MAW Massamedia

Hoofdstuk 1
- Communicatie  informatieoverdracht + beïnvloeden v/d onderlinge relatie.
- Feedback/terugkoppeling = reactie ontvanger op boodschap v/d zender.
- Communicatie = een proces waarbij een zender (bedoeld of onbedoeld) een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger.
- 5 basiselementen communicatieproces  zender (wie?), boodschap (wat?), kanaal/medium (hoe?), ontvanger (tegen wie?), mogelijke gevolgen (welk effect?).
- Encoderen = het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen.
- Decoderen = het uitpakken v/d boodschap door de ontvanger (het terugvertalen v/d boodschap naar de veronderstelde betekenis (nooit objectief  altijd sprake van interpretatie van ontvanger).
- Referentiekader = het geheel van je persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen.
- Ruis = verstoring/misvorming v/h communicatieproces.
- Communicatiestoornis  ontvanger interpreteert boodschap anders dan de zender bedoeld heeft (als gevolg van ruis).
----------
Vormen van communicatie:
* direct – indirect (persoonlijk contact – technisch hulpmiddel)
* eenzijdig – meerzijdig (eenrichtingsverkeer – afwisselend zender/ontvanger)
* verbaal – non-verbaal (wel woorden – geen woorden)
* interpersoonlijk – massacommunicatie (directe communicatie met feedback – eenzijdige communicatie met groot publiek zonder feedback).
Kenmerken massacommunicatie:
* informatie openbaar / voor iedereen toegankelijk
* relatie zender-ontvanger is onpersoonlijk
* heterogeen en relatief onbekend publiek
* geen directe feedback
* ontvanger bepaalt hoe hij/zij een medium gebruikt
- Groepen boodschappen massamedia (lopen vaak door elkaar heen): amusement, nieuws, reclame, meningsvorming, kunst/cultuur, educatie & onderwijs
Hoofdstuk 2
- Massamedia: gedrukt, audiovisueel, digitaal (alleen internet is digitaal)
- Pers: dagbladen (kranten) + tijdschriften
- Kwaliteitskranten = kaderkranten (bv. NRC)  niet AD of De Telegraaf.
Meest bekende dagbladen (kranten) + kenmerken:
* De Telegraaf (oplage 700.000): grootste Nederlandse dagblad, rechtse politieke identiteit.
* NRC Handelsblad (240.000): progressief-liberaal, grootste buitenlandse netwerk, speciale ochtendeditie NRC Next (70.000).
* de Volkskrant (280.000): katholieke richtingkrant, sinds jaren ’60 meer intellectueel en politiek links karakter, veel aandacht voor onderwijs en gezondheidszorg.
* AD (500.000): neutrale krant zonder politieke of religieuze binding.
* RD en ND (100.000): beide gereformeerd  vooral voor protestants-christelijke lezers.
* Trouw (100.000): protestants-christelijke krant, nadrukkelijke aandacht voor nieuws en beschouwingen uit de wereld van religie en filosofie.
* Het Parool (<90.000): politiek linkse krant (in WO II sociaaldemocratisch getinte verzetskrant) maar niet altijd links, gericht op Amsterdam.
Meest bekende opiniebladen + kenmerken:
* Elsevier (140.000): grootste Nederlandse opinieweekblad, nooit gebonden geweest aan enige partij of stroming maar ontwikkelde toch politieke identiteit met maatschappelijk conservatieve en economisch liberale trekken, tegenwoordig Elsevier veelzijdiger (minder ideologisch).
* HP/De Tijd (40.000): progressief liberale signatuur, columns vanuit zowel liberale en conservatieve denkbeelden als sociaaldemocratische uitgangspunten.
* De Groene Amsterdammer (15.000): politiek uitgesproken links.
* Vrij Nederland (ruim 50.000): begon als verzetsblad tijdens WO II, in jaren ’60 grote bloei, kiest voor diepgang.
----------
- Duaal omroepbestel: publieke omroepen & commerciële zenders.
- Publieke omroepen worden gefinancierd door advertentie-inkomsten uit de Ster + bijdragen door de overheid (+ evt. lidmaatschapsgeld v/d leden + verkoop eigen programmablad).
Publieke omroepen + kenmerken:
* AVRO: algemene/neutrale omroep, breed publiek, niet gebonden aan godsdienstige of politieke levensbeschouwing, in de praktijk lijkt AVRO politiek liberale omroep.
