Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?


Hoofdstuk 1: Communicatie en massamedia
Communicatie: Een proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven. Bij communicatie gaat het altijd om twee processen: informatieoverdracht en het Beïnvloeden van de onderlinge relatie.
-------F2: Feedback van zender naar ontvanger----------
Zender - Ontvanger - Medium - Boodschap encoderen - Ruis - Ontvanger
------- F1: Feedback van ontvanger naar zender-------

Communicatieproces: Vijf basiselementen: Zender, ontvanger, medium, ontvanger, het effect. Hieronder staan deze elementen beschreven:
Zender: Een persoon, groep o.i.d. Als je iemand aankijkt of iets tegen iemand zegt ben je al een zender, bij een liedje van een CD (zanger), bij een reclamespotje (het bedrijf dat het heeft gemaakt).
Boodschap: Hetgeen dat de zender overbrengt, kan verbaal en non-verbaal.
Medium: Een hand op steken (non-verbaal) of iets tegen iemand zeggen (je mond), als de afstand te groot is, maak je gebruik van een technisch hulpmiddel (telefoon).
Ontvanger: Ontvangers koppelen de boodschap aan hun eigen referentiekader en vormen zo een mening over de boodschap, soms komt de boodschap dus totaal niet over.
Effect: De boodschap kan het gedrag van de ontvanger beïnvloeden en opvattingen van de ontvanger veranderen.
Encoderen: Het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen. Het verpakken van gedachten dus.
Decoderen: Het uitpakken van de boodschap door de ontvanger, het terugvertalen van de boodschap naar de veronderstelde betekenis.
Feedback: De reactie van de ontvanger op een boodschap van de zender.
Referentiekader: Het geheel van je persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen.
Ruis: Verstoring of misvorming in het communicatieproces.
Communicatiestoornis: Als de ontvanger een boodschap anders interpreteert dan de zender bedoeld heeft, spreken we van een communicatiestoornis. Dit kan in alle fasen van het communicatieproces optreden.
We onderscheiden een aantal vormen van communicatie:
Directe/indirecte communicatie:
Direct: Persoonlijk contant, indirect: technisch hulpmiddel.
Eenzijdige/ meerzijdige communicatie:
Eenzijdig: Eenrichtingsverkeer, zoals bij radio en tv. Meerzijdig: Deelnemers tijdens een gesprek zijn afwisselend zender en ontvanger.
Verbale/non-verbale communicatie:
Verbaal: Er wordt gesproken of geschreven, non-verbaal: lichaamstaal, tekeningen. Kan tot misverstanden leiden, als in verschillende culturen, hetzelfde gebaar een verschillende betekenis heeft.
Inter-persoonlijke communicatie/massacommunicatie:
Inter-persoonlijk: Face-to-face communicatie, waarbij veel sprake is van feedback. Massacommunicatie: eenzijdige communicatie, waarbij nauwelijks sprake is van een feedback
Zes kenmerken van Massacommunicatie:
- De informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk;
- De relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk;
- Er is sprake van een heterogeen publiek;
- De communicatie is eenzijdig;
- Er is geen directe feedback;
- De ontvanger bepaalt voor een groot deel zelf of hij het medium gebruikt.
Interactiviteit: Door technologische ontwikkelingen is steeds vaker interactiviteit mogelijk. Lezers, luisteraars en kijkers kunnen d.m.v. sms, bellen en e-mail reageren en meedoen.
Bij massamedia kunnen we uitgaan van de volgende groepen boodschappen:
- Amusement (TV kijken, muziek luisteren);
- Nieuws (TV, radio, krant (voornamelijk), internet);
- Reclame (2 doelen: Mensen wijzen op nieuwe of goedkope producten, naamsbekendheid van een merk of bedrijf vergroten);
- Meningsvorming (talkshows, documentaires, discussiegroepen op internet, aan de hand hiervan vormen we onze eigen mening);
- Kunst of cultuur (toneelstukken, opera’s, popconcerten);
- Educatie en onderwijs (Teleac en de schooltelevisie: NOT).
Hoofdstuk 2: Het medialandschap
Gedrukte massamedia: Op papier (krant).
Audiovisuele massamedia: communiceren via beeld en geluid (TV).
Digitaal massamedium: Digitale informatie (internet).
Vrije ondernemingsgewijze productie: Het grootste deel van de massamedia kent deze productie, met als doel winst maken, bijvoorbeeld tijdschriften en kranten.
Ideële grondslag: Zenders als Ned. 1,2 en 3, die subsidie krijgen van de overheid en niet naar winst streven, RTL en SBS juist wel.
Bij internet behoort het grootste deel tot de commerciële media. De overheid en allerlei belangengroepen gebruiken internet op niet-commerciële basis met als doel een zo groot mogelijk publiek te trekken (sportverenigingen, Greenpeace).
Tegenwoordig komen veel kranten met extra katernen op het gebied van wetenschap, uitgaan etc. dit zijn aanvullingen op de basiskrant om de concurrentie met internet en TV aan te gaan.
De identiteit van een krant kan gebaseerd zijn op het geloof, politieke voorkeur, levensovertuiging etc. Met de identiteit probeert een krant zich te onderscheiden van de rest.
Redactioneel samenwerkingverband: Voor de landelijke en internationale berichtgeving werken de redacties (landelijk en regionaal) meestal samen. De uit 1936 stammende Geassocieerde Pers Diensten (PGD) is het grootst. De meeste regionale kranten zijn niet meer zelfstandig, maar zijn gefuseerd met grotere landelijke kranten.
In Nederland zijn de dagbladen veel minder op sensatie gericht dan in Engeland, omdat ze het daar van de losse verkoop moeten hebben, terwijl in Nederland 90% van de krantenlezers abonnee is.
Linkse kranten: Deze kranten hechten veel waarde aan maatschappelijke gelijkheid en steunen organisaties die opkomen voor meer gelijkheid (Volkskrant).
Rechtse kranten: Deze kranten zijn behoudend, steunen het gezag en hechten waarde aan tradities, zoals het koningshuis (de Telegraaf).
Massakranten: Populaire kranten, gericht op het grote publiek (de Telegraaf, AD)
Kwaliteitskranten: Kaderkranten, dat wil zeggen dat het beter opgeleide deel van de Nederlanders deze kranten leest (NRC).

