Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?


Hoofdstuk 1: Wat is ontwikkelingssamenwerking?
Ontwikkelingssamenwerking: met ontwikkelingssamenwerking wordt geprobeerd de enorme internationale verschillen tussen arm en rijk te verkleinen en armoede te bestrijden. Dit gebeurd via de overheid, maar ook via vele duizenden burgers, particuliere organisaties en internationale popsterren.
Redenen: solidariteit en betrokkenheid bij het lot van mensen, maar daarnaast ook problemen die zich niets aantrekken van landgrenzen. Armoede dwingt mensen om bossen te kappen voor brandhout. Dit levert ook in westerse landen problemen op. Maar ook om de immigratiestroom beheersbaar te houden, is het van belang hulp te bieden aan de landen die dat nodig hebben, anders zou de westerse wereld overbevolkt raken met vluchtelingen. Daarnaast ook nog een economisch belang, arme landen kopen dan goederen van bijvoorbeeld Nederland: voor beide een reden.
Wereldwijde uitdaging: door de snelle ontwikkeling van massamedia, door de opkomst van internet en het beschikbaar worden van mogelijkheden om te reizen, kunnen we ook steeds makkelijker weten wat er elders op de wereld gebeurt: de wereld is een global village geworden.
Millennium verklaring: in september 2000 afgesloten door leiders van 189 landen. Hiermee beloofden ze te werken aan een wereld waarin mannen, vrouwen en kinderen niet in mensonterende omstandigheden van extreme armoede hoeven te leven en zich in te zetten voor een wereld waarin in iedereen het recht heeft zich te ontwikkelen
Millennium ontwikkelingsdoelen: besluit van VN dat alle reeds gedane beloftes bij elkaar worden geboeid en te voorzien van een einddatum en indicatoren waaraan iedereen kan aflezen of de doelen daadwerkelijk zijn gehaald.
De volgende acht doelen moeten in 2015 bereikt zijn:
- Het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, ten minste voor de helft terugdringen (minder dan 1 dollar per dag = extreme armoede. FAO houdt jaarlijks de vooruitgang bij in de strijd tegen honger);
- Alle kinderen in alle landen naar de basisschool (onderwijs is een basisrecht. Ruim 70 miljoen kinderen gaan nog niet naar school. Onderwijs is middel om armoede te bestrijden. Vaak niet genoeg geld voor onderwijs, wel vooruitgang, maar nog steeds meer jongens dan meisjes krijgen onderwijs en de kwaliteit en de materialen van het onderwijs zijn slecht);
- Mannen en vrouwen dezelfde rechten (minder meisjes gaan naar school. Zelfbeschikkingsrecht en eigendomsrechten moeten geregeld worden, zoals recht op deel van erfenis. Gelijke toegang tot de arbeidsmarkt. Er moeten meer vrouwen op hoge politieke posities terechtkomen en vrouwen moeten tegen geweld beschermd worden);
- Het aantal kinderen dat voor de vijfde verjaardag overlijdt, met ²/³ terugbrengen (wereldwijd sterven ruim tien miljoen kinderen voor hun vijfde levensjaar, in arme landen 1 op 12 kinderen. Veel arme kinderen sterven aan makkelijk te verhelpen ziektes als diaree of de mazelen, maar ook aan longontsteking, malaria of aids);
- Het aantal vrouwen dat sterft door zwangerschap, met ¾ terugbrengen (jaarlijks sterven meer dan 0,5 miljoen moeders na of tijdens de bevalling in ontwikkelingslanden, hierom zijn voorbehoedsmiddelen en veilige abortus van levensbelang, moet dus in combinatie met het 3e doel);
- De verspreiding van aids, malaria en andere dodelijke ziektes stoppen (om de aids-epidemie tot stilstand te brengen is vooral goede voorlichting nodig. Oplossingen zijn condooms en bepaalde medicijnen, die het overdragen van een ziekte naar het kind voorkomt. Als boeren malaria hebben kunnen ze geen voedsel meer verbouwen wat dus ook weer de voedselproductie in een arm land schaadt);
- Een duurzaam leefmilieu voor meer mensen: halvering van het aantal mensen zonder drinkwater (duurzame ontwikkeling: ontbossing en CO uitstoot tegengaan, schoon drinkwater in arme landen. De kans dat dit doel gehaald wordt is niet groot, er is kleine vooruitgang, maar er wordt te veel bos gekapt om het doel te bereiken);
- Eerlijker handel, oplossing schuldenvraagstuk en betere hulp (eisen voor rijke landen: meewerken aan het tot stand komen van een eerlijk internationaal handelssysteem, een oplossing vinden voor de schuldenpositie van de arme landen, samen met de ontwikkelingslanden zorgen voor fatsoenlijk werk voor jongeren, zich houden aan de afspraak om 0,7 procent van het bnp aan ontwikkelingshulp te besteden).
Hoofdstuk 2: Ontwikkelingslanden en hun kenmerken
Termen voor welvaartsverschillen + kanttekeningen):
- Arm/rijk (economische term, een arm land kan echter wel rijk zijn aan bodemschatten);
- Ontwikkeld/onderontwikkeld (India en Egypte zijn ontwikkeld met hoge beschaving, maar zijn toch arm);
- Derde wereld (raakte na val muur 1989 (Tweede Wereld) in onbruik;
- Noord en Zuid (geografisch, werd in jaren ’70 vooral gebruikt, om politiek beladen termen te vermijden, maar dit gaat ook niet op voor alle landen)
- Ontwikkelingslanden (term die tegenwoordig vaak gebruikt wordt, Zuid-Korea is echter wel een verschil met Zuid-Afrika, dus kun je het wel op één hoop gooien?).
Dimensies van ontwikkeling + voorbeelden:
- Economische (de mate waarin een land door productie van goederen en diensten in de behoeften van de bevolking kan voorzien);
- Sociale (toegang tot het onderwijs en gezondheidszorg: waarborgen sociale mensenrechten);
- Politieke (de mate waarin de bevolking invloed heeft op belangrijke beslissingen in het land);
- Culturele (de mate waarin mensen in het land hun culturele identiteit vorm geven);
- Ecologische (de manier waarop er rekening wordt gehouden met het milieu).
Verschillen ontwikkelingslanden:
- Economische verscheidenheid is groot (Zuid-Korea is veel meer ontwikkeld dan Zuid-Afrika);
- Sociale ongelijkheid is groot (onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting: in Nigeria en Congo is onderwijs voor de Elite, in Cuba en Tanzania is het beter verdeeld);
- Politieke verschillen (India is tegenwoordig grootste democratie, Libië, Cuba en Noord-Korea heersen echter nog dictaturen, net als in de meeste landen in Afrika, daar is wel vooruitgang);
- Culturele verscheidenheid is groot (plaats die geloof inneemt: Nigeria en Sudan heeft de islam veel invloed op het dagelijkse leven, in Haïti zijn echter veel voodooaanhangers, maar ook verschillen in positie man en vrouw: vrouwenbesnijdenis bijvoorbeeld is een oude traditie);
- Verschillende ecologische problemen (in de Sahellanden gaat de verwoestijning door, in Brazilië verdwijnen dagelijks honderden hectaren tropisch bosgebied en China vervuild erg).
Overeenkomsten ontwikkelingslanden:
- Veel armoede (de bevolking in ontwikkelingslanden leeft in armoede, bij het vaststellen hiervan kijkt men meestal naar het inkomen voor de basisbehoeften, internationaal zijn er 2 armoedegrenzen: de grens van 1 dollar per dag en een grens van 2 dollar per dag: koopkracht);
- Eenzijdige economische structuur (in veel ontwikkelingslanden is structuur vrij eenzijdig: nationaal product wordt vaak sterk bepaald door bv. landbouw: nationaal product hiervan in NL is 2% terwijl dit in Tanzania 45% is. Zambia – koper, Chili – koper, Gabon – olie. Hiernaast vaak eenzijdig exportpakket, als koffie en thee, landen die sterk afhankelijk zijn van mijnbouwproducten, zijn sterk afhankelijk van de wereldmarkt. Zuid-Korea, Brazilië, India en China zetten tegenwoordig ook industrieproducten en diensten op de wereldmarkt af);
- Ongelijke inkomensverdeling (inkomen vaak slecht verdeeld over de bevolking, dit wordt uitgedrukt in het Gincoëfficiënt van een land, een coëfficiënt van 0 staat voor volledige gelijkheid qua inkomen, 1 is tegenovergesteld, dan verdient 1 persoon alles. Hongarije is het meest gelijk verdeeld qua inkomen met 0,24. Lesotho het meest ongelijk met 0,63);
- Veel sociale problemen (in Afrika en Zuid-Azië gaan veel kinderen nog helemaal niet naar school, zitten ze in overvolle klassen en er zijn te weinig onderwijzers. Daarnaast is de hoge moedersterfte een probleem. Denk aan de moedersterfte en het hiv/aids-probleem, in verhouding met rijke landen zijn er weinig artsen en verplegers. De demografie kijkt naar bevolkingskenmerken als geboortes, sterfgevallen, leeftijdsopbouw. Deze cijfers zijn vaak anders vergeleken met rijke landen, het geboorte- en sterftecijfer ligt in arme veel hoger. Over het algemeen geldt: hoe hoger de welvaart, des te lager het geboortecijfer, omdat kinderen dan niet nodig zijn voor de inkomensvoorziening);
- Bestuurlijke problemen (regeringen zijn vaak weinig effectief door een tekort aan gekwalificeerde ambtenaren, de salarissen zijn hiervan ook te laag, zodat ambtenaren elders moeten bijverdienen of vertrekken, de overheid is in ontwikkelingslanden vaak wel een ‘zachte staat’: scherpe regelgeving, maar zwakke handhaving. Als ambtenaren zich laten betalen voor werk die ze gratis moeten doen is er sprake van corruptie, dit gebeurt vaak in ontwikkelingslanden. Kleptocratie: machthebbers die veel overheidsgeld in eigen zak steken. Politici spelen ook vaak handig in op etnische tegenstellingen om aan de macht te komen of te blijven);
- Bedreiging van de eigen lokale cultuur (vroeger zag je al dat overheersende landen in kolonies de ‘beschavingsopdracht’ erg belangrijk vonden, maar nu is dat nog steeds een issue, waarbij westerse normen en waarden, als democratie en mensenrechten, worden overgedragen op de plaatselijke bevolking);
- Aantasting van het milieu (kenmerkend voor de meeste ontwikkelingslanden is het ontbreken van wetgeving die het milieu beschermen: in Brazilië in India worden bossen gekapt om plaats te maken voor de landbouw. In deze landen ontbreekt vaak het geld voor deze regelgeving, waardoor westerse bedrijven door een gebrek aan regels zich in deze landen vestigen).
Manieren voor het meten van ontwikkeling:
- Het bnp per hoofd van de bevolking (totale inkomsten van een land gedeeld door het aantal inwoners, nadeel hiervan is dat inkomens scheef verdeeld kunnen zijn, daarnaast heb je in verschillende landen verschillende prijsniveaus. In Zwitserland is een dollar bijvoorbeeld een derde minder waard dan in de VS. Prijsverschillen worden van tijd tot tijd gemeten en in de statistieken gebruikt: Purchasing Power Parity (PPP), oftewel gelijkwaardigheid van de koopkracht, bedragen kunnen hiermee met elkaar vergeleken worden);
- Levensverwachting en onderwijs (de levensverwachting van mensen weerspiegeld de gezondheid, de kwantiteit en kwaliteit van de voeding van de bevolking van een land. Daarnaast kan het onderwijs worden gebruikt: welk deel van de bevolking heeft hoger onderwijs gehad? En hoeveel mensen kunnen lezen en schrijven?);
- Human Development Index (hierin worden drie indicatoren gecombineerd: levensverwachting, scholing en het bnp. Deze worden eerst afzonderlijk berekend en dan wordt het gemiddelde van de drie genomen, getal ligt tussen 0 en 1. Hoe dichter bij 1, des te beter ontwikkeld. Jaarlijks verschijnt deze index in de Human Development Report. Dit gebeurt door het United Nations Development Programme (UNDP), een onderdeel van de VN. Boven de 0,8 geldt als hoog ontwikkeld, tussen 0,5 en 0,799 als gemiddeld, en onder 0,5 als laag ontwikkeld. Nadeel hiervan is dat mensenrechten, mate van democratisering en ongelijkheid van de mensen niet is meegenomen).
Theorieën ter verklaring van onderontwikkeling:
Moderniseringstheorieën: Deze gaan er vanuit dat alle landen zich in een evolutionair proces ontwikkelen, zich moderniseren. Alle landen maken dezelfde stijgende lijn richting ontwikkeling door. De econoom Walt Rostow heeft dit uitgewerkt in een model, het zogenoemde ‘Five Stages of Economic Growth’ model. Een samenleving ontwikkeld zich in vijf fasen:
- Traditionele samenleving (economie is nauwelijks ontwikkeld);
- De voorwaarden voor ‘take-off’ (hoger investeringsniveau, hoger opleidingsniveau, opkomst private sector);
- De take-off vindt plaats (groespurt waarin de economie opbloeit, wat uiteindelijk ook profijt oplevert voor de armen);
- Verbreding van de modernisering (er is een volwassen economie ontstaan);
- Massaproductie en – consumptie (duurzame consumptiegoederen voor grote delen van bevolking beschikbaar).