* NCRV: protestants-christelijke inspiratie, programma’s voor het hele gezin, evangelie minder centraal dan EO maar wel christelijke omroep.
* BNN: humoristische, confronterende en spraakmakende programma’s, wil jong publiek informeren en amuseren en totale bevolking kennis laten nemen v/d belevingswereld van jonge mensen.
* VARA: opgericht vanuit sociaaldemocratische en humanistische denkbeelden (dus socialistische omroep), politiek progressieve en kritische identiteit, steeds meer amusement.
* EO: vrijwel alle programma’s hebben uitgesproken christelijk karakter.
* VPRO: vrijzinnig-protestantse omroep, programma’s zijn anders, gewaagder en vaak artistieker dan de producten van andere omroepen, veel programma’s zijn maatschappijkritisch.
* KRO: minder sterke katholieke identiteit dan vroeger, wil mensen informeren en amuseren waarbij zelden de oorspronkelijke katholieke traditie meespeelt.
* TROS: accent ligt op gemakkelijk en licht amusement, eerste omroep met commerciële instelling.
Commerciële omroepen + kenmerken:
* RTL 4: familiezender, een van de best bekeken zender van Nederland.
* RTL 5: jarenlang vooral op mannelijke kijkers gericht, probeert nu breder publiek te trekken.
* RTL 7: vervanger van Yorin, RTL Z en vele sportuitzendingen van RTL 5 naar RTL 7 verhuisd.
* SBS 6: familiezender met talloze informatieve (nieuws)programma’s, amusement, speelfilms en series, ook besteedt zender aandacht aan sport (in het bijzonder voetbal en darts).
* Veronica: onderdeel v/d SBS-groep, voornamelijk Nederlandse programma’s, films en politieseries (hiermee richt de zender zich op kijkers in de leeftijd van 15 tot 35 jaar).
* TMF: vooral videoclips, onderdeel van MTV Networks.
* MTV: begon met alleen videoclips, later ook andere programma’s (zoals Jackass), heeft veel invloed gehad op generaties jongeren zowel wat betreft muzieksmaak als kleding.
* NET 5: richt zich in het bijzonder op de jonge hoger opgeleide vrouw, laat veel speelfilms, komedies en dramaseries zien.
Hoofdstuk 3
Functies van mediagebruik voor het individu:
* informatieve functie (behoefte aan informatie, educatie en hulp bij meningsvorming)
* sociale functie (meepraten, eenzaamheid verdrijven, gezelligheid hebben)
* recreatieve functie (afleiding, ontspanning, tijdverdrijf, zinvolle tijdsbesteding, nieuwe ideeën voor ontspanning, het beleven van spanning, sensatie en romantiek)
Functies van mediagebruik voor de samenleving:
* informerende functie (educatieve functie, informatieve rol op politiek en maatschappelijk gebied, politiek-informatieve functiezie hieronder)
* socialiserende functie (media zijn socialiserende instituties)
* amuserende functie (massamedia hebben belangrijke taak in de vrijetijdsbesteding)
* bindende functie (media is mede verantwoordelijk voor de sociale cohesie)
- Socialisatie = het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.
Politiek-informatieve functie:
* spreekbuisfunctie (media is een platform voor allerlei standpunten, media geven vaak aanzet tot publiek debat en zijn spreekbuis voor burgers, maatschappelijke groeperingen én politici)
* agendafunctie (door onderzoeksjournalistiek komen onderwerpen op de politieke agenda)
* opiniërende functie (media spelen belangrijke rol bij (het vormen van) publieke opinie)
* commentaarfunctie (media geven hun eigen commentaar op actuele gebeurtenissen)
* controle- of waakhondfunctie (media letten op het doen en laten van ministers, bedrijven en maatschappelijke organisaties)
----------
Kanttekeningen bij het functioneren van de media:
* Verschraling  het proces waarbij amusement de andere functies verdringt
* Media zou zich teveel richten op grootste doelgroep (minder kwaliteit)
* infotainment  vermenging van amusement en informatie / entertainment-education  het geven van informatie door middel van amusementsprogramma’s)
* Mediahypes  nieuws dat zichzelf verstrekt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen
* Mediaframes  berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt)
- Medialogica  situatie waarin de manier van politiek bedrijven gestuurd wordt door de media (hierbij gaat het minder om inhoud, achtergrond en feiten van politieke kwesties en meer om emoties, schandalen en personalisering)  medialogica is omvattend begrip voor nieuwsfeiten met hoge entertainmentswaarde, mediahypes en mediaframes.
