Hoofdstuk 1 t/m 3

Beoordeling 3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1333 woorden
  • 1 oktober 2014
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 3
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

  • Hoofdstuk 1: wat is criminaliteit?

  • §1.1. Strafbaar gedrag.

  • Waarde: een principe dat mensen belangrijk vinden om na te streven.

  • Normen: gedragsregels. (religieuze en morele normen)

  • Rechtsnormen (belangrijke waarden in de samenleving)

  • Norm overschrijdend gedrag: wanneer normen worden overtreden.

  • Strafrechtelijk definiëren we criminaliteit als elk door de overheid bij wet strafbaar gedrag. De juridische benaming is delict.

     

  • Misdrijven: de meer ernstige strafbare feiten zoals diefstal, mishandeling, moord, fraude, rijden onder invloed en vernieling.

  • Overtredingen: de minder ernstige ernstige strafbare feiten zoals rijden door rood licht of het onbevoegd betreden van iemands terrein.






  • Criminaliteit: alle misdrijven die in de wet omschreven staan.






  • Strafwaardig gedrag: gedrag dat volgens iemand of een grotere groep mensen strafbaar zou moeten zijn.

  • Criminalisering: het strafbaar worden van een bepaald gedrag.

  • Decriminalisering: een strafbare gedraging wordt uit het strafrecht gehaald en is daardoor niet langer meer verboden.

  • Welke gedragingen wel en niet strafbaar worden gesteld, is afhankelijk van een aantal zaken:

  • De maatschappelijk context;

  • De ernst van de gevolgen;

  • Opvattingen politieke macht.






  • §1.2. Criminaliteit als maatschappelijk en politiek probleem.

  • De redenen dat criminaliteit gezien wordt als een maatschappelijk probleem zijn:

  • Criminaliteit heeft ongewenste gevolgen voor grote groepen in de samenleving;

  • Er bestaat een verband tussen het bestaan van criminaliteit en andere maatschappelijke ontwikkelingen;

  • Bij de aanpak van criminaliteit spelen tegengestelde belangen een rol;

  • Criminaliteit vraagt om een gemeenschappelijke oplossing.








  • Gevolgen van criminaliteit:

  • Materiële schade: (in geld uit te drukken)

  • Directe financiële schade;

  • Indirecte financiële schade;

  • Kosten voor criminaliteitsbestrijding.

  • Immateriële schade: (niet in geld uit te drukken)

  • Gevoelens van onveiligheid;

  • Vermijdingsgedrag;

  • Emotionele en psychische problemen;

  • Morele verontwaardiging;

  • Veranderende opvattingen over goed en kwaad;

  • Verlies van vertrouwen in mensen, in de politiek of samenleving;

  • Aantasting van het rechtsgevoel;

  • Het gevaar dat mensen voor eigen rechter gaan spelen (eigenrichting).






  • Verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen:

  • Afnemend gezag van de overheid;

  • Afnemende betekenis van het maatschappelijk middenveld;

  • Minder sociale controle;

  • Veranderend normen- en waardenbesef;

  • Toegenomen welvaart;

  • Afgenomen pak- en strafkans;

  • Werkloosheid;

  • Technologische ontwikkelingen;

  • Internationalisering.

  • We noemen criminaliteit een maatschappelijk probleem omdat er sprake is van tegengestelde belangen. Iedereen is op een of andere manier betrokken bij criminaliteit, slachtoffer en dader. Daarom heeft iedereen belang bij

  • Veiligheidsparadox: het verschijnsel dat hoe meer veiligheid we hebben, hoe erger we de inbreuk daarop ervaren.

  • Veiligheidsutopie: het onhaalbare verlangen naar het samenvallen van maximale vrijheid en maximale veiligheid.






  • Hoofdstuk 2: aard en omvang van criminaliteit.

  • §2.1. Soorten criminaliteit.

  • Volgens het CBS (het Centraal Bureau):

  • Delicten tegen de openbare orde en het gezag;

  • Geweldsdelicten tegen leven en persoon;

  • Ruwheidsdelicten;

  • Vermogensdelicten;

  • Seksuele delicten;

  • Verkeersdelicten;

  • Drugsdelicten;

  • Economische delicten;

  • Milieudelicten.

  • Andere indelingen:

  • Veelvoorkomende criminaliteit of ‘kleine criminaliteit: winkeldiefstal, zakkenrollerij, fietsendiefstal, winkeldiefstal en graffiti.

  • Zware criminaliteit: ernstige vorm van criminaliteit, zoals moord, inbraak, verduistering, afpersing, overvallen en de verkoop van harddrugs.

  • De overheid maakt ook onderscheid tussen:

  • Jeugdcriminaliteit;

  • Cybercriminaliteit;

  • Witteboordencriminaliteit;

  • Terrorisme;

  • Drugsgerelateerde criminaliteit.

  • Georganiseerde criminaliteit: beperkt zich niet tot één categorie of één soort delict, houdt zich bezig met drugshandel, geweldsmisdrijven etc. daarnaast ook met wapensmokkel, gedwongen prostitutie, vrouwenhandel en mensensmokkel.






  • §2.2. Beeldvorming rond criminaliteit.

  • Framing: ons beeld van criminaliteit wordt door de media geschetst.

  • Stereotiep: er ontstaat een vaststaand beeld van een bepaald verschijnsel omdat de media steeds op dezelfde manier het onderwerp berichten.

  • Generaliserend: er wordt uit één of enkele bijzondere gevallen een algemene conclusie afgeleid.

  • Referentiekader: je ziet de wereld door een bepaalde bril.

  • Selectieve perceptie: je ziet maar een deel.






  • §2.3. Het meten van criminaliteit.

  • Kwantitatief:

  • Meten door enquêtes, statistieken maken;

  • Anonieme enquêtes;

  • Onderzoek naar hoeveelheid, minder over motieven etc.

  • Kwalitatief:  

  • Diepte interview, gesprekken;

  • Analyse om achter motieven en oorzaken te komen bij criminelen.

  • Politiestatistieken zijn een weergave van de geregistreerde criminaliteit, misdrijven die door mensen bij de politie zijn aangegeven of die door de politie zelf zijn ontdekt.

  • Proces-verbaal: een schriftelijk verslag waarin de politie of een andere opsporingsambtenaar informatie geeft over het tijdstip, de plaats en de toedracht van een overtreding, misdrijf of ongeluk.

  • Politiestatistieken geven maar een beperkt beeld van het werkelijke aantal gepleegde delicten omdat:

  • Mensen om allerlei redenen geen aangifte doen;

  • Sommige delicten onzichtbaar blijven.

  • Zichtbare vormen van criminaliteit makkelijker ter kennis van de politie komen dan minder zichtbare delicten zoals fraude.

  • Ook de rechtbankstatistieken laten maar een klein stukje van de werkelijke criminaliteit zien omdat:

  • Het merendeel van de misdrijven niet door een rechter wordt beoordeeld;

  • Onderzoeksgegevens zijn betrouwbaar als ze zijn gebaseerd op waarnemingen die, onder alle omstandigheden herhaald, steeds dezelfde uitkomst hebben.

  • Selectieve opsporing is van invloed op de cijfers, verschilt per tijd en keer.

  •  Door nieuwe wetten groeit het aantal delicten.

  • Subjectieve beoordeling: verschillende meningen van rechters en politie.

  • Verschillende belangen.

  • De interpretatie van de cijfers.

  • Om een beeld te krijgen van de niet-geregistreerde criminaliteit, ook wel ‘verborgen criminaliteit’ of ‘dark figure genoemd, wordt vaak gebruikt gemaakt van slachtofferenquêtes en in mindere mate ook daderenquêtes, ook wel ‘self report studies’.

  • Het voordeel van deze enquêtes is dat op deze manier ook misdrijven waar mensen niet snel aangifte van doen, aan het licht kunnen komen.                                                                            

  • Maar slachtofferenquêtes hebben ook nadelen:

  • Sommige categorieën mensen worden niet ondervraagd.

  • Over sommige misdrijven wordt vaak verzwegen.

  • Het gaat om een subjectieve meting.

  • Dit soort enquêtes zijn altijd steekproeven.






  • Hoofdstuk 3: hoe ontstaat crimineel gedrag?

  • §3.1. Wie is crimineel?

  • Geslacht: vooral mannen;

  • Leeftijd: adolescentie, 16 tot 23 jaar;

  • Weinig besef van geldende normen;

  • Relatief veel problemen;

  • Gebrekkige sociale vaardigheden;

  • Weinig perspectief.

  • Maatschappelijke positie: laag;

  • Etnische afkomst: jonge allochtonen;

  • Woonomgeving: grote steden






  • §3.2. Oorzaken crimineel gedrag.

  • De theoretische criminologie probeert crimineel gedrag te verklaren:

  • Theorieën die criminaliteit proberen te verklaren vanuit de individuele situatie en de persoonskenmerken van criminelen -> microniveau.

  • Theorieën die de oorzaken van criminaliteit zieken in structurele en culturele kenmerken van samenlevingen als geheel -> macroniveau.






  • Microniveau:

  • Biologische en psychologische factoren;

  • Lagere hartslag;

  • Testosteronspiegel;

  • Persoonlijkheidsstoornissen.

  • Sociaalpsychologische factoren;

  • Gezin (niet corrigeren van gedrag door ouders);

  • School (spijbelgedrag);

  • Achterstandswijk (normvervaging);

  • Leeftijdsgenoten (neutralisatie: het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag);

  • Macroniveau:

  • Maatschappelijk niveau;

  • Sociologische factoren;

  • Maatschappelijke ongelijkheid;

  • Sociale onrechtvaardigheid;

  • Vergroot de kans op sociale desintegratie (mensen voelen zich niet langer verbonden met anderen in de samenleving).

  • Subculturele kenmerken.






  • §3.3. Theorieën over criminaliteit:

  • Criminaliteitstheorie:

  • Aangeleerd gedrag theorie:

    • Jongeren hebben dezelfde persoonlijkheden;

    • Contacten bepalen of je in de criminaliteit belandt.



  • Aangeboren gedragstheorie:

  • Criminaliteit is erfelijk overdraagbaar (genetisch).

  • Gelegenheidstheorie:

  • Rationele keuze: mensen baseren hun keuzes op rationeel denken;

  • Wat zijn de meest slimme keuzes;

  • Met meer mogelijkheid tot crimineel gedrag zal men meer crimineel gedrag gaan vertonen;

  • Aanwezigheid potentiële daden;

  • Aanwezigheid geschikte doelwitten;

  • Afwezigheid van de VVD.

  • Anomietheorie:

  • Anomie: niet volgens de wet.

  • Vervallen in de criminaliteit is afhankelijk van de maatschappelijke positie;

  • Mensen die ‘laag’ op de maatschappelijke ladder staan zullen eerder op andere manieren aan geld willen komen.

  • Theorie van delinquente subcultuur:

  • Mensen die laag op de maatschappelijke ladder staan zullen sneller op een andere manier aan status willen komen.

  • Etiketteringstheorie:

  • Mensen gaan zich gedragen naar hun stempel;

  • Straf heeft eerder meer dan minder afwijkend gedrag tot gevolg.

  • Bindingstheorie:

  • Iedereen is geneigd tot criminaliteit;

  • Binding met de mensen om je heen zorgt ervoor dat mensen zich fatsoenlijk gedragen.

  • Sociale controle theorie:

  • Wanneer verkeerd gedrag niet wordt gesanctioneerd en er geen sociale controle is, is de kans.

  • Differentiële-associatietheorie:

  • Er is een verband tussen sociale klasse en crimineel gedrag en als dat gedrag niet afgekeurd wordt zal het eerder gedaan worden.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.