Eis is wel dat er voldoende geïnvesteerd moet worden en dat er genoeg opgeleide mensen zijn. Maar een land moet ook geloof hebben in vooruitgang. Naast interne factoren als kapitaal en geschoolde mensen spelen ook andere factoren een rol, zoals de politieke structuur in een land. In sommige landen zou de vooruitgang slechts ten goede komen aan de hogere klasse. Ook zijn de machtsverdelingen vaak ongunstig en houden ze een algehele ontwikkeling tegen. Andere belemmeringen zijn ongelijkheid en een gebrek aan infrastructuur.
Kritische theorieën: Een belangrijke stroming binnen deze kritische theorieën zijn de afhankelijkheidstheorieën. Deze geven aan dat ontwikkeling en onderontwikkeling twee zijden van dezelfde munt zijn. Onderontwikkeling is (mede) het gevolg van ontwikkeling van rijke, geïndustrialiseerde landen van de wereld. Kolonialisatie bracht huidige ontwikkelingslanden in een positie waarin ze volledig afhankelijk zijn van de westerse afzetmarkt. Een tweede stroming stelt dat niet de afhankelijkheid het probleem is, maar de ongelijke verdeling. Doordat bepaalde landen zich eerder ontwikkelen zijn ze in staat om in andere landen te overheersen. Immanuel Wallerstein ontwierp een wereldsysteemtheorie, waarin ook de hegemonie of alleenheerschappij van het Westen als iets unieks in de historie wordt gezien, omdat het leidde tot economisch imperialisme. Landen kunnen als ze weten te ontsnappen uit de overheersing, zelf vooruitgang boeken.
Theorieën om onderontwikkeling op te lossen: Mensen die de afhankelijkheidstheorieën aanhangen wijzen meestal op de noodzaak van grote veranderingen in de bestaande machtsverhoudingen en vooral ook op de noodzaak van veranderingen in de geïndustrialiseerde landen. Uit de moderniseringstheorie vloeit vooral de noodzaak tot veranderingen in de arme landen zelf voort: betere scholing, gezondheidszorg, infrastructuur, beter bestuur etc.
De moderniseringstheorie leidt dus tot een ontwikkelingsstrategie waarin internationale handel en de vrije markt een grote rol spelen. Uit die ontwikkelingsstrategie komen weer programma’s en projecten voort.
Hoofdstuk 3: Wat te doen aan onderontwikkeling?
Donorlanden: landen die ontwikkelingshulp geven.
Ontwikkelingssamenwerking: het geheel van activiteiten waarbij welvarende landen, particuliere organisaties, individuen, bedrijven en ontwikkelingslanden proberen ontwikkelingslanden tot grotere welvaart te brengen.
Ontwikkelingshulp: het geven van geld, goederen of diensten aan ontwikkelingslanden om de welvaart en het welzijn in die landen te bevorderen. Ontwikkelingshulp kan in de vorm van:
- Giften of leningen met zachte voorwaarden;
- Het sturen van producten als maïsmeel en vrachtwagens;
- Het sturen van experts om bijvoorbeeld een nieuwe weg of brug aan te leggen.
Ontwikkelingslanden: er is geen algemeen aanvaarde definitie voor wat een ontwikkelingsland is. Daarom stelt Het Development Assistence Committee (DAC) van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in overleg met de donoren, iedere drie jaar een lijst op met landen die officieel gleden als ontwikkelingslanden.
Overwegingen voor ontwikkelde landen om ontwikkelingshulp te geven, kun je verdelen in:
- Politieke en strategische motieven (begon in 1949 toen de Amerikaanse president Truman hulp beloofde aan landen waar de democratie in gevaar was. Eerder had Amerika al ontwikkelingshulp gegeven met als doel de democratie behouden. Ze stonden op deze manier vaak tegenover Sovjet-Unie. De laatste jaren staat terrorismebestrijding voorop. Ook Japan heeft deze motieven: ze willen rust in de regio en ze geven daarom veel hulp aan Thailand en Indonesië. Voor Nederland gelden deze motieven minder sterk);
- Economische en commerciële motieven (veel hulp wordt gegeven in de vorm van goederen of diensten, waarbij westerse landen hun eigen bedrijfsleven voorrang geven. Gebonden hulp: een ontwikkelingsland moet het geld dat het krijgt besteden om bijvoorbeeld medische apparatuur te kopen, van het land dat de hulp geeft. Dit is vaak omstreden, omdat de goederen die geleverd worden vaak boven de wereldmarktprijs liggen, hierover zijn dus afspraken gemaakt. Nederlandse hulp was vroeger erg gebonden, in de vorm van Friese koeien naar de tropen bijvoorbeeld. Maar tegenwoordig veel minder. Toch is 40% van de hulp gebonden);
- Ethisch-humanitaire motieven (veel mensen geven hulp vanwege religieuze motieven: naastenliefde, zie je vaak bij christelijke partijen. Maar ook vanuit solidariteit, dit is vaak vanuit politieke overtuiging. Dit zie je vaak bij socialistische of sociaal-democratische partijen. Het humanitaire motief kan op lange- en korte termijn. Lang = vrede en kort = noodsituatie. Dit motief wordt de laatste tijd ook vaak onderbouwd vanuit de mensenrechten. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bevat ook sociale rechten als recht op een menswaardig bestaan. De Nederlandse regering erkent de morele plicht om zich in te zetten voor het naleven van sociale en politieke mensenrechten en om armoede te bestrijden);
- Motieven die te maken hebben met cultuur, milieu en migratie (denk hierbij aan de beschavingsopdracht van de westerse wereld en het tegengaan van de ontbossing in ontwikkelingslanden. Ook de illegale is een probleem in verschillende Europese landen. Als er meer economisch perspectief ontstaat in een ontwikkelingsland is de migratiedrang minder groot, daarom is men in sommige gevallen gaan samenwerken).
Motievendriehoek: de motieven zijn niet uitsluitend maar overlappend: vrachtwagenfabrikanten hebben een economisch belang, de regering een politiek belang en de kerken en particuliere hulporganisaties benadrukken het humanitaire motief. Als een regering ervoor kiest om de hulp vooral te richten op de armste landen, dan zal het humanitaire motief het zwaarste wegen. Als China hulp zou krijgen, zou het commerciële motief van belang zijn. Noorwegen is zwaar humanitair, terwijl de VS heel hoge politieke motieven hebben. Duitsland is heel economisch ingesteld.
Strategieën voor ontwikkelingslanden om uit armoede te komen (ontwikkelingsstrategieën):
- Kapitalistische strategieën (hoofdkenmerk is de grote rol voor het vrijemarktmechanisme. De rol van de overheid blijft beperkt tot het opstellen van regels en het letten op de naleving ervan. Een kapitalistische strategie kan het accent leggen op het verhogen van de landbouwproductie, door introduceren van nieuwe soort rijst, maïs etc. Deze strategie wordt de groene revolutie genoemd. Accent kan ook liggen op industrialisatie. Bijvoorbeeld het zelf gaan produceren van industriegoederen, die eerder werden geïmporteerd. Dit heet importsubstitutie. De tweede industrialisatiestrategie is die van de export geleide groei. Hierbij stimuleert de regering bedrijven te produceren voor de wereldmarkt. Via het verlenen van vergunningen en goedkope kredietverlening probeert de regering te reguleren);
- Socialistische strategieën (hier treed de overheid veel meer sturend op. De overheid probeert direct te sturen door planning. Door de industrialisatie zelf te leiden en de door grote invloed op de landbouw uit te oefenen. De belangrijkste industrieproducten worden in staatsbedrijven geproduceerd. Binnen dit model zijn verschillende modellen te onderscheiden. In de een lag het accent sterk op industrialisatie en de opbouw van de zware industrie (Sovjet), in de ander meer op het platteland (China), of op arbeiderszelfbestuur (Joegoslavië).
Overige strategieën:
- Herverdeling (in de jaren ’70 bedacht door de Wereldbank. Deze strategie komt neer op een samenwerking tussen ontwikkelingslanden en donorlanden, het belang van armoede bestrijden staat voorop. Projecten en programma’s waren vooral gericht op de regio’s waar de meeste armen woonden. Tegenwoordig kom je het ook weer tegen als: Poverty Reduction Strategy Paper. Dit houdt in dat landen kwijtschelding van de schulden willen. Landen moeten hierin aangeven hoe ze de armoede willen bestrijden, met nadruk op onderwijs en gezondheidszorg. Daarnaast wordt op corruptie en vorm van bestuur gelet);
- Basisbehoeften (een land moet investeren in de basisbehoeften, hierdoor wordt werkgelegenheid gecreëerd, waardoor mensen uit de armoede kunnen komen. Deze strategie kom je weinig tegen).
Belang van strategieën: het gaat om de keuze of een land zich primair richt op het vergroten van de totale welvaart of op het eerlijk verdelen van de welvaart. Landen die een strategie volgen die door internationale organisaties wordt gewaardeerd zal eerder hulp ontvangen. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) eisten in de jaren ’80 en ’90 ‘structurele aanpassing’ van de economieën van ontwikkelingslanden met schulden. Dit betekende dat landen met een meer socialistische strategie zouden overstappen naar een kapitalistische strategie waarin privatisering en het terugdringen van de overheid voorop stond. Dit had weinig succes.
Hoofdstuk 4: Nederlandse ontwikkelingssamenwerking
Minister van ontwikkelingssamenwerking: deze minister heeft geen eigen ministerie onder zich, maar werkt in het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbinnen beheert het Directoraat Generaal Internationale Samenwerking (DGIS) grotendeels het budget voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Dit is ook onderdeel van Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Duurzame armoedebestrijding: sinds 1990 is dit het hoofddoel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Voor de allerarmsten op de lange termijn bedoelt. Dit is een humanitaire overweging. Voor 1990 stonden economische redenen nog vaak centraal in Nederland. Hiernaast zijn de volgende doelen van belang: politieke stabiliteit, economische verzelfstandiging, exportbevordering of het verbeteren van de mensenrechtensituatie. Armoedebestrijding is volgens ministerie noodzakelijk omdat bijna een miljard mensen dagelijks moeten rondkomen van minder dan 1 dollar per dag. Hiernaast zijn volgens Nederland ook de Millenniumdoelen van belang. Nederland besteed het meeste geld aan:
- Millenniumdoel 2: onderwijs voor elk kind;
- Millenniumdoel 6: bestrijding van hiv/aids, malaria en andere dodelijke ziektes;
- Millenniumdoel 7: bescherming van het milieu, iedereen schoon drinkwater.
Akkoord van Schokland: een op het voormalig eilandje in de Noordoostpolder ondertekend akkoord in 2007. Allerlei maatschappelijke partners en bedrijven ondertekenden een serie akkoorden om hun inzet voor de Millenniumdoelen te tonen. Hiermee probeert de regering de burgers meer te betrekken bij de ontwikkelingssamenwerking.
Soorten ontwikkelingshulp:
- Structurele hulp (hulp gericht op het in gang zetten van langdurige positieve ontwikkelingen in een land. Sleutelwoord is ‘ownership’: het ontvangende land bepaalde de aanpak van de beleidskaders, de prioriteiten en de plannen. Dit is belangrijk omdat veel beleidsadviezen, als ze van buitenaf worden opgelegd, niet werken. Binnen structurele hulp wordt projecthulp en programmahulp onderscheden. Bij projecthulp gaat het om een afgebakende interventie, zoals het bouwen van een ziekenhuis of het aanleggen van een weg. Laatste jaren veel tegenstand omdat het de hulp fragmenteert. Projecten zijn vaak te klein voor echte ontwikkeling. Programmahulp is hulp voor een economisch herstelprogramma. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het betalen van essentiële importen. Dit wordt ook wel importsteun of betalingsbalanssteun genoemd. Deze hulp werd vooral in jaren ’80 en ’90 gegeven. Tweede vorm van programmahulp is sectorhulp, zien we tegenwoordig vaak. Een hulpontvangend land stelt een programma op voor een bepaalde sector. Donoren besluiten vervolgens om dat programma of onderdelen daaruit te steunen);
- Humanitaire hulp (ook wel noodhulp genoemd. Dit is hulp bij rampen en andere noodsituaties. Hoofddoelstelling is om mensen in levensbedreigende nood zo goed mogelijk te helpen en te zorgen dat ze overleven. Nederland werkt hierbij het liefst in Internationaal verband. Vaak laat Nederland zich leiden door het Bureau voor Humanitaire hulp van de VN. Nadeel van te veel organisaties is dat ze elkaar bij een ramp in de weg gaan lopen, dit leidt tot chaos).
Kanalen voor ontwikkelingshulp:
- Multilaterale kanaal (ontwikkelingshulp dat door internationale organisaties wordt verstrekt. Zij krijgen het geld van 20 of 30 donorlanden en besteden het vervolgens weer in 130 of meer ontwikkelingslanden. Belangrijkste organisaties zijn: Europese Unie en de FAO en Wereldbank van de VN. Het geld dat binnenkomt in de rijke landen gaat vaak via verplichte contributies: afhankelijk van grootte land of van vrijwillige bijdragen. In Nederland gaat ruim een kwart van deze begroting naar multilaterale ontwikkelingshulp);
- Bilaterale kanaal (hulp van overheid tot overheid. Sinds begin jaren ’60 gaat 40% van de begroting naar deze vorm van hulp. Momenteel heeft Nederland een lijst van 36 landen. Er zijn in Nederland wel criteria gesteld.
Begin hulp Nederlandse ontwikkelingssamenwerking: in 1949 reageerde Nederland op de oproep van de Amerikaanse president Wilson om ontwikkelingshulp te geven. Het ging vooral om multilaterale hulp op technisch gebied. Halverwege de jaren ’50 werd de roep om ontwikkelingshulp groter. In de jaren ’60 kwam de functie van minister voor Ontwikkelingssamenwerking, volgend op de periode van de staatssecretaris. Door bilaterale hulp te geven wilden werkgeversorganisaties zich ook bemoeien met de hulp. Ze wilden meer exportorders voor het bedrijfsleven binnenhalen: Philips, Fokker, DAF.
Eerste periode Pronk (1973-1977): in 1973 trad Pronk toe tot het centrumlinkse kabinet Den Uyl, dat als centrale slogan ‘herverdeling van kennis, inkomens en macht’ had. Hij maakte van de armoedebestrijding een centrale doelstelling. Financiële hulp werd nu een van de taken van de minister van ontwikkelingssamenwerking, voorheen van Economische Zaken. Hulp was echter nog steeds gebonden. Tijdens het ministerschap van Pronk steeg de ontwikkelingshulp tot 0.75% van het bnp. De keuze viel vanwege de betrouwbaarheid vaak op grote projecten, wat vooral een kleine groep Nederlandse bedrijven ten goede kwam.
1977-1989: in 1977 kwam het centrumrechtse kabinet Van Agt I aan de macht. Jan de Koning, van de ARP werd minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Hij maakte het beleid realistischer en ging een tweesporenbeleid voeren. 1e bleef armoedebestrijding en het 2e economische verzelfstandiging. Hij besloot ook om de hulp gedeeltelijk te ontbinden. Nadat de kabinetten 2 en 3 van Van Agt snel gevallen waren, kwam in november 1982 het kabinet Lubbers I. De VVD’er Eegje Schoo werd minister voor ontwikkelingssamenwerking. Zij maakte structurele armoedebestrijding tot nieuwe doelstelling. Ze legde nadruk op het bedrijfsleven. Aan mensenrechten, besteedde ze in tegenstelling tot Pronk minder aandacht. Onder CDA’er Piet Buukman in Lubbers II gebeurde er weinig nieuws, er was wel extra aandacht voor democratisering in Midden-Amerika.
Tweede periode Pronk (1989-1998): in het kabinet Lubbers III kwam Pronk weer terug. Pronk Stelde dat de beslissingsmarges voor ontwikkelingslanden kleiner waren door de mondialisering en de internationale milieuproblemen. Pronk had ook zitting in het paarse kabinet Kok I. In 1995 kwam de ontwikkelingshulp op zijn hoogtepunt: 0.8% van het bnp. Dat is nu nog steeds zo. Ook kregen de Nederlandse ambassades in hulpontvangende landen de verantwoordelijkheid over de bilaterale hulp. Deze decentralisatie betekende de overplaatsing van ambtenaren vanuit Den Haag naar ambassades, en een sterk afgenomen invloed van sommige afdelingen van het ministerie in Den Haag.
Periode Hefkens (1998-2002): in het kabinet Kok II werd PvdA’er Eveline Hefkens minister. Zij beperkte het aantal landen van 100 tot 22, die intensief hulp kregen, 30 andere landen kregen minder intensieve bilaterale hulp. Hierdoor kon efficiënter gewerkt worden. Landen werden geselecteerd op basis van armoede, goed bestuur en goed beleid. Hefkens had een hekel aan losse en tijdelijke projecten. Zij was voorstander van sectorhulp. Projecten werden stopgezet en de ambassades werden gedwongen voor twee of drie sectoren te kiezen. Daarnaast stopte Hefkens de uitzending van deskundigen.
Periode van Ardenne (2002-2007): Tijden Balkenende I werd Agens van Ardenne (CDA) staatssecretaris van ontwikkelingssamewerking, en in Balkenende II minister. Zij bracht het aantal landen verder terug tot 36. Onder van Ardenne zijn de Millenniumdoelen centraler komen te staan. Het aantal sectoren van hulp werd verminderd en er kwam meer nadruk op onderwijs en gezondheidszorg. Hiernaast hechtte ze veel belang aan de coherentie met andere beleidsterreinen, zoals het veiligheidsbeleid en het landbouwbeleid. Andere aandachtspunten waren milieu en waterproblematiek.
Periode Koenders: in 2007 werd PvdA’er Bert Koenders minister voor ontwikkelingssamenwerking in het kabinet Balkenende IV. Zijn doelen zijn: meer aandacht voor fragiele staten, meer aandacht voor de positie van vrouwen in ontwikkelingslanden en ten slotte meer aandacht voor de negatieve gevolgen van economische groei.
Argumenten van voorstanders ontwikkelingssamenwerking:
- Ontwikkelingshulp is noodzaak (iedereen heeft recht op menswaardig bestaan, miljoenen mensen hebben dit niet. Landen krijgen wereldwijd steeds meer met elkaar te maken, dus ook van nut voor ontwikkelde landen);
- Ontwikkelingshulp als katalysator (ontwikkelingshulp kan niet alle problemen oplossen, hulp kan slechts een steuntje in de rug zijn, niet meer dan een katalysator dus).
Argumenten van tegenstanders ontwikkelingssamenwerking:
- Hulp maakt onzelfstandig (de hulp ontneemt arme landen de prikkel om zelf inventief te zijn. Ze worden niet zelfstandig omdat ze geld blijven krijgen van het westen);
- Geld aan de strijkstok (maar een deel van het geld komt terecht bij de mensen die het nodig hebben. Veel geld blijft ook hangen bij de organisaties zelf. Er zijn ook wel ‘ontwikkelingsmaffia’: ontwikkelingswerkers die in ontwikkelingslanden leven als kolonialen, met heel veel geld en luxe. Ook verdwijnt een deel van het geld in de zakken van corrupte politici en ambtenaren in de ontwikkelingslanden, dit is minder geworden vanwege de meer gerichte hulp).
De marges van het ontwikkelingsbeleid: effectiviteit van hulp wordt ook verminderd door omgevingsfactoren waar de hulp mee te maken heeft. Nederland moet bijvoorbeeld rekening houden met het beleid van internationale organisaties. Daarnaast is het ontwikkelingsbeleid het resultaat van het politiek besluitvormingsproces, waarbij allerlei factoren een belangrijke rol spelen. Tot slot is het ontwikkelingsbeleid afhankelijk van internationale omstandigheden: als de economie slecht gaat nemen de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking ook af.
Hoofdstuk 5: De particuliere partners
Niet-gouvermentele organisaties: organisaties die door particulieren zijn opgericht om te werken aan ontwikkelingssamenwerking. De belangrijkste ontwikkelingsorganisaties, ook wel medefinancieringsorganisaties (mfo’s) genoemd zijn:
- Het katholieke Cordaid, ontstaan in 1999 door de fusie van de drie katholieke ontwikkelingsorganisaties Memisa, Mensen in nood en Vastenaktie/Bilance;
- De protestantse Interkerkelijke Coördinatie Commissie Ontwikkelingssamenwerking (ICCO);
- De ‘algemene’ Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (Oxfam Novib);
- Het Humanistische instituut voor ontwikkelingssamenwerking (Hivos);
- De organisatie Plan Nederland, voorheen Foster Parents Plan genoemd;
- Terre des Hommes.
Ook kleinere organisaties als War Child Nederland en de stichting Liliane Fonds krijgen geld van de overheid, meestal om projecten te steunen die gericht zijn op bepaalde thema’s. Dit heet thematische medefinanciering.
In 2005 is besloten alle Nederlandse particuliere organisaties onder één medefinancieringsstelsel (MFS) te brengen.
Voordelen van particuliere organisaties: voor het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS), dat verantwoordelijk is voor de uitvoer van het ontwikkelingsbeleid, heeft het samenwerken met particuliere organisaties een aantal voordelen: deze organisaties zijn vaak deskundiger op een bepaald gebied. Een tweede voordeel is dat particuliere organisaties of hun lokale partners dichter bij de mensen staan die de hulp ontvangen: ze kennen de cultuur en gewoonten beter. Ten derde zijn de particuliere organisaties onafhankelijk: ze zijn niet gebonden aan het Nederlandse overheidsbeleid. Nederland kiest er bijvoorbeeld soms niet voor om een land te steunen vanwege een dictatuur, particuliere organisaties hebben hier niks mee te maken. Ze hoeven namelijk geen relatie te onderhouden met de lokale overheid.
Het medefinancieringsstelsel: particuliere organisaties kunnen eens in de vier jaar een financiële bijdrage aanvragen bij de Nederlandse overheid. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking bepaald vervolgens wie geld krijgt. De beoordeling van alle aanvragen wordt gedaan door een onafhankelijke Adviescommissie Medefinancieringsstelsel. Deze commissie onderzoekt of de organisaties die een aanvraag hebben ingediend, voldoen aan een aantal voorwaarden, zoals het bieden van kwaliteit en goede resultaten in de voorgaande jaren. Ook wordt er gelet op de Millenniumdoelen. Na het onderzoek geeft de commissie advies aan de minister. Het stoppen van financiering is een grote klap voor organisaties in de ontwikkelingslanden die geld kregen uit Nederland. Die moeten nu elders financiering zoeken. Daarom krijgen organisaties die voorheen geld kregen nog wel geld om hun werk langzaam af te bouwen.
Op dit moment bestaan er 2 bedrijfslevenprogramma’s:
- Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) (deze geeft Nederlandse bedrijven die een investering doen in een bedrijf in een ontwikkelingsland een (gedeeltelijke) vergoeding van de investeringskosten);
- Ontwikkelingsrelevante Export Transacties (ORET) (ontwikkelingslanden die investeringen willen doen en daarvoor Nederlandse goederen en diensten nodig hebben, kunnen ORET-geld van de Nederlandse overheid aanvragen. In 2007 besloot Koenders het budget te verlagen vanwege het eenzijdige profijt van Nederlandse bedrijven).
Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo): een bedrijf streeft naar een verantwoord evenwicht tussen de financiële aspecten van de bedrijfsvoering en de sociale en ecologische aspecten. Volgens sommige critici is mvo vaak niet meer dan een verkooppraatje. Om te voorkomen dat bedrijven zeggen maatschappelijk verantwoord te ondernemen maar dat niet serieus doen, bestaat het mvo-platform waarin allerlei organisaties zitten zoals de Consumentenbond, Milieudefensie en Stichting Max Havelaar.
Nederlandse burgers dragen op de volgende manieren bij aan ontwikkelingssamenwerking:
- geld geven (lid worden van organisatie, losse gift, jaarlijkse donatie);
- vrijwilligerswerk (aansluiten bij een organisatie, als Travel Active);
- de doe-het-zelvers (mensen die eigen ontwikkelingsproject starten. Worden soms geholpen door bestaande hulporganisaties. Wel hebben doe-het-zelvers vaak een gebrek aan deskundigheid);
- Andere levensstijl (eigen levensstijl en koopgedrag veranderen van rijke mensen, zoals het niet meer kopen van door kinderen gefabriceerde kleding).
FSC: Forest Stewardship Council: keurmerk voor hout: als de producent de natuurlijke functies van het bos voldoende respecteert en de bosarbeiders voldoende salaris betaalt.
Max Havelaar-keurmerk: deze stichting kijkt of producten onder fatsoenlijke omstandigheden zijn geproduceerd en of de producenten een eerlijke prijs krijgen voor hun product.
Milieugebruiksruimte: inwoners van rijke landen gebruiken veel meer grondstoffen dan er op het grondgebied van het land waar ze wonen verbouwd of gewonnen kan worden. Ook wel ‘ecologische voetafdruk’ genoemd. Het enorme beslag dat rijke landen leggen op de milieugebruiksruimte belemmert de ontwikkelingskansen van arme landen.

Verenigde Naties: in 1945 opgericht door 51 landen. Inmiddels kent de organisatie 192 lidstaten. Belangrijk moment was de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948. Het vormt een morele maatstaf waarmee nationale overheden beoordeeld worden. Landen en overheden die volgens de Algemene Vergadering van de VN de mensenrechten schenden, worden in VN-resoluties veroordeeld en opgeroepen hun gedrag te verbeteren. Dwingend kan de AV niet zijn. De Veiligheidsraad is er voor het handhaven van internationale vrede en veiligheid. Deze raad telt 15 leden, waarvan 5 permanent vetorecht heeft. Vaker dan een VN-troepenmacht wordt een VN-vredesmacht ingezet. Dat gebeurt met name in gebieden waar na oorlog een instabiele situatie is ontstaan. Het feitelijke hoofd van de VN is de secretaris-generaal. Ban Ki-Moon is sinds 2007 de leider.
Werkterreinen van de VN: ze noemen zichzelf een ‘mondiale organisatie van overheden, samenwerkend op het gebied van het internationale recht, de veiligheid inde wereld, ontwikkeling van de wereldeconomie en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen.’ Uit deze missie vloeien een aantal kernactiviteiten voort, verdeeld in 4 hoofdterreinen: vrede en veiligheid, mensenrechten, milieu en economische ontwikkeling van arme landen. Met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking hebben de VN-leden 3 afspraken met elkaar gemaakt: 0,7% van het BNP, millenniumdoelen en het UNDP.
De opgerichte hulporganisaties van de VN hebben ieder een eigen budget. Via hen loopt de multilaterale hulp. De belangrijkste zijn:
- Food and Agricultural Organisation (FAO): streven naar voedselveiligheid en voedselzekerheid: doel is om honger te bestrijden en het verbeteren van landbouw;
- World Health Organization (ILO): kijkt naar gezondheidszorg in alle landen, coördineert activiteiten op dit gebied en probeert deze in alle landen te verbeteren;
- United Nations Educational Scientific and Cultural Organisation (UNESCO): wil het niveau van het onderwijs en de wetenschap verbeteren en streeeft ernaar om de culturele identiteit van volken te versterken;
- United Nations Children’s Emergency Fund (UNICEF): komt wereldwijd op voor rechten van kinderen en steunt hulpprogramma’s op het gebied van gezondheidszorg, voeding, onderwijs, water en bescherming in 155 landen;
- United Nations Environment Programme (UNEP): probeert milieuvernietiging en milieuverontreiniging tegen te gaan;
- United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR): vluchtelingenorganisatie van de VN, neemt special positie in. Helpt bij allerlei vormen van noodhulp, als vluchtelingenkampen.
Het functioneren van de VN: niet alle VN-projecten hebben succes. Daar spelen een aantal factoren een rol bij:
- Arme landen en rijke landen hebben soms verschillende belangen;
- Tegenstellingen tussen de vroegere communistische landen en de westerse landen zijn nog niet volledig opgelost;
- VN hebben beperkte mogelijkheden om besluiten dwingend op te leggen;
- De Problemen zijn complex, vanwege mensenrechten, milieuproblemen etc. in arme landen;
- De hulp is vaak versnipperd: de VN verdeeld de verschillende taken over verschillende organisaties die allemaal hun eigen belangen hebben.;
- VN is een grote organisatie, waardoor er veel bureaucratie is, heeft te maken met beperkte financiële middelen (te laat betalen) en het werken op grote afstand (New York en Genève).
De Wereldbank en het IMF zijn opgericht na de Tweede Wereld Oorlog. In het begin ging het vooral om het herstel van de economie, door giften en leningen: Marshallplan. De nadruk is steeds meer komen te liggen op het integreren van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie.
De Wereldbank: opereert op dit moment als ‘ontwikkelingsbank’. Het centrale doel is het verminderen van de armoede en het verbeteren van de levensstandaard d.m.v. duurzame economische groei. Ze geven leningen, giften en technische ondersteuning aan ontwikkelingslanden. In 2007 was het geleende bedrag 27 miljard dollar. Hiermee is het de grootste ontwikkelingsorganisatie, qua middelen, invloed en coördinatie. Belangrijk daarbij zijn de armoedebestrijdingsplannen. Hierin beschrijven arme landen hoe hun economische situatie en sociale situatie eruitziet en wat er moet gebeuren om de toestand te verbeteren. Aan de hand hiervan geven ze leningen, giften of technische ondersteuning.
Het Internationaal Monetair Fonds: belangrijkste doel is het verzekeren van de stabiliteit van het internationaal monetair systeem. Financiële stabiliteit is van belang om duurzame economische groei en een hogere levenstandaard te creëren. Het IMF is geen echte ontwikkelingsorganisatie, zoals de Wereldbank. IMF geeft leningen in ruil voor de eis van economische hervormingen. Bestaan uit: verhogingen van de belastingen, verlagen van de overheidsuitgaven en het privatiseren van de staatsbedrijven. Achterliggende gedachte was dat de economische hervormingen het land voor buitenlandse drijven aantrekkelijker maakte om te in te investeren. Zou leiden tot groei werkgelegenheid en stijgende inkomsten door de verbeterde export.
Kritiek op IMF en Wereldbank:
- Beide organisaties leggen te veel nadruk op een mondiale, liberale openmarkteconomie, landen hebben te weinig ruimte om hun eigen economie te beschermen tegen machtige bedrijven uit rijke landen;
- Door het grote aanbod daalden de prijzen van grondstoffen sterk en ze moesten dus steeds meer exporteren om hun inkomsten op peil te houden. Te veel gericht op export dus;
- Er wordt te veel rekening gehouden met de financiële en politieke belangen van de VS. Door hoogste contributie ook hoogste stemrecht in VN. Er wordt dus vrij weinig aandacht besteed aan mensenrechten, milieuwetgeving en arbeidssituaties in arme landen als dat de VS beter uit zou komen.
Schuldenpositie: de leningen die IMF en de Wereldbank hebben verstrekt worden onbetaalbaar voor arme landen. In 2005 besloot de G8 tot kwijtschelding van de schulden van de allerarmste landen. De G8 heeft toen beloofd de Wereldbank te compenseren. IMF betaalt de kwijtschelding uit eigen middelen.
De Europese Unie: EU is na de Wereldbank de grootste donor. Samen met de lidstaten van EU geven ze bijna de helft van alle officiële internationale hulpverlening. In 2006 was dit 43 miljard euro. Het doel van de EU op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is:
- Duurzame economische en sociale ontwikkeling, met name van de armste landen;
- De integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie;
- Armoedebestrijding;
- Het waarborgen van democratie, rechtstaat, mensenrechten en fundamentele rechten.