- Personalisering  gebeurtenissen worden toegeschreven aan persoonlijke fouten en verantwoordelijkheden van een politicus en minder verbonden aan het ambt dat iemand bekleedt.
Hoofdstuk 4
3 (maatschappelijke) ontwikkelingen rondom de digitalisering:
* de technologische mogelijkheden, met name de komst van de digitale techniek
* economische groei en internationalisering (globalisering)
* groeiende behoefte aan informatie
3 kenmerken van nieuwe media:
* de informatie wordt digitaal opgeslagen
* er zijn interactieve mogelijkheden (ontvanger kan reageren)
* er zijn netwerken om de informatie te verplaatsen (digitale snelwegwereldwijd)
- Internet = content-platform = een plaats waar je gebruik kunt maken van verschillende soorten media-inhoud: literatuur, films, nieuwsberichten, discussies, muziek, etc.
- Nieuwe media  het samengaan (convergeren) van massamedia (content = inhoud), communicatienetwerken en computertechnologie.
- digitale outsourcing = het uitbesteden van werkzaamheden.
- informatiemaatschappij = een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen. Kenmerken:
* enorme, constante stroom van informatie (grote hoeveelheid + snelheid)
* niet gebonden aan één bepaalde plaats
* steeds in verandering
* afhankelijk van informatienetwerken
* informatie niet meer gebonden aan een fysieke drager
Sociaal-culturele gevolgen van de technologische ontwikkelingen:
* Diversificatie van het media-aanbod
* Informalisering van de samenleving (verhoudingen minder formeel/gescheiden)
* De grens tussen massacommunicatie en (inter)persoonlijke communicatie vervaagt
* Intensivering van de beleving en ervaringen met media
* Internationalisering van het media-aanbod
* Ontstaan van globale cultuur
- Cultuurimperialisme = het geleidelijk opdringen van de eigen cultuur aan andere landen of volken.
Sociaal-economische gevolgen van de technologische ontwikkelingen:
* Het risico op monopolies/oligopolies (vormt een gevaar voor de vrijheid van informatievoorziening)
*Dreigende tweedeling in de samenleving (ontwikkelingen te snel voor sommige mensen)
Politiek-juridische gevolgen van de technologische ontwikkelingen:
* Burgers meer mogelijkheid om via de nieuwe media informatie te winnen over bijv. politiek
* Gevolgen voor de privacy van mensen
* Op internet zijn overtreders ongrijpbaar
* Moet de overheid nieuwe media financiële steun geven?
Hoofdstuk 5
- Censuur  de overheid oefent controle uit op de informatievoorziening.
3 uitgangspunten van het mediabeleid: vrijheid van meningsuiting + democratie + pluriformiteit (+ vrije marktiedereen mag krant, tijdschrift, tv-zender of webpagina beginnen).
- Het principe van de vrije markt zorgt voor sociale ongelijkheid in de betrekking (het vergaren) tot de informatievoorziening.
- Netprofilering  per programma wordt bekeken op welk net dit het beste past (doel: kwalitatief aanbod + concurrentie aangaan met commerciële zenders).
- Mediawet  regelt toelating tot het omroepbestel en stelt eisen aan de publieke omroepen (en soms ook commerciële omroepen) onder andere om te zorgen voor mediapluriformiteit. Bepalingen:
* Omroep moet vanuit eigen identiteit gericht zijn op zowel breed publiek als op specifieke groepen.
* Een beginnende publieke omroep moet 50.000 betalende leden hebben.
* Erkende omroepen hebben recht op een financiële bijdrage.
* De totale televisiezendtijd van de publieke zenders moet een volledig programma bevatten.
* Gemiddeld mogen de publieke omroepen niet meer dan 6,5% van hun zendtijd besteden aan reclame. Daarbij geldt een maximum van twaalf minuten reclametijd in een uur.
* Commerciële zenders hoeven zich aan minder strenge voorwaarden te houden  maximaal 15 procent van hun zendtijd besteden aan reclame; sluikreclame is verboden.
* Sponsoring is toegestaan voor zowel publieke omroepen als voor commerciële zenders.
- Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de omroepen en zenders de voorschriften van de Mediawet opvolgen.
- het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft tot doel de bestaande verscheidenheid van de pers in stand te houden voor zover deze van belang is voor een brede informatievoorziening en opinievorming.
- Overheid bemoeit zich veel met radio- en tv-zenders (in het bijzonder de publieke omroepen) en veel minder met de pers.
- Argumenten blz. 70 doorlezen
Hoofdstuk 6
- Redactiestatuut  hierin worden de taken en bevoegdheden van de redactie en directie geregeld.
- Publieke omroepen hebben inkomsten uit omroepgelden, lidmaatschapsgelden, sponsoring en merchandising.
- Commerciële zenders verdienen vooral door reclame-inkomsten en sponsorgelden.
- Neerwaartse oplagespiraal: dalende oplage  mensen ontslaan  minder kwaliteit  oplage daalt nog verder.
Toegenomen concurrentie in het medialandschap leidt tot:
* grotere commercialisering (kwaliteit minder belangrijk, minder aandacht voor kleine doelgroepen)
* stijging van het aantal producten
* persconcentratie bij de dagbladen (hoofdredacties/uitgevers zijn sterk teruggelopen)  gevaar van monopolievorming (waardoor pluriformiteit minder wordt).
* marktsegmentering bij de tijdschriften (veel kleine markten voor gespecialiseerde informatie)
* doelgroepenmedia en netprofilering bij tv-zenders (commerciële omroepen richten zich op specifieke doelgroepen, om een langdurige band op te bouwen met adverteerders; door de netprofilering bij publieke omroepen zijn er ook duidelijke doelgroepen per televisienet).
* mediaconcentratie door ontstaan van mediagiganten (samensmelting van massamedia doordat kleine bedrijven worden opgekocht door mediagiganten; zorgt bijv. voor eenzijdige berichtgeving).
Soorten persconcentratie:
* redactionele concentratie  redacties van kranten schrijven voor verschillende kranten.
* publieksconcentratie  publiek verdeelt zich steeds eenzijdiger over de dagbladen.
* aanbiedersconcentratie  uitgever van dagbladen geeft meer kranten uit.
- Diagonale concentratie = concentratie die verschillende producten omvat, zoals dagbladen, televisieprogramma’s en films (bv. mediaconcentratie door ontstaan van mediagiganten).
- Horizontale concentratie = concentratie van hetzelfde product (bv. één bedrijf geeft verschillende kranten uit).
- Verticale concentratie = als een bedrijf een gehele bedrijfskolom bezit (bv. een filmmaatschappij bezit acteurs, scenarioschrijvers, filmstudio’s, regisseurs, montagestudio’s en bioscopen).
- Pers- en mediaconcentraties leiden tot kwaliteitsverlies en vaak ook tot prijsopdrijving.
- Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)  houdt toezicht op de concurrentie (dat er genoeg concurrentie is en deze concurrentie er eerlijk aan toegaat).
Hoofdstuk 7
- Normen = specifieke regels in een groep/samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen beoordelen.
- Waarden = principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.
- Cultuur = de leefwijze van een groep met alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep/samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend beschouwen.
- Nature  biologische/erfelijke factoren & Nurture  sociale milieu
- Subculturen (naast de kenmerken van de dominante cultuur eigen specifieke gewoontes en regels) bv: religieuze subculturen, jongerenculturen, bedrijfsculturen, etnische subculturen, tegenculturen (verzetten zich tegen de dominante cultuur; bv milieuactivisten, feministes).
3 functies van cultuur voor de samenleving:
* Cultuur geeft betekenis aan ons gedrag.
* Cultuur bepaalt welk gedrag wel of niet aanvaardbaar is.
* Cultuur biedt de mogelijkheid tot identificatie.
3 dimensies binnen cultuuruitingen:
* Ideële dimensie  mensen binnen een cultuur wisselen voortdurend ideeën en opvattingen met elkaar uit (ideeën die te maken hebben met een visie op de mens en de samenleving, religieuze ideeën en maatschappelijke waarden).
* Normerende dimensie  alle regels (zowel ongeschreven als de wetten, straffen en gewoontes).
* Materiële dimensie  waarden en normen van een cultuur komen tot uiting in materiële vormen.
