Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Samenvatting maw boek 3

1.1

Politicologie: de wetenschap die politiek onderzoekt. De verschillende betekenissen van politiek zijn:

  • Beleid: de maatregelen waarmee ministers een bepaald probleem willen aanpakken en oplossen;
  • Staatsinrichting: het geheel van regels waarin is vastgesteld hoe een land geregeerd wordt;
  • Strategie of handelswijze: om een bepaald doel te bereiken;
  • Sluw, behendig, slim of achterbaks: niet rechtstreeks antwoorden maar eromheen is een ‘politiek’ antwoord.

Politiek: een proces van omzetting van verlangens, wensen en eisen vanuit de bevolking in bindende besluiten. We spreken ook wel van het proces van politieke besluitvorming. Het begint bij een probleem en eindigt bij een oplossing.

Politieke besluitvorming is gericht op het oplossen van maatschappelijke problemen, kenmerken hiervan zijn:

  • Het probleem heeft ongewenste gevolgen voor een grote groep;
  • Het probleem ontstaat uit maatschappelijke ontwikkelingen;
  • Tegengestelde belangen spelen een rol;
  • De overheid kan als enige een uitweg bieden.

Kenmerken politiek probleem:

  • Het probleem is oplosbaar;
  • Er is ruimte op de politieke agenda;
  • De situatie is ongewenst voor een grote groep mensen;
  • Het is ontstaan uit maatschappelijke ontwikkelingen;

Problemen die de aandacht krijgen van burgers en maatschappelijke groepen vormen de publieke agenda. door media-aandacht of bemoeienis van belangengroepen kunnen zij ook op de politieke agenda komen. Er is dan overheidsbemoeienis nodig. Overheidsbeleid: de genomen besluiten en de getroffen maatregelen door de overheid.

1.2

De politiek bemoeit zich over het algemeen alleen met kwesties die in het algemeen belang zijn en die zijzelf niet kunnen oplossen, het gaat om collectieve belangen, collectieve goederen en collectieve diensten. Collectieve goederen zijn:

  • goederen die in het algemeen belang geacht worden;
  • moeilijk via de markt kunnen worden aangeboden;
  • die in principe voor iedereen beschikbaar zijn.

Het is aan de overheid deze goederen te ontwikkelen en in stand te houden. Er is geen direct verband tussen het gebruik van de goederen en de diensten en de kosten. Je draagt bij via de belasting. De overheid behartigd een groot aantal belangen, maar ook bij een deel van deze gevallen is het mogelijk particuliere organisaties in te schakelen.

Aan de basis van de overheidsvoorzieningen staat het sociaal contract: in de ruil voor de diensten die de overheid levert aanvaarden de burgers beperking van hun (financiële) vrijheid.

De kerntaken van de Nederlandse overheid zijn:

  • Het garanderen van openbare orde en veiligheid;
  • Het garanderen van mensenrechten;
  • Het onderhouden van goede buitenlandse betrekkingen zoals de EU en de NAVO;
  • Het scheppen van werkgelegenheid, sociale zekerheid, goede arbeidsomstandigheden, infrastructuur en een goed economisch klimaat.
  • Het zorgen voor welzijn, onderwijs, volksgezondheid, kunst en andere goederen en diensten op sociaal-cultureel gebied.

1.3

In de Nederlandse staat:

  • Beschikt de overheid over de soevereine macht;
  • Is er sprake van een bevolking waarover geregeerd wordt;
  • Is het grondgebied is internationaal erkend;
  • Beschikt de verheid over het geweldsmonopolie.

Soevereiniteit betekent de hoogste macht en geeft de overheid het recht het land zelf te besturen, zonder inmenging van andere staten. Macht is het vermogen om het gedrag van anderen, eventueel tegen hun zin te beïnvloeden. Politieke macht is het vermogen om politie besluitvorming te bepalen. Machtsbronnen zijn:

  • Wetten;
  • Bevoegdheden;
  • Morele steun;
  • Kennis;
  • geld;
  • Een charismatische uitstraling.

In een goed functionerende rechtsstaat mag alleen de overheid geweld gebruiken, het geweldsmonopolie. Als de macht wordt aanvaard spreken we van gezag: mensen accepteren de macht of zeggenschap van anderen als legitiem.

In een dictatuur is de macht in het bezit van een persoon of een kleine groep. Er kan dan geen controle van de politieke macht plaatsvinden.

2.1

Rechtstaat: een staat waarin de rechten en plichten van zowel de inwoners als van de overheid zijn vastgelegd zodat burgers beschermd worden tegen machtsmisbruik van de overheid.

Democratische rechtstaat: een staat waarin de macht door of namens het volk wordt uitgeoefend binnen de grenzen dan de grondwet, zodat individuele grondrechten worden beschermd.

 

 

3 kenmerken democratische rechtstaat:

1. Er is sprake van een grondwettelijke scheiding van de politieke macht

2. De (politieke) grondrechten worden geëerbiedigd

3. Het bestuur van een land is gebaseerd op het legaliteitsbeginsel

Wetgevende macht: Stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden. In Nederland in handen van de regering (staatshoofd en ministers) en het parlement (eerste en tweede kamer).

Uitvoerende macht: Zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook worden uitgevoerd. Hiervoor zijn in Nederland de ministers verantwoordelijk

Rechterlijke macht: Beoordeeld of wetten goed worden nageleefd. In Nederland in handen van onafhankelijke rechters

Klassieke grondrechten: de rechten die de vrijheid en gelijkheid van de burgers moeten garanderen (bijv. vrijheid van godsdienst en het recht op een eerlijk proces).

Sociale grondrechten: de rechten die de overheid verplichten te zorgen voor voldoende werkgelegenheid, sociale zekerheid, een schone en veilige leefomgeving, goede volksgezondheid, voldoende woonruimte, maatschappelijke en culturele ontplooiingsmogelijkheden en voor iedereen toegankelijk en goed onderwijs.

Recht van informatie: (artikel 110 grondwet) verplicht de overheid informatie te geven over het beleid en de uitvoering aan de volksvertegenwoordiging, journalisten en burgers.

Legaliteitsbeginsel: de overheid mag alleen maatregelen nemen en handelend optreden binnen het kader van haar wettelijk vastgelegde bevoegdheden.

Juridische grondslag: bijv. een tweede Kamerlid heeft het stemrecht bij wetsvoorstellen omdat dit in de grondwet staat.

2.2

Constitutie: synoniem voor grondwet

Koning / koningin vooral ceremoniële functie

Onschendbaar: De ministers zijn verantwoordelijk voor alles wat de koning / koningin doet.

Directe democratie: Alle vrije burgers stemmen zelf over een wetsvoorstel

Parlementaire democratie: (NL) wij stemmen niet zelf maar kiezen een parlement dat namens ons stemt.

Representatiedemocratie: het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement dat door vrije en geheime verkiezingen wordt gekozen.

 

 

Kenmerken van onze parlementaire democratie:

o Representatiedemocratie

o Alle burgers zijn gelijk voor de wet en hebben gelijke invloed op de samenstelling van het parlement.

o Ministers zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordiging.

o Het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging.

o De macht van de overheid wordt gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen, die uiterlijk om de 4 jaar plaatsvinden.

o Besluitvorming door de regering en het parlement vindt plaats bij meerderheid van stemmen.

o Het parlement is geen “dictatuur van de meerderheid” maar houdt rekening met de rechten en belangen van minderheden.

o Er is sprake van een twee kamer stelsel. De eerste kamer controleert de tweede kamer (ook wel kamer van reflectie genoemd).

3.1

Alle Nederlands vanaf 18 jaar en ouder hebben tegenwoordig kiesrecht. Zowel actief (het recht om te kiezen) als passief (het recht om je verkiesbaar te stellen). Ook is wettelijk vastgesteld dat verkiezingen geheim zijn. Het kiesrecht is op alle bestuurslagen van toepassing: op Europees niveau, voor het landsbestuur, op provinciaal en op gemeentelijk niveau. Het Europees parlement wordt om de vijf jaar verkozen. Mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit mogen alleen stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen mits ze langer dan 5 jaar hier wonen.

Nederland kent een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Bij de berekening gaat men uit van de zogenaamde kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor een zetel.

Het voordeel hiervan is dat iedere stem even zwaar meetelt. Een nadeel is dat er veel kleine partijen met een paar zetels zijn waardoor het tijdens debatten onoverzichtelijk wordt. Ook is het lastig om een regering te formuleren. Bij de samenstelling van de regering is er bijna altijd sprake van een coalitievorming, dit omdat we in Nederland een meerpartijenstelsel hebben. Er is wel een kiesdrempel: het minimaal aantal stemmen dat een partij moet halen om mee te delen in de zetels. Hierdoor komen alleen grote partijen in de volksvertegenwoordiging terecht.

Andere landen kennen een districtenstelsel: het land wordt verdeeld in een aantal gebieden, de kandidaat die in een gebied de meeste stemmen behaald wordt afgevaardigd naar de volksvertegenwoordiging.

Voordelen districtenstelsel

Een voordeel van het districten- en meerderheidsstelsel is dat de keizers de kandidaat beter kennen en er dus een sterke binding is tussen kiezer en gekozene. Omdat een districtenstelsel altijd leidt tot een twee- of driepartijenstelsel is er meer duidelijkheid. Er zijn meestal maar 2 kandidaten per district: een progressieve sociaaldemocraat en een conservatieve liberaal. Na de verkiezingen is er politieke duidelijkheid.

Nadelen districtenstelsel

De mogelijkheid dat de partij die het meeste aantal stammen heeft gehaald toch het minste aantal zetels krijgt. Ook is er het dilemma van de fractiediscipline: de afspraak om bij wetsvoorstellen hetzelfde te stemmen als de andere partijleden. In een districtenstelsel vertegenwoordigen de gekozen politici de belangen van hun district, deze kunnen haaks staan op de landsbelangen.

3.2

In een representatiedemocratie kiezen burgers hun vertegenwoordigers. Met representativiteit bedoelen we de mate waarin standpunten en besluiten van gekozen vertegenwoordigers overeenkomen met de wens van de kiezers.

Er is pas sprake van een echte vertegenwoordiging als de standpunten van de vertegenwoordigers overeenkomen met de standpunten van de bevolking. Of dit in de praktijk zo is blijft onzeker.

In werkelijkheid is er dus niet altijd sprake van representativiteit. De volgende knelpunten spelen een rol:

  • Partijen vertegenwoordigen niet altijd de ideeën van hun kiezers;
  • Vanwege geringe communicatie tussen kiezer en gekozenen weten vertegenwoordigers niet altijd precies wat de kiezers willen. Partijen denken verschillend over hoe problematisch dit is: liberalen gaan ervan uit dat zij slechts een globale opdracht van de kiezers hebben. Sociaaldemocraten hechten meer belang aan representativiteit;
  • Actieve kiezers hebben meer kans vertegenwoordigd te worden dan inactieve keizers;
  • Er is een groep kiesgerechtigden die zich helemaal nooit vertegenwoordigd voelt. Zij besluiten vaak niet te stemmen omdat ze politiek niet begrijpen of omdat het ze niet interesseert. Uit onvrede stemmen ze nog wel eens op een protestpartij.

3.3

In het verkiezingsprogramma staan de belangrijkste plannen en opvattingen van een partij.

Bij verkiezingsdebatten richten lijsttrekkers zich vooral op de zwevende kiezers: de mensen die niet iedere keer op dezelfde partij stemmen en die tijdens de verkiezingen vaak nog niet weten op welke partij ze zullen stemmen. Het verschijnsel ‘zwevende kiezer’ is toegenomen, enerzijds door ontzuiling en anderzijds door de drukte in het politieke midden.

Na de verkiezingen volgt een periode waarin de (winnende) partijen onderhandelen over een nieuw te vormen kabinet. In Nederland moet het kabinet rekenen op steun van de meerderheid in het parlement. Om zeker te zijn van voldoende steun in de Eerste en Tweede kamer bestaan in ons land kabinetten altijd uit een coalitie van verschillende partijen.

De coalitievorming is een moeizame kwestie. Partijen hebben verschillende standpunten en beloftes die ze willen waarmaken maar in onderhandelingen moeten ze soms toegeven aan de coalitiepartner. Of ze komen tot een compromis waardoor een verkiezingsbelofte wordt afgezwakt.

 

De verschillende stappen bij een kabinetsformatie:

De informatie

Op de eerste bijeenkomst van de nieuwe Tweede Kamer wordt de verkiezingsuitslag besproken en vindt er een debat plaats over mogelijke coalities. Daarna benoemt de Kamer een of twee informateurs die de opdracht krijgen te onderzoeken of een bepaalde coalitie politiek haalbaar is.

In de weken daarna onderhandelen de informateurs met de fractievoorzitters van de mogelijke coalitiepartijen, de gemaakte afspraken worden opgenomen in het regeerakkoord.

Het regeerakkoord

Het regeerakkoord vormt het raamwerk voor het beleid dat het kabinet de komende jaren wil uitvoeren. De coalitiepartijen moeten het regeerakkoord onderschrijven, dus de partijen beloven dat ze niet dwars zullen liggen in het parlement bij beleidsvoornemens waar ze het niet mee eens zijn.

De formatie

Als de informateur er in geslaagd is om partijen bij elkaar te brengen, brengt hij verslag uit aan de Tweede Kamer. Daarna wordt een formateur benoemd: degene die daadwerkelijk een cabinet gaat vormen. Deze taak wordt opgedragen aan de beoogde minister-president. Hij moet onder andere ministeries verdelen en zoeken naar personen die geschikt zijn voor de ministers- en staatsecretarisposten.

De grootste regeringspartij levert meestal de minister-president. De posities worden zo evenwichtig mogelijk over de partijen verdeeld. Er wordt gekeken naar het aantal zetels van partijen, de voorkeur van de partijen en de zwaarte van de functies.

Benoeming en presentatie

De laatste stap is de installatie van de nieuwe ministers. De koning ondertekent eerst de ontslagaanvraag van de vertrekkende bewindspersonen, daarna worden nieuwe bewindspersonen benoemd.

Vervolgens neemt de koning de ministers en de staatssecretarissen de zuiveringseed af. Daarna wordt de nieuwe ministerploeg in de bordesscene samen met het staatshoofd aan het volk gepresenteerd. Tot slot dragen de uittredende ministers hun parlement officieel over aan de nieuwe ministers en staatssecretarissen. Een paar dagen later legt de minister-president namens de regering in de tweede kamer verantwoording af over de formatie en volgt er een debat over de regeringsverklaring.

Na iedere 4 jaar wordt een nieuwe Tweede Kamer gekozen, na een periode van formatie volgt dan ook een nieuwe regering, er kan dan nog van alles misgaan:

  • Een minister kan al dan niet vrijwillig ontslag aanvragen bij de koning. Omdat het dan slechts om een bewindspersoon gaat volgen er geen nieuwe verkiezingen, er wordt een nieuwe minister benoemd;
  • Het hele kabinet biedt zijn ontslag aan. Dit gebeurt als ministers of partijen in het kabinet een onoverbrugbaar conflict hebben of als de Tweede Kamer het vertrouwen in het kabinet opzegt. In het geval van een kabinetscrisis zijn er 2 mogelijkheden:

1. Er wordt een nieuw kabinet geformeerd, als hier ongelijkheden voor zijn wordt er een nieuwe (in)formateur benoemd;’

2. Er worden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Dit gebeurt als het kabinet valt over een kwestie waarin de gemoederen hoog oplopen. Het oude kabinet handelt dan alleen nog maar lopende zaken af. We spreken dat van een demissionair kabinet.

4.1

De drie bestuurslagen in Nederland zijn: de rijksoverheid, landelijk niveau en gemeentelijk niveau.

  • Kabinet: ministers en staatssecretarissen.
  • Regering: ministers en de koning.

De regering vormt het dagelijks bestuur van Nederland: dit is in de praktijk het werk van de ministers. In de ministerraad zitten alle ministers, met als hoofd de minister-president. In de ministerraad bespreken ministers hun beleidsvorming. De minister president heeft wekelijks overleg met het staatshoofd over allerlei lopende zaken.

Staatsecretarissen zijn er voor bepaalde ministers om te helpen bij hun takenpakket. Staatsecretarissen zitten niet in de ministerraad. Zowel de ministers als de staatssecretarissen zijn verantwoording verschuldigd aan de volksvertegenwoordiging en kunnen dus in de Eerste of Tweede kamer op het matje geroepen worden. De koning daarentegen is onschendbaar.

Ieder ministerie is verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein. Ministers hebben meestal een eigen ministerie met honderden ambtenaren. Ministeries die onder een andere ministerie vallen worden minister zonder portefeuille genoemd omdat hij of zij geen eigen begroting heeft. De 3 hoofdtaken van ministers zijn:

1. Beleidsvoorbereiding. Op basis van het regeerakkoord maakt de regering jaarlijks haar beleidsplannen bekend. Dit gebeurt in de troonrede en in een samenvatting van de rijksbegroting: de miljoenennota. Elke begroting wordt als een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Elke minister maakt voor zijn eigen ministerie een apart begrotingsvoorstel. Tijdens de Algemene Beschouwingen, als er gedebatteerd wordt over de miljoenennota, kunnen Tweede Kamerleden wijzigingsvoorstellen indienen. Daarna wordt er over wetsvoorstellen gestemd;

2. Medewetgeving. Samen met het parlement vormt de regering de wetgevende macht. Ministers hebben 3 rechten of bevoegdheden:

    • Het indienen van wetsvoorstellen;
    • Het mede ondertekenen van wetten na goedkeuring van het parlement. Zonder de handtekening van de minister, het contraseign, is de wet niet geldig;
    • Het nemen van Algemene Maatregelen van Bestuur om eerder genomen raamwetten nader in te vullen. Een AMvB heeft heen parlementaire goedkeuring nodig maar wordt bij Koninklijk Besluit geregeld. Koninklijke besluiten gelden slechts voor een persoon, zoals het benomen van een minister of burgermeester of de toekenning van asielaanvraag.

3. Beleidsvoering. De uitvoerende macht is geheel in handen van de ministers, dit leidt tot de volgende werkzaamheden:

    • het uitvoeren van aangenomen wetten;
    • maatregelen die voortvloeien uit eerder aangenomen wetten;
    • het nemen van besluiten over zaken waar geen specifieke wetgeving voor bestaat en waar geen goedkeuring van het parlement bij nodig is.

4.2

De volksvertegenwoordiging wordt gevormd door de Staten-Generaal. Die bestaat uit de Tweede en Eerste kamer en wordt ook wel het parlement genoemd.

Taken en rechten van de Tweede kamer:

(mede)wetgevend:

  • het stemrecht: wetten goed- of afkeuren;
  • het recht van amendement: het recht om een deel van een wetsvoorstel te wijzigen;
  • het recht van initiatief: zelf wetsvoorstellen indienen;
  • het budgetrecht: de jaarlijkse begroting aannemen of verwerpen;

controlerende taak:

  • het vragenrecht: het stellen van vragen aan de bewindslieden;
  • het recht van interpellatie: het ter verantwoording roepen van bewindspersonen over het (voorgenomen) regeringsbeleid;
  • het recht van motie: de mogelijkheid van de Tweede Kamer om een schriftelijke uitspraak te doen over het beleid van een minister;
  • het recht van enquête: de mogelijkheid van de Tweede Kamer om zelfstandig onderzoek in te stellen als de Kamer naar haar mening onvoldoende informatie van de regering krijgt.

De eerste kamer moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en kijkt of er sprake is van behoorlijke wetgeving. De hebben dus de rol van ‘laatste controle’ en kan alleen een wet in zijn geheel aannemen of verwerpen. De eerste kamer heeft geen recht van amendement of initiatief maar kan wel schriftelijke vragen stellen en een parlementaire enquête instellen.

Het politieke primaat in het besluitvormingsproces in Nederland ligt bij de Tweede kamer, dus de Eerste kamer maakt maar terughoudend gebruik van haar rechten. De politieke afweging van de Tweede Kamer weegt zwaarder omdat zij rechtstreeks gekozen zijn door het volk terwijl de Eerste Kamer wordt gekozen door de Provinciale Staten.

Naast formele middelen om het politieke proces te beïnvloeden hebben de Eerste en Tweede Kamer hier ook informele middelen voor:

  • lobbyen bij ministers, door persoonlijke contacten de minister overtuigen van jouw standpunten;
  • overleggen met ambtenaren en pressiegroepen voor het verweren van steun;
  • gebruikmaken van de massamedia.

4.3

Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat omdat lagere overheden tot op zekere hoogte zelfstandig kunnen opereren. De rijksoverheid stelt de groten lijnen van het beleid vast, de gedetailleerde invulling wordt aan lagere overheden overgelaten. We spreken ook wel van een subsidiariteitsbeginsel: decentraal wat kan, centraal wat moet.

De belangrijkste taken van de provincie zijn op het gebeid van ruimtelijke ordening en milieu. De provincie stelt soms een structuurvisie op, waarin precies staat welke activiteiten in een gebied passen. Andere provinciale taken zijn op het gebied van welzijn en cultuur. Tenslotte hebben ze zitting in het bestuur van water- gas- en elektriciteitsbedrijven.

Eens in de vier jaar vinden er provinciale verkiezingen plaats. De gekozen vertegenwoordigers vormen de Provinciale Staten. Het aantal leden is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie. Ze onderhandelen na de verkiezingen om met elkaar een goede coalitie te vinden die het dagelijkse bestuur vormt: de Gedeputeerde Staten.

De voorzitter van zowel de Gedeputeerde Staten als de Provinciale Staten is de commissaris van de koning. Hij wordt niet gekozen maar benoemd.

Het gemeentebestuur is verantwoordelijk voor het ordelijk verloop van het openbare leven in de gemeente. De gemeente vult de structuurvisies die door de provincie zijn opgesteld gedetailleerd in door middel van bestemmingsplannen.

Naast uitvoerende taken hebben gemeenten ook beleidstaken. De gedachte is dat een lagere overheid beter maatwerk kan leveren omdat deze dichter bij het volk staat.

Het dagelijks bestuur van de gemeente is in handen van het college van burgermeesters en wethouders (B en W). de leden beschikken over (mede) wetgevende macht en is verantwoordelijk voor de begroting. De wethouders worden na de gemeenteraadsverkiezingen gekozen door de leden van de gemeenteraad.

De burgemeester is de voorzitter van het college van B en W en de gemeenteraad. Hij is verantwoordelijk voor de openbare orde in de gemeente. De minister van binnenlandse zaken besluit over het aannemen van een nieuwe burgemeester (deze wordt voor 6 jaar aangenomen).

Het bestuur van de gemeente wordt gecontroleerd door de gemeenteraad. De raadsleden hebben bevoegdheden zoals het recht van interpellatie, vragenrecht en het recht een motie van wantrouwen in te dienen. Ze kunnen gebruik maken van het stemrecht, recht van amendement en recht van initiatief voor hun (mede)wetgevende taak. Raadseleden worden 1 keer inde 4 jaar rechtstreeks gekozen. Het aantal leden is afhankelijk van het aantal leden in de gemeente.

5.1

Ambtenaren zijn politieke actoren. Ambtenaren op de ministeries en bij zelfstandige bestuursorganen zijn rijksambtenaren, hun functies zijn beleidsvoorbereiding en toezicht houden.

Toezicht houden vindt plaats door de duizenden accountants en andere financiële medewerkers die op de ministeries de geldstromen narekenen en controleren.

Beleidsvoorbereidende ambtenaren hebben een sterke positie. Ze werken niet langer dan 4 jaar bij een ministerie, ambtenaren werken veel langer bij een departement en beschikken over meer specifieke kennis en ervaring op het gebied van het ministerie. Ambtenaren worden ook wel de vierde macht genoemd. Overigens blijven ministers verantwoordelijk voor het beleid en dus ook voor de fouten van de ambtenaren.

Overheidsbureaucratie: de macht van de overheidskantoren en dus het overheidspersoneel. Aan het hoofd van elk ministerie staat een staatssecretaris-generaal, die is in feite de manager van het departement. Functies van de SG zijn: fungeren als sluiswachter voor alle belangrijke ideeën en nota’s die vanuit de ambtenaren richting de minister of staatssecretaris gaan.

Een belangrijk kenmerk van een overheidsbureaucratie is het onpersoonlijk karakter ervan: de persoonlijke en politieke voorkeuren van ambtenaren mogen geen rol spelen in hun werk. Ook moeten burgers onpartijdig behandelt worden.

De andere zijde van bureaucratie is dat mensen meteen denken aan lange procedures, een wirwar van regeltjes, onpersoonlijke behandeling en verkokering. We spreken van verkokering als ambtenaren alleen vanuit hun eigen deskundigheid naar hun beleidsterrein kijken.

Voordat ministers of Tweede Kamerleden een wetsvoorstel indienen kunnen zij advies vragen aan adviesorganen. Dit zijn zelfstandige organisaties die beschikken over veel kennis. Zonder steun van adviesorganen is het moeilijk om een wetsvoorstel aangenomen te krijgen. De belangrijkste adviesorganen zijn:

  • Raad van state, dit is het hoogste adviescollege en adviseert bij alle wetsvoorstellen, Koninklijke besluiten, en goedkeuring van internationale verdragen. Ook oordeelt de raad in conflicten tussen bestuursorganen onderling en tussen burgers en overheidsinstanties;
  • Sociaaleconomische Raad (SER), adviseert de regering over belangrijke maatregelen op sociaal en economisch gebied;
  • De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WWR), heeft de taak om wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op lange termijn de samenleving kunnen beïnvloeden;
  • Overige adviesorganen,

1. in de Onderwijsraad geven deskundigen op het gebied van onderwijs en wetenschap gevraagd en ongevraagd advies aan de regering.

2. De Gezondheidsraad adviseert de regering op het gebied van gezondheidszorg.

3. Het College voor Zorgverzekeringen controleert alle verzekerden via de zorgverzekeringswet en de AWBZ.

  • Het centraal plan bureau (SPB) rekent de plannen van de regering door om te weten of de voorstellen een gewenst resultaat hebben. Het sociaal cultureel planbureau (SCP) doet onderzoek op sociaal-cultureel gebied.

5.2

Mogelijkheden om te participeren in de politiek zijn:

  • Je stem uitbrengen bij verkiezingen, of campagnevoeren voor een politieke partij. Dit noemen we electorale participatie;
  • Als individuele burger actievoeren, er is dan sprake van niet-electorale participatie. De meest vergaande vorm hiervan is burgerinitiatief, hiermee kunnen burgers een maatschappelijke kwestie op de agenda van de Tweede Kamer zetten. Dit voorstel moet wel concreet geformuleerd zijn en door min. 40.000 mensen ondertekend zijn;
  • Je kunt actief lid worden van een politieke partij of een pressiegroep. Deze vormen een belangrijk intermediair tussen burgers en overheid. Voor beide groepen is er een mogelijkheid invloed uit te oefenen op de politiek.

Als een flink aantal mensen zich betrokken voelt bij een maatschappelijke kwestie, dan ontstaan er vaak belangen- en actiegroepen. Gezamenlijk worden zij pressiegroepen genoemd: organisaties en groepen die bewust proberen invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. Ze houden zich bezig met een speciaal terrein of een bepaalde groep.

Pressiegroepen blijven voor lange tijd actief terwijl actiegroepen zich meestal voor korte tijd inzetten voor 1 duidelijke kwestie. Grote organisaties zijn goed georganiseerd en hebben vaak een kantoor met betaald, deskundig personeel. Ze ontlenen hun macht aan de omvang van hun aanhang, hun maatschappelijke positie, hun deskundigheid en hun financiële middelen.

De mate waarin een pressiegroep succes heeft, hangt af van de macht van de organisatie. Succes kun je ook afdwingen, bijvoorbeeld door constant een eendrachtig optreden: hoe eensgezinder de groep hoe sterker de argumenten overkomen. Ook is de kans op succes groter als je kunt deelnemen aan officiële overlegorganen.

Enkele manieren waarop pressiegroepen in staat zijn met betrokken politici te overleggen en de mogelijke besluitvorming te beïnvloeden:

  • Lobbyen bij politici. We spreken van lobbyen als organisaties met bepaalde belangen proberen om op een informele manier via direct contact met de politieke besluitvormers beleid in een voor hen gunstige richting te beïnvloeden;
  • Demonstraties organiseren om een maatschappelijke kwestie onder de aandacht te brengen;
  • Een publiciteitscampagne opzetten;
  • ‘Eigen mensen’ op sleutelposities brengen. Een andere mogelijkheid is plaatsnemen in een adviesorgaan, echter moet je hier vaak voor gevraagd worden;
  • Bezwaarschriften indienen, via wettelijke bezwaarprocedures of de Raad van State;
  • Burgerlijke ongehoorzaamheid. Door bewust de wet te overtreden een maatschappelijk probleem aan de orde stellen. Kenmerken van burgerlijke ongehoorzaamheid zijn:

o De actie is gericht op het algemeen belang en niet het persoonlijk belang;

o De actie vindt plaats in openbaarheid;

o De actievoerders kiezen voor dit middel als naar hun mening de legale middelen tekortschieten.

Alle politieke partijen, ongeacht hun opvattingen, hebben een aantal belangrijke functies voor het proces van politieke besluitvorming:

1. Articulatiefunctie, problemen in de samenleving verwoorden in standpunten;

2. Communicatie functie, een standpunten innemen ten aanzien van verschillende kwesties en de kiezers informeren over het overheidsbeleid;

3. Aggregatiefunctie, allerlei losse opvattingen met elkaar verbinden in een partijprogramma;

4. Participatiefunctie, door informatie te geven en meningsvormen te bevorderen proberen politieke partijen burgers over te halen actief te worden in hun partij;

5. Rekruterings- en selectiefunctie, kandidaten voordragen voor politieke functies. In een partijorganisatie doen aankomende politici ervaring op om alter binnen een partij te klimmen.

 

 

5.3

Politieke functies van de media zijn:

  • De informatiefunctie, het inventariseren en verstrekken van informatie over allerlei politieke gebeurtenissen en besluiten;
  • De spreekbuisfunctie, de media fungeren als doorgeefluik voor allerlei politieke standpunten die in de samenleving te horen zijn. Belangengroepen maar ook politici maken hier gebruik van;
  • De onderzoeksfunctie, dit is het dieper graven naar de achtergronden van maatschappelijke gebeurtenissen en problemen. Vaak leiden deze onderzoeken tot Kamervragen en de opdracht aan ministers om er wat aan te doen;
  • De controle- of waakhondfunctie, waarbij de media nagaan wat er terecht is gekomen van de beloftes en toezeggingen van ministers en andere bestuurders.
  • De commentaar- en opiniefunctie, politiek heeft in een democratie behoefte aan veel verschillende meningen. Dit bevordert de discussie en betrekt meer mensen bij de politiek.

In een democratie is er sprake van persvrijheid en pluriformiteit van de massamedia. Dit betekent dat er verscheidenheid is in het media-aanbod.

Goed omgaan met en gebruik maken van de media is voor politici een noodzaak geworden. Ze krijgen mediatraining en veel individuele politici hebben een persvoorlichter. Op de achtergrond werkt vaak een spindoctor: een partijstrateeg die vooral bezig is te bedenken hoe de partij de aandacht van het publiek kan trekken.

Zowel politici als de media hebben een dubbele agenda, er wordt soms meer aandacht besteed aan de vorm dan aan de inhoud, wetenschappers spreken in dit verband van een communicatieoorlog tussen media en publiek.

6.1

De Amerikaanse politicoloog David Easton bedacht het systeemmodel als proces van de politieke besluitvorming om een politiek probleem op te lossen. Hij spreekt van een politiek systeem: een stelsel waarbinnen verlangen en eisen van individuen worden omgezet in bindende beslissingen en maatregelen. Easton onderscheidt in dit systeem 3 fasen:

1. De input of invoer van problemen, dit komt van verschillende kanten in het politieke systeem. Tot input behoren ook ideeën over het politieke systeem zelf. Easton benadrukt dat een groot deel van deze politieke wensen geen eisen worden door het ontbreken van burgerinitiatief. Een standpunt wordt pas een politieke eis als het door het werk van pressiegroepen, de media en/of politieke partijen eerst op de publieke agenda staat en daarna op de politieke agenda komt. De publieke agenda bestaat uit maatschappelijke kwesties waarover in de media geschreven, gepraat en gediscussieerd worden.

Poortwachters spelen een cruciale rol in het proces om eisen op de politieke agenda te krijgen. Easton bedoelt met poortwachters politieke actoren die in staat zijn om wensen en eisen op de politieke agenda te plaatsen.

2. Omzetting, in deze fase van het proces van besluitvorming spelen politieke organen zoals de Tweede Kamer, de regering en de gemeenteraden een belangrijke rol. De omzetting van wensen en eisen in overheidsbeleid, ook wel conversie genoemd, is het werk van politici en ambtenaren.

De fase verloopt in de volgende subfasen:

Agendavorming, of een maatschappelijk probleem op de politieke agenda komt hangt af van de volgende vijf voorwaarden:

1. Het aantal betrokken burgers of instellingen. Hoe meer betrokken mensen, hoe meer prioriteit;

2. De ernst van het probleem. Als het probleem heftige emoties oproept zal het sneller in de politiek besproken worden;

3. De oplosbaarheid van het probleem;

4. Erkenning van de problemen door poortwachters;

5. De ruimte op de politieke agenda.

Beleidsvoorbereiding, in deze (sub) fase proberen lobbyisten van pressiegroepen en adviesorganen, gevraagd of ongevraagd, de plannen te beïnvloeden. Heeft de minister een keuze gemaakt, dan worden ambtenaren aan het werk gezet om beleidsnota’s en wetsvoorstellen te formuleren die voldoende draagvlak hebben in het parlement.

Beleidsbepaling, nadat een wens of een probleem is omgezet in een concrete maatregel, bijvoorbeeld een wetsvoorstel, debatteren volksvertegenwoordigers met de indieners van het wetsvoorstel. Meestal de minister of de wethouder. Uiteindelijk komt het tot een stemming, de fracties maken de volgende afwegingen:

  • Is het voorstel effectief en efficiënt?
  • Stemt het wetsvoorstel overeen met mijn eigen partijprogramma?
  • Levert voor- of tegenstemmen een conflict op met de coalitie of de oppositiepartij?
  • Kan steun voor het wetsvoorstel rekenen op goedkeuring van de (toekomstige) keizers?

 

3. De output, de output of uitvoer omvat alle genomen maatregelen tijdens de fase van omzetting. Dus alle behandelingen die voortkomen uit deze wetten. Het uitvoeren van beleidsbeslissingen is dus in handen van ambtenaren, die daarbij zo nodig commerciële diensten of bedrijven inschakelen.

In de fase van terugkoppeling of feedback wordt gekeken of en in hoeverre een probleem is opgelost. Soms lossenmaatregelen problemen op maar zorgen ze ook weer voor nieuwe problemen. Het proces van politieke besluitvorming begint zo van voor af aan.

 

6.2

Naast het systeemmodel kun je het proces van politieke besluitvorming ook analyseren aan de hand van het barrièremiddel. Bij het systeemmodel ligt de nadruk op hoe het systeem wordt opgelost, bij het barrièremiddel is veel meer aandacht voor politieke machtsverhoudingen en verschillende belangen. Kenmerkend is dat de politiek vooral bepaald wordt door conflicten en hindernissen.

De eerste fase van het barrièremiddel lijkt hetzelfde als die van het systeemmodel: het herkennen en erkennen van problemen, wensen en behoeften in de samenleving. Pressiegroepen, media en politieke partijen spelen een grote rol in de (h)erkenning van problemen.

De volgende fase bestaat uit het vergelijken en afwegen van de behoeften, wensen en problemen in de politiek. Welke kwestie(s) in de betrokken politieke organen geagendeerd en besproken worden en welke niet, heeft te maken met de politieke machtsverhoudingen. Ook belangen spelen een grote rol. Omdat plannen en wetsvoorstellen doorgaans door ministers worden opgesteld. Is de politieke samenstelling van het kabinet vaak doorslaggeven bij de afweging van wensen en verlangens en bij de totstandkoming van de politieke agenda.

Als de agenda is bepaald, volgt de fase van besluitvorming. In opdracht van ministers formuleren ambtenaren wetsvoorstellen. Ondertussen proberen actiegroepen de betrokken politici en ambtenaren te beïnvloeden.

De laatste barrière kan ontstaan bij de uitvoering van regels en wetten. Als de nieuwe wetgeving onduidelijk of onzorgvuldig geformuleerd is of als de bevolking de wet onaanvaardbaar vindt, ontstaat er een probleem. Problemen bij de uitvoering leiden oer het algemeen tot ‘reparatie wetgeving’ of tot een nieuwe cyclus in het proces van besluitvorming over de kwestie.

6.3

Politieke besluitvorming is gecompliceerd omdat er altijd omgevingsfactoren zijn die het proces beïnvloeden. In de omgeving van het politieke systeem onderscheiden we meer nationale omgevingsfactoren en internationale omgevingsfactoren.

We onderscheiden hier 6 soorten nationale omgevingsfactoren:

1. Economische factoren, ze beïnvloeden zowel de input als de output. De mogelijkheden van de overheid worden dus voor een groot deel economisch bepaald.

2. Culturele factoren, de politieke speelruimte van politici wordt ingeperkt door de dominante normen en waarden in het land.

3. Demografische factoren. Nederland vergrijst, dus komt de verzorgingsstaat onder druk te staan. De regering moet dus op andere beleidsterreinen rekening houden met het feit dat er minder geld te besteden is.

4. Geografische factoren. De ligging aan de zee en andere factoren hebben er aan bijgedragen dat Nederland een handelsland is geworden. Denk bijvoorbeeld aan de vondst van aardgas, door deze geologische factor werden de mogelijkheden voor het overheidsbeleid verruimd en was er geld voor de aanleg van bv. Deltawerken.

5. Technologische mogelijkheden. Oplossingen van problemen worden voor een deel begrensd door de technische mogelijkheden. Technische ontwikkelingen kunnen helpen bij het bestrijden van problemen maar kunnen ook problemen creëren.

6. Sociale omstandigheden. De manier waarop de bevolking in een land is verdeeld is (sociaaleconomische) klassen of (etnische) groepen bepaalt sterk de manier waarop mensen politieke besluiten accepteren.

Nederland heeft zich zowel economisch als politiek verbonden aan allerlei afspraken. Hierdoor is Nederland afhankelijk van deze relaties. Onze mogelijkheden om politieke problemen aan te pakken, zijn dan ook niet los te zien van internationale afspraken en ontwikkelingen.

  • Internationale organisaties. Nederland is lid van verschillende organisaties zoals de NAVO en de EU. Deze allianties scheppen verplichtingen op het gebied van defensie, immigratie, justitie enz.… Nederland is zelfs verplicht mee te werken aan de oplossing va financiële problemen van andere landen in de EU, waardoor het kabinet soms niet toekomt aan de aanpak van sommige andere eigen problemen.
  • Internationale verdragen. Door het tekenen van verdragen verplicht Nederland zich tot bepaalde afspraken zoals de opvang van vluchtelingen.
  • Internationale ontwikkelingen. Er zijn ontwikkelingen waar Nederland geen tot weinig invloed op heeft en die toch invloed hebben op de politieke speelruimte.

8.1

Progressief

Conservatief

Reactionair

betekent vooruitstrevend: alle problemen kunnen met de politiek opgelost worden op en vernieuwende manier.

Betekent behoudend, de samenleving is niet maakbaar en wat is bereikt wordt benadrukt. De overheid moet duidelijke normen stellen en zorgen dat die worden nageleefd.

Oude regels en gewoontes willen herstellen, een tegenreactie op de vernieuwende samenleving.

PvdA, GroenLinks, D66 en VVD

CDA, VVD en PVV

SGP en PVV

Filosoof en denker: John Locke

Britse conservatieve liberaal: Thomas Hobbes

 

 

Links

Midden

Rechts

  • Actieve rol overheid
  • Opkomen zwakken in de samenleving
  • Sociale ongelijkheid tegengaan
  • Middenweg tussen veel overheidsbemoeienis en veel eigen verantwoordelijkheid
  • Christendemocraten
  • Gezamenlijke verantwoordelijkheid burgers en overheid
  • Passieve rol overheid
  • Vrije economie
  • op sociaaleconomisch gebied wel veel overheidsbemoeienis

PvdA, SP en GroenLinks

CDA

VVD, PVV en SGP

 

Toen in Nederland het kiesrecht werd ingevoerd bestonden er nog geen politieke partijen. De volksvertegenwoordigers waren rijke burgers die zich wilden inzetten voor het algemeen belang. Abraham Kuyper richtte in 1879 de eerste politieke partij op: de Anti Revolutionaire Partij. Al snel volgen andere confessionele partijen en werden er revolutionaire en socialistische partijen opgericht. De 3 belangrijkste confessionele partijen (KVP, ARP en CHU) voegden zich later samen tot de CDA.

De meeste politieke partijen in Nederland zijn voortgekomen uit de ideologische traditie, deze ideologieën maakten de keuze eenvoudig. Tijdens de ontzuiling, verdwenen de traditionele zuilen. We spreken ook wel van ontideologisering: het verdwijnen van de ideologische leidraad van het (politieke) leven. Er ontstonden meer pragmatische en populistische partijen die niet pasten in traditionele ideologieën.

Pragmatische partijen

Populistische partijen

Ideologische partijen

Hebben geen vaste uitganspunten of principes. De actualiteiten worden ter discussie gesteld.

Een directe stijl van politiek bedrijven, laat de stem van het volk horen.

Baseren zich op een dieper liggende ideologie: een samenhangend geheel van de ideeën over de mens, menselijke relaties en inrichting van de samenleving.

D66, PVV

PVV, SP, 50Plus

Liberalisme, socialisme en confessionalisme

8.2

Met een politieke stroming wordt aangeduid het geheel van bepaalde ideeën en de groep mensen die zich verenigd heeft rondom die ideeën. Nederland kent traditioneel 3 hoofdstromingen: het liberalisme, socialisme en confessionalisme. Daarnaast hebben we het fascisme, ecologisme en feminisme.

Liberalisme: staat voor individualiteit, mensen zijn wel gelijkwaardig maar niet gelijk. Individuele vrijheid en individuele rechten zijn sleutelbegrippen. Kenmerken van het liberalisme zijn:

  • economische vrijheid: de vrijemarkteconomie en particulier initiatief zorgen voor een goede economie en stijgende welvaart. De overheid moet zich zo min mogelijk met de economie bemoeien. De liberalen zien de voordelen van de verzorgingsstaat maar benadrukken eigen verantwoordelijkheid;
  • politieke vrijheid: de hoogste macht hoort bij de bevolking, ze zijn tegen het idee dat de macht van de staat zich baseert op goddelijke wilsbeschikking;
  • het principe van de rechtsstaat: er moet juridische gelijkheid zijn maar de overheid moet zich niet bemoeien met de sociale (on)gelijkheid;

 

  • het rationalistisch individualisme: iedere burger is een rationeel handelend wezen, en als iedereen met verstand zijn eigenbelang nastreeft levert dat het beste resultaat voor de samenleving. Concurrentie tussen bedrijven zal mensen prikkelen beter te presteren. Dit leidt tot economische en technologische groei.

Socialisme: volgens socialisten kwam de ongelijkheid door de ongelijke verdeling van bezit. Mensen moeten gelijke kansen hebben, dan pas is er vrijheid en gelijkheid. Het socialisme keert zich ook tegen de vrijemarkteconomie. Rond 1900 ontstonden er twee bewegingen: het communisme en de sociaaldemocraten. Kenmerken van het socialisme zijn:

  • sociaaleconomische gelijkheid: politieke gelijkheid is alleen mogelijk als de verschillen in bezit, inkomen en kennis niet te groot zijn;
  • Nadruk op de tegenstelling kapitaal-arbeid: om een eind te maken aan de kapitalistische uitbuiting van de arbeiders moesten alle kapitaal, fabrieken, banken en grond in handen komen van de staat. In het huidige socialisme is dit minder aanwezig, de vrije markt wordt geaccepteerd als middel om de gewenste collectieve middelen t voorzien;
  • Het principe van de verzorgingsstaat: het socialisme zien we terug in de wettelijke erkenning van sociale grondrechten, zoals het recht op werk en bestaanszekerheid. Kenmerkend voor de verzorgingsstaat is de door socialisten gewenste actieve rol van de overheid. De positie van de zwakken in de samenleving moet worden verbeterd;

 

Confessionalisme: mensen baseren hun politieke overtuiging op hun geloofsopvatting. In Nederland is dit vooral het christelijke geloof. Er zijn verschillende varianten: rooms-katholiek, gereformeerd en hervormd. Gemeenschappelijke waarden zijn naastenliefde en de nadruk op een harmonieuze samenwerking. We spreken ook wel van christendemocratie, kenmerken zijn:

  • Harmonie: een harmonieuze samenwerking draagt bij aan het optimaal functioneren van de samenleving. Je spreekt van een organische staatsopvatting, de samenleving wordt vergeleken met het menselijk lichaam: de onderdelen kunnen niet afzonderlijk functioneren;
  • Rentmeesterschap: God is eigenaar van alles op aarde, het is de taak van de mens (die de aarde in bruikleen heeft) om de aarde leefbaar en ongeschonden te houden;
  • Het principe van gespreide verantwoordelijkheid: mensen moeten voor elkaar verantwoordelijkheid en zorg op zich nemen en de overheid moet mensen niet te veel uit handen nemen.

Fascisme: een machtige staat met een grote rol voor de leider, die de persoonlijke belichaming van de staat is. Het fascisme wil geen democratie maar wel een corporatieve staat waarbij werknemers en werkgevers harmonieus samenwerken.

In het nationaalsocialisme, een variant op het fascisme ligt de nadruk op raszuiverheid. Het principe van geien volk eerst vinden we ook terug bij rechts-extremisme. Fascisten en rechts-extremisten hebben een voorkeur voor militaire univormen en symbolen en het gebruik geweld wordt goedgekeurd als middel voor vet volk zelf om de eigen cultuur de beschermen.

Ecologisme: het ecologisme benadrukt wederzijdse afhankelijkheid van mensen en hun natuurlijke omgeving. Economische waarden moeten daarom ondergeschikt worden aan ecologische waarden. De marktgerichte economie moet vervangen worden door een kleinschalige, duurzame productiewijze.

Feminisme: streeft naar totale gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Ondanks het gelijkheidsbeginsel in onze wetten zien we nog veel onrechtvaardige sekseverschillen.

 

9.1

Knelpunten in de politieke besluitvorming:

1. Geen gekozen minister president. De president wordt benoemd, in tegenstelling tot andere landen waar hij direct gekozen wordt daar hebben keizers dus ook meer invloed op het beleid. In Nederland is het afwachten welk kabinet er wordt gevormd na de stemming;

2. Dictatuur van het regeerakkoord. De afspraken van de coalitie worden vastgelegd in het regeerakkoord en de tweede Kamerleden van de coalitiepartijen zijn gebonden aan deze afspraken. Door de dwang van het regeerakkoord hebben debatten soms weinig diepgang. Als Kamerleden zich niet aan de afspraken van het regeerakkoord houden, riskeren ze een kabinetscrisis;

3. Ongelijke toegang. Het merendeel van de volksvertegenwoordigers bestaat uit hoogopgeleide mannen uit de Randstad. Er is dus weinig sprake van representativiteit vanuit de politiek.

4. Afnemende invloed parlement. De machtsverhouding tussen de regering en het parlement s ongelijk verdeeld. Een minister heeft vaak veel kennis over een bepaald onderwerp terwijl een Tweede Kamerlid nergens specifiek in gespecialiseerd is dus de invloed van ministers neemt toe terwijl die van het parlement afneemt. De informatiekloof maakt het voor parlementsleden moeilijk de regering te controleren;

5. Minder autonomie. Door internationalisering en supranationale samenwerking is Nederland afhankelijker geworden van andere landen. Nederland staat door deze samenwerkingen een deel van haar autonomie, zeggenschap over eigen land, af.

9.2

Een lage opkomst bij verkiezingen is om een aantal redenen ongewenst:

  • Bij een lage opkomst is er een minder goede afspiegeling van de bevolking dan bij een hoge opkomst;
  • Het brengt de representativiteit van het gekozen bestuur in gevaar;
  • Als een bestuur niet representatief is dreigt het zijn legitimiteit te verliezen, de burgers aanvaarden het bestuur niet als gerecht om beslissingen te nemen waar zij zich aan moeten houden;

Als burgers het niet met de door hun gekozen politici eens zijn kunnen ze op twee manieren reageren:

1. Een politiek passieve houding, ontstaat als mensen hun standpunten niet onmiddellijk terugzien in het beleid. Er zijn meer oorzaken van een passieve houding:

    • Leefomgeving;
    • Weinig kennis van politiek, onbekendheid;
    • Gebrek aan zelfvertrouwen.

2. Een politiek actieve houding, als mensen zichzelf gaan betrekken bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. We noemen dit politieke participatie.

Politieke participatie

Electoraal

Niet-electoraal

Actief lid van een politieke partij

Actief lid van een pressiegroep

Stemmen bij verkiezingen

Actievoeren (demonstratie, petitie)

Deelnemen aan een verkiezingscampagne

Je mengen in het publieke debat

 

Lobbyen of contact leggen met politiek betrokkenen

 

9.3

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.