Ontwikkelingssamenwerking EU is gebaseerd op verschillende perspectieven:
- Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)(is bedoeld om handel tussen EU-landen en de voormalige koloniën in Afrika, de Cariben end e Stille Oceaan te stimuleren en te beschermen. Budget wordt om de 5 jaar vastgesteld. Op dit moment is het 22,6 miljoen);
- Instrument voor Ontwikkeling (steun voor ontwikkelingslanden op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, milieu en voedselzekerheid. Hier is nu 17 miljard voor beschikbaar);
- New Neighbourhood Policy (voor humanitaire hulp, stabiliteit en mensenrechten is er voor nieuwe democratieën, de komende jaren 12 miljard euro beschikbaar).
Kritiek op de EU: op de bureaucratische regels is veel kritiek. Landen die in aanmerking willen komen voor subsidies en hulp krijgen te maken met veel administratieve rompslomp. De laatste jaren is de EU bezig de effectiviteit van de hulpverlening te verbeteren. Een ander kritiekpunt is de afspraak om de handelsrelatie tussen de voormalige koloniën en de EU te liberaliseren. In de praktijk stelt deze weinig voor vanwege het landbouwbeleid van de EU dat gericht is op bescherming van de EU-lidstaten. Door de landbouwsubsidies krijgen boeren uit arme landen weinig kansen op de export naar Europa.
Hoofdstuk 8: Globalisering
Globalisering: mensen staan wereldwijd steeds meer en makkelijker met elkaar in verbinding. Hierdoor krijgen sommige problemen een internationaal karakter: broeikaseffect, milieuproblemen, migratie.
Nation Building: oude koloniën die nu op eigen benen staan. In zo’n land moet gevoel van saamhorigheid zijn met een gemeenschappelijke identiteit en democratie.
Waar conflicten vroeger vaak tussen 2 landen werd uitgevochten, zijn ze nu vaak veel globaler. Wapens worden op internationale wapenbeurzen gekocht of ze worden met bedrijven of andere landen geruild voor grondstoffen. Zolang er geen veiligheid is zijn er ook minder kansen tot ontwikkeling omdat de kinderen niet naar school kunnen etc. Daarom is er de laatste jaren veel meer aandacht voor de samenhang tussen veiligheid en ontwikkeling gekomen. Soldaten komen niet alleen maar om te vechten, maar ze besteden ook aandacht aan de ontwikkeling. Hiervoor is een nieuwe term bedacht: 3D-aanpak: Defence, Diplomacy and Development. Deze groepen mensen moeten nauw met elkaar samenwerken en op elkaar aansluiten.
Globalisering heeft bijgedragen aan de totale mondiale welvaart. Bedrijven kunnen nu makkelijker investeren in arbeidskostenarme regio’s. Verder zijn er op internationaal niveau veel regels versoepeld. Hierdoor kan men veel makkelijker wereldwijd producten kopen. In landen als Zuid-Korea had de globalisering voornamelijk positieve gevolgen. Maar voor Afrikaanse landen minder vanwege de gewelddadige conflicten, de slechte infrastructuur, corruptie en gebrek aan geschoold personeel. Ze verkopen echter wel steeds meer wereldwijd.
Arme landen kunnen concurrentie van het westen beschermen door protectionisme toe te passen: landen heffen een hoge invoerbelasting op de buitenlandse producten. Nadeel is dat dit andersom ook gebruikt kan worden door westerse landen. Om deze handelsconflicten te voorkomen is de Wereldhandelorganisatie (WTO) opgericht. Dit is een organisatie waarbij de 142 aangesloten landen onderhandelen en overleggen over de internationale handel. Belangrijkste doelstellingen zijn:
- Het bevorderen van de internationale handel;
- Het tegengaan van protectionisme;
- Het bestrijden van het dumpen van producten zoals landbouwoverschotten;
- Het oplossen van handelsconflicten tussen landen.
Anti- en andersglobalisten: vanaf de conferentie in Seattle protesteren grote groepen antiglobalisten, ook wel andersglobalisten genoemd, tegen de oneerlijke handel, internationale verhoudingen, tegen vrijhandel en tegen de grote vrijheid die internationale bedrijven tegenwoordig hebben om overal actief te zijn. Vrijhandel leidt tot milieuvervuiling, uithollen arbeidsnormen en vergroting kloof arm en rijk. Ze stimuleren regionale handel. Waarbij zoveel mogelijk voorkomen met worden dat producten over de hele aarde worden vervoerd, dat leidt tot milieuvervuiling. Daarnaast bv. verzet tegen McDonalds.
Culturele globalisering: gevolgen van globalisering op de cultuur van ontwikkelingslanden:
- Informatiekloof tussen arm en rijk (er is in arme landen maar beperkte toegang tot de moderne massamedia, allen voor de hogere sociale klassen. Dit heeft wel geleid tot eigen computerindustrie in Azië en filmindustrie in India);
- Westerse culturele dominantie (de opmars van grote bedrijven beïnvloedt op grote schaal het lokale consumptiepatroon, met name van jongeren. Daarnaast westerse gezondheidszorg en nieuwsberichtgeving. Wereldwijd wordt er naar Amerikaanse series gekeken);
- Nadruk op de eigen culturele identiteit (landen als Iran en Jemen wijzen de westerse normen en waarden af. Hier staat religie centraal en het individu is ondergeschikt aan de gemeenschap.
Relativisme of universalisme: het culturele perspectief van ontwikkelingswerkers speelt nog steeds een rol in hun werk. Cultuurrelativisten staan open voor een andere cultuur zonder die te beoordelen. Zij proberen het gedrag van mensen te begrijpen binnen de context van die cultuur. Belangrijkste kritiek is dat hiermee ook allerlei misstanden, als het schenden van mensenrechten, corruptie en kinderarbeid weg kan worden weggerelativiseerd. Cultuuruniversalisten gaan ervan uit dat bepaalde algemene waarden voor iedereen gelden, zoals vrijheid van godsdienst en man en vrouw gelijk. Er moet dus alleen worden opgetreden als deze rechten worden geschonden. Kritiek is etnocentrisme: er wordt te veel uitgegaan van de eigen westerse normen en waarden.
Cultuur en ontwikkeling: in 1996 kwam de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling bijeen die een aantal richtlijnen opstelde voor menselijke waardigheid en culturele identiteit. Iedereen zou zich moeten houden aan een soort basispakket van normen en waarden die afgeleid zijn van:
- De universele mensenrechten;
- Het principe van een democratische rechtstaat;
- De bescherming van de minderheden;
- De erkenning van culturele verscheidenheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast

C.

C.

Waar zijn de hoofdstukken 5, 6, 7?
Verder wel handig hoor!

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

G.

G.

Dankje! was mijn boeken vergeten! door jou heb ik toch nog soort van kunnen leren <3

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast