Samenvatting Maatschappijwetenschappen

 

    1. Strafbaar gedrag

 

Strafbaar gedrag = alle gedragingen die door de wet strafbaar zijn vastgesteld

Strafwaardig gedrag = gedrag dat volgens iemand of een grotere groep strafbaar zou moeten zijn.

 

De strafwaardigheid en strafbaarheid wordt bepaald door:

Waarden = uitgangspunt of principe wat mensen belangrijk of nastrevenswaardig vinden.

Normen = gedragsregels (fatsoensnormen, religieuze normen, morele normen, rechtsnormen.

  Norm-overschrijdend gedrag = als normen worden overschreden, bijv. boerka’s

Criminaliteit = elk door de overheid bij wet strafbaar gesteld gedrag (de officiële)

Criminaliteit in de volksmond = alle misdrijven die in de wet geschreven staan.

 

Delict = de juridische benaming van strafbaar gedrag

Misdrijven = de meer ernstige strafbare feiten zoals diefstal, mishandeling, moord, fraude, rijden onder invloed en vernieling

Overtredingen = de minder ernstige strafbare feiten, zoals rijden door rood.

Strafblad = uittreksel justitiële documentatie waarin veroordeelde misdrijven worden geregistreerd.

 

Criminaliteit is een relatief en cultureel bepaald begrip. (bijv. wat wij als christenen verbieden)

Criminalisering = gedrag dat eerst niet strafbaar was, wordt opgenomen in het wetboek van strafrecht. Voorbeelden:

  • Nieuwe gedragingen
  • Groeiende informatietechnologie bijv. hacken en fraude (cybercriminaliteit)
  • Zorgen over het milieu

Decriminalisering = een strafbare gedraging wordt uit het strafrecht gehaald en is daardoor niet langer meer verboden. Voorbeelden:

  • Softdrugs
  • Homo’s

Criminalisering en decriminalisering is afhankelijk van:

  • Maatschappelijk context (seksuele revolutie, aanslagen)
  • Ernst van de gevolgen (grooming)
  • Politieke macht (godslastering, de meerderheid van 2e kamer was voor)

 

1.2 Criminaliteit als maatschappelijk en politiek probleem

Criminaliteit wordt gezien als maatschappelijk/sociaal probleem door:

- Criminaliteit geeft ongewenste gevolgen voor grote groepen in de samenleving

- Er is een verband tussen criminaliteit en andere maatschappelijke ontwikkelingen

- Bij de aanpak van criminaliteit spelen tegengestelde belangen een rol

- Criminaliteit vraagt om een gemeenschappelijke oplossing

 

Gevolgen van criminaliteit:

- Materiële schade

o Directe financiële schade, bijv. kosten na inbraak, ziekenhuiskosten

o Indirecte financiële schade bijv. gestegen verzekeringspremies, in winkels prijzen omhoog door gestolen spullen.

o Kosten voor criminaliteitsbestrijding zowel door overheid, burgers en bedrijven. Meer politie-inzet en aanschaf apparatuur. 

- Immateriële schade

o Gevoelens van onveiligheid

o Vermijdingsgedrag, s ’avonds de straat op durven bijv.

o Emotionele en psychische problemen, zoals slaap- en concentratieproblemen

o Boosheid en verbazing als mensen horen hoeveel diefstal of fraude is, ofwel morele verontwaardiging

o Veranderende opvattingen over goed en kwaad

o Verlies aan vertrouwen in mensen, politiek, samenleving

o Aantasting van rechtsgevoel als mensen zien dat daders niet altijd gepakt/gestraft worden

o Het gevaar dat mensen voor eigen rechter gaan spelen (eigenrichting)

 

 

 

Verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen

- Afnemend gezag van de overheid. Minder respect van burgers. (geweld ambulancepersoneel)

- Afnemende betekenis van het maatschappelijke middenveld, zoals school, kerk en buurt- sportverenigingen, als gevolg van individualisering, minder betrokkenheid, minder rekening houden.

- Minder sociale controle, in eigen omgeving. Ook functionele controle door politie etc. is afgenomen

- Veranderend normen- en waardenbesef, traditionele waarden bijv. gehoorzaamheid gelden minder. Dat komt door verminderde betekenis kerk, levensbeschouwing en ideologie. Veel egoïstischer

- Toegenomen welvaart, er valt meer te halen, ook toename alcohol- en drugsgebruik is welvaartsverschijnsel

- Afgenomen pak- en strafkans, de kans is kleiner dat je opgemerkt en gestraft wordt. alleen bij lichte delicten bijv. alcoholcontroles, neemt het toe.

- Werkeloosheid, mensen hebben geld nodig en vervelen zich. Vooral onder jongeren, die dan hangen en lichte criminaliteit verrichten.

- Technologische ontwikkelingen, digitalisering en internet leiden tot nieuwe criminiele mogelijkheden: cybercriminaliteit

- Internationalisering. De open grenzen in de EU bieden meer mogelijkheden voor criminelen bijv. in drugs.

 

Belangentegenstellingen

- Een slachtoffer wil dat de dader van verkrachting bijv. levenslang krijgt, maar de dader wil dat niet.

- Preventief fouilleren maakt het opsporen van criminelen makkelijker maar tast onze privacy aan.

Veiligheidsparadox = het verschijnsel dat hoe meer veiligheid we hebben, hoe erger we een inbreuk daarop ervaren. (De onveiligheidsgevoelens nemen toe, maar criminaliteitscijfers nemen af)

Veiligheidsutopie = het onhaalbare verlangen naar het samenvallen van maximale vrijheid en maximale veiligheid. Burgers willen dat overheid alles doet aan misdaad, maar willen niet overal camera’s enz.

 

Gemeenschappelijke oplossing nodig

Er zijn allerlei particuliere initiatieven om de overlast in de buurt te beperken (Whatsappgroep).

Bewoners van huizen beveiligen hun huis goed.

Bedrijven investeren miljoenen in beveiliging.

Tal van maatschappelijke instellingen bieden hulp aan slachtoffers zoals Meldpunt Discriminatie.

Ook is er de reclassering die juiste hulp biedt aan verdachten en (ex)gedetineerden

 

Criminaliteit is ook een politiek probleem:

- Het handhaven van de openbare orde en verschaffen van veiligheid is een van de basisfuncties van de overheid

- De bestrijding van criminaliteit staat hoog op de politieke agenda omdat het een ernstige bedreiging is op de rechtsorde

- Over de beste manier om criminaliteit de bestrijden zijn de politieke partijen het niet met elkaar eens. De een wil harde aanpak en hogere straffen, de andere het voorkomen van criminaliteit

 

Hoofdstuk 2 Aard en omvang van criminaliteit

2.1 soorten criminaliteit

 

- Delicten tegen de openbare orde en het gezag (vlag verbranden of politie uitschelden)

- Geweldsdelicten tegen leven en persoon (moord, doodslag en mishandeling)

- Ruwheidsdelicten (vernielingen, graffiti)

- Vermogensdelicten (diefstal, inbraak, verduistering)

- Seksuele delicten (aanranding, verkrachting)

- Verkeersdelicten (autorijden onder invloed)

- Drugsdelicten (productie, verkoop, bezit)

- Economische delicten (verkopen van besmet vlees)

- Milieudelicten (dumpen van chemisch afval, illegaal kappen)

 

 

Andere indeling

- Veelvoorkomende criminaliteit

o Winkeldiefstal

o Fietsendiefstal

o Vernielingen

- Zware criminaliteit

o Moord

o Inbraak

o Afpersing

- Georganiseerde misdaad

o Houdt zich bezig met meer dan één categorie of delict

 

 

2.2 beeldvorming rond criminaliteit

- Onze beeldvorming wordt sterk beïnvloed door massamedia. De aandacht is niet erg evenwichtig. Er is veel meer aandacht voor geweldsmisdrijven en seksuele delicten dan aan vermogensdelicten (stelen) terwijl dat wel vaker gebeurd. Daardoor zou je de indruk kunnen krijgen dat NL ’s avonds heel gevaarlijk is.

- Selectieve waarneming (perceptie) je kiest zelf welke kranten je leest en welke programma’s je kijkt. In het AD en De Telegraaf wordt het sensationeel. NRC is wat zakelijker

- Framing = Wanneer media de berichtgeving (bewust) aandikken of vanuit één hoek laten zien (venster). Dus door eenzijdige berichtgeving over criminaliteit ontstaat er bij het grote publiek een stereotiep en generaliserend beeld van criminaliteit.

Stereotiep = een vaststaand beeld ontstaat van een bepaald verschijnsel omdat de media steeds op dezelfde manier over het onderwerp berichten.

Generaliserend = uit een of enkele bijzondere gevallen wordt er een algemene conclusie afgeleid.

- Referentiekader = van waarden, normen, ervaringen en opvattingen zorgen ervoor dat we de media bekijken en ons beeld bevestigen. Mensen kiezen de media die hun opvattingen en verwachtingen bevestigen.

Het referentiekader wordt gevormd en bevestigt door de media, maar ook de eigen ervaringen hebben er invloed op. Als het bijv. in je familie gebeurd, ga je er anders tegenaan kijken

Effecten:

- Hypes – angst voor meer project X

- Discriminatie etniciteit – bepaalde bevolkingsgroep is crimineel

- Irreële angsten – elk moment kan een aanslag komen

 

2.3 Het meten van criminaliteit

Kwantitatief onderzoek:   (= onderzoek met cijfertjes en percentages)

- Politiekstatistieken

- Rechtbankstatistieken

- Slachtofferenquêtes

- Daderenquêtes

Kwalitatief onderzoek:    (= onderzoek naar de gevoelens en gevolgen)

- Diepte-interview

 

- Politiestatistieken, zijn een weergave van de geregistreerde criminaliteit = misdrijven die door mensen bij de politie zelf zijn ontdekt. Misdrijven die niet worden aangegeven tellen niet mee. Bij elke aangifte of ontdekking wordt proces-verbaal gemaakt = schriftelijk verslag waarin de politie of andere opsporingsambtenaar informatie geeft over het tijdstip, de plaats en de toedracht van een overtreding, misdrijf of ongeluk.

Het geeft beperkt beeld door:

o Mensen doen om allerlei redenen geen aangifte, mensen willen geen moeite doen, ze denken dat het toch niet wordt opgelost of ze schamen zich

o Sommige delicten blijven vaak onzichtbaar, ze worden nooit ontdekt bijv. belastingontduiking en zakkenrollerij.

- Rechtbankstatistieken registeren alle misdrijven waarbij een rechter uitspraak doet. Zo wordt bijgehouden hoe vaak iemand wordt vrijgesproken etc. Ook deze statistieken zijn niet volledig omdat de ongv. 100.000 strafrechtzaken per jaar nog geen tiende deel zijn van de totale geregistreerde criminaliteit. Het wordt niet door de rechter beoordeelt.

 

Onderzoeksgegevens zijn betrouwbaar = als ze zijn gebaseerd op waarnemingen die, onder dezelfde omstandigheden herhaald, steeds dezelfde uitkomst geven, er mag geen sprake zijn van toeval.

Deze factoren zijn niet betrouwbaar:

- Selectieve opsporing = als er meer wordt gecontroleerd wordt er ook meer ontdekt en geregistreerd. Ernstige controles zoals moord krijgt meer aandacht en kan dus sneller in statistieken terecht komen.

- Door nieuwe wetten groeit het aantal delicten. Bijv. cybercriminaliteit, en rijden onder invloed

- De registratie van misdrijven wordt soms gekleurd door subjectieve beoordeling door de politie of justitie. Wat de ene officier mishandeling vindt, vind de ander poging tot doodslag. (tasjesroof was vroeger vermogensdelict, nu geweldsdelict)

- Verschillende (politieke) belangen. Als een politiecommissaris vang is voor bezuinigingen heeft hij belang bij hoge aantallen delicten. En een minister wel graag effect zien, door lage cijfers. Gepaste wantrouwen!

- De interpretatie van de cijfers, de cijfers moeten gekoppeld worden aan de groei en leeftijdsopbouw van de bevolking (vergrijzing -> afname misdrijven)

 

 

 

 

 

 

Slachtoffer- en daderenquêtes

Slachtofferenquêtes: De niet-geregistreerde, oftewel verborgen criminaliteit of ‘dark figure’ genoemd, kan worden bekeken door slachtoffers te enquêteren. Voordeel: lichte misdrijven waar mensen geen aangifte komen aan het licht bijv. fietsendiefstal. Ook geeft het inzicht in de omgeving en omstandigheden waar het delict plaatsvindt en de risico’s die bepaalde groepen loopt.

 

Daderenquêtes of ‘self report studies’ geven in theorie een goed beeld. Je kan beter slachtofferloze criminaliteit meten bijv., rijden onder invloed of drugshandel. Ook niet-ontdekte fraudezaken kom je tegen. Maar er bestaat ook een drempel om eerlijk te antwoorden vooral bij zware criminelen.

 

Ook zijn deze twee soorten enquêtes niet betrouwbaar:

- Niet alle categorieën worden ondervraagd. Illegalen, toeristen en jongeren onder de 15 worden zelden ondervraagd

- Sommige misdrijven worden verzwegen, zoals seksuele delicten.

- Subjectieve metingen, het gaat om de persoonlijke beleving, bijvoorbeeld een klap in gezicht in café

- Het zijn maar steekproeven, voor veelvoorkomende delicten is er grote representativiteit van bevolking maar ernstige delicten zullen geen goede verhouding hebben. 