- Socialiserende instituties = instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt (gezin, school, werk, maatschappelijke groeperingen, overheid en media).
- Sociale controle = de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden (zowel formeel als informeel).
- Internalisatie  als mensen zich de culturele waarden en normen eigen hebben gemaakt.
- Stereotype = een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van een specifieke groep.
- Vooroordeel = een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd.
- Discriminatie = mensen van een bepaalde groep anders behandelen op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.
- Multiculturele/pluriforme samenleving  samenleving waar mensen met verschillende culturele achtergronden naast elkaar wonen.
Hoofdstuk 8
- Persbureaus wisselen onderling nieuwsberichten uit over eigen land.
Bewuste kleuring door redacties van nieuwsmedia:
* de invloed van de identiteit van het medium (keuze onderwerpen, volgorde berichten, presentatie)
* manipulatie (= het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten en indoctrinatie (= het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren).
Onbewuste kleuring door redacties van nieuwsmedia:
* de onmogelijkheid van objectiviteit
* ‘framing’
Hoofdstuk 9
- Injectienaaldtheorie  theorie die ervan uitgaat dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen.
- Selectieve aandacht  Ieder mens heeft de neiging alleen aandacht te hebben voor datgene wat past bij zijn of haar opvattingen en belangstelling.
- Selectieve perceptie en interpretatie  Waarnemen gebeurt nooit blanco (objectief), we willen de informatie zoveel mogelijk laten aansluiten bij ons referentiekader.
- Selectief geheugen  De mediagebruiker is selectief bij het onthouden van mediaboodschappen. Informatie die niet bij ons referentiekader aansluit, vergeten we sneller.
- Selectief geloven  Afhankelijk van het karakter van een bepaald medium, zal de gebruiker meer of minder geloof hechten aan de berichtgeving.
Theorieën die uitgaan van relatief veel media-invloed:
* Cultivatietheorie  vermenging van tv en werkelijkheid.
Kanttekening: onderzoek ondersteunt theorie niet + er is niet onderzocht waarom mensen bijv. naar geweld op tv kijken; misschien was hun beeld van de werkelijkheid altijd al anders.
* Theorie van de zwijgspiraal  uit angst om sociaal geïsoleerd te raken zullen mensen zich conformeren aan de heersende opvattingen (en deze worden dan versterkt).
Kanttekening: zijn mensen wel bang om hun mening te laten horen? + er zijn meestal meerdere verschillende opvattingen/geluiden over een onderwerp.
Theorieën die uitgaan van de macht van de ontvangers:
* ‘Uses and gratifications’-theorie (nut en beloningen)  media voorzien in de bevrediging van behoeftes van de media-gebruiker.
Kanttekeningen: worden mensen werkelijk beloond in hun behoeftes? (m.a.w: zijn er wel gratifications?) + zijn ze zich wel bewust van deze behoeftes?
* Media-afhankelijkheidstheorie  men is afhankelijk van de media, omdat deze informatie bevat en dat is wat mensen nodig hebben, maar deze afhankelijkheidsrelatie is wederkerig en daarom heeft de media ook (de aandacht van) het publiek nodig.
Kanttekening: ‘afhankelijkheid’ is niet het juiste woord, omdat beide partijen machtig zijn + de rationele benaderingswijze is niet op zijn plek, omdat mensen in de praktijk veel onbewuster leven.
Theorieën met middenpositie (media heeft macht, maar wel in relatie tot actief publiek):
* Agendasettingtheorie  media heeft invloed / bepaalt de publieke en politieke agenda.
Kanttekening: wetenschappers kunnen het niet goed aantonen + er is verband tussen de drie agenda’s, maar misschien bepaalt de werkelijkheid wel de media-agenda en niet andersom.
* Framingtheorie  de media is verantwoordelijk voor mediaframes en dit beïnvloedt mensen.
Kanttekening: ontbreken van andere factoren die het beïnvloedingsproces kunnen verklaren (wie zijn gevoelig voor frames en wie niet? + demografische verschillen bij framingeffecten?)
- Framebuilding  proces waarin een mediaframe tot stand komt.
- Framesetting  proces waarbij het mediaframe het denken van mensen beïnvloedt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

Super te gek man!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

echt super bedankt ik heb deze week pww en dit moet ik precies allemaal leren.....echt bednakt

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast