Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Ontwikkelingssamenwerking Actua

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 7850 woorden
  • 7 april 2010
  • 29 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
29 keer beoordeeld

Ontwikkelingssamenwerking

Hoofdstuk 1: Onderontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking
De Eerste Wereld zijn de rijke landen in Europa, Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. De Tweede Wereld zijn de landen in Oost-Europa en de ontwikkelde communistische landen in Oost-Azië. En de Derde Wereld zijn de armste landen die zich vooral op het zuidelijk halfrond bevinden. De rijke landen worden vaak als superieur, meer waard dan, en de arme landen als inferieur, minderwaardig, gekwalificeerd. De indeling in deze drie wereld is tegenwoordig iets minder duidelijk, dit komt door de globalisering.
De wereld is op dit moment ook eigenlijk niet aan het globaliseren, maar meer aan het sinificeren (globalisering met Chinese karakteristieken). Dit komt doordat China zich steeds meer ontwikkeld tot een soort van werkplaats van de wereld. Het levert namelijk goedkopere producten.

Er zijn ook mensen die spreken van het ‘Gele Gevaar’. China is namelijk eeuwenlang een ontwikkelingsland geweest. De goedkope Chinese productie vormt een bedreiging voor de zwakke industrie in Afrika. Maar toch is China op een aantal punten gewoon een ontwikkelingsland. Het heeft op bepaalde punten een achterstand en er zijn een aantal problemen:
- Gapende kloof tussen arm en rijk;
- (Vaak verborgen) werkloosheid;
- Problemen met het milieu- en de infrastructuur.
- De opbouw van de rechtsstaat blijft achter.
- Sociale onrust door slinkse landonteigeningen, bijvoorbeeld door gedwongen onteigening.
Dat de wereld geglobaliseerd is te zien doordat voormalige ontwikkelingslanden steeds meer gaan lijken op de ontwikkelde landen. De concentratie van armoede hangt samen met een zogenaamde scheiding in:
- Typische ontwikkelingslanden.
Zij kenmerken zich door:

• Stagnerende economische groei;
• Gewapende conflicten;
• Staat die onwillig of onmachtig is om de ontwikkelingsproblematiek aan te pakken;
- ‘Atypische’ ontwikkelingslanden. Deze groep ontwikkelingslanden industrialiseert en urbaniseert in hoog tempo, waarbij hun welvarende steden nauwelijks onder doen voor de metropolen van het noorden.

Ontwikkelingssamenwerking is het geheel van activiteiten waarbij rijke landen en Derde Wereldlanden samen proberen de onderontwikkeling in de Derde Wereld in de Derde Wereld terug te dringen. Ontwikkelingssamenwerking bevat alle maatregelen die genomen worden om de structurele relaties tussen industrielanden en Derde Wereldlanden te verbeteren, maar ook diverse maatregelen die in de welvarende landen zelf worden genomen. Ontwikkeling is een veranderingsproces in de samenleving dat is gericht op vergroting van het menselijk welzijn in een samenleving. Welzijn bevat een materieel en immaterieel onderdeel. Onder welvaart wordt de mate van behoeftebevrediging, voor zover deze afhankelijk is van het omgaan met schaarse middelen. (materieel, je bezittingen aan goederen). Bij welzijn spelen materiële en immateriële zaken een rol (immaterieel is niet geldelijke). Als er in een samenleving sprake is van verandering, dat leidt tot meer menselijk welzijn, spreken we van ontwikkeling. Ontwikkeling kan diverse dimensies hebben:
- Economische: Er worden meer goederen en producten geproduceerd om in de behoefte (vraag) van een snel groeiende bevolking te voorzien.
- Sociale en politieke:
• Rechtvaardige verdeling van de belastingen en sociale voorzieningen.
• Verkleining van de welvaarts- en inkomensverschillen in de samenleving.
• Waarborgen van de sociale en politieke grondrechten.

- Ecologische: Je houdt rekening met de mogelijkheden en de beperkingen van het milieu.
- Culturele: Je houdt rekening met de culturele identiteit van mensen en met hun menselijke waardigheid.

Het begrip onderontwikkeling in relatie tot de Derde Wereld kent drie aspecten:
1. Beschrijving van de toestand: er zijn verschillen in welvaart tussen welvarende en Derde Wereldlanden, maar ook binnen Derde Wereldlanden zelf. Er zijn vier soorten ontwikkelingslanden te onderscheiden:
• Low Industrial countries: Landen met zeer lage inkomens.
• Middle income countries: Landen waar men lage inkomens heeft en waarbij de verschillen in inkomens tussen de diverse regio’s in die landen erg groot zijn.
• New Industrial countries: Landen waar de industriële ontwikkeling zeer snel gaat.
• Olielanden: Zij vormen een aparte categorie. Dit zijn landen die met de olie te maken hebben en hierdoor hoge inkomens hebben. Maar de verdeling van die inkomens is erg verschillend.

2. Je gaat uit van een normatieve benadering: Grote verschillen tussen ontwikkelde en Derde Wereldlanden en binnen Derde Wereldlanden zelf worden als onrechtvaardig beschouwd. De structuren zijn zo dat mensen zich geestelijk en lichamelijk niet optimaal kunnen ontplooien. Mensen gaan uit van hun eigen waarden en normen.
3. Het past binnen een bepaalde theorie: Ontwikkeling en onderontwikkeling zijn met elkaar verbonden. Ontwikkeling in een bepaald deel van de wereld leidt tot onderontwikkeling in een ander deel van de wereld.
Onderontwikkeling heeft alleen betrekking op welvaart en welzijn. Onderontwikkelde landen kunnen een rijke cultuur en hoog beschavingsniveau hebben. Onderontwikkelde landen vinden onze milieuproblemen en gestresste maatschappij ook niet getuigen van beschaving. De ontwikkelingslanden zijn niet minderwaardig aan ons.
Ontwikkelingshulp wijst op een afhankelijkheidspositie van de ontwikkelingslanden. En bij ontwikkelingssamenwerking wordt het samenwerken tussen ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen meer benadrukt. Er wordt dan op basis van gelijkheid gehandeld.

De massamedia zorgt voor de beelden die mensen van de Derde Wereld hebben. Hierdoor wordt de onderontwikkeling als onrechtvaardiging en maatschappelijk probleem gezien. Ook vinden de burgers het een politiek probleem. Ze vinden dat de overheid maatregelen moet nemen om de onderontwikkeling in Derde Wereldlanden terug te dringen. Bij de oplossing van onderontwikkeling is er vaak sprake van tegengestelde belangen in de samenwerking tussen landen. Op nationaal en internationaal niveau dienen er maatregelen genomen te worden om de onderontwikkeling in de wereld te verminderen.
Over het politieke beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking bestaan enorme verschillen in opvatting:
- Hoe dienen de overheidsmiddelen aangewend te worden?
- Hoe hoog dient het bedrag te zijn dat we aan ontwikkelingssamenwerking moeten besteden?
- Welke landen moeten ontwikkelingsgeld krijgen?
- Welke criteria hanteren we voor het verstrekken van ontwikkelingsgeld aan ontwikkelingslanden?