 

 

H3 Hoe ontstaat crimineel gedrag

 

3.1 Verschillen tussen criminelen komen door:

- Geslacht = criminaliteit is vooral een zaak van mannen. Hoe dat komt is niet duidelijk. Misschien verschil in opvoeding, aangeboren verschil in agressiviteit of de ongelijke machtsverdeling. Er is wel toename onder vrouwen van criminaliteit

- Leeftijd = vooral in hun adolescentie van 16-23 jaar. Kenmerken van deze jongeren:

o Weinig besef van geldende normen, door ‘slechte’ opvoeding

o Relatief veel problemen als verslavingen, schulden etc.

o Gebrekkige sociale vaardigheden, dus komen niet uit problemen

o Weinig perspectief op werk en carrière. Beperken de sociale mobiliteit

- Maatschappelijke positie = mensen uit lagere maatschappelijke positie vaker betrokken bij agressieve conflicten. Vermogensdelicten vaker bij belastingontduiking of verduistering

- Etnische afkomst = allochtonen zijn meer crimineel dan autochtonen. Komt door slechte maatschappelijke positie of de culturele achtergrond. Vooral jonge autochtonen

- Woonomgeving = inwoners in grote steden plegen vaker delicten. Komt door de kansarme jongeren die er wonen, minder sociale controle en meer gelegenheid voor criminaliteit.

 

3.2

Criminologie = de wetenschap die onderzoek doet naar (de oorzaken van) strafbaar gedrag en de gevolgen van criminaliteit voor de samenleving.

- Beschrijvende criminaliteit -> aard, omvang, spreiding en ontwikkeling

- Theoretische criminologie -> verklaren crimineel gedrag

De theoretische criminologie probeert crimineel gedrag te verklaren.
Hierbij horen drie soorten benaderingen.
 

Microniveau: theorieën die criminaliteit proberen te verklaren uit de individuele situatie en motieven van mensen.

- Biologische en psychologische factoren:

Mensen die asociaal verdrag vertonen hebben een lagere hartslag, dus hebben minder last van angst. Als je meer testosteron hebt ben je ook sneller agressief. Bij veel delinquente jongeren zijn psychiatrische en persoonlijkheidsstoornissen vastgesteld. Maar er is geen oorzaak-gevolg verband is. Bijv. niet iedereen met borderline is een crimineel

 

Mesoniveau: Theorieën die criminaliteit benaderen vanuit het individu in relatie tot zijn directe leefomgeving

Sociaalpsychologische factoren en psychologische-criminologische verklaringen

Sociaalpsychologen zoeken de verklaring van crimineel gedrag in de risicofactoren in de directe leefomgeving. Er is iets misgegaan in de socialisatie van deze omgeving:

- Het gezin, de voedingsbodem. Als ouders norm overschrijdend gedrag niet corrigeren, blijven ze de grens opzoeken. Ook verwaarlozing, mishandeling etc. kunnen ertoe leiden.

- Op school komen ze in aanraking met nieuwe normen en moeten ze kunnen omgaan met anderen. Jongeren die dat niet goed kunnen gaan sneller spijbelen of lichte criminele dingen doen

- Kinderen die opgroeien in een achterstandswijk lopen meer risico crimineel te worden. Er treedt hier normvervaging op. Ook is sociale controle minimaal.

- Hoe ouder een kind wordt, des te groter de invloed wordt van leeftijdsgenoten. Veel criminele dingen gebeuren in groepsverband. Er heerst groepsdruk. Ook ontstaat er langzaam het idee dat het normaal is wat ze doen. Neutralisatie = het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag.

 

Macroniveau: Theorieën die criminaliteit bekijken vanuit structurele en culturele kenmerken van samenlevingen als geheel.

Sociologische factoren

- Maatschappelijke ongelijkheid: dat leidt tot sociale onrechtvaardigheid en mensen die een lagere sociale positie hebben raken gefrustreerd. Ook vergroot het de kans op sociale desintegratie = mensen voelen zich niet langer verbonden met anderen in de samenleving. Als mensen weinig bindingen hebben, zullen ze sneller foute dingen doen. Ze voelen zich minder geremd

- Subculturele kenmerken: normafwijkend en crimineel gedrag kunnen ook een gevolg zijn van conflicten tussen de dominante cultuur en bepaalde subculturen. We spreken van vervreemding als mensen het gevoel hebben dat zij buiten de samenleving staan. Normvervaging en normloosheid liggen op de loer, waardoor strafbaar gedrag door de groep niet langer afgekeurd wordt. Bijv. wietteelt op woonwagenkamp is gewoon.

 

 

3.3 theorieën over criminaliteit

 

- Sociobiologische theorie =

Houdt zich bezig met onderzoek naar de evolutionaire oorsprong van sociaal gedrag bij dieren, inclusief de mens. Idee: Criminaliteit van mensen hoort bij hun natuur. Ook bijv. testosteron heeft invloed op crimineel gedrag.

- Aangeleerd – gedragtheorie

Crimineel gedrag wordt aangeleerd. Zoals we alles leren van onze omgeving, is dat bij crimineel gedrag ook zo. We zien anderen die crimineel gedrag vertonen, en nemen dat over.

- Gelegenheidstheorie (rationele keuzetheorie)

 Ieder individu kiest voor zichzelf de meest gunstige optie. De mens is rationeel denken. Hierdoor zullen wij in een winkel een afweging maken tussen kosten en baten, en in onze ogen de juiste beslissing maken. In sommige situaties is dat dus diefstal.

- Anomietheorie

Dit heeft te maken met de positie op de maatschappelijke ladder. Mensen met een lage positie accepteren dat ze niet hoger komen, waardoor ze delicten plegen.

- Etiketteringstheorie

Bepaalde groepen worden standaard als crimineel aangewezen, en die groepen accepteren dat, waardoor ze ook inderdaad aan criminaliteit doen.

- Bindings- of integratietheorie

Mensen gedragen zich goed omdat ze niemand om hun heen kwijt willen raken. Op het moment dat die mensen om hun heen er niet meer zijn, is diegene eerder geneigd tot criminaliteit.

- Sociale controletheorie

Des te minder contact en invloed er is met ouders en overheid, des te meer kans op criminaliteit.

- Differentiële-associatietheorie

Mensen zijn op een verschillende manier verbonden met criminaliteit. Mensen uit hogere milieus vinden witteboordencriminaliteit normaler dan drugs handelen, omdat ze daar meer mee bezig zijn. En andersom. Er bestaat dus een verband tussen sociale klasse en de beoordeling van crimineel gedrag.

 

H4 De rechtsstaat

4.1 Regels en rechten

 

Rechtsstaat = een staat waarin de overheid zelf ook aan het recht gebonden is en eraan bijdraagt dat tussen burgers onderling het recht word gerespecteerd.

 

De rechtsstaat is gebouwd op 3 beginselen:

  1. Grondrechten en/of vrijheidsrechten staan in de wet omschreven
  2. Machtenscheiding (Trias Politica), wetgevend (parlement+ministers), uitvoerende (ambtenaren), rechtsprekende (rechters)
  3. Legaliteitsbeginsel = Mensen kunnen alleen maar veroordeeld worden voor handelingen die bij de wet strafbaar zijn gesteld

 

Onze grondrechten worden beschermd door 3 verdragen

- Grondwet (bindend)

- Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) (bindend, afdwingbaar)

- Universele verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) (niet bindend) (vooral moreel)

 

Wat is voor rechters belangrijk:

- Wetten, rechtsbron = een officieel document waarin de rechtsregels zijn vastgelegd.

- Jurisprudentie = het geheel aan rechterlijke uitspraken. De jurisprudentie vormt een richtlijn voor de rechtspraak in latere, soortgelijke gevallen. Het geeft de interpretatie weer in andere situaties.

Jurisprudentie kan ook leiden tot nieuwe wetgeving, als blijkt dat de wet niet goed of niet eenduidig kunnen interpreteren, dan zullen ministers of Kamerleden een voorstel doen.

 

Doel en betekenis van rechtsregels:

- Rechtszekerheid bieden = Rechtsregels garanderen jouw rechten ten opzichte van anderen en van de overheid. Je hebt macht (bijv. je baas mag je niet zomaar ontslaan)

- Orde aanbrengen in de maatschappij = de verhoudingen tussen burgers onderling en tussen burger en overheid worden geregeld

- Onafhankelijke rechtsspraak waarborgen = iedereen kan rekenen op een voor iedereen gelijke en onafhankelijke straf.

- Conflicten vreedzaam kunnen oplossen = rechtsregels voorkomen eigenrichting (voor eigen rechter spelen)

 

Sociaal contract = burgers geven een deel van hun vrijheid aan de staat, in ruil waarvoor de overheid de orde handhaaft, het is een ongeschreven afspraak)

Geweldsmonopolie = alleen de overheid mag geweld gebruiken

 

4.2 Rechtsstaat en strafrecht

Trias politica en het strafrecht

Wetgevende macht: In handen van regering en parlement. Ze maken wetten op het gebied van strafrecht of drugs.

Uitvoerende macht: In handen van de regering, maar in werkelijkheid door ambtenaren. Belangrijkste taak op gebied van criminaliteit is opsporing van strafbare feiten en vervolgen van verdachten.

Rechtsprekende macht: In handen van onpartijdige rechters. Burgers kunnen vertrouwen op een eerlijk proces.

 

 

Grondrechten en het strafrecht

In het wetboek van strafvordering staan de regels waaraan de rechtsgang moet voldoen. Doel ervan is te voorkomen dat fundamentele grondrechten van burgers worden geschonden. Enkele regels uit het strafprocesrecht zijn:

- Iedereen heeft recht op een eerlijk proces, door onafhankelijke rechter

- Onschuldpresumptie (iedereen is onschuldig tot tegendeel is bewezen)

- Dwangmaatregelen = zijn aan wettelijke grenzen en waarborgen gebonden. Het ontnemen van iemands vrijheid is een grove schending van een van de belangrijkste grondrechten. Toch heeft de overheid het recht om de voorlopige verdachte in hechtenis te nemen. Maar er is een regel die bepaalt hoelang iemand in voorarrest kan worden gehouden.

- Iedereen heeft recht op een adequate verdediging. (Recht op advocaat, recht op inzage juridische stukken en bewijsmateriaal en hij mag getuigen oproepen)

Niet alleen verdachten hebben rechten maar slachtoffers ook, bijv. het spreekrecht. Als het slachtoffer niet zelf in staat is te verschijnen, leest de rechter een verklaring namens het slachtoffer voor. Daarnaast bestaat de mogelijkheid schadevergoeding te vorderen. De dader moet dan de schadevergoeding aan de staat betalen.

 


Legaliteitsbeginsel en het strafrecht

De wet geeft volgens de overheid allerlei bevoegdheden, het legaliteitsbeginsel zorgt ervoor dat er grenzen zijn aan wat de overheid binnen de bevoegdheden mag doen. In het wetboek van strafrecht komt dit tot uiting. Enkele voorbeelden:

- Het strafbaarheids- of nulla poena-beginsel houdt in dat een persoon alleen kan worden gestraft voor iets wat in de wet strafbaar in gesteld.

- De maximumstraf (per delict vastgesteld), rekening houdend met persoonlijke omstandigheden van de persoon.

- De hele procedure van vooronderzoek tot terechtzitting is gebonden aan wettelijke voorschriften. Het niet correct naleven van deze vormvoorschriften kan zogenaamde vormfouten opleveren. Als hierdoor het recht op een eerlijk proces wordt aangetast, kan de rechter besluiten om de verdachte strafvermindering te geven of zelfs vrij te spreken.

  • De ne bis in idem-regel. Wanneer een rechter in een zaak een onherroepelijke uitspraak heeft gedaan, kan de betrokkene niet voor hetzelfde strafbare feit weer worden veroordeeld. Op de ne bis in idem-regel zijn twee uitzonderingen:

o Als het in het voordeel van de verdachte of veroordeelde kan de een zaak opnieuw door de Hoge Raad worden bekeken.

o Als er zware aanwijzingen zijn dat een verdachte onterecht is vrijgesproken kan de Hoge Raad de zaak nog herroepen

- Geen straf zonder schuld

- Verjaring = het recht om iemand te straffen kan verjaren, dat wilt zeggen dat iemand bijvoorbeeld na tien jaar niet meer vervolgd kan worden voor dit misdrijf. Ernstige misdrijven zoals moord zijn natuurlijk uitgesloten


 

 


 

 

4.3 Dilemma’s en spanningen

Het dilemma van de rechtsstaat = als de waarden ‘rechtsbescherming’ en ‘rechtshandhaving’ botsen. Aan de ene kant willen we beschermd worden tegen criminaliteit, aan de andere kant willen we dat de overheid onze vrijheden respecteert. Dit dilemma ook wel veiligheidsutopie genoemd, leidt tot een voortdurende discussie: hoeveel vrijheid willen we opofferen ten gunste van de criminaliteitsbestrijding?

 

Spanningen bij criminaliteitsbestrijding

1. Wetten die onze vrijheid te veel beperken -> bijv. identificatieplicht
2. (te) ruime opsporingsbevoegdheden-> bv undercover gaan van politieagenten
3. Dubbele pet van de politie -> ze moeten hulpverlenen en ordehandhaven en hebben opsporingstaak. Dus als minister, politie aanspoort om strafbare feiten op te sporen, minder tijd voor surveilleren.
4. Dubbele pet van OM -> Leden van het OM werken onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, maar zij behoren ook tot de rechterlijke macht: ze zijn rechterlijke ambtenaren met een zekere onafhankelijkheid. Ze hebben naast strafbare feiten opsporen ook de taak om bepaalde zaken wel of niet voor de rechter te brengen. De wens van de minister om meer verdachten te veroordelen kan botsten met het recht van de officier van justitie om vrijspraak te eisen.

5. Spanning tussen politie en OM -> Als de politie een verdachte arresteert, kan die vervolgens door het OM op grond van het opportuniteitsbeginsel (niet in het algemeen belang) vrij gelaten worden. Zoiets gebeurt er als er te veel zaken zijn (fietsendiefstal wordt geschrapt).
6. Spanning tussen wetgever en rechter = Door veranderde maatschappelijke inzichten en opvattingen kan een rechter een wet anders interpreteren dan de wetgever oorspronkelijk bedoelde.
7. Werkdruk -> bestuur van rechtelijke macht is taak van Raad van de Rechtsspraak. Maar die regelt ook organisatie van rechtbanken etc. dus drukker met organiseren beïnvloed negatief de rechtszaken (minder nauwkeurig)

8. Spanning tussen politici en rechters-> politici mogen zich officieel niet bemoeien met rechtszaken anders worden de rechters beïnvloed.

 

 

Klassenjustitie = het sociale milieu heeft invloed op de opsporing, vervolging en berechting van verdachten.

Mensen hebben ongelijke kansen met betrekking tot het recht. In de praktijk blijkt dat mensen uit hogere sociale milieus soms bevoordeeld worden ten opzichte van mensen uit de lagere sociale klasse.

Deze twee beginselen moeten dit tegengaan: iedereen is gelijk voor de wet en iedereen heeft recht op eerlijk proces.

Toch is er selectief optreden

Selectief optreden =

- Wie houdt de politie aan? De politie kan voor een deel zelf bepalen wie ze aanhoudt en waarvoor ze mensen bekeurt. Bewust en onbewust gaat ze hierbij selectief te werk. Mensen uit een duurdere buurt worden gemiddeld milder behandeld dan mensen uit een lagere sociale klasse.

- Geen gelijke kans op vervolging. Personen uit lagere klasse lopen voor hetzelfde delict een grotere kans op vervolging. Bij mensen uit betere kringen komt het minder vaak tot een rechtszaak dan bij lagere kringen. Er wordt dan vaker een transactie of schikking geregeld met officier

- Geen gelijke straffen. Rechters straffen in vergelijkbare gevallen niet altijd gelijk. Laagopgeleiden worden waker tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld, terwijl hogeropgeleiden in die situatie een voorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf krijgen. Ook mensen uit allochtone bevolkingsgroepen worden naar verhouding zwaarder gestraft.

 

Verklaringen voor klassenjustitie

1. Verdachten met een betere maatschappelijke positie zijn door inkomen, opleiding, scholing en cultuur beter in staat hun belangen te behartigen. Zij kennen beter de weg naar goede rechtsbijstand, weten beter wat hun rechten zijn en begrijpen juridische formuleringen beter.

2. Door vooroordelen en stereotypering kan een rechter bij een hoogopgeleide verdachte andere verwachtingen hebben van het effect van een straf dan bij een laagopgeleide verdachte. Hierdoor krijgt de gymnasiast sneller een taakstraf en de laagopgeleide sneller een gevangenisstraf. Door dit verschil in strafoplegging is er een vergrote kans dat de laagopgeleide uitgroeit tot een echte crimineel. De voorspelling van de rechter komt dan alsnog uit: we spreken dan van een selffulfilling prophecy, een zichzelf waarmakende voorspelling.

 

H5 Overheidsbeleid

5.1 integraal veiligheidsbeleid (integraal = allesomvattend)

 

Integraal veiligheidsbeleid = een allesomvattend streven naar veiligheid, waarbij niet de nadruk ligt op het opsporen en vervolgen, maar op het voorkomen en verminderen van criminaliteit en overlast.

Kenmerken:

- Nadruk op het voorkomen van onveiligheid

- Het strafrecht mag geen belemmering opleveren voor een zo effectief en efficiënt mogelijke samenwerking tussen overheid, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers.

- Er wordt tegenwoordig meer beleid ontwikkeld en maatregelen genomen om zogenaamde veelplegers of stelselmatige daders aan te pakken (samenwerking GGZ, scholen etc.)

 

Repressief beleid = als de overheid de nadruk legt op strafrechtelijk optreden, op strenger straffen en op het uitbreiden van de capaciteit en de bevoegdheden van de politie en justitie.

Preventief beleid = Als de nadruk ligt op het aanpakken van maatschappelijke oorzaken van crimineel gedrag, zoals armoede en normvervaging.

 

Preventief beleid (gemeentelijk niveau)

Vooral bij veelvoorkomende criminaliteit kunnen preventieve maatregelen worden getroffen:

1. Meer sociale controle. Denk aan de aanstelling van controleurs in tram en bus, bewaking in het dorp, camera’s, detectiepoortjes etc.

2. Voorlichting. Hoe je jezelf kunt beveiligen of je computer.

3. Zorgen voor een veilige omgeving. Begroeiing langs fietspaden kan weggehaald worden, er kan betere straatverlichting komen.

4. Structurele maatregelen. Werkeloosheid, armoede en verveling vergroten de kans op crimineel gedrag. Daarom kan investeren in scholing, werkgelegenheid, huisvesting en recreatie het helpen te voorkomen.

 

Repressief beleid

Het opsporings- en vervolgingsbeleid wordt dit beleid ook wel genoemd. Om zware criminelen en beroepsmisdadigers effectief en efficiënt op te sporen, te vervolgen en te straffen, is de capaciteit van de politie en de justitie de laatste jaren uitgebreid en hebben politie en justitie extra bevoegdheden gekregen.

 

Het repressieve beleid richt zich op 4 onderdelen:

1. Opsporing. Het opsporen van criminelen is het werk van de politie en het Openbaar Ministerie, gecoördineerd door de minister van Veiligheid en Justitie. De minister bepaalt de prioriteiten en geeft daarmee aan welke vormen van misdaad de meeste aandacht van de politie moeten krijgen. De politie besteed veel aandacht aan de georganiseerde criminaliteit. Onder leiding van het OM kan een team van rechercheurs geformeerd worden, voor opsporingsonderzoeken.

2. Vervolging. Het voor de rechter brengen van een verdachte van een misdrijf is de taak en verantwoordelijkheid van het OM. De officieren van justitie bepalen welke delicten vervolgen en welke ze bijvoorbeeld met een schikking afhandelen. De minister van Veiligheid en Justitie, leidinggevende aan het OM, kan invloed uitoefenen op dit beleid.

3. Gevangenisbeleid. Door het ontwerpen van verschillende gevangenisregimes probeert de overheid invloed uit te oefenen op de resocialisatiekansen van verschillende groepen gevangenen. In het gevangenisbeleid speelt het OM een belangrijke rol omdat het OM verantwoordelijk is voor de uitvoering van de gevangenisstraffen. Een ander aspect van het gevangenisbeleid betreft de bouw van voldoende cellen.

4. Nieuwe wetgeving. Nieuw beleid van de overheid leidt vaak tot nieuwe wetgeving. De Nederlandse wetboeken worden dus regelmatig aangepast. Sommige oude regels verdwijnen en er komen nieuwe rechtsregels bij.

 

Recente ontwikkelingen

1. De uitbreiding van bevoegdheden. Sinds de Wet BOB (2000) en de Wet terroristische misdrijven (2004) heeft de overheid nieuwe bevoegdheden om mogelijke wetsovertreders in een vroeg stadium op te sporen, zelfs als er formeel nog geen sprake is van een verdachte.

2. Toegenomen inbreuk op persoonlijke levenssfeer. Om criminaliteit te voorkomen, dringt de overheid steeds meer door in de persoonlijke leefsfeer van burgers. Gevaarlijke denkwijzen of houdingen bij burgers geconstateerd door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kunnen leiden tot arrestaties. Bij terreurverdachte hoeft niet langer sprake te zijn van vermoeden. Het bezoeken van internetsites van radicale imams of het bekijken van filmpjes van executies kan al voldoende zijn om als verdachte te worden aangemerkt.

3. Het in elkaar schuiven van criminaliteitsbestrijding en de bestrijding van overlast leiden tot nieuwe maatregelen, zoals de bevoegdheden van burgermeesters om voetbalwedstrijden vooraf te verbieden, de zogenaamde bestuurlijke ophouding. Of het preventief fouilleren in veiligheid risicogebieden.

4. Omdat EU-lidstaten hun wetgeving steeds meer op elkaar afstemmen is er een groeiende internationale invloed op ons criminaliteitsbeleid. Nederland wordt hierdoor soms gedwongen zijn beleid aan te passen. Het Nederlandse gedoogbeleid, het niet opsporen en vervolgen van kleinschalig bezit van softdrugs, is mede onder druk van onze buurlanden aangepast. Op het gebied van terrorismebestrijding werkt Nederland samen met andere EU-landen. Zo is er een gemeenschappelijke zwarte lijst van internationale terroristische organisaties. Nederland kan en mag nu financiële tegoeden te bevriezen van zulke organisaties.

 

5.2 Criminaliteitsbeleid in de praktijk

Doorlezen

 

5.3 Politieke visies

 

Sociaaldemocraten (SP, GroenLinks)

- Gelijke kansen

- Opkomen voor de zwakkeren

- Grote rol overheid (veel belasting)

Specifiek met betrekking tot criminaliteit

- Nadruk op maatschappelijke omstandigheden als oorzaak van criminaliteit

- Aanpak: nadruk op preventief beleid van de overheid

- Tegelijk: grenzen stellen aan misdaad en overtredingen straffen

- Pragmatisch moralisme = waarden achter regels moet iedereen het over eens zijn

 

Liberalen (VVD, D66)

- Vrijheid

- Individuele vrijheid

- Kleine rol overheid

Specifiek met betrekking tot criminaliteit

- Burgers is een zelfdenkend, rationeel wezen dat zijn eigen belang nastreeft (eigen verantwoordelijkheid dus belangrijker dan maatschappelijke omstandigheden)

- Strengere straffen houden de mensen af van crimineel gedrag (gaat tegen eigenbelang in)

- Taak overheid: strikte en strenge handhaving van de regels, zodat de burger zoveel mogelijk vrijheid heeft

 

Christendemocraten (SGP, CU)

- Zorgzame samenleving

- Gespreide verantwoordelijkheid overheid/burgers (groot maatschappelijk middenveld)

- Nadruk op normen en waarden

Specifiek met betrekking tot criminaliteit

- De mens is geneigd tot het kwade. Criminaliteit wordt dus veroorzaakt door bewust of onbewust overtreden van de regels

è Vanwege de kwade neigingen van de mens: een overheid die streng straft belangrijk (disciplinerende overheid)

- Aandacht voor afnemend normbesef, nadruk op belang van gezin, school, kerk en maatschappelijke organisaties: zij moeten wijzen op normen en waarden

 

 

H6 Opsporen, vervolgen en berechten

6.1 De Politie

Van misdrijf tot strafproces

- Verzamelen bewijzen

- Opmaken procesverbaal en naar OM

- Verdachte vervolgen -> naar rechter

- Rechter: schuldig -> straf

 

3 actoren (personen die erbij betrokken zijn)

- Politie

- Officier van justitie

- Rechter

 

Rechten van de verdachte

- De verdachte heeft het recht te weten waarvan hij verdacht wordt

- Advocaat

- Zwijgrecht (er is wel identificatieplicht)

- De verdachte mag voor maar een beperkte tijd worden vastgehouden

 

De taken van de politie

1. Handhaving van de openbare orde. Voorkomen van criminaliteit door op straat te surveilleren, het verkeer regelen, zorgen dat demonstraties en voetbalwedstrijden niet uitlopen tot een vechtpartij.

2. Hulpverlening. Het wijzen van de weg, het thuisbrengen van een verdwaald kind, afhandelen van een auto-ongeluk.

3. Opsporing en aanhouding van verdachten en het verzamelen van bewijsmateriaal.

 

Opsporing

Opsporingshandelingen worden verricht als er een redelijk vermoeden bestaat dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. (legaliteitsbeginsel). We spreken van een redelijk vermoeden van schuld als politie iemand op heterdaad betrapt of wanneer er een objectief vast te stellen concrete verdenkingen, bewijzen of getuigenverklaringen zijn.

Veel politieonderzoek houdt zich bezig met delicten die al zijn gepleegd.

Toch worden in toenemende mate opsporingsmethoden ingezet om juist de voorbereiding van strafbare feiten te traceren. We noemen deze proactieve aanpak van criminaliteit vroegsporing. Denk aan het infiltreren in criminele bendes of het afluisteren van drugshandelaren die mogelijk misdaden voorbereiden.

De wens van politie en justitie om in een zo vroeg mogelijk stadium te kunnen optreden om terroristische aanslagen of misdrijven te voorkomen, kan botsen met de grondwettelijke bescherming van de persoonlijke vrijheid van burgers. Zo komt het wel voor dat iemand op basis van vage aanwijzingen door de politie wordt opgepakt en vervolgens door de rechter wordt vrijgesproken door gebrek aan bewijs.

 

Bevoegdheden bij opsporing

De opsporingsbevoegdheden van de politie zijn in details vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering en in de Politiewet. Niet alleen zijn de bevoegdheden zelf omschreven maar er staat ook in welke situaties de politie dwangmiddelen mag gebruiken. Sinds de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn de bevoegdheden van de politie en justitie uitgebreid. We maken onderscheid tussen bevoegdheden met en zonder toestemming van de officier van justitie.

Geen toestemming nodig:

- Een verdachte staande houden, en vragen naar personalia. Of identificeren bij redelijke noodzaak.

- Een verdachte aanhouden ofwel arresteren. Verzet is niet toegestaan. Aanhouding bij verdenking van strafbaar feit. Doel: overleveren aan officier van justitie. Iedereen mag op heterdaad iemand betrappen

- Fouilleren. Mag alleen als het bijdraagt aan de oplossing van een strafbaar feit of als veiligheid van de agent of anderen worden bedreigd.

- In beslag nemen. Bewijsmateriaal mag in beslag worden genomen. De rechter/officier van justitie/rechter-commissaris bepaalt of iemand zijn spullen terugkrijgt.

- De vrijheid benemen. Max 6 uur vasthouden voor verhoor. Er mogen alleen foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Als misdrijf je langer dan 4 jaar laat zitten -> 3 dagen vasthouden (verlenging van 3 dagen) = inverzekeringstelling. Hiervan toestemming nodig van officier van justitie

Voorlopige hechtenis: inbewaringstelling (14 dagen) -> gevangenhouding (30 dagen) -> verlenging  (30 dagen) -> verlenging (30 dagen)

 

Wel toestemming nodig:

1. Huiszoeking. De politie mag alleen een woning binnengaan om iemand te arresteren met een machtiging tot binnentreden, dat is een formulier waarin de officier van justitie toestemming geeft de verdachte in zijn huis aan te houden. De politie mag dan ook naar bewijzen zoeken. Geen machtiging? Rechter bepaalt of bewijs gebruikt wordt

2. Inzetten van infiltranten. Dit zijn undercoveragenten die een misdaadorganisatie binnendringen om informatie over die organisatie te verzamelen. Soms wordt een infiltrant, om zich niet te verraden, gedwongen zelf een strafbaar feit te plegen. Hij mag dat alleen doen met toestemming van de officier van justitie en uitsluitend in zeer uitzonderlijke gevallen.

3. Uitvoeren van inkijkoperaties. Het plaatsen van bugs, taps, ergens kijken of ergens strafbare feiten worden gepleegd.

4. Gecontroleerde doorvoer. Om meer inzicht te krijgen op een criminele organisatie kan de politie besluiten om een partij drugs of wapens pas op een later moment in beslag te nemen. De politie krijgt hierdoor de kans meer verdachten te volgen en mogelijke bewijzen te verzamelen.

5. De politie mag informanten geld betalen. Dit zijn leden van een misdaadorganisatie (of mensen die ermee in contact staan) die de politie informatie doorspelen.

6. Preventief fouilleren. In sommige gevallen mag de politie iedereen in een bepaald gebied fouilleren, zonder dat er sprake is van verdenking. Preventieve fouillering wordt geregeld door de burgemeester en de gemeenteraad in samenspraak met de officier van justitie.

 

6.2 Openbaar Ministerie

De centrale persoon in het strafproces is de officier van justitie. Hij heeft de leiding. Ook als rechter besluit doet de verdachte te straffen, is de officier van justitie verantwoordelijk voor de uitvoering van de straf.

Alle officieren van justitie bij elkaar = Openbaar Ministerie (onderdeel van Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Niet elk proces-verbaal leidt tot een rechtszaak:

 

Seponeren = besluiten niet te vervolgen.

1. Een veroordeling lijkt niet haalbaar. Dit is het geval als er onvoldoende bewijs is of wanneer de verdachte of het feit niet strafbaar blijkt te zijn (technisch sepot)

2. De verdachte is al op een andere manier gestraft. Dit komt bijna alleen voor bij minder zware delicten.

3. Vervolg is niet in het algemeen belang. Vanwege het opportuniteitsbeginsel kiest het OM er soms voor om niet te vervolgen. Omdat het een beleidskeuze impliceert (prioriteit), noemen we dit een beleidssepot.

Als officier voorwaarden bindt aan het seponeren, spreken we van een voorwaardelijk sepot. De verdachte kan dan naar hulpverleners gaan etc.

 

Schikken

De officier kan bij overtredingen en lichte misdrijven als vernieling en winkeldiefstal een transactie aanbieden. Dit heeft de vorm van een geldboete of taakstraf en wordt ook wel schikking genoemd.

 

Vervolgen

Dagvaarding = een oproep om voor de rechter te verschijnen.

Sinds de Wet OM-afdoening heeft de officier van justitie de mogelijkheid om bij lichtere gevallen zelfstandig een straf op te leggen. Vervolging vindt dan plaats door een strafbeschikking. Als de maximumvrijheidsstraf voor het gepleegde strafbare feit niet hoger is dan zes jaar, mag het OM straffen opleggen in de vorm van:

1. Een taakstraf tot 180 uur.

2. Een geldboete.

3. Onttrekking aan het verkeer.

4. Ontzegging van de rijbevoegdheid voor maximaal zes maanden.

Het gaat niet om een voorstel, maar over een strafoplegging. Als je door het OM bestraft bent, kun je wel verzet aantekenen.

De keerzijde van de strafbeschikking is dat de officier van justitie min of meer op de plaats van de rechter gaat zitten Dit is in strijd met de trias politica. Om misbruik te voorkomen is bepaald dat de officier van justitie geen vrijheidsstraffen (hechtenis of gevangenisstraf) mag opleggen.

 

6.3 de rechter

De rechtbank kent verschillende rechters, ieder met een eigen taakomschrijving en bevoegdheid:

1. De kantonrechter: behandelt binnen het burgerlijkrecht vooral huur- en arbeidsgeschillen: op het gebied van strafrecht gaat het uitsluitend om overtredingen zoals te hard rijden. De kantonrechter doet meestal gelijk uitspraak.

2. De politierechter: houdt zich bezig met de lichte misdrijfzaken. We spreken hier ook wel van de eenvoudige kamer, omdat de politierechter alleen rechtspreekt. Hij mag een vrijheidsstraf van hoogstens een jaar opleggen doet meestal na afloop van de rechtszaak uitspraak.

3. De meervoudige kamer: bestaat uit drie rechters en behandelt ernstige misdrijven. Vanwege de complexiteit van veel zaken doet de meervoudige kamer altijd pas na twee weken uitspraak.

4. De kinderrechter: houdt zich bezig met alle overtredingen en misdrijven gepleegd door jongeren tussen 12 tot 18 jaar. Om de jongeren te beschermen zijn kinderrechtszaken niet openbaar en eist het OM minder straffen. Kinderen onder de 12 kunnen niet berecht worden voor strafbare feiten. Maar worden juist door organisaties op het rechte pad gestuurd. Door invoering van het adolescentenstrafrecht is de harde grens tussen het jeugd en het volwassenenstrafrecht verdwenen.

Gerelateerde afbeelding

Als een verdachte het niet eens is met de uitspraak van een rechter heeft hij of zij het recht om in hoger beroep te gaan. Dat kan bij het zogenaamde gerechtshof. Ook het OM kan in hoger beroep gaan, als het de opgelegde straf te laag vindt. Het hoogste rechtscollege is de Hoge raad in Den Haag. Als de aanklager en of de verdachte het niet eens zijn met de uitspraak van het gerechtshof, kunnen ze in cassatie gaan bij de Hoge raad.

 

In de dagvaarding staat op welk moment, op welke plaats en welk delict de verdachte begaan heeft. Er staat ook in op welk tijdstip de zitting plaatsvindt. Een rechtszaak bestaat uit 8 stappen:

1. Opening. De rechter controleert de persoonsgegevens van de verdachte. De verdachte krijgt te horen dat hij goed op moet letten en niet verplicht is antwoorden te geven.

2. Aanklacht. De officier van justitie leest de tenlastelegging voor.

3. Onderzoek. De rechter begint aan het eigenlijke onderzoek naar het eventuele bewijs voor de aanklacht. Behalve het proces-verbaal van de politie maakt hij vaak gebruik van getuigen die duidelijkheid kunnen geven. Ook is er de mogelijkheid om deskundigen te ondervragen. Alle partijen mogen dit doen: de getuigen en deskundigen staan onder ede en zijn verplicht de waarheid te vertellen. De rechter zal ook het slachtoffer aan het woord laten: slachtoffers hebben spreekrecht en mogen vertellen wat er volgens hen gebeurd is en wat voor gevolgen dit voor hen heeft.

4. Verhoor van de verdachte. De verdachte mag eerst zelf een verklaring afleggen en daarna volgt de ondervraging door de rechter, de officier van justitie en ten slotte door eigen advocaat. De verdachte mag zwijgen en liegen.

5. Requisitoir. Nadat de verdachte en getuigen zijn verhoord, vat de officier van justitie alles nog eens samen en zal proberen aan te tonen dat de verdachte schuldig is. Hij vraagt de rechter om een bepaalde straf: de zogenaamde eis.

6. Pleidooi. De advocaat houdt het pleidooi, waarin hij de verdachte verdedigt. Hij zal proberen aan te tonen dat er te weinig bewijsmateriaal is of verzachtende omstandigheden aanvoeren.

7. Laatste woord. De verdachte heeft altijd het laatste woord. Hij kan spijt betuigen, zijn onschuld benadrukken etc.

8. Vonnis. Nadat de rechter het onderzoek heeft afgesloten en alle belangen tegen elkaar heeft afgewogen, doet hij uitspraak.

 

Strafbaarheid van gedrag hangt af van de volgende factoren:

  1. Het moet gaan om een menselijke gedraging
  2. Een gedraging die valt onder een delictsomschrijving; er moet sprake zijn van een strafrechtelijke aansprakelijkheid.
  3. Het gedrag moet wederrechtelijk zijn ((in strijd zijn met het recht). Dat is niet het geval als er sprake is van een rechtvaardigingsgrond: dan volgt ontslag van rechtsvervolging (bijv. bij noodweer of overmacht)
  4. Het feit moet aan de schuld van de dader te wijten zijn. Dat is niet het geval als hij een beroep doet op schulduitsluitingsgronden (feit is strafbaar, maar de dader heeft geen schuld). Ook dan volgt ontslag van rechtsvervolging. (Bijv. ontoerekenbaarheid of noodweerexces)

Noodweer = Het plegen van een strafbaar feit om jezelf of een ander te beschermen tegen een onmiddellijke bedreiging. De verdediging mag niet verder gaan dan noodzakelijk is. Als noodweer is vastgesteld, is er geen sprake van een strafbaar feit.

 

Hoofdstraffen

1. Geldboete. De rechter bestraft de meeste daders met een geldboete. Als iemand zijn boete niet betaalt, krijgt hij in plaats daarvan een vervangende hechtenis.

2. Vrijheidsstraf. De rechter bestraft ongeveer een kwart van de daders met vrijheidsstraffen. Bij misdrijven noemen we de vrijheidsstraf ‘gevangenisstraf’. De maximale vrijheidsstraf is 1 jaar en noem je ‘de hechtenis’

3. Taakstraf. Met een taakstraf bedoelen we een werkstraf of een leerstraf. Een leerstraf legt de nadruk op heropvoeding. Bij de werkstraf (max 240 uur) gaat het om het verrichten van onbetaald werk ten algemenen nutte. Bijkomend effect van taakstraffen is dat de gestrafte verdachte weer een arbeidsethos en een dagritme ontwikkelt. Mede vanwege dit leereffect legden rechters steeds vaker de taakstraf op. Sinds 2012 mag de leerstraf alleen nog in het jeugdstrafrecht en mag de rechter volwassenen alleen nog maar de taakstraf geven voor lichte strafbare feiten.

Van elke hoofdstraf kan een deel voorwaardelijk opgelegd worden. Dat wil zeggen dat de dader die straf alleen krijgt als hij binnen een bepaalde proeftijd nogmaals een soortgelijk strafbaar feit begaat. Hij krijgt dan de voorwaardelijke straf van de vorige keer en de nieuwe straf er boven op. Deze voorwaarde van non-recidive heet de algemene voorwaarde en wordt standaard opgelegd. De rechter kan ook bijzondere voorwaarden opleggen. Dit kan van alles zijn.

 

Bijkomende straffen

De dader kan naast de hoofdstraf een bijkomende straf krijgen, deze hebben meestal een relatie met het gepleegde delict. Voorbeelden: inname rijbewijs, geen les mogen geven.

 

Maatregelen

Het verschil tussen een straf en een maatregel is dat iemand niet als schuldig is veroordeeld, maar wel een strafbaar feit heeft gepleegd. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat hij vanwege psychische problemen niet toerekeningsvatbaar was.

1. De bekendste maatregel is de terbeschikkingstelling (TBS). De dader wordt opgenomen in een tbskliniek en daar wordt hij behandeld tot hij is genezen. TBS wordt aanvankelijk opgelegd voor 2 jaar, maar die periode kan verlengd worden als de dader een gevaar vormt voor de samenleving. Als de rechter iemand veroordeeld tot gevangenisstraf plus TBS , begint de veroordeelde in principe na een derde van zijn straf aan TBS.

2. Om gezondheidsredenen kan de rechter ook besluiten tot gedwongen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, als de dader voor zichzelf en anderen een gevaar vormt.

3. Een ander voorbeeld is ontneming van door misdaad verkregen geld of goederen. Omdat dit moeilijk te bewijzen is, is een vermoeden voldoende om de maatregel op te leggen.

4. Een maatregel die hierop lijkt is onttrekking aan het verkeer, waarbij onwenselijke goederen zoals wapens worden afgenomen.

5. Tot slot kan de rechter eisen dat de dader een schadevergoeding betaalt aan het slachtoffer.

 

H7 Criminaliteit en straf

Rechters maken bij hun keuze tussen bijvoorbeeld vrijheidsstraf, taakstraf of boete altijd een afweging tussen de gepleegde daad en het mogelijke gevolg van de straf voor de dader, het slachtoffer en de samenleving.

Daarbij spelen de volgende doelen of functies van straffen een rol:

- Vergelding (kwaad mag niet ongestraft blijven)

- Vergelding (kwaad mag niet ongestraft blijven)

- Generale preventie (afschrikkingseffect)

- Speciale preventie (voorkomen dat de dader later in herhaling valt)

- Resocialisatie (heropvoeding, gedrag van de dader verbeteren)

- Beveiliging van de samenleving (sommige criminelen gevaarlijk voor de maatschappij)

- Handhaving rechtsorde (strafsysteem dat duidelijk maakt dat de taak van de overheid straffen is)

- Genoegdoening aan het slachtoffer

 

Naast deze motieven zijn er ook nog omstandigheden die de rechter bij strafoplegging meeneemt in zijn afwegingen:

- Kosten (gevangenisstraf kost meer dan werkstraf of boete)

- Cellen tekort (oplossing is meer boetes en werkstraffen)


Paragraaf 7.2

Een door de rechter opgelegde straf wordt pas uitgevoerd nadat het vonnis onherroepelijk in geworden, dat wil zeggen dat hoger beroep/ cassatie heeft plaatsgevonden, waardoor verdere rechtsgang onmogelijk is. De verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het strafvonnis ligt bij het Openbaar Ministerie. Het OM wordt hierbij geholpen door organisaties.

 

De reclassering houdt zich bezig met de volgende taken:

- (Vroeg) hulp aan verdachten en gevangenen (praktische zaken bijv. school of werk, morele steun)

- Adviseren aan rechters en het OM (welke maatregel helpt hem weer op de goede weg)

- Toezichthouden bij schorsing van een voorlopige hechtenis of bij voorwaardelijke vrijlating

- Toezichthouden bij werkstraffen

- Re-integratie (praktische zaken bijv. huis, werk of opleiding. Ook trainingen en groepsbijeenkomsten)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.