvoorstellen wordt aan de oppositie overgelaten, die in de minderheid is. 

  • Coalitiefracties steunen het kabinet ook vaak uit angst dat een kritische houding tegen partijgenoten in het kabinet de partij geheel schade zal berokkenen. De houding om steeds met de hele fractie de partij te steunen wordt fractie- of partijdiscipline genoemd. 

  • In veel gevallen hebben bewindslieden een sterke persoonlijke band met Tweede Kamerleden. Verder is het gebruikelijk dat coalitiepartijen bewindsliedenoverleg houden. In zon overleg wordt de besluitvorming over kwesties als het ware beslist. 

  • ‘Torentjesoverleg’. Veel afspraken werden gemaakt tussen de premier, de vice-premier(s), de voorzitters van coalitiefracties en de Tweede Kamer, in het kantoor van de premier. Dit was tot 2002.  

    Op het gebrek aan dualisme bestond in 2002 veel kritiek. Het afschaffen van het overleg in het Torentje betekent niet dat er nu geen overleg zou plaatsvinden op andere plekken. Samen met het bewindsliedenoverleg wordt dit de Nederlands achterkamertjespolitiek genoemd.  

     Hoofdstuk 5: Politieke besluitvorming. 
     
    Maatschappelijke problemen vragen om politieke oplossingen. Maar zo eenvoudig is dat niet. Allereerst moet bekend zijn wat als probleem wordt ervaren. Wat heeft politieke prioriteit. Als een probleem op de politieke agenda staat, zegt dat niets over hoe het probleem moet worden opgelost. Politieke opvattingen kunnen sterk uiteenlopen. Niet alleen politieke partijen spreken een rol, ook burgers, pressiegroepen en ambtenaren hebben ideeën. Uiteindelijk moeten de oplossingen leiden tot beleidsmaatregelen zoals wetten. Het politieke proces van besluitvorming eindigt pas als we in feedback kunnen constateren dat het probleem is opgelost.  

    Je kunt het proces van politieke besluitvorming weergeven als een systeem met enkele fasen die meestal worden doorlopen. Een politiek systeem is het geheel van betrekkingen waardoor opvattingen, verlangens en eisen van individuen, groepen en instellingen in bindende beslissingen worden omgezet.  

     

     

     

     

    In de invoerfase dragen burgers, pressiegroepen en massamedia een maatschappelijk probleem aan. Als het in de publieke discussie een grote rol gaat spelen, moeten de politieke partijen en politici hun standpunt bepalen. Aan het einde van de fase verschijnt een probleem op de politieke agenda.  
    Tijdens de omzettingsfase informeren politieke bestuurders zich en gaan ze op zoek naar oplossingen, die ze vervolgens bediscussiëren met de gekozen politici. Dit moet in principe leiden tot beleidsmaatregelen die de meerderheid van de volksvertegenwoordigers goedkeurt.  
    Gedurende de uitvoerfase zorgen met name de ambtenaren ervoor dat genomen besluiten worden gerealiseerd.  
    Door terugkoppeling (feedback) wordt gekeken of de genomen maatregelen wel het gewenste effect hebben. Zo niet, dan zorgt de onvrede voor een nieuwe invoerfase.  

    Voordat in ons land een wet tot stand komt, is er heel wat aan voorafgegaan. 
     

  • Er ontstaan maatschappelijke problemen. Vaak spelen omgevingsfactoren een rol, zoals verslechterde internationale economie.  

  • De problemen worden gesignaleerd, erkend en omgezet in politieke eisen.  

  • Er worden ideeën geopperd die leiden tot politieke stellingname van politieke partijen. 

  • Het onderwerp kan besproken worden in de ministerraad, commissievergadering, de Tweede Kamer en door ambtenaren. 

  • Na formulering van voorgestelde plannen wordt door voor- en tegenstanders commentaar geleverd en eventueel het voorstel gewijzigd. 

  • De verantwoordelijke minister of staatssecretaris dient het wetsvoorstel in de Tweede Kamer.  Als het in de eerste en tweede kamer goedgekeurd wordt, wordt het gepubliceerd in het Staatsblad en verwerft het de status van wet.  

  • Daarna moet een minister de wet gaan uitvoeren, handhaven en uitvoerende ambtenaren worden aan het werk gezet.  

    Wetsvoorstellen kunnen in ons land worden ingediend door de regering en door leden van de Tweede Kamer. Dit is echter zoveel werk, dat leden van de Tweede Kamer dit nauwelijks doen. Ministers worden daarom bijgestaan door tal van deskundige ambtenaren.  

    Politieke besluitvorming is in werkelijkheid gecompliceerder dan het schema dat je hiervoor zag. Dat komt door een aantal factoren. 

  • Omgevingsfactoren die de reikwijdte van de politieke mogelijkheden bepalen. In een crisis zijn er minder (financiële) mogelijkheden om een probleem op te lossen.  

  • Het politieke systeem heeft maar een beperkte capaciteit om alle politieke eisen en wensen te realiseren. Welke kwesties prioriteit krijgen heeft te maken met de vraag wie in de samenleving over voldoende macht en invloed beschikt om de politieke agenda te beïnvloeden. 

  • Er zijn tal van politieke actoren die invloed uitoefenen op de besluitvorming. Openbaar bestuur (ministers, gemeentebestuur, etc) zijn dat burgers, belangen- en pressiegroepen, politieke partijen, volksvertegenwoordiging, media, adviesorganen, planbureau, ambtenaren en rechterlijke mach. Door gevraagd en ongevraagd advies, lobbyen en andere informele machtsmiddelen hebben al deze actoren op politici. Groepen die zich goed organiseren, zijn daarbij in het voordeel.  

    Om politieke besluitvorming beter te kunnen analyseren zijn er twee modellen ontwikkeld; het systeemmodel en het barrièremodel.  

    5.2 Omgevingsfactoren 
    Politiek heeft onder mee te maken met omgevingsfactoren. In het systeemmodel onderscheiden we interne omgevingsfactoren (Nederlandse cultuur of economie) en externe omgevingsfactoren (wereldrecessie, oorlog, europeanisering). Dit soort factoren kunnen zijn: 
     

    Interne factoren 

  • Economische factoren: economische ordening en economische conjunctuur beïnvloeden de eisen die op de politiek afkomen, de invoer, als de mogelijkheden om aan die wensen te voldoen, de uitvoer. Men verwacht veel van de overheid, maar de mogelijkheden hiertoe zijn deels economisch bepaald.  

  • Culturele factoren. Tradities en gewoonten die in ons land de wensen en eisen binnen de samenleving sterk bepalen en ook de politieke speelruimte bepalen. De Nederlandse traditie om coalities te vormen behoort tot de politieke cultuur. Normen en waarden komen we tegen bij kwesties als euthanasie.  

  • Geografische factoren. Omdat de Nederlandse economie deels is gebaseerd op de logistieke doorvoerfunctie krijgen megaprojecten als de uitbreiding van Schiphol voorrang. Dit veroorzaakt tegelijkertijd milieu- en drugsproblemen. 

  • Technologische factoren. De grootste technologische ontwikkeling van deze tijd is de digitalisering van informatie. Hierdoor zijn de communicatie en het transport van gegevens vereenvoudigd. Voorbeeld: telebankieren.  

  • Sociale omstandigheden. Door de grote omvang van de economische middenklassen is er in ons land speciale aandacht voor deze groep, maar ook voor de groep mensen die onder de armoedegrens leeft. Bij het socialezekerheidsstelsel zoekt de overheid naar een balans tussen inbreng van de overheid en eigen verantwoordelijkheid. 

  • Demografische factoren. Door de samenstelling van de bevolkingsopbouw was het aantal jongeren sinds eind jaren zestig erg groot. 

    Externe factoren 
    Nederland is voor zijn economie grotendeels afhankelijk van internationale relaties.  

  • Internationale organisaties. Nederland is lid van verschillende organisaties, zoals NAVO. Deze allianties scheppen verplichtingen, zoals de Nederlandse bijdrage aan de oorlogen in Irak en Afghanistan.  

  • Internationale verdragen. Nederland heeft haar handtekening gezet onder verdragen als de Europese Verklaring van de Rechten van De Mens. Door het tekenen van deze verdragen is Nederland bijvoorbeeld verplicht de CO2-uitstoot te verminderen. 

  • Internationale ontwikkelingen. Tot slot zijn er ook ontwikkelingen waar Nederland geen invloed op hebt, zoals klimaatverandering.  

    5.3 Het systeemmodel van Easton. 
     
    Invoer. Om het politieke systeem te voeden komt er van verschillende kanten input in de vorm van eisen of wensen om nieuw beleid te formuleren. Tot deze input behoren ook ideeën om het politieke systeem zelf te veranderen. Input wordt ook gevormd door de mate van steun voor het huidige beleid. Actieve steun: stemmen, lid te worden van een partij, etc. Passieve steun: de besluiten accepteren en opvolgen en de politici binnen de democratie de vrijheid geven om besluiten te nemen en problemen op te lossen. Easton benadrukt dat het grootste deel van de politieke wensen niet wordt omgezet in politieke eisen. Het wordt pas een politieke eis als opinieleiders, actiegroepen en politieke partijen hetzelfde gaan vinden, zodat er iets in beweging komt. Dit komt ook door de prioriteitstelling. In het proces om politieke agenda te krijgen spelen zogenaamde poortwachters een cruciale rol.  
     
    Poortwachters zijn volgens Easton, burgers, belangengroepen, politieke partijen, massamedia en soms ook individuele politici die zijn wensen en eisen op de publieke en politieke agenda te plaatsen. In dictaturen wordt de toevoer van eisen naar de politieke instellingen door de politieke instellingen zelf gecontroleerd en beheerst; media staan onder controle en censuur, vrije vakbonden en oppositiepartijen zijn vaak verboden.  

    Omzetting. In deze fase spelen de formele politieke instellingen, zoals de Tweede Kamer, regering en gemeenteraden en belangrijke rol. De omzetting van wensen in en eisen in overheidsbeleid, ook conversie genoemd, zijn het werk van beroepspolitici en ambtenaren.  Beleid kunnen we omschreven als het doelgericht handelen in een bepaald maatschappelijk probleem op basis van (liefst wetenschappelijke) kennis of onderzoek. Daardoor krijg je het meest effectieve en efficiënte beleid. Deze fase verloopt in subfasen: 
     
    Tijdens de politieke agendavorming krijgen beleidsmakers de bereidheid om een probleem uit de samenleving aan te pakken. De criteria zijn dat: 
     

  • De maatschappelijke kwestie door een groot aantal mensen/groepen als ongewenst wordt ervaren; 

  • De negatief beoordeelde kwestie vaak voorkomt en/of hevige emoties oproept; 

  • De problematiek als oplosbaar wordt beschouwd; 

  • De poortwachters het probleem hebben erkend als een belangrijk probleem; 

  • Er voldoende ruimte is op de politieke agenda en er prioriteit gegeven kan worden naar het zoeken naar oplossingen. 
     

  • Tijdens de beleidsvoorbereidingen analyseren beleidsmakers de oorzaken en inventariseren de mogelijke oplossingen. Wat zijn precies de oorzaken en wat is hun wisselwerking? In deze fase hebben pressiegroepen en adviesorganen de gelegenheid om, gevraagd of ongevraagd, hun visie te geven. Ook worden ambtenaren aan het werk gezet om beleidsnota’s en wetsvoorstellen te formuleren die voldoende draagvlak hebben in het parlement.  
     

  • De beleidsbepaling, het laatste onderdeel van de omzetting fase, omdat de goedkeuring door de volksvertegenwoordiging van de wetsvoorstellen. De politieke partijen moeten dan afwegen of zij het er in voldoende mate mee eens zijn, of zijn geen conflict krijgen met hun coalitiepartners, maar ook of zij zich wel kunnen verantwoorden aan hun kiezers.  Na eventuele amendementen, volgt de eigenlijke besluitvorming; de stemmingen in de volksvertegenwoordiging. 

    Uitvoer. De uitvoer omdat alle activiteiten die te maken hebben met de uitvoering van regels en wetten, waardoor de bevolking en de overheid handelingen moeten plegen. De uitvoering van beleidsbeslissingen is meestal in handen van ambtenaren. Zij zorgen voor de realisering van genomen besluiten. Dat gebeurt altijd onder eindverantwoordelijkheid van een minister of staatssecretaris.  

    Terugkoppeling of feedback is de mogelijkheid van het politieke systeem om te leren van het verleden en besluiten aan te passen aan de reacties van de bevolking. Het gaat om:

  • De wijze waarop de bevolking reageert op besluiten; 

  • De manier en de mate waarin poortwachters die reacties weer ‘doorlaten’. 

    Beleidsvorming is in de tijd gezien een doorgaand proces, waarin een wet nooit een definitief eindpunt is. Er vindt een voortdurende terugkoppeling plaats tussen de wetgeving en de toepassing ervan in de samenleving.  

    5.4 Kanttekeningen bij het systeemmodel 

    David Easton veroverde de wereld met zijn systeemmodel. Steeds vaker werd politiek opgevat als een systeem van politieke besluitvorming. Ook in Nederland had hij veel invloed. Op het systeemmodel van Easton is vanuit verschillende invalshoeken kritiek geuit: 

  • Allereerst is het model niet een schematische weergave van de werkelijkheid, maar een sterk vereenvoudigde weergave van een theorie over de werkelijkheid. In werkelijkheid begint het besluitvormingsproces lang niet altijd bij de invoerfase. De publieke discussie kan ook ontstaan door een maatregel van de regering en Tweede Kamer.  

  • Het model laat onvoldoende de invloed zien van politieke machtsverhoudingen, botsende belangen en botsende ideeën. Politici en politieke partijen zijn niet alleen bezig met het oplossen van problemen, maar kijken ook steeds naar het belang van hun eigen partij of naar hun eigen positie. Zo wordt soms vanuit partijpolitieke overwegingen de objectief beste oplossing soms niet gekozen, ook uit angst voor afrekening bij de volgende verkiezingen.  

  • Ook is er kritiek op de eenzijdige nadruk die het analysemodel legt op het politieke proces: wie draagt wat aan? Wat gebeurt er dan mee? Daardoor dreigt de aandacht voor de inhoudelijke discussie van politieke besluiten naar de achtergrond verdwijnen. Met de nadruk op oplossingen raakt de inhoudelijke discussie op de achtergrond.  

    5.5 Barrièremodel. 

    Naast het systeemmodel kun je het proces van politieke besluitvorming ook analyseren aan de hand van het barrièremodel. Het barrièremodel vertegenwoordigt een visie die in de jaren zestig en zeventig veel invloed kreeg. Kenmerkend voor het barrièremodel is het idee dat politiek vooral bepaald wordt door conflicten en hindernissen. Conflicten tussen groepen met verschillende wensen en idealen; hindernissen in de zin van barrières die de totstandkoming van gewenste wetgeving bemoeilijken. Er zijn vier hindernissen: 

     

  • Een samenloop van omgevingsfactoren waaruit wensen en eisen kunnen voortkomen. Deze fase wordt gekenmerkt door het herkennen en erkennen van problemen, wensen en behoeften in de samenleving. De meest betrokkenen in deze fase zijn particulieren, pressiegroepen, massamedia en politieke partijen. Als deze politieke actoren een kwestie niet belangrijk vinden, wordt het niet als een maatschappelijk probleem (h)erkend. 

  • De volgende fase is het vergelijken en afwegen van de behoeften, wensen en problemen in de politiek. De kwestie wordt in de betrokken politieke organen besproken. Door sterke tegenstellingen in de samenleving zijn sommige maatschappelijke kwesties niet bediscussieerbaar en verzanden voorstellen die daarmee te maken hebben.  

  • Nu moeten er besluiten volgen. Het formuleren van geschikte maatregelen is een tijdrovende klus. Ambtenaren moeten formuleringen vinden die door ene meerderheid van de volksvertegenwoordigers wordt ondersteund. Het gevaar bestaat dat sommige wetteksten zo vaag of afgezwakt zijn dat politici hun ideeën niet meer terugvinden.  

  • De laatste barrière kan ontstaan bij de uitvoering van regels en wetten. Als de nieuwe wetgeving onduidelijk is geformuleerd, of als de bevolking de wet onaanvaardbaar vindt, ontstaat er een probleem. Het enige redmiddel lijkt dan een strenger vervolgingsbeleid of een gedoogbeleid. Problemen bij de uitvoering leiden vaak tot zogenoemde reparatiewetgeving of een nieuwe cyclus. Het barrièremodel geeft dus aan waar in het politieke besluitvormingsproces problemen kunnen ontstaan.  

     

    Hoofdstuk 6: Politieke actoren 

    Politieke besluitvorming is geen eenvoudige zaak. Voordat een minister een wetsvoorstel voorlegt aan de Tweede kamer, moet eerst een grondige analyse worden gemaakt. Vervolgens wordt gezocht naar de meest efficiënte en effectieve manier om het probleem aan te pakken. Bovendien mag de wet niet botsen met andere wetgeving. Nadat de wet is aangenomen is de minister ook verantwoordelijk voor de uitvoering. 

    Als je alleen kijkt naar de rijksoverheid dan werken er ongeveer 160.000 ambtenaren op de ministeries en in zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). Een zbo werkt op het niveau van de centrale overheid, maar is niet ondergeschikt aan een minister. Ze houden zich zowel bezig met beleidsvoorbereiding als -uitvoering. Beleidsvoorbereidende ambtenaren hebben soms een sterke positie. Ze beschikken over veel meer specifieke kennis en ervaring op het betreffende vakgebied dan bijvoorbeeld een minister. Veel hoge ambtenaren kunnen daardoor grote invloed uitoefenen. Omdat ambtenaren zoveel invloed hebben, worden zij ook wel de vierde macht genoemd. Sinds de groei van het aantal overheidstaken is de hoeveelheid ambtenaren toegenomen, ook door de groei van de verzorgingsstaat. De regelingen zijn vaak zo ingewikkeld geworden dat het vaak enkele jaren duurt voordat een wetsvoorstel haar definitieve vorm krijgt.  

    De ambtenaren vormen samen de overheidsbureaucratie, een hiërarchisch geordend apparaat waarbinnen ambtenaren volgens vaste regels en procedures besluiten voorbereiden en uitvoeren onder verantwoordelijkheid van de politieke ambtsdrager.  Zo staat aan heet hoofd van elk ministerie een secretaris-generaal. Hij vervult onder andere de rol van sluiswachter voor alle belangrijke ideeën en nota’s de vanuit het ambtelijk apparaat richting minister of staatssecretaris gaan. Hij heeft vrije toegang tot de minister en is altijd bij de belangrijke besprekingen aanwezig, behalve bij de ministerraad. Op deelterreinen van een ministerie fungeren de directeuren-generaal op hun beurt weer sluiswachter voor SG. De minister zet de grote lijn uit, maar de DG bepaalt de details.  
    In onze overheidsorganisaties worden de functies vervuld door deskundigen en berust de machtsuitoefening op nauwkeurige afspraken en regels. Een daarvan is dat ambtenaren loyaal zijn aan hun minister, ongeacht de politieke kleur.  

    Ambtenaren krijgen nog wel eens de schuld van de verkokering van de beleidsgebieden. Daarmee wordt bedoeld dat elk departement zijn eigen beleid voert en er te weinig wordt samengewerkt met andere ministeries, zodat coördinatie en eenheid ontbreekt. Ook wordt het ambtenaren verweten dat ze bij fouten traag reageren, maar de gekozen bestuurders blijven verantwoordelijk voor de fouten die binnen de overheidsbureaucratie gemaakt worden.   

    Leden van het kabinet kunnen ook een beroep doen op adviesorganen. Het inschakelen van adviesorganen is een manier om in het proces van politieke besluitvorming een zo breed mogelijk draagvlak voor besluiten te krijgen bij allerlei maatschappelijke organisaties, zelfs nog voor het openbare debat in een volksvergadering plaatsvindt. Soms is er aan de hand van rapporten en adviezen al zo veelvuldig vooroverleg tussen bewindslieden, topambtenaren en Kamerleden geweest at het feitelijke Kamerdebat niet meer is dan een afronding. Je ziet dat alleen de fractiespecialisten discussiëren met de vakminister. De andere Kamerleden zijn op hun eigen terrein waar een het vooroverleggen.  

    De belangrijkste adviesorganen: 

  • De Raad van State is het hoogste rechtscollege in Nederland en wordt officieel voorgezeten door het staatshoofd, maar in praktijk fungeert de vice-voorzitter meestal als voorzitter. De leden zijn benoemd door de regering. Dit adviesorgaan geeft advies over alle wetsvoorstellen, voorstellen tot Algemene Maatregelen van Bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen. Kritische kantreken van deze raad leiden vaak tot aanpassingen. Daarnaast heeft deze raad een belangrijke functie in administratieve rechtspraak: de raad oordeelt in conflicten tussen bestuursorganen of tussen een burger en een overheidsinstantie, de zogenaamde AROB-procedures (administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen) 

  • De Sociaal-Economische Raad adviseert de regering over belangrijke maatregelen op sociaal en economische gebied. Er zijn 33 leden, een derde daarvan zijn vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties, een derde daarvan vertegenwoordigd de werknemersorganisaties, een derde de werkgeversorganisaties en een derde wordt gevormd door onafhankelijke deskundigen (kroonleden), door de regering benoemd. De SER kan (on)gevraagd advies geven en de adviezen hebben het meeste invloed als zij unaniem zijn. Tegenwoordig lijkt de SER, dankzij het poldermodel, weer vaker tot eensluidende advisering te komen. 

  • De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft onder meer taak om wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken en beleidsalternatieven aan te geven. De adviezen betreffen verschillende beleidsterreinen. De leden worden benoemd tot de regering.  

  • Adviesraden voor specifieke beleidsterreinen, zoals de Onderwijsraad, waarin deskundigen op het gebied van onderwijs en wetenschap (on)gevraagd advies geven aan de regering of het kabinet. Het College voor Zorgverzekeringen is een zelfstandig bestuursorgaan op het terrein van de sociale ziektekostenverzekeringen; de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het CVZ heeft een positie tussen politieke partijen en uitvoerende partijen (zorgverzekeraars en –aanbieders).  

  • Planbureaus; wetenschappelijke instellingen die op basis van feitenmateriaal en studies proberen aan te geven wat de gevolgen zullen zijn van beleidsvoornemens, voor de regering en tweede kamers. Centraal planbureau houdt zich vooral bezig met studies naar en voorspellingen van sociaal-economische ontwikkelingen, het Sociaal en Cultureel Planbureau doet voornamelijk onderzoek op sociaal-cultureel gebied.  

  • De laatste jaren worden steeds vaker externe deskundigen gevraagd, omdat de minister bij controversiële kwesties voorkomen dat er een tunnelvisie ontstaat, of omdat er een gebrek aan deskundige mankracht is op een ministerie. Nadelen: de advieskosten zijn er hoog en er bestaat het gevaar van ongewenste politieke beïnvloeding. 

    6.2.  
    Ondanks dat we een volksvertegenwoordiging hebben, willen mensen soms directer invloed hebben op de politiek. Dan worden er contacten met politici gelegd of worden er maatregelen als demonstraties, protestacties en petities ondernomen, of het inschakelen van de media. Sinds 1 mei 2006 is daar het burgerinitiatief bijgekomen; een uitgewerkt voortel met concrete plannen om een kwestie op te lossen. Als dit initiatief voldoende medestanders heeft, dan moet de Tweede Kamer het voorstel op de agenda zetten en een standpunt innemen.  Dit kan ingediend worden door iedere Nederlandse burger boven de achttien jaar, vergezeld met minimaal 40.000 handtekeningen en het doel en de oplossing moeten duidelijk genoemd worden. Andere criteria zijn: 

  • Het voorstel moet nieuw zijn; de laatste twee jaar is het onderwerp niet in de Tweede Kamer aan de orde geweest. 

  • Het voorstel gaat over een onderwerp waarover de Tweede Kamer beslist, dus over een kwestie die de rijksoverheid en niet een andere overheid aangaat en géén privé-kwestie is. 

  • Het voorstel mag niet indruisen tegen in ons land diep gewortelde normen en waarden. Het voorstel gaat niet over de grondwet, de belastingen of de begrotingswetten. 

    De Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven behandelt deze initiatieven. Als aan alle voorwaarden is voldaan, wordt de Kamer voorgesteld het in behandeling te nemen, en hoe (vergadering, indiener uitnodigen etc.) Uiteindelijk worden er standpunten ingenomen en gestemd. Als meer mensen zich betrokken voelt bij een politieke kwestie, dan ontstaan er vaak belangen- en actiegroepen. Gezamenlijk worden zijn pressiegroepen genoemd, groepen die trachten invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. Deze groepen concentreren zich niet op de hele samenleving, zijn dus geen politieke partijen. Je kunt ze op de volgende manier indelen: 

  • Hebben ze een korte of een langere levensduur? Actiegroepen zetten zich meestal maar voor korte tijd in, actieorganisaties stoppen niet na één actie, maar richten zich weer op een andere actie.  

  • Behoren ze wel of niet tot de gevestigde orde of zijn ze daar juist tegen? Wanneer ze tegen de gevestigde orde zijn, is de kans op overleg tussen de groep en de overheid klein. 

  • Zijn ze goed georganiseerd en geïnstitutionaliseerd? De meeste belangenverenigingen en actieorganisaties zijn goed georganiseerd.  

    Door de toegenomen deskundigheid en betere organisatie zijn de mogelijkheden om de politieke besluitvorming te beïnvloeden gegroeid. Zo kunnen ze lobbyen bij politici, demonstraties organiseren, publiciteitscampagnes opzetten, contact zoeken met geestverwanten in bestuurlijke organisaties/adviesorganen, wetenschappelijke bureaus inschakelen om hun standpunten te onderbouwen, overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid. De invloed hangt verder af van omgevingsfactoren en situaties (bijv. Net na een kernramp). Duidelijk is dat de pressiegroepen meer kans op succes hebben als: 

  • De eensgezindheid of cohesie van de groep groot is, omdat hun argumenten dan sterken lijken.  

  • De macht van de groep groot is, macht die zij ontlenen aan omvang, positie, deskundigheid en financiële middelen.  

    Burgerlijke ongehoorzaamheid: burgers overtreden bewust de wet om een maatschappelijk vraagstuk aan de orde te stellen. Deze vorm van actievoeren komt voort uit de jaren ’60 en ’70 uit de vorige eeuw. Burgerlijke ongehoorzaamheid geeft vooral minderheden de kans zich te verzetten tegen besluitvorming. Het gaat vaak over existentiële belangrijke vraagstukken. Andere kenmerken: 

  • Het doel is gericht op algemeen belang 

  • De actie vindt plaats in alle openbaarheid 

  • Geen geweld 

  • Dit middel wordt gekozen wanneer legale manieren tekort schieten.  

    6.3 

    Een politieke partij probeert, op basis van een samenhangend geheel van ideeën, mensen te mobiliseren om zich te bemoeien met de inrichting en het bestuur van de samenleving als geheel.  Het verschil tussen deze partijen en actiegroepen/belangengroepen is dat een politieke partij afwegingen maakt tussen verschillende belangen. Alle politieke partijen hebben belangrijke functies voor het proces van politieke procesvorming: 

  • De articulatiefunctie. Politieke partijen zetten wensen en eisen op de politieke agenda en zijn dan de poortwachters. De achterban van een partij legt zich vrij snel neer bij de selectie van prioriteiten. 

  • De communicatieve functie: Politieke partijen vormen een soort schakel tussen overheid en burger en tussen kiezer en gekozenen, doordat ze een standpunt innemen en daardoor ook de kiezers informeren over het overheidsbeleid. 

  • Aggregatiefunctie. Het samenbrengen van ideeën en standpunten tot één partijprogramma noemen we de integratiefunctie. Dit is belangrijk voor duidelijke stellingname.  

  • Participatiefunctie. Partijen proberen burgers over te halen politiek passief of actief lid te worden van hun partij. De rekruterings- en selectiefunctie. Politieke partijen dragen voor functies in de politiek kandidaten voor. Zonder politieke partij is het voor iemand veel moeilijker om gekozen te worden. De een partijorganisatie doen aankomende politici ervaring op. 

    Politieke partijen waren vroeger grote organisaties. Door de ontzuiling zijn ze kleiner geworden. Door de stabiele maatschappelijke situatie is de noodzaak om op te komen voor je belangen en dus lid te worden van een politieke partij kleiner geworden.  Een aantal functies zijn minder krachtig geworden. Zo worden de articulatie- en communicatiefunctie steeds meer door massamedia, pressie- en belangengroepen vervuld. Door de grotere toegankelijkheid van informatie is de rol van politieke partijen op het terrein van politieke socialisatie afgenomen en wordt ook de participatiefunctie minder belangrijk.  

    6.4 

    Massamedia oefenen op verschillende manieren invloed uit op de politieke besluitvorming. In het systeemmodel staan massamedia: 

  • Bij de invoerfase als aandrager van politieke eisen en wensen; 

  • Bij de omzetting, omdat politieke en informatieve programma’s berichten over de voortgang van allerlei politieke kwesties in commissies, overleggen en debatten; 

  • Bij de uitvoerfase in rol als controleur en het geven van feedback, waardoor een probleem opnieuw op de politieke agenda kan komen te staan.  

    De politieke functies van massamedia: 

  • < > < > < > 

    Controle- of waakhondfunctie. 

  • Commentaar- en opiniefunctie. 

    De bovenstaande functies kunnen zowel in een democratie als in een dictatuur worden vervuld, met als grootste verschil dat er in een democratie sprake is van persvrijheid en pluriformiteit van de massamedia (media vanuit verschillende politieke en religieuze achtergronden). In een democratie kunnen bij het vervullen van de functies ook kanttekeningen worden geplaatst, bijvoorbeeld dat de groeiende invloed van televisie op politiek, zoals dat in het vragenuurtje steeds meer vragen gaan over de uitlatingen van ministers op televisie.  

    Hoofdstuk 7: Knelpunten en oplossingen. 

    Een democratie kan alleen goed functioneren als burgers belangstelling hebben voor de politiek en wanner de politiek het vertrouwen van de burgers heeft. Ook nu is er kritiek op de politiek en groeit de kloof tussen burgers en politiek. Typerend voor de Nederlandse politieke cultuur is de bereidheid tot samenwerking en compromissen, het poldermodel. In de Nederlandse geschiedenis keerde steeds na korte periodes van polarisatie de politieke cultuur van harmonie en overleg terug. We definiëren politieke cultuur als het geheel van opvattingen, normen, waarden, houdingen en verwachtingen in de samenlevingen over politiek. Verschillende opvattingen: 

  • De inhoud van het overheidsbeleid. De vragen over welke taken de overheid moet vervullen en welke oplossingen voor maatschappelijke problemen de overheid moet aandragen. Deze vragen zijn verbonden met de ideologische achtergronden van partijen.  

  • Het politieke proces. Denk aan verhoudingen tussen burgers en politici, de politieke betrokkenheid, de mate van vertrouwen in de politiek en de acceptatie van politieke beslissingen. Voor de tijd van verzuiling waren burgers bijv. meer gezagsgetrouw. 

  • De wijze waarop politieke actoren hun rol vervullen. Kenmerkend voor Nederland is het parlementaire stelsel waarbij de partijen bereid zijn tot compromissen. Deze traditie van overleg is ook kenmerkend voor de manier waarop politieke actoren het politieke proces proberen te beïnvloeden.  

  • De politieke beleving bij burgers. Denk aan binding van burgers met politieke partijen en de bereidheid tot politieke participatie.  

    De politieke cultuur is aan tijd onderhevig. Hier een overzicht van de Nederlandse geschiedenis: 

  • De Nederlandse samenleving werd voor een groot deel van de twintigste eeuw gekenmerkt door verzuiling. De partijpolitieke voorkeur van mensen liep tot halverwege de jaren zestig langs de lijnen van de maatschappelijke zuilen. Het gezag van politici en de machtselite stond niet ter discussie. Dit is een consensuspolitiek, gekenmerkt door een grote mate van compromisgerichtheid en van politieke elites. 

  • Met de ontzuiling in de jaren ’60 werden burgers door het hogere opleidingsniveau en groeiend individualisme, mondiger en zelfbewuster. Zij kwamen ook zelfstandig op voor hun (deel)belangen. In de jaren ’60 zien we ook de opkomst een democratiseringsbeweging in politieke partijen, op universiteiten en in mindere mate in bedrijven. Hierbij werd het gezag van de leiders op alle fronten ter discussie gesteld. Demografische ontwikkelen waren het kleiner worden van gezinnen, de komst van een sterke emancipatiebeweging, voor vrouwen maar ook voor homoseksuelen. Al deze culturele ontwikkelingen samen beïnvloeden de politieke cultuur; de consensuspolitiek maakte plaats voor polarisatie, waarbij de politieke verschillen tussen de partijen werd aangescherpt.  

  • Begin jaren ’80 stond er een hernieuwde politieke wil tot samenwerking. Dit kwam onder meer door het verslechteren van de economie, dat weer zorgde voor een veranderde visie op de rol van de overheid en de verzorgingsstaat. Er werd bezuinigd op collectieve voorzieningen, het marktdenken kwam weer centraal te staan om de welvaartstaat te garanderen. De overheid trad terug en decentraliseert. Een nieuwe periode van harmonie en overleg; het poldermodel, gebaseerd op een intensief overleg tussen de sociale partners, de werkgevers, werknemers en de overheid met als doel belangrijke sociaal-economische kwesties op te lossen. Hier kwam ook een paars kabinet uit voort.  

  • In deze eeuw kwam er weer kritiek op de compromisgerichte politieke cultuur, de ‘oude politiek’. De politiek zou te weinig oog hebben voor de problemen van burgers, zoals de matig functionerende multiculturele samenleving, de negatieve kanten van de toenemende marktwerking en de verregaande europeanisering. Deze kritiek leidde tot een polarisatie van opvattingen; partijen voor en partijen tegen de ‘nieuwe politiek’. De partijen tegen deze politiek, het politieke establishment, was door de ontideologisering steeds meer op elkaar gaan lijken.  

    7.2 

    Ieder systeem heeft beperkingen, die nodig zijn om bijvoorbeeld de rechten van minderheden te waarborgen. In Nederland kiezen we kandidaten die ons vertegenwoordigen in onder meer de gemeenteraad en de Tweede Kamer. De regering kiezen we niet. In een directe democratie kunnen burgers direct stemmen over belangrijke besluiten en hebben veel directe invloed. Ook in presidentiële stelsels hebben de kiezers meer invloed op het beleid omdat ze de president kiezen die vervolgens zijn/haar kabinet vormt. In onze parlementaire democratie stemmen burgers niet over wetsvoorstellen en kiezen we de minister-president niet. We kiezen de Tweede Kamer en hebben geen invloed op de vorming van het kabinet. De minister-president komt meestal uit de grootste partij, maar het is mogelijk dat de grootste partij geen deel uitmaakt van het kabinet. Ministers worden benoemd en zijn vaak bij het grote publiek onbekend.  

    Niet alleen ministers, maar ook de Kamerleden uit coalitiepartijen moeten zich houden aan het regeerakkoord. Daardoor kunnen zij veel moeilijker een onafhankelijke keuze maken. Als Kamerleden uit de regerende partijen tegen een voorstel uit het regeerakkoord stemmen, dan riskeren ze een kabinetscrisis. Als dat gebeurd voelt de ene coalitiepartij zich verraden door de andere. Het regeerakkoord vertroebelt de rolverdeling tussen parlement en regering. Hij gedetailleerder het regeerakkoord, hoe moeilijker voor Kamerleden om nog hun eigen rol te spelen. Het dualisme wordt aangetast. Daarom vinden veel mensen dat in het regeerakkoord alleen de hoofdlijnen moeten staan.  

    Om problemen en ideeën vanuit het hele land te horen en binding te houden met alle provincies binding te houden, is het belangrijk dat er volksvertegenwoordigers uit alle delen en lagen van het land in het parlement zitten. Toch blijkt het grootste deel hoogopgeleide mensen uit de Randstad te zijn en dat partijen hun kandidaten vooral binnen een klein kringetje rond Den Haag zoeken. Binnen politieke partijen zien we dat vooral de mensen die zich goed kunnen manifesteren carrière maken. Zij vormen het partijkader waaruit de kandidatenlijsten worden samengesteld. Ook de politieke cultuur en de manier van debatteren houden veel mensen buiten de politieke arena, door het moeilijke taalgebruik van de politici. Het is moeilijk om invloed te hebben op politiek als je deze taal, cultuur en gewoontes niet kent. Ook is voor onervaren politici het vaak moeilijk om goed te functioneren. De toegang tot de politiek is voor nieuwelingen dus moeilijker. 

    In de machtsverhouding tussen regering en parlement dreigt het parlement vaak aan het kortste eind te trekken, vanwege het regeerakkoord. Daarnaast is het verschil in informatie tussen regering en parlementariërs groot. Een minister heeft een ambtenarenapparaat, een Kamerlid maar één of twee medewerkers. In kleine partijen moeten zij zich bovendien op veel punten concentreren. Dat maakt het voor Kamerleden moeilijker de regering te controleren.  

    Nederland is voor zaken als milieuvervuiling afhankelijk van andere landen, daarom is Nederland internationale samenwerkingsverbanden aangegaan. Zo is Nederland een lidstaat van zowel de Europese Unie als de Verenigde Naties en heeft Nederland zich aangesloten bij vele internationale organisaties en verdragen, bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, ontwikkelingssamenwerking en internationale veiligheid. Door deze samenwerking staat Nederland een deel van haar autonomie af, vooral aan de Europese Unie. Daar worden er soms besluiten genomen waar Nederland het niet mee eens is.  

    In een democratie als de onze zullen altijd compromissen gesloten worden. Partijen halen geen absolute meerderheid en moeten daarom een coalitie vormen, waardoor verschillende verkiezingsbeloftes niet zullen worden uitgevoerd. Het lijkt soms op handelen: “Als jullie fractie ons steunt, steunen wij jullie wetsvoorstel”, hoewel dit soms tegen verkiezingsbeloftes ingaat. Dit leidt tot een gevoel van niet-representativiteit bij kiezers. 

    Het begrip (overheids)bureaucratie wordt dor veel mensen geassocieerd met een log werkend ambtenarenapparaat, waar het vooral gaat om regeltjes, maar niet om oplossingen. Ook is er bij fouten niemand aanspreekbaar. Dit is gedeeltelijk waar. De knelpunten van overheidsbureaucratie: 

     

  • Er is te veel regelgeving op steeds meer terreinen. 

  • Er wordt ondoelmatig gewerkt. 

  • Besluitvorming is vaak ondoorzichtig. 

  • Procedures zijn vaak lang. 

  • Er is gebrekkige coördinatie tussen verschillende ministeries en departementen.  

  • Het samenspel tussen topambtenaren, politieke partijen, maatschappelijke organen en adviesorganen leidt soms tot nodeloos ingewikkelde wetgeving. 

  • De ambtenarij is zo groot en complex dat ambtenaren vaak moeilijk te controleren zijn. En dus wordt de politieke verantwoordelijkheid van de minister voor het falen van ambtenaren minder serieus genomen.  

    Kritiek op de bureaucratie wordt gezien als kritiek op overheidsfunctioneren en dus op de regering. Vandaar dat er vaak plannen worden gemaakt de bureaucratie terug te dringen, wat nauwelijks lukt, aangezien nieuw beleid zorgt voor een toename van ambtenaren en regels.  

    7.3 

    Tot 1970 kende Nederland de opkomstplicht, daarna is het opkomstpercentage gedaald. Dit is om verschillende redenen ongewenst: 

  • Een lage opkomst geeft geen goede afspiegeling van de in de bevolking levende opvattingen. De mensen die wel stemmen, krijgen een onevenredig grote invloed. 

  • Dit brengt de representativiteit van het gekozen bestuur in gevaar. Een representatief bestuur houdt in dat de standpunten en het voorgenomen beleid van de gekozen vertegenwoordigers een afspiegeling vormen van wat de burgers willen. 

  • Een bestuur dat niet representatief is, dreigt zijn legitimiteit te verliezen. De burgers aanvaarden het bestuur niet langer als gerechtigd om beslissingen te nemen waar zij zich aan moeten houden. 

    Voor lage opkomstpercentages worden altijd verschillende verklaringen gegeven. Zij verklaren echter niet de diepliggende reden waarom mensen niet erg in politiek zijn geïnteresseerd. 

    We zagen eerder at politici door burgers gekozen zijn, maar dat burgers het niet altijd met de politici eens zijn. Burgers kunnen daar op twee manieren op reageren: ze kunnen politiek passief worden. Deze houding wordt versterkt als je de spelregel van de politiek te weinig kent, omdat ze ‘in Den Haag maar wat doen’. Deze houding ontstaat ook als het onduidelijk is wat de politiek direct betekent voor jou. Zowel wanneer mensen ontevreden zijn als erg tevreden zijn, kan dit ervoor zorgen dat ze niet gaan stemmen. 
    De tweede manier is om politiek actief te worden. Als mensen uiting geven aan hun betrokkenheid bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken, noemen we dat politieke participatie. Je komt op voor je eigen belangen. In Nederland beschikken we over een aantal mogelijkheden voor politieke participatie.  
    Electorale participatie, door: 

  • Bij verkiezingen te stemmen 

  • Lid te worden van een politieke partij en in die partij actief te worden 

  • Deel te nemen aan de campagne van een politieke partij of politicus. 

    Niet-electorale participatie, door: 

  • Je aan te sluiten bij een belangengroep 

  • Actievoeren voor concrete knelpunten door staken, demonstraties, petities etc… 

  • Je mengen in het publiek debat door het schrijven van artikelen voor de opiniepagina’s van kranten 

  • Contact leggen met ambtenaren, wethouders, Tweede Kamerleden, partijen, belangenorganisaties of de massamedia.  

    Met uitzondering van de verkiezingen benut maar een klein deel van de bevolking deze vormen van politieke participatie. Politicologen ontdekten onder meer dat hoger opgeleiden en mannen vaker hun politieke betrokkenheid uiten dan lager opgeleiden en vrouwen. En ouderen en mensen lid van een kerkelijke groepering gaan vaker stemmen dan jongeren en niet-kerkelijke mensen.  

    Politieke participatie is belangrijk voor het goed functioneren van een democratie. Electorale participatie heeft invloed op de verdeling van de macht en op de vorming van de regering. Een hoge opkomst zorgt bovendien voor een hoge mate van representativiteit en legitimiteit van het bestuur en dit maakt de kans groter dat het beleid geaccepteerd wordt.  Niet-electorale participatie is erg belangrijk voor de politieke agenda. Als politici alleen bespreken wat zij belangrijk vinden, staan ze los van de samenleving, waardoor de kloof tussen burgers en politiek groeit.  

    7.4 

    Om de kloof tussen burgers en politiek te verkleinen en de participatie te verhogen, worden en er door politici en politicologen plannen bedacht, zoals het referendum, de gekozen premier en/of burgemeester en de invoeringen van het districtenstelsel.  

    Kiezers kunnen één keer per vier jaar hun stem uitbrengen. Op wat er in de tussentijd gebeurt hebben ze geen invloed, maar een referendum zou hier verandering in kunnen brengen. Er zijn ook nadelen; het is niet zo makkelijk om belangrijke vragen terug te brengen tot een gesloten vraag en ook lenen niet alle problemen zich voor een referendum.  

    Het kiezen van de premier kan misschien de politieke participatie vergroten, omdat burgers meer inspraak krijgen op de samenstelling van de regering. Toch kleven er ook bezwaren aan; in ons huidige stelsel kan het parlement het vertrouwen opzeggen in een premier, maar wat als de premier ook gekozen is. Daarnaast is de verhoogde politieke betrokkenheid niet gegarandeerd. Het opkomstpercentage in Nederland is vaak zelfs hoger dan dat in landen waar de president gekozen kan worden. Bovendien, wanneer allerlei functionarissen gekozen moeten worden, bestaat het risico dat zij afhankelijk worde van hun achterban, sponsors, enzovoort. Ook bestaat het gevaar dat de verkiezingen meer bepaald worden door het charisma van de kandidaten dan door hun standpunten.  

    In Nederland worden burgemeesters door de Kroon (de regering) benoemd, na voordracht door de gemeenteraad (naar de Grondwet).  De argumenten voor en tegen een benoemde burgemeester zijn deels gelijk aan de argumenten voor of tegen de gekozen minister-president. Een ander argument voor de benoemde, niet-gekozen burgemeester is dat hij of zij, als voorzitter van de gemeenteraad en het college, boven de partijen moet staan. Voor een gekozen burgemeester is dit veel moeilijker, want die moet verkiezingsbeloften waarmaken.  

    De gekozen formateur wordt aangewezen door de koning. In regel is die formateur de lijsttrekker van de grootste partij. Als de burger de formateur mocht kiezen, zouden de kiezers indirect meer invloed krijgen op de coalitievorming. Een ander voordeel is dat burgers niet meer strategisch op één van de twee grootste partijen hoeven te stemmen. Nu de grootste partij meestal de minister-president levert, laten kiezers hun stem ook leiden door hun voorkeur voor de premier.  

    De Eerste Kamer beoordeelt alle wetsvoorstellen op kwaliteit en uitvoerbaarheid. Eerste Kamerleden bezitten lang niet altijd de nodige deskundigheid, omdat ze bijv. de juridische kennis missen. Ook wijze Eerste Kamerleden wetsvoorstellen vaak op politieke gronden goed of af. Ze stemmen bijna altijd hetzelfde als hun partijgenoten in de Tweede Kamer. De functie van de kamer van reflectie wordt dus uitgehold. De kans dat de Eerste Kamer wordt opgeheven is heel klein, omdat de Kamerleden hier zelf mee in moeten stemmen. 

    In sommige landen bestaat een kiesdrempel, at betekent dat een partij pas Kamerzetels krijgt, bij een vastgesteld minimum percentage. Een kiesdrempel zorgt ervoor dat er minder partijen in de kamer zitten, waardoor de debatten veel korter worden. Het is wel slecht voor de representativiteit.  

    In een democratie ligt het primaat bij de wetgevende macht, bij ons het parlement en de regering. Zij bepalen welke wetten tot stand komen. In de praktijk heeft vaak de uitvoerende macht, de regering, meer macht. Om meer macht aan het parlement te geven, zou je macht bij de regering moeten weghalen of de Kamer meer bevoegdheden geven. Kamerleden dienen bijvoorbeeld erg weinig wetsvoorstellen in, omdat ze slechts één assistent hebben. Deze ambtelijke fractieondersteuning zou je kunnen uitbreiden.  

    Nederland kent een evenredig kiesstelsel, waarbij alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Omdat de meeste mensen voor hun gevoel stemmen op een partij en niet op een persoon, hebben de gekozen vertegenwoordigers vaak weinig binding met burgers. Een districten- en of meerderheidsstelsel beoogt een veel sterkere band tussen kiezer en gekozene, omdat de volksvertegenwoordiger direct door het eigen district is gekozen. Idealiter zou de gekozene de belangen van zijn kiezers behartigen en kunnen kiezers hun vertegenwoordiger hier op aanspreken. Andere voordelen zijn: minder politieke partijen in het parlement en daardoor minder moeizame onderhandelingen bij de formatie van een nieuw kabinet. Tegenstanders zien dit laatste argument als een nadeel, want als er geen compromissen nodig zijn, kan het beleid per regering sterk veranderen. Daarnaast heeft het als nadeel dat stemmen op verliezers in een district verloren gaan. Kleine partijen dreigen hierdoor uit het parlement te verdwijnen want de representativiteit niet ten goede komt. Een ander bezwaar betreft het gevaar van een té grote aandacht voor de belangen van het district, waardoor het landsbelang in het nauw kan komen.  

    Hoofdstuk 8

    8.1

    Toen in Nederland het kiesrecht werd ingevoerd, bestonden er nog geen duidelijke politieke stromingen en partijen. De volksvertegenwoordigers waren meestal mensen uit de gegoede burgerij die zich wilden inzetten voor het algemeen belang. In 1879 werd de eerste politieke partij opgericht, daarna volgde andere partijen.

    Politieke opvattingen bestaan uit ideeën over maatschappelijke kwesties in de samenleving. In Nederland hebben we beroepspolitici die de belangen afwegen en beslissingen maken. Tot voor kort was Nederland een nachtwakersstaat, zonder sociale voorzieningen. Maar de samenleving veranderde snel en overal in Europa ontstonden drie belangrijke politieke hoofdstromingen: het liberalisme, ideeën van verschillende christelijke partijen en het socialisme.

    Aan elke politieke stroming ligt een visie op de wereld ten grondslag, die we een ideologie noemen: het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving. Ideologieën hebben ideeën over:

  • Normen en waarden die voor iedereen in de samenleving zouden moeten gelden.

  • De gewenste sociaal-economische structuur van de samenleving. De centrale vraag is wat een rechtvaardige verdeling van welvaart precies inhoudt.

  • De gewenste machtsverdeling in de samenleving, waarbij het gaat om de vraag in welke mate en op welke manier mensen (politieke) rechten moeten hebben.

     

    Een ideologie vervult belangrijke functies voor mensen:

  • Intellectuele houvast.

  • Interpretatiekader; je kunt er maatschappelijke verschijnselen mee verklaren.

  • Oriëntatiepunten, doelen waarnaar je kunt streden.

  • Het versterkt groepsgevoelens en groepsidentiteit.

    8.2

    Mensen gaan in politieke keuzen vaak uit van globale denkkaders. Een liberaal weet niet altijd precies wat ‘zijn’ ideologie inhoudt. Toch vormen deze ideologische visies de grondslag voor een groot aantal politieke stromingen en partijen. Met een politieke stroming wordt zowel het geheel van ideeën als de groep mensen die deze aanhangen bedoeld. Traditioneel kent Nederland drie hoofdstromingen.

    In de opvattingen van het liberalisme is de samenleving er het meest bij gebaat als ieder individu zich zo optimaal mogelijk kan ontplooien. Wat goed is voor het individu is goed voor de staat. Mensen zijn wel gelijkwaardig, maar niet gelijk. Individuele vrijheid en individuele rechten zijn sleutelbegrippen. De belangrijkste kenmerken zijn:

  • Economische vrijheid. De overheid moet zich niet teveel met de handel en industrie bemoeien, want wanneer iedereen zijn eigen belang kan nastreven, is dat het beste voor de hele samenleving. Vroeger vonden liberalen de nachtwakersstaat een goed idee, tegenwoordig pleiten ze voor o.a. meer marktwerking in de uitvoering van collectieve voorzieningen.

  • Politieke vrijheid. Een scheiding tussen kerk en staat en binnen die staat trias politica. Ook zijn de liberalen van oudsher voor volkssoevereiniteit en waren daarmee de eerste tegen het idee van goddelijke wilsbeschikking. Ze waren dan ook voor stemrecht.

  • Het principe van de rechtstaat. De regering handhaaft de wetten door politie en justitie, maar is zelf ook gebonden aan rechtsregels zodat de burgers beschermd worden tegen misbruik door de overheid. Daarbij gaat het voornamelijk om vrijheidsrechten. De liberalen bemoeien zich niet met maatschappelijke gelijkheid.

  • Het rationalistische individualisme. De liberalen gaan ervan uit dat wanneer iedereen zijn eigenbelang nastreeft, dat voor de gehele samenleving het beste resultaat oplevert.

    Het socialisme constateert dat de mogelijkheden voor elk individu om zich te ontplooien ongelijk verdeeld zijn. Een belangrijke oorzaak hiervoor is de ongelijke verdeling van bezit. De begrippen vrijheid en gelijkwaardigheid krijgen pas betekenis als mensen ook gelijke kansen en dus gelijke bezittingen hebben. Kenmerken zijn het streven naar economische gelijkheid en kritiek op de vrijemarkteconomie. Het liberale vrijheidsdenken ontwikkelde zich in een maatschappij waar de ongelijkheid heel sterk was. De arbeiders en werklozen hadden geen macht, er was geen algemeen kiesrecht, vakbonden waren verboden en stakingen werd gebroken. Het socialisme trok zich het lot van de arbeiders aan. In 1848 publiceerde Karl Marx samen met Friedrich Engels het Communistisch Manifest. Zij roepen op tot omverwerping van de maatschappelijke orde. Om een eind te maken aan de kapitalistische uitbuiting van de arbeiders moesten alle fabrieken in handen komen van de staat. Dan zou er voor iedereen werk zijn en zou iedereen in zijn dagelijkse levensonderhoud kunnen voorzien. Op de basis van zijn ideeën van Marx ontstond er rond 1900 twee stromingen, de latere communisten en de sociaal-democraten. De laatste geloofden niet in een revolutie, maar in kleine stappen via het parlement. Het socialistische streven naar gelijkheid en solidariteit zien we terug in de gezondheidsstaat en erkenning van sociale grondrechten. Kenmerkend is de actieve rol van de overheid, waardoor de positie van zwakke groepen in de samenleving verder worden verbeterd.

    In het confessionalisme baseren mensen hun politieke opvattingen op hun geloofsovertuiging, in Nederland voornamelijk christelijk. Hoewel er diverse varianten zijn, zijn gemeenschappelijke waarden als naastenliefde en de nadruk op harmonieuze samenwerking. Uitgangspunt is dat God een bedoeling met de wereld heeft en daarom moeten mensen samenwerken. Mensen moeten proberen zich te richten naar Gods wil. In het confessionalisme is een duidelijke organische staatsopvatting zichtbaar, de samenleving kan vergeleken worden met een lichaam. De mens heeft de taak om als rentmeester te zorgen dat de aarde leefbaar blijft. Voor een deel is het confessionalisme te verklaren met de opkomst van liberalisme en socialisme en de evolutieleer, waardoor de geestelijkheid aan macht verloor. Als een reactie hierop gingen christelijke groepen zelf op zoek naar oplossingen voor problemen als de gevolgen van industrialisering.

    In de twintigste eeuw waren christelijke politici en partijen betrokken bij de totstandkoming van allerlei sociale wetten. Maar de verzorgingsstaat heeft in de confessionele visie wel haar grenzen. Er is sprake van gespreide verantwoordelijkheid; mensen moeten voor elkaar verantwoordelijkheid en zorgen op zich nemen en de overheid moet mensen niet te veel uit handen nemen. Het idee van gespreide verantwoordelijkheid zien we ook terug in andere politieke standpunten van de christelijke partijen: geen staatsonderwijs, geen strak raamwerk van sociale wetten, met hooguit een aanvullende rol voor de overheid. Dit wordt het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Katholieken en protestanten richtten vanaf de negentiende eeuw hun eigen scholen, ziekenhuizen etc. op en de overheid maakte deze organisaties financieel mogelijk.

    Het fascisme is een stroming waarin geen plaats is voor democratische verhoudingen, omdat een parlement de kracht van de staat zou verzwakken. In fascistische landen is er een grote rol voor de leider. Alle burgers moeten de leider gehoorzamen en hun persoonlijke belangen opofferen aan de staat. Het fascisme is zeer nationalistisch en schrikt er niet voor terug om andere volken te overheersen en mensen uit te roeien.

    Het ecologisme benadrukt de wederzijdse afhankelijkheid van mensen en de natuurlijke omgeving. Daarom moeten economische waarden ondergeschikt gemaakt worden aan ecologische waarden. De overheid moet volgens de ecologen een grote rol spelen omdat alleen zij de belangen van het milieu kan waarborgen. De marktgerichte economie moet vervangen worden door een kleinschalige, milieuvriendelijk en duurzame productiewijze.

    Het feminisme streeft naar totale gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Ondanks het gelijkheidsbeginsel zien zij nog veel verschillen tussen mannen en vrouwen. Dit zou komen doordat kinderen niet genderneutraal worden opgevoed.

    8.3 Politieke partijen

    Mensen laten zich bij hun politieke keuzen steeds minder leiden door een ideologie. Naast ideologische motieven laten mensen zich ook leiden door gewoonte, door losse, populaire uitspraken of door charisma. Op politieke partijen te typeren worden vaak de volgende begrippen gebruikt:

  • Conservatief en progressief

  • Links en rechts

  • Ideologisch en pragmatisch

    Progressief heeft in de politiek de betekenis van vooruitstrevend. Progressieve politici benadrukken de gebreken in de samenleving en pleiten voor grondige veranderingen en hebben daarom ook vaak contacten met actiegroepen. Progressieve partijen gaan ervan uit dat de samenleving naast positieve ook negatieve veranderingen ondergaat. Op deze veranderingen probeert men te reageren met bijsturende maatregelen in de veronderstelling dat de samenleving maakbaar en alle problemen door middel van politiek opgelost kunnen worden.

    Conservatief heeft de betekenis van behoudend. Conservatieve politici geloven maar beperkt in de maakbaarheid van de samenleving en benadrukken daarom datgene wat al bereikt is. Ze vinden traditionele waarden als gehoorzaamheid en trouw zeer belangrijk en vinden dat te grote persoonlijke vrijheid kan leiden tot excessen.

    Soms proberen conservatieven om oude regels, die inmiddels door moderne zijn vervangen, te herstellen. We noemen dit reactionair.

    Politiek links en rechts zijn begrippen die in de politiek heel vaak worden gebruikt. De begrippen zijn niet altijd eenduidig en aan verandering onderhevig. Politiek links gaat ervan uit dat de overheid actief moet optreden, vooral om de armen in de samenleving te beschermen. Politiek rechts pleit voor een passieve overheid op sociaal-economisch gebied. Burgers en bedrijfsleven moeten zo veel mogelijk hun eigen zaakjes lenen. Ongelijkheid tussen mensen is niet zo erg en kan zelfs nuttig zijn, als prikkel tot concurrentie en initiatief. Een rol van de overheid als beschermer van individuele rechten en als beheerser van orde en rust is wel belangrijk.

    Politiek midden is een positie voor de christen-democratische partijen, die voor de overheid een aanvullende rol zien weggelegd. In eerste instantie moeten burgers verantwoording nemen voor zichzelf en elkaar. Lukt dit niet dan springt de overheid bij. Het politiek midden benadrukt dus de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor overheid en burgers.

    In de jaren zeventig stonden links en rechts lijnrecht tegenover elkaar, wat ook wel polarisatie werd genoemd. In de jaren tachtig en negentig schoven zowel de linkse als de rechtse partijen naar het politieke midden op. Rechtse politici zagen de voordelen van een actieve overheid op sociaal-economisch gebied en linkse politici erkenden de voordelen van marktwerking. De toenadering bereikte een hoogtepunt met de paarse kabinetten. Door het opschuiven naar het politieke midden zijn er weer meer uitgesproken partijen ontstaan, zoals de SP en de PVV.

    De meeste politieke partijen in Nederland zijn voortgekomen uit een ideologische traditie. Door ontideologisering zijn er nieuwe partijen ontstaan die daar niet passen maar ook geen nieuwe ideologie vormen, zoals het feminisme. Pragmatische partijen hebben geen vaste uitgangspunten of principe. Leidraad is de praktische, actuele situatie die ter discussie wordt gesteld. Afhankelijk van de probleemanalyse van een kwestie wordt een oplossing gekozen. Populistische partijen keren zich eveneens tegen het politieke establishment. Zij zijn van mening dat ideologische beginselen en traditionele Haags-parlementaire omgangsregels een krachtdadig beleid in de weg staan. Een populistische partij kenmerkt zich door een directe stijl van politiek bedrijven en benadrukt dat zij de stem van het volk laat horen, die in hun ogen jarenlang genegeerd zijn.

    Hoofdstuk 9

    Nederland heeft in haar geschiedenis altijd vele banden met andere landen gehad, zowel binnen Europa als wereldwijd. Vaak ging het om handelsbetrekkingen, maar in onze tijd is de vorm van internationale relaties aan het veranderen. Door globalisering werden landen nu op steeds meer terreinen samen, met als gevolg een groeiende internationale interdependentie. De Nederlandse regering doet haar best om binnen die samenwerkingsverbanden op te komen voor de belangen van de Nederlandse burgers. Zo is tegenwoordig de politieke besluitvorming in Nederland op bijna elk maatschappelijk terrein afhankelijk van wat er internationaal gebeurd. Tak van problemen op de Nederlandse politieke agenda hebben een grensoverschrijdend karakter. Nederland is lid van verschillende internationale organisaties en heeft allerlei internationale verdragen ondertekend. Deze internationale betrokkenheid heeft grote invloed op het binnenlandse politieke besluitvormingsproces. Zo moet de regering rekening houden met internationale afspraken. Andersom speelt Nederland op tal van terreinen ook en rol in de internationale politieke besluitvorming.

    Veel van wat vroeger door nationale overheden werd besloten, wordt nu mede bepaald door internationale instellingen. Dit levert soms spanningen op. Diverse factoren bemoeilijken de Europese en internationale samenwerking.

  • Emotionele weerstanden tegen het gedeeltelijke opgeven van de eigen nationale soevereiniteit.

  • De nationale regeringen verzetten zich tegen het uit handen geven van bevoegdheden aan bovennationale organen. Soms is er simpelweg gebrek aan vertrouwen tussen landen. Terwijl dit wel een vereiste is voor goede samenwerking.

  • Een derde reden betreft de tegenstelling tussen individuele (korte termijn)belangen en collectievenbelangen. Dit wordt ook wel het prisoner’s dilemma van de collectieve actie genoemd. Voor het realiseren van gemeenschappelijke doelen zoals militaire veiligheid en leefbaarheid moeten landen bereid zijn offert te brengen. Ze moeten geld bijdragen. Het probleem is dat er geen rechtstreeks verband is tussen de grootte van de offers en de mate waarin een land daarvan profiteert. Met het prisoner’s dilemma kun je verklaren waarom staten daarom vaak de voorkeur geven aan hun individuele belang op de korte termijn boven de gemeenschappelijke belangen op de lange termijn.

    9.2

    In 1992 werd met het Verdrag van Maastricht de Europese Unie tot stand gebracht. Bij de ondertekening telde de EU 12 lidstaten. Alle inwoners van de Europese Unie hebben sindsdien niet alleen te maken met het gezag van hun eigen regering maar ook met Europese maatregelen. De oprichters van de EU spraken af om naast het instellen van een gemeenschappelijke markt en geleidelijk harmoniseren van het economische beleid van de lidstaten (waar de Europese Economische Gemeenschap uit 1957 ook naar streefde) een gemeenschappelijk buitenlands, justitieel en veiligheidsbeleid te gaan voeren. De lidstaten zouden bovendien één economische en monetaire unie gaan vormen. De uitbreidingen maken de EU er niet bestuurbare op. Daarom zijn er voorwaarden vastgelegd die gelden voor de toetreding van nieuwe lidstaten. Alle nieuwe lidstaten moeten:

  • Democratische instellingen hebben;

  • Een rechtsstaat zijn;

  • Een meerpartijensysteem hebben;

  • De mensenrechten eerbiedigen;

  • Minderheden beschermen.

    Als een land lid wordt van de EU krijgen de inwoners het Europees burgerschap, waardoor zij:

    • In elke lidstaat mogen reizen, werken of wonen;

    • Mogen meedoen met de verkiezingen voor het Europees parlement;

    • Mogen meedoen met de gemeenteraadsverkiezingen in hun woonplaats ongeacht nationaliteit;

    • Gemakkelijker toegang krijgen tot de sociale zekerheid in andere lidstaten;

    • Van elke EU-staat politieke bescherming krijgen als zij niet in een niet-EU land zijn.

    • Kunnen klagen bij de Europese Ombudsman.

      Het politieke systeem binnen de Europese Unie kan je vergelijken met dat van een land. De Europese commissie (supranationaal) neemt initiatief tot regelgeving en voert uit. De raad van de Europese Unie (intergouvernementeel) bestuurt en is de hoogste besluitvormende macht. Het Europees Parlement controleert en het Europees Hof van Justitie vormt de onafhankelijke rechterlijke macht.

      De Europese Commissie – het dagelijks bestuur van de Europese Unie – bestaat momenteel uit 27 commissarissen die door de lidstaten benoemd worden, maar die onafhankelijk van de nationale regeringen moeten opereren. Nederland heeft, net als de andere lidstaten, één commissaris. De Europese Commissie heeft als belangrijkste bevoegdheid het nemen van initiatief op het terrein van Europese wetgeving. Zij bereidt de besluiten voor van de Raad van de Europese Unie en is het uitvoerende orgaan van de gemeenschap. Ze ziet erop toe dat de lidstaten de Europese richtlijnen uitvoeren. Ook vertegenwoordigt het de Europese Unie naar buiten toe.

      Het hoogste besluitvormende orgaan van de EU is de Raad van de Europese Unie (voorheen de Raad van Ministers). De raad heft wetgevende bevoegdheid en neemt beslissingen ten aanzien van het Europese Integratieproces. Elke lidstaat is vertegenwoordigd met één vakminister, afhankelijk van het onderwerp dat op de agenda staat.

      De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders van de lidstaten. De Europese raad bespreekt de belangrijkste besluiten van de EU, maar buigt zich vooral over vraagstukken waarover inde Raad van de Europese Unie geen overeenstemming bestaat. Het voorzitterschap ligt bij de regering van één van de lidstaten en wisselt elk halfjaar.

      Het Europees Parlement heeft verschillende bevoegdheden. Het beslist mee over de wetgeving en controleert de Europese Commissie op de uitvoering en heeft en vetorecht op een deel van de Europese wetgeving (voornamelijk economie en handel). Het EP heeft het laatste woord bij het goedkeuren van de begroting en de toetreding van lidstaten en het aangaan van associatieovereenkomsten met niet-EU-landen. Het heeft ook het recht om parlementaire enquêtes te houden en misstanden binnen de EU te onderzoeken. Met een motie van afkeuring kan het heel de Europese Commissie naar huis sturen. Het Europees parlement wordt elke vijf jaar rechtstreeks gekozen, waarbij de burgers op nationale kandidaten stemmen. Voor elk land zijn parlementszetels gereserveerd, in verhouding tot de bevolkingsgrootte.

      Het Europees Hof van Justitie is voor de EU wat de rechterlijke macht voor de afzonderlijke landen is. De belangrijkste taak is erop toe te zien dat de afzonderlijke landen aan hun wettelijke verplichtingen voldoen en of de EU wetgeving in alle lidstaten op dezelfde manier wordt toegepast. Dit doet het hof in samenwerking met nationale gerechtshoven. Iedereen kan een zaak voorleggen aan het hof. Uiteindelijk zijn Europese afspreken, regels of wetten belangrijker dan nationale regels.

      De Europese Unie houdt zich bezig met het ontwikkelen van een gemeenschappelijk buitenlands, justitieel, economisch en monetair beleid. De manier van samenwerking verschilt per beleidsterrein:

  • Bij buitenlands beleid en de justitiële samenwerking moeten de besluiten unaniem genomen worden, één land kan dus alles blokkeren. Dit noemt met het principe van intergouvernementele samenwerking tussen soevereine staten.

  • Op economisch terrein zijn meerderheidsbesluiten mogelijk. Daarom spreekt men hier van het supranationaal gezag van Brussel. Ook op het gebied van landbouw en (meestal) milieu wordt dit beleid gevoerd.

  • De meeste vergaande samenwerking is op monetair terrein. De invoering van de EMU leidde tot de invoering van de Euro. De invoering betekende ene beperking van de zelfstandigheid van de lidstaten die de euro hebben ingevoerd. Zij zijn gebonden aan strenge afspraken over hun begroting. Landen die toegelaten willen worden tot de EMU mogen geen staatsschuld hebben die meer dan 60% van het nationaal inkomen en het financieringstekort niet meer dan 3 procent.

  • De beleidsterreinen onderwijs, cultuur en sociale voorzieningen vallen buiten het gezag van de EU. Wel is er de vraag of iets onder economie of onder sociaal beleid en onderwijs valt. Door de open markt voor arbeid is er bijvoorbeeld steeds meer behoefte aan gelijkwaardigheid van schooldiploma’s.

    Knelpunten:

    1. Veel burgers hebben moeite met het verlies van nationale soevereiniteit. Steeds meer beslissingen worden in Brussel genomen en afzonderlijke lidstaten hebben daarin een beperkte stam. Door haar belangrijkste taak, het creëren van een goed functionerende gemeenschappelijke markt, bemoeit de Europese Unie zich op tal van terreinen, bijv. het tegengaan van concurrentie.

    2. Er is sprake van een democratisch tekort of democratisch gat van de EU. Het probleem is ontstaan doordat het Europees Parlement geen gelijkwaardige tegenmacht vormt voor de Europese Commissie. Het EP heeft geen wetgevende bevoegdheid en over veel van de besluiten die worden genomen door de Raad van de Europese Unie heeft het EP geen zeggenschap. Het EP heeft dus relatief weinig invloed, hoewel het wel rechtstreeks gekozen is. Dit democratisch tekort wordt versterkt doordat de leden van de Europese Commissie worden benoemd door de regeringen van de lidstaten en niet op basis van de verkiezingen voor het Europees Parlement. Het EP kan de leden van de EC dan ook niet op basis van een verkiezingsprogramma of regeerakkoord ter verantwoordring roepen. Ook is de relatie van het Europees Parlement met haar achterban zwak.

    3. De beheersbaarheid van de financiën. Alle lidstaten dragen 1,045 van hun brute nationaal inkomen af aan de EU. In totaal geeft de EU jaarlijks ruim 100 miljard uit, onder andere aan de ontwikkeling van economische achterstandsgebieden. Veel burgers begrijpen niet veel van de herverdeling van de gelden en het bestaan van allerlei Europese potjes. Dit leidt al gauw tot wantrouwen en tot het vermoeden dat lidmaatschap van de EU meer geld kost dan oplevert.

    4. De trage en omslachtige besluitvorming binnen de EU. Het vetorecht binnen de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad betekent dat vrijwel ieder besluit het resultaat is van eindeloos touwtrekken en vele compromissen. Dat komt de slagvaardigheid en de helderheid bepaald niet ten goede.

    5. Het veiligheidsbeleid. Veel burgers vragen zich haf of naast de nationale defensie, de NAVO en de VN, een Europees defensiemacht zinvol is. Op dit moment geven veel lidstaten prioriteit aan een nauwe samenwerking met de VS via de NAVO. In 2007 zijn battle groupes ingesteld. Deze snelle internationale interventieteams moeten binnen tien dagen overal ter wereld kunnen worden ingezet.

      9.3

      Naast de EU is Nederland lid van een groot aantal andere internationale organisaties.

      Het klassieke beeld van de internationale orde ziet er als volgt uit: talloze soevereine naties zijn ofwel met elkaar in conflict ofwel zij gaan bondgenootschappen aan met ander staten tegen een gemeenschappelijke rivaal. Tegenwoordig ziet die internationale orde er heel anders uit. Staten worden steeds meer in hun speelruimte beperkt door nieuwe spelers:

  • Niet-gouvermentele organisaties, zoals Amnesty International, of grote multinationals zoals Unilever of Adidas hebben een belangrijke invloed op de veiligheid, de welvaart en het welzijn van miljoenen mensen.

  • Intergouvernementele en supranationale organisaties, zoals de EU en de Wereldbank zijn door hun samenstelling en expertise van groot belang bij het oplossen van grensoverschrijdende problemen.

    In deze internationale orde hebben de klassieke begrippen coöperatie en conflict een nieuwe betekenis gekregen. Burgers en staten realiseren zich dat zij moeten samenwerken om mondiale problemen zoals onveiligheid, epidemieën, migratie, klimaatverandering en grondstoffenschaarste samen op te lossen. Er is sprake van een zogenaamd collectief lotsbesef. Conflicten betreffen niet meer alleen geschillen tussen natiestaten, maar gaan steeds vaker over conflicterende ideologieën en belangen die niet gebonden zijn aan nationale grenzen. Strijdende partijen zijn nationale en internationale legers ook burgermilities, criminele organisaties, paramilitaire groepen, bedrijven en zelfs private veiligheidsorganisaties.

    De rol van natiestaat als unieke, soevereine speler in de internationale politiek is verder aangetast door de globalisering. Door de nieuwe, politieke postklassieke internationaal orde zijn veel landen afhankelijker van elkaar geworden. Vooral kleine landen zijn kwetsbaar voor beslissingen die niet in eigen hoofdstad worden genomen.

    Nederland is zoals bijna alle landen van de wereld lid van de Verenigde Naties. Deze organisatie is in 1945 opgericht om door middel van betere samenwerking tussen verschillende landen een volgende wereldoorlog te voorkomen. De concrete doelstellingen van de VN zijn: ·

  • Het handhaven van de internationale vrede en veiligheid

  • Het stimuleren van vriendschappelijke relaties tussen landen

  • Internationale samenwerking bij het oplossen van economische, sociale, culturele en humanitaire problemen

  • Het bevorderen van respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheiden

    “Wij, de volkeren van de Verenigde Naties zijn vastbesloten om komende generaties te behoeden voor de gesel van de oorlog,’ luidt de eerste regel van het Handvest van de VN. Dit handvest is grondwet van de VN en beschrijft de rechten en plichten van de lidstaten. De secretaris-generaal is de hoogste verantwoordelijke persoon van VN. Op basis van haar doelstellingen richten de VN zich op vier hoofdterreinen: ·

    • Vrede en veiligheid;

    • < >

      Economische ontwikkeling van arme landen;

    • < >

      De Algemene Vergadering is het belangrijkste orgaan van de VN. Elk jaar komen alle lidstaten bijeen om met elkaar te overleggen. Elke lidstaat heeft tijdens de Algemene Vergadering één stem. Belangrijke besluiten moeten met twee derde meerderheid worden genomen. Andere besluiten kunnen met een gewone meerderheid genomen worden. De Algemene Vergadering kan resoluties aannemen over de gedragingen van haar lidstaten en bijvoorbeeld bepalen dat ze moeten stoppen met oorlog voeren, maar ze kunnen de naleving niet dwingen. Daarom houden lidstaten zich vaak niet aan de resoluties.

    • De veiligheidsraad is het enige VN-orgaan dat politieke besluiten kan nemen die voor de leden bindend zijn. De veiligheidsraad is bevoegd om op te reden als internationaal politieorgaan. De raad beslist waar en wanneer vredes- of veiligheidstroepen worden ingezet. De veiligheidsraad heeft 15 zetels, waarvan er 5 (Frankrijk, de VS, China, de Russische Federatie en het Verenigd Koninkrijk) permanent zijn en een vetorecht hebben.

    • Het internationaal Gerechtshof is de eigen rechtbank van de VN. Het hof bestaat uit 15 rechters van 15 verschillende nationaliteiten, die worden gekozen door de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad. Het Internationaal Gerechtshof buigt zich allen over rechtsgeschillen tussen landen. De uitspraken zijn bindend, maar er zijn geen sancties bij het niet opvolgen. IN Den Haag zetelt het Internationale Strafhof, dat mensen vervolgt die verdacht worden van oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid.

    • Sommige organisaties zijn gespecialiseerd op deelgebieden, zoals het Kinderfonds (Unicef) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

    • Naast deze organisaties vormen de VN-conferenties een belangrijk platform van de internationale samenwerking, De resoluties en verklaringen die daar worden aanvaard, zijn voor de lidstaten weliswaar niet bindend, maar de conferenties hebben wel invloed.

      De VN is beperkt in haar functioneren. Problemen:

  • Zij heeft last van institutionele problemen: resoluties van de Algemene Vergadering hebben bijvoorbeeld geen bindend karakter en in de Veiligheidsraad is de macht van de vijf permanente leden oververtegenwoordigd. Daarnaast kampt de VN met financiële problemen.

  • De VN heeft last van systeemproblemen. In de nieuwe, postklassieke orde zijn de nationale staten niet langer de enige speler op het internationale toneel. De dreiging van het terrorisme laat dat goed zien. Dat grote vraag is daarom: Hoe kunnen vrede en veiligheid, de internationale rechtsorde en de universele humanitaire waarden het best gewaarborgd worden? De laatste jaren staan de Verenigde Naties steeds vaker machteloos en opzichte van deze kwesties. De problematiek van zogenaamde falende staten – denk Afghanistan of Somalië – maakt het nog ingewikkelder. De centrale regeringen in deze landen zijn zo zwak dat ze geen controleren meer hebben over grote delen van het grondgebied en ook de burgers van het land vrijwel gen voorzieningen of bescherming kunnen bieden.

    De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) is in 1949 opgericht door de VS, Canada en een aantal West-Europese landen, bedoelt als militaire verdedigingsorganisatie tegen de voormalige Sovjet-Unie. Door het Einde van de Koude Oorlog is de alliantie steeds meer een politiek verbond gaan vormen. Om de veiligheid van Europa en Amerika te garanderen, neemt de NAVO nu nieuwe democratieën op. Het lidmaatschap moet deze landen helpen bij hun ontwikkeling en de handel en economische groei te bevorderen, om daarmee de stabiliteit in Europa te vergroten. De NAVO kent naast militaire operaties ook humanitaire missies.

    De Raad van Europa (47 leden) is in 1949 opgericht en gevestigd in Straatsburg. Het belangrijkste doel is het bevorderen van culturele en democratische waarden. Beslissingen worden genomen door het dagelijks bestuur dat bestaat uit de ministers van Buitenlandse Zaken.Dit wordt bijgestaan door een raadgevende vergadering, waarin leden van de nationale parlementen zitten. De raadgevende vergadering heeft geen beslissingsbevoegdheid, maar kan slechts adviseren.

    Onderdeel van de Raad van Europa is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Dit Hof ziet toe op de naleving van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens uit 1950. De regeringen van de aangesloten landen kunnen bij het hof klachten indienden over vermeende schendingen, evenals individuele burgers. De uitspraken van het hof zijn definitief en bindend voor de betrokken staten.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     
     

     

     

     

     

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.