De laatste jaren wordt ontwikkelingssamenwerking in verband gebracht met het milieuvraagstuk, het vluchtelingenprobleem en de toenemende migratie. Ontwikkelingssamenwerking moet niet aan een ideologie gekoppeld worden. Er moet naar de praktijk gekeken worden. De ontwikkelingssamenwerking moet zich in het geval van de typische ontwikkelingslanden zich meer richten op het bestrijden van de ergste nood en het investeren en helpen van individuen.
Het schrappen van een lijst omdat ze niet meer behoren tot de typische, maar atypische landen is ook gevaarlijk. In landen waar er sprake is van een enorme groei en die doordringen tot de atypische landen ligt een effectieve en gelijkwaardige ontwikkelingssamenwerking binnen handbereik. De rijke landen kunnen dan een substantiële bijdrage leveren aan de lange-termijn-ontwikkeling van deze landen, doordat zij over de gouvernementele en infrastructurele capaciteit beschikken.
Een indeling in verschillende soorten van werelden kan het gevaar inhouden dat we te weinig kijken naar het zuiden in termen van typisch en atypisch. Niet alleen de ontwikkelingsprestaties van een land moeten in de gaten worden gehouden, maar ook de tegenstellingen in een land.

Het beeld dat we van de Derde Wereld hebben komt op twee manieren tot stand:
- Via de massamedia: De Derde Wereld komt vooral in beeld als er zich rampen, politieke omwentelingen en inzamelingsacties voltrekken. Daardoor ontstaat het beeld van de hulpbehoevende Derde Wereld en het idee dat er allerlei vormen van ontwikkelingshulp toch geen nut hebben.
- Via directe contacten:
• Als toerist, ontwikkelingswerker, ambtenaar of werknemers van multinationals komen we in ontwikkelingslanden terecht, dit leidt tot een genuanceerder beeld.
• Steeds meer mensen uit de Derde Wereld komen in Nederland: studenten, buitenlandse werknemers, rijksgenoten en politieke en economische vluchtelingen (asielzoekers).

De kenmerken van een ontwikkelingsland zijn:
- Laag BNP per hoofd van de bevolking;

- Erg ongelijk verdeeld nationaal inkomen;
- Grote tegenstelling tussen stad en platteland;
- Groot gedeelte van de bevolking werkt in de primaire sector;
- Snel groeiende steden met krottenwijken;
- Lage scholingsgraad;
- Lage levensverwachting;
- Hoge zuigelingen- en kindersterfte;
- Snel groeiende bevolking vanwege het niet gebruiken van voorbehoedsmiddelen;
Deze kenmerken van ontwikkelingslanden leiden tot typische problemen van ontwikkelingslanden waarvoor externe en interne verklaringen zijn. Voorbeelden hiervan zijn:
- Politieke problemen: Er is veel corruptie
- Sociale problemen: Grote verschillen tussen arm en rijk.
- Economische problemen: Sommige ontwikkelingslanden hebben grote schulden.

- Demografische problemen: Er is een grote trek naar de stad. Ook van braindrain: wegtrekken van hooggeschoolden naar het buitenland.
- Culturele problemen: Cultureel imperialisme: Het opdringen van een moderne westerse leefstijl, terwijl de traditionele bevolking vast wil houden aan oude normen, waarden en gebruiken.
- Ecologische problemen: Deze kunnen worden onderverdeeld in vier soorten:
• Aantasting van het milieu als gevolg van armoede en verkeerd ontwikkelingsbeleid.
• Natuurrampen als gevolg van de aantasting van het milieu.
• Milieuverontreiniging vanwege afwezigheid van riolering of waterzuivering.
• Milieuverontreiniging als gevolg van afwezigheid van milieubeleid. Dit kan leiden tot het dumpen van afval of de vestiging van westerse vervuilende industrieën.

Er zijn interne en externe factoren die ervoor zorgen dat een land een ontwikkelingsland is, de interne factoren zijn:
- Macht van interne elites. Sommige koloniale mogendheden heersten over kolonies via de bestaande inheemse elites.

- Sociale structuur. In veel ontwikkelingslanden zijn de sociale verhoudingen zodanig dat ontwikkelingshulp alleen maar ten goede komt aan de hogere klasse en niet aan de allerarmsten.
- Bezitsverhoudingen. De grond is vaak in handen van een kleine groep grootgrondbezitters die ook het transport en de handel van de landbouwproducten beheerst. De pachten zijn vaak veel te hoog, waardor de boeren onder voortdurende druk van schulden aan de landeigenaar leven en werken.
- Lage scholingsgraad die weer leidt tot een lage kwaliteit van werk.
- Gebrek aan kapitaal: dit leidt tot eenzijdig (kwalitatief) en te weinig voedsel (kwantitatief). Dit leidt to lichamelijke zwakte, ziekte en dus tot mindere prestaties.
- Gebrek aan technische kennis, hierdoor verbeteren productiemethoden nauwelijks of heel langzaam.
- Slechte infrastructuur: de voorwaarden die handel en industrie mogelijk maken zijn onvoldoende aangelegd, zoals water- land- en luchtwegen.

Externe factoren die het voortbestaan van de onderontwikkeling ondersteunen zijn:
- De marginale positie van het ontwikkelingsland in de wereldeconomie. Het aandeel van ontwikkelingslanden in de wereldhandel is minimaal. Steeds is men van rijke landen afhankelijk, van hun kapitaal en technische ontwikkeling.
- Ongunstige internationale arbeidsverdeling: De ontwikkelingslanden voeren goedkope grondstoffen uit waaraan weinig toegevoegde waarde zit. Daarentegen moeten ze dure industrieproducten met veel toegevoegde waarde invoeren.

- Ongunstige ruilvoet (hoeveelheid goederen die een land kan importeren in ruil voor zijn export) en ruilvoet verslechtering. Derde Wereldlanden moeten relatief veel en steeds meer goederen leveren om producten van de ontwikkelde landen te kunnen kopen.
- Internationale politieke verhoudingen: Het zijn rijke landen die bepalen hoe de internationale economische politiek loopt
- Kolonialisme en neo-kolonialisme: dankzij het verleden en de hedendaagse politiek van de rijke landen verkeren de ontwikkelingslanden in hun miserabele positie.
- Protectionisme: Rijke landen stellen importheffingen in op producten uit de Derde Wereld.
- Schuldenlast: De ontwikkelingen hebben zulke grote schulden dat ze economisch en financieel helemaal afhankelijk zijn van de rijkere landen.
- De VS en de Europese Unie dumpen er hun landbouwoverschotten: de plaatselijke Derde Wereldboeren gaan zo ten gronde.
- Klimaatverandering. Bepaalde delen in de wereld worden bij een opwarming van de aarde wellicht geschikt voor de landbouw, maar andere delen juist niet. De klimaatverandering zal in de ontwikkelingslanden voor grote effecten zorgen:
• De veranderingen in het regenpatroon en de regenintensiteit zijn voldoende om oogsten in de regenafhankelijke landen in Afrika te doen mislukken.

• Een temperatuurstijging van 2 tot 3,5 graden Celsius kan in India leiden tot een kwart minder inkomsten voor boeren.
• Door het smelten van gletsjers komt de drinkwatervoorziening van miljoenensteden in gevaar.
• De stijgende zeespiegel leidt tot verzilting van het grondwater in delta’s als Bangladesh.
• Veranderende neerslagpatronen leiden in Ethiopië tot 40% minder groei van het BNP.
• De verwoestijning in een aantal gebieden op de wereld neemt toe.
• De millenniumdoelen zullen door de klimaatverandering niet worden gehaald.
Klimaatverandering is geen nieuw verschijnsel. Mensen kunnen zich steeds beter aanpassen. Maar door de klimaatverandering is aanpassing veel moeilijker. De kans is groot dat door de klimaatverandering de kloof tussen arm en rijk nog groter wordt.
Interne en externe factoren die het voortbestaan van onderontwikkeling verklaren hangen met elkaar samen. De factoren om onderontwikkeling te verklaren kunnen van land tot land verschillen. De combinatie en wisselwerking van interne en externe factoren kan per land anders zijn. Zoals:

- Sommige landen zijn gekoloniseerd geweest en anderen niet.
- Sommige landen zijn rijk aan natuurlijke hulpbronnen, anderen niet.
- Sommige landen zijn intern verscheurd, anderen niet.

Er zijn twee theorieën te onderscheiden ter verklaring van onderontwikkeling:
- Afhankelijkheidstheorieën: deze theorieën stellen dat onderontwikkeling mede het gevolg is van de machtspolitiek van de rijke landen. Deze dependenciatheorieën zijn in Latijns-Amerika ontwikkeld door Frank. Hij stelde dat de wereld te verdelen valt in metropolen en satellieten. De metropolen zijn de grote industriële machtscentra en de satellieten zijn de arme geibeden, die van die metropolen afhankelijk zijn. Drie negatieve effecten veroorzaken metropolen:
• Ze onttrekken de grondstoffen aan de Derde Wereld.
• De bewoners worden gebruikt als goedkope arbeidskrachten.
• Ze onttrekken de winsten aan de arme landen.
De Zweedse deskundige Galtung maakte de centrum-periferie-theorie: de wereld kent machtscentra en randgebieden (periferie) daaromheen, maar ook de arme landen kennen een machtscentrum en een periferie daaromheen: grote steden en het verarmde platteland. Afhankelijkheidstheorieën leggen de nadruk op de externe oorzaken van onderontwikkeling. Maar hen wordt verweten dat ze te weinig rekening houden met:
• Interne tegenstellingen in de ontwikkelingslanden.

• Corrupte en onbekwame regimes.
• De eenzijdige economische benadering die voorbij gaat aan politieke, sociale en culturele problemen.
- Evolutionistische theorieën: arme landen verkeren nog in een fase van hun ontwikkeling die de westerse landen al achter de rug hebben. Deze theorie komt van de Amerikaan Rostow. De meeste Derde Wereldlanden zijn niet in staat geweest om de overstap naar de industriële ontwikkeling te maken. Evolutionistische theorieën leggen de nadruk op interne oorzaken van de onderontwikkeling. Maar er was nogal wat kritiek op deze theorie:
• Er werd geen rekening gehouden met dat de voorwaarden voor ontwikkeling voor de westerse landen heel anders was dan voor de Derde Wereldlanden.
• Arme landen verkeerden in een vicieuze cirkel waar ze zonder hulp niet uit zouden kunnen komen.

Hoofdstuk 2: Het belang van ontwikkelingssamenwerking
De koloniale geschiedenis van de ontwikkelingslanden kan worden onderverdeeld in vier periodes:
- Kolonialisme (1500-1700): het veroveren en overheersen van een vreemd, meestal overzeese gebiedsdelen. Westerse landen veroveren overzeese gebieden. Nederlands-Indië en Suriname werden koloniën van Nederland vanwege de handelsdoeleinden.
- Imperialisme (1700-1900: Het veroveren van meestal overzeese gebiedsdelen. Deze gebiedsdelen leg je ook op jouw politiek systeem op. Westerse landen hebben behoefte aan grondstoffen (olie etc.) voor de industriële ontwikkeling.

- Dekolonisatie (1900-1970): Onafhankelijk worden van de kolonies. Kolonies worden politiek afhankelijk van Nederland (Engeland en Frankrijk), maar blijven afhankelijk van het westen.
- Neo-kolonialisme (1970-heden): De kolonies zijn politiek onafhankelijk, maar ook economisch afhankelijk van het westen. Nieuwe kolonisatie waarbij het westen ongelijkwaardige relaties met derde wereldlanden handhaaft. Het neo-kolonialisme is een voortzetting van de dekolonisatie.

Een aantal motieven van rijke landen om ontwikkelingshulp te geven zijn:
- Politieke en/of strategische motieven en belangen. Hieronder vallen bijvoorbeeld:
• Culturele motieven/belangen: Het verspreiden van de eigen taal en cultuur.
• Ecologische motieven: milieuproblemen zijn vaak grensoverschrijdend. Ontwikkelingslanden hebben geen geld om dit probleem aan te pakken. Het is dan ook van mondiaal belang dat er iets aan de milieuproblematiek gedaan wordt.
• Oplossing van de vluchtelingenproblematiek: steeds meer landen ervaren problemen met vluchtelingen. Om migratie te verminderen of tegen te gaan, zou men moeten werken aan toename van stabiliteit en welvaart in de ontwikkelingslanden, zodat de noodzaak van mensen om uit die landen te vluchten afneemt.

- Economische en culturele motieven en belangen. Ontwikkelingshulp van land tot land wordt vrijwel nooit in contant geld gegeven. Meestal gaat het om het leveren van goederen en diensten. De rijke landen hebben hier motieven voor:
• Bevorderen van de export.
• Import van noodzakelijke grondstoffen en halffabricaten.
• Het verwerven van orders voor het bedrijfsleven.
- Ethisch/humanitaire motieven. Dit gaat over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Hier erkent men de morele plicht om zich in te zetten voor de armoedebestrijding en het naleven van sociale en politieke mensenrechten.

Multinationals (transnationale ondernemingen; internationale ondernemingen met vestigingen over de hele wereld). Investeren in ontwikkelingslanden om handelsbelang. Een aantal redenen hiervoor zijn:
- De arbeidskrachten zijn er goedkoop.
- Belastingen en invoerrechten en dergelijke zijn veel gunstigere dan in ontwikkelde landen.

- De voorsprong van multinationals in technisch en organisatorisch opzicht is zo groot dat er weinig concurrentie is.
- Veel ontwikkelingslanden zijn bereid om met ontwikkelingshulp die infrastructurele maatregelen te nemen die multinationals noodzakelijk achten.
- De regeringen in ontwikkelingslanden stellen geen milieueisen.
De verwachtingen van ontwikkelingslanden bij de aanwezigheid van multinationals waren hoog gespannen:
- Het bracht werkgelegenheid met zich mee.
- Belastingopbrengsten zouden stijgen.
- Door hogere belastingsopbrengst konden de ingevoerde consumptie- en kapitaalgoederen worden betaald.
- Overdracht van technologische en organisatorische kennis.
- Bevordering van economische groei in de Derde Wereld.
Nadelen voor de komst van de multinationals in ontwikkelingslanden zijn:
- De winst vloeit weg naar rijke landen.
- Het wegconcurreren van lokale producten, waardoor werkgelegenheid verdwijnt.

- Het vergroten van de ongelijkheid tussen stad en platteland.
- Het vergroten van de tegenstelling tussen arm en rijk, doordat de productie zich vooral richt op de kapitaalkrachtige elites.

Economische belangen zijn voor de ontwikkelingslanden het belangrijkste bij ontwikkelingshulp, zoals:
- Toegang tot wetenschappelijke kennis.
- Men krijgt lage rentes en gunstige voorwaarden op de internationale geldmarkt, waardoor je weer kunt gaan investeren.
- Verlichting of kwijtschelding van schulden.
- Gunstige ruilvoet (hoeveelheid goederen die een land kan importeren in ruil voor zijn export), zodat ze voor hun eigen producten voldoende westerse producten krijgen.
- Eerlijke handel stimuleren, zodat winsten bij de bevolking terecht komt.
- Vrije toegang van vooral de minst ontwikkelde landen tot westerse markten die nu nog invoerrechten hanteren.
- Inschakelen van eigen deskundigen bij de ontwikkelingen en uitvoering van ontwikkelingssamenwerking.

- Afspraken voor redelijke prijzen voor hun grondstoffen.
- Ontwikkelingslanden die zelf weinig te bieden hebben, willen langdurige technische en financiële hulp om eigen middelen van bestaan op te bouwen.
- Het voorkomen van dumping van landbouwproducten door de rijke landen.
- De rijke landen moeten landbouwsubsidies beëindigen en de exportsubsidies moeten worden afgeschaft.
- Particuliere ondernemingen mogen zich wel in ontwikkelingslanden vestigen als ze de winsten daar ook blijven investeren.
Stappen die de ontwikkelingslanden zelf kunnen zetten ter verbetering van hun economie zijn:
- Infrastructuur verbeteren, waardoor westerse bedrijven zich er graag gaan vestigen.
- Monopolievorming of kartelvorming verbieden om te voorkomen dat enkele ondernemingen het hele proces dicteren.
- De armste groepen betrekken bij de markt.
- Het verbeteren van de kredietfaciliteiten voor de inwoners die willen investeren.

Ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal positieve gevolgen voor ontwikkelingslanden:
- Economische groei;
- Betere positie in de wereldhandel;
- Vermindering van de armoede;
- Hogere scholing;
- Betere huisvesting;
- Betere gezondheidszorg;
- Betere infrastructuur;
Negatieve gevolgen voor de ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden zijn:
- Afhankelijkheid van donorlanden.
- Afhankelijk van anderen op het gebied van kennis, op technisch gebied en van onderdelen van door ontwikkelde landen geleverde machines.
- Bestedingsvrijheid vervalt door gebonden hulp.
- Sociale ongelijkheid vergroot, omdat vooral de economische elites van de hulp profiteren.
- Tegenstelling tussen stad en platteland wordt groter.

- Sociale desintegratie omdat allerlei sociale verbanden verdwijnen.

Ontwikkelingsstrategieën zijn modellen van aanpak om het doel van meer ontwikkeling te bereiken. Het zijn de theorieën die door de rijke landen of door internationale organisaties worden verkondigd of opgelegd. Omdat wij als rijke landen bepaalde modellen als het ware opleggen ontstaan er spanningen tussen ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en de uiteenlopende ontwikkelingsstrategieën. Er kunnen vier strategieën onderscheiden worden:
- Het kapitalistisch model. Bij deze strategie wordt er gestreefd naar economische groei die zich vooral richt op de export, de zogenaamde vrije ondernemingsgewijze productie. Dit is een politiek-economisch stelsel waarin de basis wordt gevormd door particuliere ondernemingen die voor een markt produceren en waarin de overheidsinvloed kan variëren van bijzonder klein tot bijzonder groot. De kenmerken van dit model zijn:
o Men wil multinationals binnenhalen.
o Het economisch systeem van ontwikkelingslanden dient zich structureel aan te passen.
Dit betekent dat men de uitgangspunten van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds accepteert voordat men hulp krijgt. Het IMF verstrekt tijdelijke kredieten aan landen met betalingsproblemen. De ontwikkelingslanden moeten aanpassingsprogramma’s opstellen. Liberalisering van de wereldhandel staat bij dit alles voorop. Er is alleen ook wat kritiek:
o De armste mensen zullen nog armer worden.

o Er wordt van vrouwen steeds meer gevraagd, omdat iedereen armer wordt.
o Een toename van ongelijkheid in die landen, grotere kloof tussen arm en rijk.
o Verdere uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en van grondstoffen.
- Socialistisch model: dit systeem streeft naar economische groei. Die economische groei moet nu vooral afkomstig zijn van staatsbedrijven en coöperaties. Staatsbedrijven staan onder toezicht van de staat en deze bepaalt de hoeveelheid die geproduceerd wordt. Coöperaties zijn bedrijfjes die samenwerken en onderling afspraken maken. In dit socialistische model is sprake van een planeconomie: de staat bepaalt de hele planning van de economie en stelt productiecijfers vast die koste wat kost gehaald moeten worden. Dit systeem is mislukt, enkele verklaringen hiervoor zijn:
o De strakke planning van bovenaf en de gebrekkige distributie.
o Het gebrek aan inzet van de mensen omdat ze niks te winnen ofte verliezen hebben in dit systeem. Eigen particulier initiatief was hierin niet gewenst.
- Basisbehoeftenstrategie. Dit werd vooral toegepast in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Bij deze strategie kende men een zeer hoge prioriteit toe aan de vervulling van een aantal basisbehoeften als voedsel, onderdak, schoon water, hygiëne, gezondheidszorg en onderwijs voor de allerarmsten. Hierop kwam ook veel kritiek. Men ging veel te veel uit van het beschikbaar stellen van zaken, terwijl men te weinig deed aan de participatie van de armen.
- Model van structurele armoedebestrijding en het scheppen van voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling. De ontwikkeling dient zo veel mogelijk op eigen kracht te gescheiden en met zo weinig mogelijk negatieve invloeden van buiten. Participatie van de direct betrokkenen en machtsvorming van de armen zijn belangrijke elementen van de ontwikkelingsstrategie van niet-gouvermentele organisaties. Dit model probeert de armoede op diverse manieren te bestrijden:

o Er moeten sociale basisvoorzieningen worden gecreëerd die voor iedereen toegankelijk zijn als men in nood verkeert.
o Bevordering van de economische ontwikkeling van sectoren met een concentratie van armoede met hulp van arbeidsintensieve middelen.
o Steun verlenen aan de agrarische economie.
o Herverdeling van welvaart en inkomen in die landen.
Er zijn ook nog wat andere uitgangspunten:
• Goed en deugdelijk bestuur in die ontwikkelingslanden.
• Goed economisch en sociaal beleid.
• Aandacht voor democratie en mensenrechten.
Het model is een aanvulling op het kapitalistisch model, want het vermindert de negatieve kanten van het kapitalistisch model.

Hoofdstuk 3: Vormen van ontwikkelingshulp en internationale hulporganisaties

Er zijn drie kanalen waarlangs het geld naar ontwikkelingslanden gaat:

- Bilaterale hulp: Hulp van land tot land. Nederland stelt zelf vast aan welke landen het ontwikkelingshulp geeft. Dit heeft twee nadelen voor het ontvangende land:
o Politieke en economische belangen spelen een rol.
o Het is vaak gebonden hulp, dus het geschonken geld moet vaak gebruikt worden in het donerende land.
- Multilaterale hulp: Hulp via internationale organisatie (zoals de VN, Wereldbank, IMF of de Europese Unie) aan een of meer landen. De voordelen voor het ontwikkelingsland zijn:
o Politieke en economische belangen van het donorland spelen niet zo’n grote rol.
o Ontwikkelingslanden participeren op enigszins gelijkwaardige basis in internationale organisaties, waardoor zij ook mee kunnen praten over de besteding van de gelden.
o Een aantal multilaterale organisaties heeft zich vaak via deskundigen uit het ontwikkelingsland zelf, gespecialiseerd in ontwikkelingssamenwerking.
o Betere afstemming van de hulp en bevordering van de efficiëntie.

Maar die voordelen zijn niet allemaal waar:
• Belangen van donorlanden spelen wel degelijk een rol.
• Er is strijd om belangrijke functies in internationale organisaties en de Wereldbank.
• Er werken relatief veel westerse deskundigen.
- Particuliere hulp, organisaties als NOVIB en Hivos krijgen geld via de overheid en van particuliere burgers voor steun aan hun projecten in ontwikkelingslanden.
Ontwikkelingshulp kan worden onderverdeeld in verschillende soorten:
1. Noodhulp: humanitaire hulp in noodsituaties.
2. Structurele hulp: Gericht op het blijvend verbeteren van de economische situatie in een land. Bij structurele hulp gaat men er vanuit dat verbetering van de economische toestand ook ten goede komt van de allerarmsten. Het is dan ook een langdurige relatie. Voorbeelden zijn:
• Programmahulp of sectorhulp: vorm van bilaterale structurele hulp. Nederland geeft geld uit voor projecten die door mensen uit het donorland zelf worden opgezet.

• Themahulp: vorm van structurele hulp waarbij hulp wordt onderverdeeld in bepaalde categorieën of thema’s:
o ‘Economie, werkgelegenheid, regionale ontwikkeling en exportbevordering’, met als doelen het bevorderen van het particuliere bedrijfsleven in de ontwikkelingslanden en het verbeteren van de positie van ontwikkelingslanden in de wereldhandel.
o ‘Maatschappelijke ontwikkeling’, met als doel gezondheidsbevordering en het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
o ‘Veiligheid, mensenrechten en conflictbeheersing’.
o ‘Macrosteun en schuldverlichting’, dit om de betalingsbalans van een ontwikkelingsland te ondersteunen.
o ‘Onderwijs, onderzoek en culturele samenwerking’.
3. Gebonden hulp: Hulp waaraan de voorwaarde is verbonden dat de hulpontvangende landen geld moeten besteden in het hulp gevende land of bedrijven uit het hulp gevende land moeten inschakelen bij de uitvoering van de projecten. Het Nederlandse bedrijfsleven is hier voor in verband met het eigenbelang. De laatste jaren wordt er vaak gebruikt gemaakt van microkrediet bij ontwikkelingshulp. Een kleine lening van enkele honderden euro’s die wordt toegekend aan ondernemers in ontwikkelingslanden die daar een bedrijf willen beginnen en door een gebrek aan onderpand en inkomen niet in aanmerking komen voor een lening bij een traditionele bank. Dit krediet verschaft eenvoudige mensen geld, waardoor ze in de toekomst hun financiële positie zouden kunnen verbeteren. Een microkrediet wordt doorgaans aan een groep aanvragers verstrekt en niet aan een individu. Dit worden de solidariteitsgroepen genoemd. De hele groep kan dan worden aangesproken op de terugbetaling van de schuld, zo ligt er ook een druk op elk individu.

In internationale beleidskringen is momenteel veel te doen over de circulaire migratie: De migrant kan zich min of meer vrij bewegen tussen herkomstland en gastland. Circulaire arbeidsmigratie kent een aantal voordelen:

- Voor ontwikkelingslanden is de groeiende stroom bankoverschrijvingen het belangrijkste van migratie. Voor de gastlanden zit het voordeel vanwege de toenemende stroom arbeiders.
- Gereguleerde circulaire arbeidsmigratie zou leiden tot hogere overboekingen naar de thuislanden. Tijdelijke migranten nemen hun familie niet mee, zo blijven de banden met het thuisland sterk.
- De brain drain wordt verminderd en de brain gain en brain circulation worden bevorderd. Voor de migranten zijn de gevolgen niet erg, want ze worden maar tijdelijk van hun familie gescheiden.
In de visie van circulaire migratie is er ook sprake van transnationalisme. Migratie is een continue stroom van mensen, goederen, geld en ideeën, die nationale grenzen overschrijven en daarmee verschillende fysieke, sociale en economische gebieden met elkaar verbinden. Circulaire migratie is een natuurlijke nieuwe ontwikkeling in migratiepatronen. Een nieuw probleem is integratie. Transnationale activiteiten staan de mogelijkheid om te integreren niet in de weg. Een migrant heeft nu alleen meerdere identiteiten. Circulaire migratie vindt zijn oorsprong in de vrije markt, omdat het vrij verkeer van goederen en diensten is.

De VN(Verenigde Naties) is een hele belangrijke organisatie die de onderontwikkeling terug wil dringen. De doelen van de VN zijn:
- Het handhaven van internationale vrede en veiligheid.
- Het smeden van vriendschappen tussen naties en het bevorderen van sociale vooruitgang.
- Streven naar betere leefomstandigheden.
- Bevorderen van de naleving van de mensenrechten.
De VN heeft ook meegeholpen bij een aantal activiteiten:
- Opstelling van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948.
- Het oproepen van rijke landen om 0,7% van het BNP aan ontwikkelingssteun te besteden.

- Het Ontwikkelingsprogramma van de VN is één van de grootste multilaterale verschaffers van ontwikkelingsgelden (UNDP).
De belangrijkste organisaties die de VN helpen bij de ontwikkelingssteun zijn:
- FAO (Food and Agriculture Organization, voor landbouw en voedsel): ontwikkeling van de landbouw, voorkomen van voedselschaarste en bestrijden van hongersnoden.
- UNCTAD (United Nations Conference on Trade en Development, voor handel, hulp en ontwikkeling): Het verbeteren van handelsbetrekkingen tussen Derde Wereldlanden en rijke landen en het sluiten van gunstige handelsovereenkomsten voor ontwikkelingslanden.
- WHO (World Health Organization, Wereldgezondheidsorganisatie) Terugdringen van onderontwikkeling door verbetering van de gezondheidszorg en het bestrijden van epidemieën.
- UNESCO (United Nations Internationals Children’s Emergency Fund, Voor kinderen) Zij trekt zich het lot van kinderen in de Derde Wereld aan, door bijvoorbeeld het verbeteren van gezondheidscampagnes.
- UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees, Commissariaat voor vluchtelingen) Regelt de opvang voor vluchtelingen.

- UNEP (United Nations environment Programma, voor het milieu) probeert de milieuvernietiging en milieuvervuiling tegen te gaan.
In 2000 werden de millenniumdoelen gesteld. Er werd afgesproken om de belangrijkste wereldproblemen voor 2015 aan te pakken. Er werden acht doelstellingen vastgelegd:
- De armoede halveren en zorgen dat minder mensen honger hebben.
- Alle kinderen moeten naar school.
- Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig.
- Minder kindersterfte.
- Moedersterfte terugbrengen met driekwart.
- Bestrijding van hiv/aids, malaria en andere dodelijke ziektes.
- Bescherming van het milieu, iedereen schoon drinkwater en minder mensen in sloppenwijken.
- Afspraken maken over schuldenverlichting, eerlijke handel en meer hulp.
De grootste obstakels waardoor deze doelen moeilijk te behalen zijn, zijn:
- Slecht bestuur;
- Corruptie;

- Gebrekkige uitvoeringscapaciteit in ontvangende landen;
- Onveiligheid;
- Versnippering van de hulp;

Er zijn vijf factoren belangrijk voor de effectiviteit van de VN:
- De mate van interne overeenstemming. De tegenstellingen tussen de landen op het noordelijk en die op het zuidelijk halfrond zijn latent (onder de oppervlakte) aanwezig. Als de tegenstellingen manifest (aan de oppervlakte) worden, zal het organiserend vermogen van de VN tegenvallen.
- De beschikbare machtsmiddelen. De VN heeft niet veel mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de wereld.
- De mate waarin internationale problemen niet opgelost kunnen worden door landen of groepen van landen zelf. Als er problemen zijn, moeten deze vaak mondiaal worden opgelost.
- Logge bureaucratie van het apparaat. In ontwikkelingslanden is het heel moeilijk om zaken snel veranderd te krijgen dor de traagheid van het ambtenarenapparaat.
- Beperkte financiële middelen.

Alleen als de internationale gemeenschap echt samenwerkt, kunnen problemen worden opgelost. Dit dilemma wordt ook wel ‘prisoner’s dilemma’ of het dilemma van collectieve actie genoemd: Dit dilemma geeft een verklaring waarom staten zo vaak de voorkeur geven aan hun eigen belangen en dan vooral bezien op de korte termijn. Naar het gemeenschappelijk belang op de lange termijn wordt vaak veel minder gekeken.

Naast de VN zijn er nog enkele andere belangrijke internationale organisaties: Het IMF, de Wereldbank en de WTO.:
- IMF (Internationaal Monetair Fonds) heeft twee taken:
o De stabiliteit van het internationale geldstelsel bevorderen.
o Het verlenen van tijdelijk krediet aan landen met betalingsproblemen.
- De Wereldbank financiert in ontwikkelingsprojecten en aanpassingsprogramma’s. Het gaat hier om leningen die de economie weer moeten verbeteren.
- Het WTO (World Trade Organization) heeft een aantal doelstellingen:
o Bevorderen van internationale handel.
o Tegengaan van protectionisme.

o Bestrijden van het dumpen van landbouwoverschotten.
o Het oplossen van handelsconflicten tussen landen.
De meeste leden van het WTO zijn ervan overtuigd dat de groei van de wereldhandel een positief effect heeft op de ontwikkelingslanden, hierdoor verbeteren drie zaken:
o Ontstaan van economische groei;
o Het inkomen van de mensen;
o De werkgelegenheid in de arme landen;

Het probleem met de ontwikkelingshulp is dat het een internationaal probleem is. Er is steeds meer sprake van globalisering: De wereld is als het ware een groot dorp. Alles hangt met alles samen. Vaak bekijken wij ontwikkelingssamenwerking als een kwestie die betrekking heeft op de relatie tussen arme landen (Derde Wereldlanden) en rijke (westerse) geïndustrialiseerde landen. Dit wordt de landenbenadering genoemd. Er is in de wereld een internationalisering, die je ziet op drie punten:
- Economische internationalisering: De economieën van Derde Wereldlanden en rijke landen raken steeds meer vervlochten in mondiale processen en structuren. Deze worden gedomineerd door multinationals en internationale organisaties. Of ontwikkelingslanden kunnen profiteren van de wereldhandel hangt af van een aantal factoren:

o De mate waarin deze landen met hun eigen exporten kunnen profiteren van de open markten elders. Er worden aan ontwikkelingslanden dus geen handelsbelemmeringen opgelegd.
o Het tempo van liberalisering.
o De mate waarin de nationale overheden de toenemende marktwerking ondersteunen met een beleid gericht op een eerlijke verdeling van de groei, die dus ook ten goede moet komen aan de armsten in de ontwikkelingslanden.
o Publieke investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en andere basisvoorzieningen die noodzakelijk zijn om de groei duurzaam te maken.
o Men is afhankelijk van de intentie van de internationale gemeenschap om kapitaalverkeer en buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden te binden aan minimumnormen van sociale en economische aard.
- Internationalisering van de machtsverhoudingen. De uitgangspunten en randvoorwaarden voor de economische politiek worden steeds meer op internationaal niveau vastgesteld. Er is steeds meer sprake van een verschuiving van macht van afzonderlijke landen naar internationale instituties of organisaties.
- Internationalisering van de cultuur. Door de toegenomen communicatie en communicatiemogelijkheden vindt er een wederzijdse beïnvloeding van culturen plaats. Derde Wereldlanden verwesteren.


De EU is naast de Wereldbank de grootste multilaterale donor op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het bevorderen van de betrekkingen met de ontwikkelingslanden heeft voor de EU twee redenen:
- Economisch noodzakelijk om op die manier de grondstofvoorziening veilig te stellen en een grotere afzetmarkt voor haar goederen te creëren.
- Een uiting van solidariteit met de arme en armste landen ter wereld.
De doelstellingen van de EU op het gebied van ontwikkelingssamenwerking zijn:
- Duurzame economische en sociale ontwikkeling, met name in de armste landen.
- De integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie, opheffing van allerlei handelsbeperkingen voor ontwikkelingslanden.
- Armoedebestrijding.
- Het waarborgen van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden.
In het EU-beleid zijn wat tegenstrijdigheden te vinden:
- Streven naar conflictbeheersing, maar er worden wel wapens aan Derde Wereldlanden geleverd.

- Ontwikkelingslanden moeten worden toegelaten op de wereldmarkt, terwijl de DU wel producten weert van ontwikkelingslanden.
Het streven van de Nederlandse regering in EU-verband is:
- Ruimere toegang van de minst ontwikkelde landen tot de Europese markt.
- Verbetering van de coherentie van ontwikkelingssamenwerking in EU-verband.
- Tegengaan van ondoorzichtigheid en verspilling.

Hoofdstuk 4: Verschillende culturen
Culturele antropologie is een wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van culturen. Etnocentrisme is het centraal stellen van de eigen cultuur (waarden, normen, gewoonten) bij de benadering en beoordeling van andere culturen. Dit is de morele superioriteit van het westen. Vanuit je eigen culturele referentiekader (het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis, ervaringen, zienswijzen en opvattingen) beoordeel en benader je de cultuur van anderen. Het tegenovergestelde van etnocentrisme is culturele diversiteit. Hierbij realiseert de mens zich dat veel van onze waarden, normen en gewoonten tijd- en plaatsgebonden zijn. Dit is dynamisch en veranderlijk.

Er zijn twee verschillen van beoordeling van de onderscheiding van verschillende culturen:

- Cultureel relativisme: Andere culturen moeten we bekijken zonder die te beoordelen naar de normen en waarden van de eigen cultuur, maar als uniek fenomeen. Volgens deze visie moeten we het gedrag proberen te begrijpen binnen de ontwikkeling van hun eigen cultuur. We mogen een vreemde cultuur niet beoordelen. Andere culturen zijn dan ook gelijkwaardig aan de westerse culturen.
- Cultureel universalisme: Deze stroming gaat er vanuit dat er bepaalde algemene waarden en normen zijn die voor iedereen gelden.

We leven in een informatiemaatschappij, dit is een samenleving waarin we heel snel veel informatie tot ons krijgen. Het is belangrijk dat mensen in ontwikkelingslanden meeprofiteren van de opkomst van de informatietechnologie. Een groot voordeel voor de ontwikkelingslanden is, dat de mensen snel toegang hebben tot informatie en kennis, maar er zijn ook nadelen:
- De ongelijkheid tussen rijk en arm in een ontwikkelingsland neemt toe, hogere klassen profiteren van de informatietechnologie.
- De westerse cultuur gaat de dominante cultuur worden in het ontwikkelingsland.
- Mensen uit de Derde Wereldlanden hebben weinig of geen invloed op de westerse media.
De invloed van de rijke landen op ontwikkelingslanden kan een tweeledig effect hebben:
- Het leidt tot verwestering:
o De samenlevingsvormen kunnen veranderen. De wij-samenleving wordt steeds individualistischer.
o De consumptiepatronen verwesteren omdat de afhankelijkheid van westerse producten groter wordt.
- Versterking van de bestaande waarden, normen, tradities en gewoonten: de mensen in de Derde Wereld voelen zich door het westen ‘cultureel aangevallen’ en keren zich veel meer naar binnen om zodoende hun eigen cultuur te beschermen.


Hoofdstuk 5: Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid en de rol van mfo’s en particulieren

Bert Koenders van de PvdA is de minister van ontwikkelingssamenwerking. Hij focust zich in zijn beleid op vier terreinen:
- Fragiele staten. Dit zijn staten waarin de democratie vaker onder druk staat vanwege dictatoriale politici die graag alle macht naar zich toe trekken of staten waar de democratie en de mensenrechten zeer broos zijn.
- Meer gelijke verdeling van de economische groei.
- Vrouwenrechten.
- Milieu en energie.
De norm van de VN voor de besteding aan ontwikkelingshulp is gesteld op 0,7% van het BNP. Maar weinig landen halen dit, maar Nederland geeft 0,8% van het BNP.

Er zijn vijf factoren die de marges van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid bepalen:
- Het Nederlands ontwikkelingsbeleid is het resultaat van een politiek besluitvormingsproces, waarbij allerlei actoren een rol spelen.
- Beleid van internationale organisaties bepaalt de ruimte die de Nederlandse regering heeft bij het maken van beleidskeuzes.

- Veranderingen in ontwikkelingslanden zelf, alsook in de internationale krachtsverhoudingen.
- Rekening houden met de wereldhandel. Gaat het slechter met de wereldeconomie dan kan dat de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking doen afnemen.
- Transnationale ondernemingen (multinationals) voeren een onafhankelijk beleid, waarop de staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking slechts marginaal invloed heeft.

Ruim 1/3 deel van het budget voor ontwikkelingssamenwerking gaat naar particuliere organisaties. Het grootste deel daarvan gaat naar zogenaamde medefinancieringsorganisaties (mfo’s). Dat zijn particuliere ontwikkelingsorganisaties die hun gelden ontvangen uit particuliere fondsenwerving, van de overheid en van de Europese Unie. Het worden ook wel niet gouvernementele organisaties genoemd. Mfo’s hebben een aantal uitgangspunten:
- Z e richten zich op de allerarmsten.
- Ze benadrukken de eigen cultuur van de ontwikkelingslanden.
- Ze ondersteunen ontwikkelingen die ervoor zorgen dat de bevolking in haar bestaan kan voorzien.
- Participatie van de plaatselijke bevolking bij ontwikkelingshulp.
- Stimulering van de bewustwording in Nederland.
- Op nationaal en internationaal niveau trachten zij het ontwikkelingsbeleid te beïnvloeden.
In Nederland zijn er vier organisaties die zijn ontstaan uit de oude zuilen:

- Oxfam NOVIB (‘neutraal’, vanuit sociaal-democratische hoek);
- ICCO (protestants);
- Cordaid (katholiek);
- Hivos (humanistisch);
Plan Nederland helpt kansarme kinderen in ontwikkelingslanden en hort sinds 1999 ook tot de mfo’s. Sinds 2003 hoort Terre des Hommes tot de mfo’s, deze organisatie biedt hulp aan arme kinderen in de hele wereld. Medefinancieringsorganisaties hebben drie voordelen:
- Ze hebben contracten met particuliere partnerorganisaties in ontwikkelingslanden, waarmee ze buiten de overheid om projecten kunnen opzetten.
- Ze staan dichter bij de mensen en werken onafhankelijk van de Nederlandse regering.
- Ze zijn deskundigen op een bepaald gebied.
Sinds 2005 vallen de mfo’s onder een medefinancieringsstelsel (MFS). Elke organisatie kan hierdoor subsidie bij de Nederlandse overheid aanvragen om bepaalde projecten te steunen. De minister van ontwikkelingssamenwerking beoordeelt of een organisatie geld krijgt.


Nederland werkt met dertig landen samen in bedrijfslevenprogramma’s. Het doel hiervan is het stimuleren van de werkgelegenheid in Derde Wereldlanden. Als bedrijven geld investeren in de ontwikkelingslanden, kan men in aanmerking komen voor financiële steun van de overheid. Maar men krijgt het geld alleen als de activiteiten van het bedrijfsleven geld opleveren in de Derde Wereld. Er bestaan nu twee bedrijfslevenprogramma’s, namelijk:
- ORET: Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties, als ontwikkelingslanden investeringen willen doen en daarbij Nederlandse goederen en diensten nodig hebben, kunnen ze geld aanvragen bij de Nederlandse overheid.
- PSOM: Programma Samenwerking Opkomende Markten. Nederlandse bedrijven die investeringen doen in bedrijven in ontwikkelingslanden, krijgen hiervoor een gedeeltelijke vergoeding.
Er zijn ook bedrijven die de term mvo (maatschappelijk verantwoord ondernemen) gebruiken. Dit betekent dat deze bedrijven naar een evenwicht zoeken tussen winst en sociale en economische aspecten. Bedrijen maken reclame dat een deel van de verkoopprijs van hun producten naar een goed doel gaat. Dit moet wel gecontroleerd worden.

Individuele burgers hebben ook een aantal mogelijkheden om hulp te geven:
- Financiële bijdragen aan organisaties als:
o Artsen zonder Grenzen: Medische verzorging in landen en streken waar die niet goed door de overheid georganiseerd is.
o Memisa: Medische projecten opzetten in ontwikkelingslanden.
o Nederlandse Rode Kruis: Geven van noodhulp.
- Meedoen als vrijwilliger aan activiteiten van maatschappelijke organisaties die voor een ander doel zijn opgericht, maar zich ook met de Derde Wereld bezighouden, zoals:
o Vakbonden: Het verbeteren van de positie van werknemers of vrouwen.

o Kerken: Zij steunen ontwikkelingsprojecten.
o Steden: Zij onderhouden banden met steden in de Derde Wereld.
o Dezelfde soort banden zijn er tussen scholen en ziekenhuizen.
- Participeren in organisaties en politieke partijen die zich met Derde Wereldlanden bezighouden, zoals:
o Wereldwinkels in steden en dorpen.
o Centra voor Ontwikkelingssamenwerking (COS)
o Politieke partijen die werkgroepen hebben voor de Derde Wereld.
- Deelnemen aan ontwikkelingssamenwerking via het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en medefinancieringsorganisaties.
- Veranderen van eigen levensstijl en koopgedrag, waardoor de Derde Wereld meer kansen krijgt. Dit door producten uit de Derde Wereld te kopen. Producten in ontwikkelingslanden worden vaak onder slechte omstandigheden geproduceerd. Maar door fair trade (producten die op een faire manier tot stand zijn gekomen) producten kun je zien dat de producten op een goede manier geproduceerd zijn.

Hoofdstuk 6: De politiek en ontwikkelingshulp
Er kan een tweedeling gemaakt worden tussen argumenten van linkse of rechtse partijen wanneer het gaan om het belang van ontwikkelingshulp. Linkse politieke partijen zeggen het volgende:

- Hulp schaadt de inheemse cultuur en daarmee de traditionele bestaansmogelijkheden.
- Ontwikkelingshulp verstoort vaak het ecologische evenwicht.
- Ontwikkelingshulp vergroot de kloof tussen arm en rijk.
- Ontwikkelingshulp is een vorm van neo-kolonialisme: de koloniën zijn politiek onafhankelijk, maar economisch afhankelijk van de ontwikkelde landen.
- Ontwikkelingssamenwerking helpt bij handelsbevordering en is zo een uiting van het kapitalisme.
- Ontwikkelingshulp maakt arme landen alleen maar onzelfstandiger.

De kritiek van de rechtse partijen is:
- Ontwikkelingshulp maakt arme landen minder zelfstandig en afhankelijk van het westen.
- Ontwikkelingshulp neemt in de Derde Wereld het zelf inventief zijn weg.
- Het ontwikkelingsbeleid heeft geen doel en kan haar verwachtingen niet waarmaken.
- De invloed van ontwikkelingssamenwerking op de economische groei van ontvangende landen is marginaal.

- Men heeft meer aan handel dan aan de hulp, want die helpt niet altijd.

In de Nederlandse politiek kunnen er drie grote ideologische hoofdstromingen aangegeven worden: confessionele, liberalen en socialisten. De confessionele partijen in Nederland (CDA, CU en SGP) gaan uit van:
- Gespreide verantwoordelijkheid: Het hele maatschappelijke middenveld en de politiek moeten iets doen aan ontwikkelingssamenwerking.
- Christelijke naastenliefde: Je moet je naaste lief hebben, en dus ook de Derde Wereld.

De liberalen (VVD), de PVV en Trots op Nederland gaan uit van de volgende principes:
- Vrijheid van handel en marktgericht denken.
- Stimuleren van vrije prijsvorming.
- Particulier initiatief: Er is een grote rol weggelegd voor het bedrijfsleven bij ontwikkelingshulp.
- Doorbreken van overheidsmonopolies.
- Opbouw van een gezonde economie.

De sociaal-democraten (PVDA en SP) gaan uit van:
- Gelijkwaardigheid en solidariteit met de armen, overal, dus internationale solidariteit.
- Een grote rol voor de overheid: die kan een aantal problemen in de Derde Wereld oplossen. De economie dient gestuurd te worden.

- Aandacht voor democratische ontwikkeling en mensenrechten.
- Steun voor de allerarmsten en steun voor het streven naar meer zelfstandigheid van de ontwikkelingslanden.

De Rechtse populisten (PVV):
- Willen structurele ontwikkelingshulp afschaffen, maar noodhulp moet wel blijven.

Hoofdstuk 7: Ontwikkelingshulp handhaven of afschaffen?
De nadelen van ontwikkelingshulp zijn:
- Effectiviteit. De kloof tussen beleid en effectiviteit is erg groot. Het is dan ook moeilijk om de effectiviteit van ontwikkelingshulp te toetsen.
- Falende ontwikkelingseconomie. Volgens Deepak Lal schoot de ontwikkelingseconomie te kort. Deze economie gaat ervan uit dat de standaard neoklassieke economische theorie niet opgaat in de Derde Wereld. Deze visie pleit voor de verdeling van de welvaart door enorme internationale inkomensoverdrachten en een collectivistische regulering van de wereldeconomie. De ontwikkelingseconomie concludeerde dat de markteconomie voor ontwikkelingslanden niet zou werken en daarom ongeschikt was. Daarvoor in de plaats kwam nu het dirigistisch dogma. Dat wil zeggen: De overheid diende zich bezig te houden met de ontwikkeling van een strategie voor de snelle en evenwichtige groei, waarbij voorrang werd gegeven aan de beheersing van de macro-economische grootheden als de besparingen, de betalingsbalans en het evenwicht tussen breed gedefinieerde sectoren als landbouw en industrie. Oftewel, als de overheid wordt geleid door corrupte politici werkt het niet.
- Planning en bureaucratisering. Hulp is geen overdracht van inkomen aan mensen die het het meeste nodig hebben, maar een inkomensoverdracht van de ene overheid naar de andere. Buitenlandse hulp leidt tot minder productie en rent-seeking: Pogingen om een graatje mee te pikken uit de staatsactiviteiten. De corruptie neemt toe door de patronagementaliteit. Dit kan in de Derde Wereld zelf tot conflicten leiden over de controle van dit patronagesysteem. De betrokken landen richten zich op rent-seeking in plaats van op de productie, waardoor men armer wordt, hierdoor ontstaat een vicieuze armoedecirkel. In de ontwikkelingslanden ontstaat een verkeerde mentaliteit door de buitenlandse hulp. Daardoor ontstaat een moral hazard-mentaliteit: men onderneemt onverstandige, risicovolle beslissingen, erop rekenend dat, wanneer punt bij paaltje komt, iemand anders bereid is om voor de schade op te draaien.


De kritiek op ontwikkelingshulp was in de jaren ’60 uit linkse hoek:
- De binding van hulp aan het Nederlandse bedrijfsleven.
- De hulp die gegeven werd aan dictatoriale regimes.
De VVD mengde zich destijds niet in de discussie omdat men tevreden was over de hulp. In de jaren ’90 werd Bolkestein de leider van de VVD. Hij pleitte voor een forse verlaging van de ontwikkelingshulp en wilde een staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking in plaats van een minister. Bolkestein vindt dat het geven van geld niet genoeg is. Hij verwijst naar een rapport van de Wereldbank waarin vier factoren worden genoemd die bepalend zouden zijn voor de economische ontwikkeling:
- Stabiel binnenlands economisch beleid.
- Vrije interne concurrentie.
- Investering in de bevolking (gezondheidszorg en onderwijs).
- Internationale vrijheid.
Ontwikkelingssamenwerking komt hier niet in voor. Er zijn dan ook twee punten van kritiek op Bolkestein:
- Externe financiering is niet de alles beslissende factor maar wel een katalysator van hulp.
- De liberale en neo-conservatieve betogen zoeken de oplossing van de ontwikkelingsproblematiek in de vrije concurrentie en in de internationale vrijhandel.
Bolkestein zegt wel dat ontwikkelingslanden meer aan exportinkomsten mislopen door handelsbelemmeringen dan dat ze aan ontwikkelingshulp krijgen. Een tegenstander van ontwikkelingshulp, Piet Emmer, vindt dat ontwikkelingshulp niet helpt:

- We verstrekken ontwikkelingshulp uit schuldgevoel.
- Door de historie heen blijkt dat externe financiering maar in zeer bijzondere omstandigheden economische ontwikkeling tot stand bracht.
Er waren twee redenen waarom het mis ging met ontwikkelingshulp in de jaren ’60 en ’70:
- We gaven ontwikkelingshulp om bepaalde machthebbers te behouden die een rol speelden in de Koude Oorlog of die veel geld hadden.
- De exportbelangen voerden de boventoon, want bij de ontwikkelingshulp werden goederen en diensten van Nederlandse bedrijven geleverd, waaraan in veel gevallen geen behoefte was en die de betreffende landen niet konden onderhouden. Fouten uit het verleden kunnen echter niet tot een conclusie leiden van afschaffing van de ontwikkelingshulp.
De conclusies van de liberalen met betrekking tot de ontwikkelingshulp waren:
- Ontwikkelingssamenwerking valt te typeren als oude politiek.
- Er zijn bij buitenlandse zaken geen gegevens aanwezig over het percentage ontwikkelingsgeld dat wegvloeit naar corruptie.

REACTIES

M.

M.

kwenie of ie goed is ik ga ff kijken

13 jaar geleden

S.

S.

dit noem je geen samenvatting maar letterlijke overname uit het boek

11 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.