Categorieën tijdschriften:
- Jongerenbladen: Vanaf het midden van de vorige eeuw, toen jongeren meer geld te besteden kregen (Donald Duck, Hitkrant).
- Familieweekbladen: Traditionele vrouwenbladen, die nu niet zo meer genoemd worden omdat mannen deze bladen ook meer gaan lezen (Libelle, Viva), nieuw is de opkomst van bladen met een bekende Nederlander als titel (Linda, Catherine).
- Lifestylebladen: Glossy magazine, die zich richt op de moderne man of vrouw.
Roddelbladen: Deze schrijven voornamelijk over het leven van bekende Nederlanders, opereren dikwijls op grens van leugens, met rechtzaken als gevolg (Privé, Weekend).
- Special-interestbladen: Bladen die over één onderwerp gaan (Autoweek, VT Wonen).
- Vakbladen: Bedoeld voor een bepaalde beroepsgroep (Kinderopvang, Medisch Contact).
- Omroepweekbladen: Overzichten van de televisie- en radioprogramma’s (VARA TV Magazine, NCRV-gids).
- Opiniebladen: Publiekstijdschriften, deze geven achtergrondinformatie en commentaar bij politieke, economische, culturele en sociaal-maatschappelijke kwesties, het geven van voldoende betrouwbare informatie is het doel.
Nederland heeft een duaal omroepbestel: er zijn zowel publieke als commerciële zenders. De publieke omroep bestaat uit: (Ned1, 2 en 3, Radio 1, 2, 3FM, 4, 747AM en Radio Nederland Wereldomroep). Er zijn grote landelijke zendgemachtigden zonder leden, lokale en regionale omroepen, de NOS, de NPS en de Ster.
Omroepen zonder leden: Op grond van de Mediawet ontvangen deze genootschappen op geestelijke grondslag zendtijd. Kijk voor voorbeelden in het HB. De EDUCOM bidt via de publieke zenders en andere media een breed en samenhangend educatief programma.
Speciale omroepen zonder leden:
NOS: Sport, Journaal, internationale evenementen als de Olympische spelen en Koninginnedag;
NPS: Opgericht voor het maken van talloze minderheden-, cultuur- en jeugdprogramma’s (Klokhuis, Raymann is laat, het Groot Dictee);
Ster: Houdt zich bezit met de exploitatie van reclame, vanwege de strikte scheiding tussen programma en reclame functioneert Ster zelfstandig.
Commerciële zenders: Hoe meer kijkers, hoe hoger de reclametarieven, deze zenders proberen zo veel mogelijk reclamezendtijd te verkopen. Het gaat dus om de kijkcijfers.
Er zijn een aantal grote concerns wat betreft commerciële TV-zenders:
- RTL Nederland: wordt uitgezonden vanuit Luxemburg;
- SBS-groep (Scandinavian Broadcasting System): SBS6, NET5 en Veronica;
- MTV Networks: Muziek- en jongerenzenders (MTV, TMF, Nickelodeon).
Hoofdstuk 3: Functies van de massamedia
Functies voor het individu:
Informatieve functie:
- Informatie (journaal, websites etc.);
- Educatie (schooltelevisie, documentaires etc.);
- Hulp bij meningsvorming (commentaarprogramma’s als Nova, opinieweekbladen).
Sociale functie:
- Met anderen kunnen meepraten;
- Hun eenzaamheid verdrijven;
- Gezelligheid hebben.
Recreatieve functie:
- Afleiding (weg uit dagelijkse zorgen);
- Ontspanning (na een dag hard werken);
- Tijdverdrijf (uit verveling kijken);
- Zinvolle vrijetijdsbesteding (educatieve programma’s, columns in kranten);
- Nieuwe ideeën voor ontspanning (spelletjes, uitgaanstips);
- Het bleven van spanning, sensatie en romantiek (films, roddelverhalen).
Functies voor de samenleving:
Informerende functie:
- Educatieve functie (schooltelevisie, documentaires);
- Politieke en maatschappelijke functie (programma’s over politieoptreden, filebestrijding, broeikaseffect, voor het politieke besluitvormingsproces is het van belang dat de burgers goed geïnformeerd zijn).
Socialiserende functie:
- Socialisatie: het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert. Dit vindt plaats vanaf de geboorte bij socialiserende instituties (media, vriendenkring, ouders, familie).
Amuserende functie:
- Sinds de jaren vijftig hebben Nederlanders steeds meer vrije tijd (vrijetijdsindustrie). Dit is een bedrijfstak die zich bezighoudt met recreatie en ontspanning (sporten, uitgaan, maar ook Tv-programma’s).
Bindende functie:
- De sociale samenhang tussen de mensen, ook wel de sociale cohesie genoemd. Een voorbeeld is het ontstaan van een sterke identificatie van mediagebruikers met bepaalde programma’s, zenders of bekende Nederlanders, hieromheen ontstaan fans.
Politiek-informatieve functie:
Spreekbuisfunctie:
- De media geven vaak aanzet tot een publiek debat over kwesties als het gevangenisbeleid, alcoholprobleem, politici zelf gebruiken de media ook steeds meer om zich te uiten);
Agendafunctie:
- Journalisten die op onderzoek uitgaan, kunnen misstanden signaleren of problemen herkennen die onder de bevolking leven. Het onderwerp komt vervolgens op de politieke agenda);
Opiniërende functie:
- Publieke opinie: de mening van de burgers over een bepaalde kwestie, bijvoorbeeld discussiefora of opiniebladen);
Commentaarfunctie:
- Bijvoorbeeld de hoofdredactie van kranten die haar mening geeft over actuele gebeurtenissen. Op televisie zie je ook steeds vaker columnisten, bijvoorbeeld in het programma Buitenhof);
Waakhondfunctie:
- De taak van het parlement om de ministers te controleren, ook de media letten op het doen en laten van ministers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, vooral kwaliteitskranten houden zich bezig met deze functie).
Kanttekeningen bij het functioneren van de media
Verschraling:
- Amusement is een van de grootste publiekstrekkers op TV, het verdringt de andere functies, waaronder vooral de informatievoorziening. Dit proces wordt ook wel vertrossing genoemd.
Minder kwaliteit:
- Media richten zich te veel op de grootste doelgroep, programma’s met een kleinere doelgroep, moeilijke programma’s verdwijnen daarom steeds meer van de TV, of worden verplaatst naar onaantrekkelijke uitzenduren.
Integratie informatie en amusement:
- Vermenging van amusement en informatie wordt ook wel infotainment genoemd, dit zie je vooral terug in ziekenhuisdramaseries al ER. Het geven van informatie door middel van amusementsprogramma’s wordt ook wel entertainment-education genoemd, het Nationaal Dictee en kookprogramma’s.
Hypes en frames:
- Mediahype: nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen. Deze ontstaan door uitspraken of bekentenissen van bekende politici of andere opinieleiders, of door een onverwachte gebeurtenis. Uit angst om bepaald nieuws niet te coveren, nemen redacties elkaars nieuws over, het papegaaiencircuit.
- Mediaframe: berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt. Bijvoorbeeld de islam in Nederland, dat vaak in verband wordt gebracht met criminaliteit en terreur.
Medialogica:
De situatie waarin de manier van politiek bedrijven gestuurd wordt door de media. Hierbij gaat het minder om inhoud, achtergrond en feiten van politieke kwesties en meer om emoties, schandalen en personalisering.
Hoofdstuk 4: Massamedia en technologische ontwikkelingen
Technologische ontwikkelingen en uitvindingen vinden altijd plaats in een maatschappelijke context. Neem bijvoorbeeld de industriële drukpers. Deze maakte het in de loop van de 19e eeuw mogelijk om kranten te produceren voor een groot publiek – lage prijzen – meer mensen kunnen het zich veroorloven om een krant te kopen – een groter deel van de bevolking raakt geïnteresseerd in dagelijkse politieke discussies. Om het analfabetisme tegen te gaan werd in 1901 de leerplicht ingevoerd.
Opkomst TV: Toenemende welvaart/vrije tijd – behoefte aan amusement wordt groter – welvaart stelt mensen in staat luxe artikelen te kopen. Door de massale koop van Tv-toestellen werden er snel nieuwere en modernere Tv’s ontwikkelt.
Drie ontwikkelingen rondom digitalisering:
- De technologische mogelijkheden, met name de komst van digitale techniek- economische groei en internationalisering;
- Economische groei en internationalisering;
- Groeiende behoefte aan informatie.
Deze 3 ontwikkelingen versterken elkaar. Voorbeeld:
Een Nederlands ziekenhuis besteedde in 2002 haar boekhouding uit aan een bedrijf in India, met de hoop te bezuinigen op de loonkosten. Om goed te functioneren had dit Indiase bedrijf informatie nodig over o.a. inkomsten, uitgaven, klanten, computersystemen en betaalsystemen van het ziekenhuis. Dus er werd informatietechnologie toegepast. Via internet, satellieten en door het gebruik van afgesloten netwerken werden de verbindingen verbeterd. Hierdoor konden ook de foto’s van Nederlandse patiënten door (goedkope) Indiase artsen worden beoordeeld.
Nieuwe media moeten aan de volgende kenmerken voldoen:
- Digitalisering (nu kan er veel meer opgeslagen worden dan vroeger: USB/Diskette);
- Interactieve mogelijkheden (media zijn interactief wanneer de ontvanger kan reageren. Sinds de digitalisering verdwijnt het verschil tussen oude en nieuwe media, omdat ook traditionele media gebruik maken van nieuwe media, via SMS of internet kun je reageren op Tv-programma’s, kranten hebben eigen website);
- Netwerken (de manier waarop informatie wordt verzonden. Voor goede communicatie moet je dezelfde taal spreken. Inmiddels is er wereldwijd een netwerk ontstaan waar je kunt rondsurfen: de digitale snelweg).
Content-platform: Een plaats waar je gebruik kunt maken van verschillende soorten media-inhoud: literatuur, films, nieuwsberichten, discussies, muziek etc.
Convergeren: Het samengaan van massamedia, communicatienetwerken en computertechnologie: oftewel de nieuwe media.
Internet als voorbeeld:
Zeer uiteenlopende media-uitingen (films, kranten, muziek) zijn toegankelijk omdat communicatienetwerken iedereen verbinden en de digitale techniek ervoor zorgt dat al deze informatie met één apparaat voorhanden is.
Economische groei: heeft geleid tot een hogere welvaart in westerse wereld. De vrijetijdsindustrie is explosief toegenomen. De omzetten van reisorganisaties attractieparken en mediabedrijven zijn sterk gestegen. Na 1990 zijn bijvoorbeeld meer dan 20 miljoen mobiele telefoons verkocht.
Globalisering: Veel industriële bedrijvigheid is verplaatst naar lagelonenlanden, terwijl de dienstenindustrie juist in landen als Nederland goed is ontwikkeld. Door deze internationalisering van de arbeidsmarkt is de wereldhandel toegenomen en kent de westerse wereld een flinke economische groei.
De aarde is plat: Aarde rond, dan is er een einde, bij een platte aarde zijn de mogelijkheden eigenlijk oneindig omdat er geen eind is. Outsourching: het uitbesteden van werkzaamheden naar lagelonenlanden bespaard veel geld. Zo ontstaan in bijvoorbeeld India centra die allerlei economische werkzaamheden verrichten voor westerse bedrijven. Denk dan bijvoorbeeld aan de verwerking van laboratoriumuitslagen en het verwerken van PayPal-betalingen.
Informatiemaatschappij: Een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen. Deze heeft de industriële samenleving vervangen.
De informatiesector is een belangrijke motor van de economie geworden, zoals internetproviders, uitgevers en reclamebureaus. Allemaal zijn zij bezig met het produceren van apparaten, technische apparaten, technische mogelijkheden en diensten die zich richten op het overbrengen van informatie.
Kenmerken informatiemaatschappij:
- Constante stroom van informatie;
- De informatiemaatschappij is niet gebonden aan één bepaalde plaats;
- De informatiemaatschappij is zelf steeds in verandering. Nieuwe technieken en toepassingen volgen elkaar in hoog tempo op;
- Directeuren zijn steeds meer afhankelijk geworden van mensen met de juiste informatiekanalen voor hun informatievoorziening;
- Het product ‘informatie’ is niet meer gebonden aan een fysieke drager zoals papier. Tegenwoordig zijn kranten ook al digitaal.
Gevolgen zoor de media:
Sociaal-culturele gevolgen:
- Diversificatie van het media-aanbod: De consument kan kiezen uit een groot aantal verschillende media: TV, internet, krant etc.
- Informalisering van de samenleving: Verhoudingen tussen mensen lopen minder formeel, vooral door de komst van e-mail, zijn contacten tussen mensen minder officieel geworden.
- De grens tussen massacommunicatie en (inter)persoonlijke communicatie vervaagt: Het verschil tussen bekend en onbekend publiek verdwijnt, door de toegenomen interactiviteit. Computers kunnen je surfgedrag bijhouden. Waardoor je soms ongewenste informatie via mail binnenkrijgt (reclame).
- Intensivering van de beleving en ervaringen met media: Het voldoen in de toenemende mate van consumenten naar spectaculaire programma’s en emotie-tv (vooral commerciële zenders).
- Internationalisering van het media-aanbod: Door TV en nieuws komen we makkelijk in aanraking met andere culturen. Internationalisering kent ook negatieve kanten, overal worden namelijk Amerikaanse tv-series en films uitgezonden. Deze veramerikanisering wordt ook wel cultuurimperialisme genoemd (het geleidelijk opdringen van de eigen cultuur aan andere landen of volken).
- Ontstaan van een globale cultuur: Door discussies op fora, wereldwijd gamen en ook sites als YouTube ontstaat er een soort nieuwe internationale cultuur, los van een nationale dominante cultuur.
Sociaaleconomische gevolgen:
- Bedrijven krijgen nu wereldwijd kansen, mensen in Nederland hebben tegenwoordig ook abonnementen bij Orange of Vodafone, waar KPN vroeger een monopolistische positie in handen had. Maar door internationalisering kunnen ook nieuwe monopolies of oligopolies ontstaan. Daarnaast zijn veel mediabedrijven uitgegroeid tot multinationals (TMF, RTL, CNN).
- Monopolies vormen een gevaar voor de vrijheid van informatievoorziening, uit angst voor negatieve reacties. Journalisten kunnen daarom niet geheel vrijuit schrijven. Daarnaast kan er een tweedeling in de samenleving ontstaan: De mensen die goed overweg kunnen met de nieuwe media, en een deel dat dat niet kan (vooral ouderen).
Politiek-juridische gevolgen:
- De informatiemaatschappij geeft burgers meer mogelijkheden om via de nieuwe media informatie in te winnen over het overheidsbeleid of standpunten van de partijen, ministers houden tegenwoordig zelfs weblogs bij.
- De informatiemaatschappij heeft gevolgen voor de privacy van mensen. Gevoelige informatie kan in handen vallen van onbekenden.
- Op internet lijken overtreders ongrijpbaar. Informatie kan namelijk anoniem geplaatst worden en is vaak voor iedereen toegankelijk.
- De publieke omroepen krijgen in Nederland subsidie van de overheid, commerciële omroepen niet.
Hoofdstuk 5: Wat doet de overheid?
Uitgangspunten van het mediabeleid:
Vrijheid van meningsuiting:
- Door ondertekening van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mensen in 1950, heeft Nederland de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd.
- Censuur: De overheid oefent controle uit op de informatievoorziening. Er is in een land waar censuur heerst geen ruimte voor kritiek op het overheidsbeleid en burgers worden onvolledig of onjuist geïnformeerd.
- Een beperking aan de vrijheid van meningsuiting is dat er niet gediscrimineerd mag worden. Ook mag je nooit iemand aanzetten tot het plegen van strafbare feiten.
- Het Nederlandse strafrecht richt zich vooral tegen smalend taalgebruik en het aanzetten tot haat, belediging en het verspreiden van leugens, minder tegen obsceniteit of schendingen van goede smaak.
- Een rechter kan een krant een publicatieverbod opleggen of verdere verkoop verbieden als de krant iemand openlijk beledigt of beschuldigt.
- De vrijheid van meningsuiting geldt alleen voor de relatie tussen overheid en burger. In maatschappelijke relaties hoeft de vrijheid van meningsuiting niet altijd te gelden. Bij een voetbalclub mag een trainer zijn speler een spreekverbod opleggen. Ook heeft de eindredacteur van een krant het recht om in de tekst van een journalist delen te schrappen.
Democratie:
- Sinds 1980 is in Nederland de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) van kracht. Deze wet verplicht de overheid tot het geven van informatie, tenzij het gaat om persoonlijke affaires binnen het koninklijk huis, de staatsveiligheid of bedrijfsgeheimen.
- De WOB geeft journalisten de mogelijkheid om informatie bij de overheid op te vragen. Dit recht is belangrijk voor de waakhondfunctie en de opiniërende functie van de nieuwsmedia.

Pluriformiteit:
- In een democratie is pluriformiteit van belang omdat het publiek daardoor informatie van verschillende media met elkaar kan vergelijken. Een monopolie verwerven is wettelijk verboden. Als één bepaald nieuwsmedium meer dan 30 procent van de bevolking van nieuws voorziet, is er sprake van monopolievorming.
Principe van de vrije markt:
- Iedereen mag een krant, tijdschrift, tv-zender of webpagina beginnen. Het principe van de vrije markt heeft als nadeel dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot de media. Mensen met een hoger inkomen zijn beter in staat informatie te vergaren, omdat zij de kosten tot toegang ervan makkelijker kunnen betalen. Hierdoor is er sprake van sociale ongelijkheid met betrekking tot informatievoorziening.
Mediawet: Al in 1930 werden de voorwaarden voor het verkrijgen van een zendmachtiging vastgeld in de Omroepwet. In 1988 werd deze vervangen door de Mediawet, waardoor ook commerciële zenders toestemming kregen uit te zenden.
Netprofilering: Toen het aantal kijkers naar Nederland 1, 2 en 3 door de komst van de commerciële zenders sterk daalde, besloot de Mediaraad, die toezicht houdt op de publieke omroep, tot profilering van de drie publieke zenders. N1 is voor breed publiek, N2 is voor de verdieping en N3 is vooral gericht op jongere kijkers.
De Mediawet: Het doel hiervan is kwalitatief hoogstaande programma’s te garanderen met volgende pluriformiteit. De Nederlandse Omroep Stichting (NOS) coördineert de programmering en de zending van de publieke zenders.
Belangrijke bepalingen zijn:
- Een publieke omroep moet de vorm hebben van een vereniging of een stichting en een maatschappelijke stroming vertegenwoordigen. Moet vanuit eigen identiteit gericht zijn op zowel een breed publiek als op speciale groepen, BNN richt zich op jongeren, KRO op katholieken en VPRO op maatschappijkritische kijkers;
- Een beginnende publieke omroep moet 50.000 betalende leden hebben. Een volledige vergunning wordt bij tenminste 300.000 leden verleend;
- De totale zendtijd van de publieke zenders moet een volledig programma bevatten: kunst, cultuur, nieuws, educatie en amusement;
- Publieke zenders mogen max. 6,5% besteden aan reclame, daarnaast geldt een maximum van 12 minuten per uur, de zenders mogen ook alleen tussen programma’s door reclame uit zenden, behalve bij bepaalde evenementen als voetbalwedstrijden;
- Commerciële zenders hebben minder strikte voorwaarden, ze mogen max. 15% besteden aan reclame, sluikreclame is wel verboden;
- Sponsoring is toegestaan, ze mogen alleen aan het begin en eind van een programma vermeldt worden, programma’s voor kinderen onder 12 mogen geen sponsoring bevatten.
Commissariaat voor de Media: Zelfstandig orgaan dat controleert of de omroepen de Mediawet wel volledig naleven, als deze wordt overtreden volgt een boete.
Bedrijfsfonds voor de Pers: Fonds dat als doel heeft om de bestaande verscheidenheid van de pers in stand te houden. Kranten en tijdschriften die bijdragen aan de pluriformiteit kunnen in geval van nood een beroep doen op tijdelijke financiële steun, dit geld is afkomstig van de Ster-opbrengsten.
De overheid helpt de burgers een handje, zodat iedereen gelijke toegang heeft tot de nieuwe media:
- Basis- en middelbare scholen krijgen geld om computers te kopen;
- Informatiekunde is een verplicht schoolvak geworden;
- Ambtenaren, politieagenten en leraren hebben bijscholingscursussen gekregen om een digitaal rijbewijs te halen;
- Het Kennisnet werd geïntroduceerd. Alle scholen zijn hierop aangesloten en kunnen programma’s volgen via dit medium.
De groep die voor overheidsbemoeienis is, pleit voor een overheid als bewaker van de kwaliteit en de pluriformiteit van de media.
De groep die voor weinig overheidsbemoeienis is, pleit voor een zelfregulerende mediamarkt, waar burgers kunnen kiezen uit een breed en vrij aanbod van de media.
Standpunten politieke partijen:
Liberalisme:
- Voorstanders van het vrijemarktdenken;
- Tegen subsidiëring van de media;
- Vrije concurrentie staat garant voor een goede afstemming van het product op de wensen en behoeftes van de kijkers en luisteraars;
Socialisten:
- Regulerend optreden van de overheid;
- Bewaking van de pluriformiteit in de mediawereld;
- Duaal omroepbestel met nadrukkelijke rol publieke omroepen.
Christendemocraten:
- Regulerende overheid, maar omroepen en kranten moeten ook zelf hun verantwoordelijkheid nemen;
- Socialiserende functie van de media;
- Duaal omroepbestel met een sterke publieke omroep, maar in mindere mate dan de socialisten.
Belangengroepen:
Publieke omroepen:
- Behoudt pluriformiteit;
- Commercialisering leidt tot meer oppervlakkigheid;
- Opvoedende, educatieve en informerende taken van de massamedia belangrijk.
Commerciële zenders:
- De kijker bepaalt de kwaliteit, daarom een zo groot mogelijk aanbod;
- Programma’s met meeste kijkers trekken de meeste adverteerders, zo worden vanzelf de beste programma’s gemaakt.
Bedrijfsleven:
- Commercialisering leidt tot vergroting van de keuzemogelijkheden;
- Sponsoring van programma’s.
Mediaconsumenten:
- Minder reclame, irritatiegrens wordt snel bereikt.
Overheid:
- Omroepbestel moet bijdragen aan de ontwikkeling van onze samenleving;
- Kwalitatief goede en hooggewaardeerde programma’s moeten kennisachterstanden verkleinen of het overbruggen van culturele verschillen in de samenleving.
Nog meer argumenten:
- Individualisering en ontzuiling (publieke omroepen geen duidelijke achtergrond meer);
- De mediamarkt is geliberaliseerd (meer terughoudende overheid);
- Minder programma’s voor kleine doelgroepen vanwege commercialisering;
- Oneerlijke concurrentie (reclamegeld + subsidie);
- Er is sprake van een groeiend consumentisme (amuserende voor informerende functie);
- Onbegrensd media-aanbod (TV, internet, telefoon, krant, tijdschriften);
- Identiteiten van omroepen zijn grotendeels verdwenen, door samenwerking.
In de VS is een commercieel bestel. Vanwege het vrijemarktprincipe zijn Amerikaanse zenders voor een groot deel afhankelijk van reclame-inkomsten, daarnaast verdienen ze geld met het verkopen van series aan Europese zenders, enkele grote stations zijn: NBC, ABC, CNN, CBS.
In dictaturen als in China is er een staatsomroep. Hier gebruikt de overheid de staatsomroep om de bevolking van bepaalde (eenzijdige) informatie te voorzien. Vaak is hier sprake van censuur, er zijn dus weinig overheidskritiek van burgers in zo’n land uit angst.
De meeste landen hebben een duaal omroepbestel als in Nederland, zoals in België, Engeland en Duitsland, waar de overheid zich nauwelijks met de inhoud van programma’s bemoeit.
Hoofdstuk 6: Massamedia en commercie
Journalisten en de directeuren van kranten hebben soms tegengestelde belangen: een journalist ontdekt een schandaal bij een bank die regelmatig in hun krant publiceert. De journalist wil groots publiceren, de directie zal meer belang hechten aan de inkomsten. Om belangenconflicten te voorkomen hebben de kranten een redactiestatuut. Hierin staan de taken bevoegdheden. Een journalist moet wel rekening houden met de identiteit van de krant en de fatsoensnormen van onze samenleving.
Publieke omroepen hebben inkomsten uit:
- Omroepgelden (rijksbijdrage, Ster-gelden);
- Lidmaatschapsgelden (tientjesleden en van abonnees op het programmablad);
- Inkomsten uit hun programmablad;
- Sponsoring van programma’s;
- Merchandising.
Commerciële zenders hebben inkomsten uit:
- Reclame-inkomsten;
- Sponsorgelden;
- Programmabladen (niet gekoppeld aan lidmaatschap, dus inkomsten zijn niet groot).
Bij kranten wordt er steeds meer beconcurreert d.m.v. er mooier uit zien, daarnaast moeten ze ook nog vechten tegen de gratis kranten. Op de TV concurreren ze met presentatoren. Bijvoorbeeld Jack Spijkerman die indertijd voor veel geld naar Talpa ging. Bij internet is bovenaan komen bij Google een goede stap.
Een neerwaartse oplagespiraal kan leiden tot een faillissement. Dit komt dan doordat mediabedrijven te weinig doen om hun marktpositie te handhaven of versterken. Het gevolg is dat ze advertentieopbrengsten verliezen en mensen moeten ontslaan, het gevolg daarvan is minder kwaliteit.
De hiervoor beschreven toegenomen concurrentie heeft geleid tot een aantal ontwikkelingen:
Grotere commercialisering:
- Alle massamedia zijn sterk vercommercialiseerd. Kwaliteit is minder belangrijk geworden, het aantal lezers, kijkers en adverteerders wel. Gevolg is minder informatief, meer amusement en meer reclame.
Stijging van het aantal producten:
- Massamedia gaan steeds meer producten produceren om maar aan de vraag te voldoen. Hier valt merchandising en het uitgeven van extra katernen van kranten onder.
Persconcentratie bij de dagbladen:
- Het aantal krantenuitgeverijen is de laatste jaren gedaald van 21 naar 9. Persconcentratie brengt het gevaar van monopolievorming met zich mee, daardoor neemt de kwaliteit af en de pluriformiteit wordt minder. Er zijn 3 soorten persconcentratie:
• Redactionele concentratie (redacties werken voor verschillende kranten);
• Publieksconcentratie (het publiek verdeelt zich veel eenzijdiger over de dagbladen);
• Aanbiedersconcentratie (de uitgever van een dagblad geeft nog meer kranten uit).
Marktsegmentering bij de tijdschriften:
- Uitgevers doen er alles aan om een bepaalde doelgroep te beheersen. We zien dus veel kleine markten voor gespecialiseerde informatie (sport, hobby, lifestyle). Door actief te zijn in meer marktsegmenten spreidt de uitgever zijn risico.
Doelgroepenmedia en netprofilering bij tv-zenders:
- Commerciële zenders stemmen hun zenders en programma’s af op specifieke doelgroepen. Bij RTL zie je bijvoorbeeld netprofilering. Daarnaast zijn er zenders speciaal voor muziek en sport. Voor adverteerders is netprofilering ook handig, dan is het overzichtelijk voor hun bij welke zender ze nou moeten adverteren.
Mediaconcentratie door ontstaan van mediagiganten:
- De samensmelting van verschillende vormen van massamedia noem je mediaconcentratie. Steeds vaker worden nationale bedrijfjes opgekocht door internationale multimediabedrijven. Dit leidt o.a. tot een meer eenzijdige berichtgeving. De CNN bijvoorbeeld levert een groot deel van de informatie en beelden die wij in het journaal zien.
Mededingingswet:
Mediaconcentratie wordt ook wel diagonale concentratie genoemd omdat de concentratie verschillende producten omvat (dagbladen, tv-programma’s). Horizontale concentratie is als één bedrijf verschillende kranten uitgeeft en verticale concentratie is als een bedrijf een gehele bedrijfskolom bezit. Concentraties leiden vaak tot minder kwaliteit en prijsopdrijving. D.m.v. de mededingingswet probeert de overheid de consument te beschermen. Hier ziet de Nederlandse Mededingingsautoriteit op toe (NMa).
Pessimisten: De sterke invloed van de commercie op de media is in de ogen van pessimisten een groot gevaar voor de pluriformiteit en de kwaliteit van de media.
Optimisten: Deze beweren juist dat concurrentie goed is omdat het bedrijven dwingt om steeds betere programma’s, kranten of websites te maken.
Hoofdstuk 7: Massamedia en cultuur
Normen: Specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen beoordelen.
Waarden: Principes die mensen belangrijke vinden om na te streven.
Cultuur: De leefwijze van een groep met alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend beschouwen. Kan van groep tot groep verschillen en is daarom relatief begrip.
Nature-aanhangers: Deze leggen de nadruk op biologische of erfelijke factoren. Emoties en driften zijn erfelijk bepaald.
Nurture-aanhangers: Gevoelens en emoties worden aangeleerd en zijn afhankelijk van het sociale milieu en de omgeving waarin iemand opgroeit.
Tegenwoordig gaan de meeste sociologen ervan uit dat het gedrag van mensen een combinatie is van bovengenoemde factoren.
Dominante cultuur: Hier spreken we van als de cultuurkenmerken gedragen worden door een groep die binnen een samenleving overheersend is en vaak de meeste invloed heeft op het economische en politieke leven.
Subculturen: Hiervan is sprake wanneer een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken heeft die deels afwijken van de dominante cultuur. Voorbeelden zijn:
- Religieuze subculturen (strenggereformeerden en Jehova’s getuigen);
- Jongerenculturen (punkers, alto’s, hippies, pas vanaf eind jaren ‘50);
- Bedrijfsculturen (uitstraling van bedrijf, Ikea hanteert informele cultuur (jij/je);
- Etnische culturen (Nederlandse Surinamers, hebben vaak contact met een dominante cultuur in een ander land);
- Tegenculturen (milieuactivisten, verzetten zich tegen de dominante cultuur).
Functies van cultuur:
- Cultuur geeft betekenis aan ons gedrag (in China is boer na het eten: goed gesmaakt, in Nederland is het onbeleefd);
- Cultuur bepaalt welk gedrag wel of niet aanvaardbaar is (journalisten zoeken tot op de bodem uit of politici wel de waarheid spreken in Nederland, in andere landen is dit gewoon);
- Cultuur biedt de mogelijkheid tot identificatie (mensen zien zichzelf als deel van een groep, het Journaal zal eerder aandacht besteden aan 2 Nederlandse doden in een oorlog dan dat er 62 Canadezen zijn omgekomen bij diezelfde gevechten).
Als je alle cultuuruitingen bekijkt, dan zijn er drie dimensies te herkennen:
- Ideële dimensie: het uitwisselen van ideeën en opvattingen, je kunt onderscheid maken tussen:
• Ideeën die te maken hebben met een visie op de mens en de samenleving (politieke stromingen, milieuactivisten);
• Religieuze ideeën (gebaseerd op een godsdienst of een spirituele stroming);
• Maatschappelijke waarden (zoals eerlijkheid, hulpvaardigheid en tolerantie).
- Normerende dimensie: alle regels, zowel ongeschreven als de wetten, straffen en gewoontes die voortvloeien uit de hiervoor genoemde waarden. Normen geven altijd aan wanneer iets goed of slecht is.
- Materiële dimensie: hier komen de waarden en normen van een cultuur tot uiting in allerlei materiële vormen (de manier waarop huizen gebouwd worden, de vormgeving van producten, kleding).
Collectieve gedragspatronen: elke cultuur kent deze. Deze komen o.a. tot uitdrukking tijdens gemeenschappelijke evenementen als Koninginnedag, maar ook tijdens ontspanning in vrije tijd.
Socialiserende instituties: (instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt)
- Gezin (eerste levensjaren: eerste woordjes, referentiekader wordt gevormd);
- School (discipline, op tijd komen, het aanvaarden van gezag, samenwerken, eerste conflicten met leeftijdsgenoten en onderwijzers);
- Werk (leveren van prestaties, met tegenslagen omgaan, kennis omzetten in beroepsmatige capaciteiten);
- Maatschappelijke groeperingen (sportclubs, de kerk);
- Overheid (wetgeving, strafvervolging, stimuleert bepaalde zaken als zorg voor elkaar);
- Media (TV, internet, kranten).
Sociale controle: de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden. Formeel is gebaseerd op geschreven wetten. Informeel heeft betrekking op ongeschreven wetten als beleefdheidsvormen. Komt tot uiting in sancties (belonen of straffen).
Internalisatie: hier spreken we van als mensen zich de culturele waarden en normen eigen hebben gemaakt (fietsen, bijpassende kleren aantrekken).
Persoonlijke identiteit: datgene wat je als je eigen ‘ik’ beschouwd: ik ben een Drent/ik ben een Student etc.
Stereotype: een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedag en de mentaliteit van een specifieke groep (blonde vrouwen zijn blond, Nederlanders zijn kaaskoppen).
Vooroordeel: een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd.
Stereotypen en vooroordelen kunnen leiden tot discriminatie: je behandelt mensen ban een bepaalde groep anders op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.
Een cultuur is dynamisch. Dat wil zeggen: constant in beweging. De normen en waarden over een kwestie veranderen in de loop van de tijd.
Maatschappelijke zuilen:
- Katholieken – KRO, Volkskrant;
- Protestants-christelijken – NCRV, Trouw;
- Socialisten – VARA, het Parool.
In 1969 kwam de TROS, deze had helemaal geen verzuilde achterban, dit en de komst van de nieuwe media droegen allemaal bij tot de ontzuiling.
Hoofdstuk 8: Nieuws en beeldvorming
Onderzoeken hebben uitgewezen dat een bericht nieuwswaarde heeft, als de inhoud:
- Actueel is;
- Opvallend, onverwacht, verassend, schokkend is;
- Cultureel of geografisch dichtbij is;
- Over belangrijke, bekende personen gaat;
- Gerelateerd is aan menselijke aspecten: drama, emotie, conflict;
- Afwijkend is, veelal in negatieve zin;
- Ondubbelzinnig, begrijpelijk is;
- Gepaard gaat met beeldmateriaal (voor TV);
- Interessant is voor de doelgroep van het medium;
- Gerelateerd is aan politieke, sociaaleconomische, financiële, culturele ontwikkelingen en kwesties;
- Past binnen de identiteit van het medium.
Informatiebronnen:
- Personen of instellingen (eigen initiatief in de hoop het nieuws te halen);
- Overheid (het doorgeven van informatie van politici aan journalisten, actieve informatieplicht);
- Correspondenten (grote krant beschikt over een aantal correspondenten in binnen- en buitenland, deze geven belangrijk nieuws door aan redactie);
- Freelance journalisten (deze schrijven over gespecialiseerde onderwerpen: bio-industrie, klimaat en religie, sommige schrijven voor meerdere kranten tegelijk);
- Persbureaus:
• Algemeen Nederlands Persbureau (ANP). Deze redacteuren maken een selectie uit de buitenlandse berichten die zij aangeleverd krijgen. Deze worden bewerkt en vertaald. Eigen mening mogen ze er niet in verwerken. Het ANP verzorgd ook binnenlandse berichten. Naast het ANP kent Nederland ook de Geassocieerde Pers Diensten (GPD). Deze zorgt voor regionale dagbladen, het binnenlandse- en buitenlandse nieuws. En het Haagse Persbureau, gespecialiseerd in juridische en politieke verslaggeving rondom het binnenhof;
• Internationale Persbureaus. Deze hebben in diverse landen eigen kantoren. Als het nieuws interessant genoeg is zoals een persconferentie van de president van de VS, dan wordt er een bericht van gemaakt.
- Persdiensten (Volkskrant maakt gebruik van nieuws van New York Times);
- Beeldmateriaal (over oorlog in Irak bijvoorbeeld van CNN, is dus erg vertekend, zo is nieuws uit de derde wereld erg vertekend omdat het vanuit een westerse optiek is).
Massamedia presteren hetzelfde nieuwsfeit vaak verschillend. Deze zijn het gevolg van bewuste en onbewust kleuring door de redacties van nieuwsmedia:
- Invloed van identiteit: kan gebaseerd zijn op geloof, politieke voorkeur of levensovertuiging. Hierdoor krijgt een krant of omroep een ‘eigen gezicht’. De identiteit is met name herkenbaar aan:
• De keuze van de onderwerpen (links: staking, rechts: toespraak van paus);
• De volgorde van de berichten (Telegraaf: als eerste een schandaal, NRC: als eerste een meer algemeen onderwerp);
• De presentatie;
• Het eigen commentaar (krant: eigen identiteit, TV: neutraal);
• Het woordgebruik;
• Het gebruik van gastschrijvers.
Manipulatie: het vervormen van nieuws door het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten en indoctrinatie, het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren. Dit vindt het meeste plaats in dictaturen.
Objectiviteit: een blad dat regelmatig onjuiste informatie publiceert, verliest zijn geloofwaardigheid en snel lezers:
- Subjectieve referentiekader;
- Hoor en wederhoor;
- Gekleurde en eenzijdige informatiebronnen raadplegen;
- Het vermengen van feiten en meningen;
- Hierdoor kan een mediaframe ontstaan.
Hoofdstuk 9: Macht van de media
Injectienaaldtheorie: d.m.v. veel propaganda, zoals in de 2e wereldoorlog. Deze theorie gaat ervan uit dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen. Reclameboodschappen hebben dit ook in zich: ze laten je zien dat als je het product niet zal gebruiken een minder gelukkig mens zal zijn.
Mechanismen die ervoor zorgen dat een boodschap niet of vervormd aankomt bij de ontvanger:
- Selectieve aandacht: alleen datgene lezen waar je interesse naar uitgaat. Een sportfanaat zal minder opletten als hij een stukje leest over de koningin dan als hij een stukje leest over een groot sportevenement;
- Selectieve perceptie: Het selectief opnemen van informatie. Je vervormd informatie met je eigen referentiekader zodat het voor jezelf klopt.
- Selectief geheugen: alleen datgene onthouden wat belangrijk voor je is, wat bij je referentiekader past dus.
- Selectief geloven: de gemiddelde consument vindt het NOS Journaal meer betrouwbaar dan het nieuws van RTL. Ligt ook aan het verschil tussen commerciële en publieke omroepen.
Beïnvloedingstheorieën:
- Cultivatietheorie: Het overnemen van normen en waarden uit soaps. Mensen die veel naar soaps kijken zullen dit doen. Ook de opvattingen van mensen zullen meer gevormd worden door wat ze in Tv-programma’s zien. Deze theorie benadrukt de vermenging van Tv en werkelijkheid. Dit geldt het sterkst voor jonge kinderen. Uit onderzoek is echter gebleken dat het verband tussen de tv-werkelijkheid en de denkbeelden van kijkers slechts gering is.
- Agendasettingtheorie: media hebben weinig invloed op het denken en doen van consumenten, maar ze bepalen wel de onderwerpen die de consumenten bezighouden. Volgens deze theorie bepaalt de media voor een deel ook de politieke agenda. Onderzoeken kunnen echter niet goed aantonen dat de media de publieke en politieke agenda het sterkst beïnvloeden.
- Framingtheorie: de journalist bepaald hoe wij een onderwerp op tv te zien krijgen en daardoor wordt dus ons referentiekader gevormd. Framebuilding is het proces waarin een mediaframe tot stand komt. Framesetting is waarbij het mediaframe het denken van mensen beïnvloed. Kanttekening is dat het onbekend is of deze theorie meer invloed heeft op mensen die meer van politiek afweten.
- Theorie van de zwijgpaal: deze theorie schrijft veel macht toe aan de media. Mensen zijn onzeker over hun mening. Mensen zullen elkaar mening overnemen om niet in negatief daglicht te komen en zo vormt iedereen dezelfde mening om waardering te krijgen. Kanttekening is dat deze theorie niet is onderbouwd.
- ‘Uses and Gratifications’ benadering: een krant brengt volgens deze theorie niet alleen nieuws, maar ook een soort dagelijkse rust en een dagelijks ritueel. En het sociale prestige: met de krant onder de arm over straat lopen. Kanttekening is echter dat het niet goed bekend is of dit ook geldt voor bijvoorbeeld soaps. Worden zij door hun behoefte aan ontspanning wel beloond?
- Media-afhankelijkheidstheorie: Mensen hebben informatie nodig om bepaalde algemene doelen in hun leven te kunnen bereiken:
• Mensen willen de wereld om hun heen begrijpen;
• Ze hebben allerlei soorten praktische kennis nodig zoals het weerbericht;
• Ze willen zich ontspannen, bij voorkeur door weg te vluchten in een fantasiewereld (films);
• Ze willen zich conformeren aan de sociale normen van hun omgeving (trends).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast

g.i

g.i

is dit het boek van 5HAVO massamedia?

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

Uses and Gratifications theorie is verkeerd.
Het heeft niks te maken met een dagelijks ritueel. maar met de individuele keuzevrijheid van ieder mens op het gebied van media. Volgens deze theorie is ieder mens is een individu dat zijn eigen media uitzoekt welke het beste bij zijn eigen smaak past.
Het stukje behoefte zit m in dat mensen opzoek gaan hun persoonlijke samenstelling van media, en dat zij hierin hun bevrediging zoeken/krijgen.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

E.

E.

Kan iemand uitleggen wat gekleurde en eenzijdige bronnen zijn?

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Is dit voor 5 havo of 5 vwo?

6 jaar geleden

Antwoorden

M.

M.

@Selma: vwo, zie bijvoorbeeld drie dimensies, is vwo-stof. Verder wordt dit boek ook bij eindexamen gebruikt, dus ook voor 6 vwo

2 jaar geleden

gast

gast

F.

F.

Goede Samenvatting thx

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Een lange, maar een goeie samenvatting!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast