Criminaliteit en rechtsstaat

Beoordeling 1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 3989 woorden
  • 28 februari 2016
  • 1 keer beoordeeld
Cijfer 1
1 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1 Wat is criminaliteit?

  1. Strafbaar gedrag

Aan de basis van elke regel staat een waarde, een principe dat mensen belangrijk vinden om na te streven, dat kaan eer of vrijheid zijn. Daar naast zijn gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid belangrijk. Normen zijn gedragsregels. Er zijn religieuze normen (zondagsrust) en morele normen (koop geen kleren van kinderarbeid). Rechtsnormen zijn normen die belangrijke waarden vertegenwoordigen.

Als normen worden overschreden betekent dit normoverschrijdend gedrag. Criminaliteit is elk door de overheid bij wet strafbaar gesteld gedrag. De juridische benaming van strafbaar gedrag is delict.

Misdrijven zijn de meer ernstige strafbare feiten zoals diefstal, mishandeling en moord etc. Overtredingen zijn de minder ernstige strafbare feiten zoals door rood licht rijden of zonder fietslicht fietsen etc. Overtredingen worden afgehandeld door de kantonrechter, lichte misdrijven door de politierechter en zware misdrijven door de meervoudige kamer (rechtbank met 3 rechters). Overtreding is maximaal 1 jaar hechtenis, misdrijf maximaal 30 jaar gevangenisstraf.

Strafwaardig betekent gedrag dat volgens iemand of een grotere groep mensen strafbaar zou moeten zijn. Criminaliteit is een relatief en cultureel bepaald begrip.

Criminalisering betekent het strafbaar worden van bepaald gedrag (bijvoorbeeld hacken, kon eerst niet, nu wel). Decriminalisering; het wordt uit het Wetboek van Strafrecht gehaald (bijvoorbeeld homoseksualiteit), ook wel; een strafbare gedraging wordt uit het strafrecht gehaald en is daardoor niet langer meer verboden. Waardoor je gestraft wordt hangt af van de maatschappelijke context (wat er gebeurt na een grote wending, 9/11 bijvoorbeeld), de ernst van de gevolgen en de politieke macht (wet kan uit het Wetboek van Strafrecht worden gehaald door meerderheid stemmen in de Tweede Kamer).

  1. Criminaliteit als maatschappelijk en politiek probleem

Criminaliteit is een groot maatschappelijk probleem, staat hoog op de publieke agenda, de media besteedt er veel aandacht aan.  Het wordt ook wel een sociaal probleem gezien.

Criminaliteit heeft als gevolg veel materiële schade, je hebt directe financiële schade (kosten na een inbraak), indirecte financiële schade (stijgende verzekeringspremies) en de kosten voor criminaliteitsbestrijding (betaald door overheid en burgers, bijvoorbeeld door politie-inzet). Er zijn ook immateriële gevolgen bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid, vermijdingsgedrag (als je 1 keer bent lastiggevallen durf je ’s avonds niet meer naar buiten), emotionele en psychische problemen (slaap- en concentratieproblemen), boosheid en verbazing (morele verontwaardiging, ongeloof voor de vele diefstal etc.), veranderende opvattingen over goed en kwaad, verlies aan vertrouwen in mensen (politiek of samenleving), aantasting van het rechtsgevoel (als de dader niet gepakt/gestraft worden) of het gevaar dat mensen voor eigen rechter gaan spelen.

Er is sinds de Tweede Wereldoorlog sprake van afnemend gezag van deo verheid, afnemende betekenis van het maatschappelijke middenveld (gevolg van individualisering, minder betrokken bij de samenleving), minder sociale controle (we letten minder op elkaar), veranderend normen- en waardenbesef, toegenomen welvaart (leidt tot meer diefstallen etc.), de afgenomen pak- en strafkans, werkloosheid, technologische ontwikkelingen en internationalisering (open grenzen EU bieden meer mogelijkheden voor burgers maar ook criminelen).

Er zijn vaak tegenstrijdige gedachten over criminaliteit, verschil tussen denken van slachtoffer en dader. De twee tegenstrijdigheden zijn de veiligheidsparadox; het verschijnsel dat hoe meer veiligheid we hebben, hoe erger we een inbreuk daarop ervaren en de veiligheidsutopie; het onhaalbare verlangen naar het samenvallen van maximale vrijheid en maximale veiligheid.

Er zijn allerlei particuliere initiatieven om de overlast in de buurt te beperken (burgers nemen inbraakalarmen en sloten op de deuren, bedrijven investeren veel geld in de beveiliging van hun panden (camera’s, rolluiken) en maatschappelijke instellingen bieden hulp aan slachtoffers en je hebt nog de reclassering, zij bieden de juiste hulp aan verdachten, bijvoorbeeld bij re-integratie in de samenleving.

Criminaliteit hoort bij de basisfuncties van de overheid. Het staat dan ook hoog op de politieke agenda. De beste manier om criminaliteit te bestrijden, is iets waar de politieke partijen het niet over eens zijn.

 

 

Hoofdstuk 2 Aard en omvang van criminaliteit

2.1 Soorten criminaliteit

Er zijn verschillende soorten delicten, zoals; delicten tegen de openbare orde en het gezag (verbranden Nederlandse vlag, politieagent uitschelden), geweldsdelicten (moord, mishandeling), ruwheidsdelicten (vernieling, graffiti), vermogensdelicten (diefstal, inbraak), seksuele delicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, economische delicten (verkopen van besmet vlees) en milieudelicten (bomen kappen, chemisch afval dumpen).

Veelvoorkomende criminaliteit wordt ook wel kleine criminaliteit genoemd, het zijn dingen als winkeldiefstal, vernieling en graffiti. Zware criminaliteit zijn dingen als moord, inbraak en overvallen. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen de verschillende soorten criminaliteit. Georganiseerde criminaliteit wordt altijd apart bekeken, dit zijn zware criminaliteiten (witwassen, drugscriminaliteit, liquidaties en gedwongen prostitutie).

2.2 Beeldvorming rond criminaliteit

Ons beeld van criminelen wordt sterk beïnvloedt door de media. Er zijn Tv-programma’s en kranten die het vaak sensationeel maken (Hart van Nederland, AD, Telegraaf). Trouw en Volkskrant zijn vaak wat zakelijker en ook realistischer.

 Framing, de media laat ons kijken door een frame (venster), wij zien en horen wat zij ons vertellen, eenzijdige berichtgeving. Stereotiep betekent dat er een vaststaand beeld ontstaat van een bepaald verschijnsel omdat de media steeds op dezelfde manier over het onderwerp berichten. Generaliserend betekent dat er uit een of enkele bijzondere gevallen een algemene conclusie wordt afgeleid.

Een referentiekader wordt gevormd door alle waarden, normen, ervaringen en persoonlijke interesses die iemand heeft, in andere woorden; wij kiezen onze media zelf. Eigen ervaringen hebben ook invloed op hoe jij naar criminaliteit kijkt.

2.3 Het meten van criminaliteit

Bij kwantitatieve onderzoeksmethoden wordt een groot aantal gegevens verzameld, bijvoorbeeld door het ondervragen van een bepaalde doelgroep, dader- en slachtofferenquêtes. Het gevoel van onveiligheid kan hiermee ook worden gemeten. Kwalitatief onderzoek wordt gebruikt als er meer diepgaande informatie nodig is. Er achter komen waarom iemand het criminele pad op gaat daar is een diepte-interview voor nodig met slachtoffers en daders. Doel van kwalitatief onderzoek is het verkrijgen van meer inzicht in de criminaliteit.

Geregistreerde criminaliteit betekent; misdrijven die door mensen bij de politie zijn aangegeven of die door de politie zelf zijn ontdekt. Van elke aangifte of ontdekking wordt een proces-verbaal gemaakt. Een proces-verbaal is een schriftelijk verslag waarin de politie of een andere opsporingsambtenaar informatie geeft over het tijdstip, de plaats en de toedracht van een overtreding, misdrijf of ongeluk. Rechtbankstatistieken registreren alle misdrijven waarbij een rechter uitspraak doet.

Onderzoeksgegevens zijn betrouwbaar als ze zijn gebaseerd op waarnemingen die, onder dezelfde omstandigheden herhaald, steeds dezelfde uitkomst geven. Selectieve opsporing is van invloed op de cijfers, ze zoeken alleen naar wat ze zien en kunnen vinden. Door nieuwe wetten groeit het aantal delicten (cybercriminaliteit). De registratie van misdrijven wordt soms gekleurd door subjectieve beoordeling door de politie of de officier van justitie (iedereen kijkt er anders naar, wat voor de een mishandeling is, is voor de ander doodslag). Iedereen heeft verschillende belangen. De interpretatie van cijfers heeft ook een grote rol in de statistieken.

Niet-geregistreerde criminaliteit betekent ook wel verborgen criminaliteit. Bij slachtofferenquêtes vragen onderzoekers aan zo veel mogelijk mensen of zij in een bepaalde tijdsperiode slachtoffer zijn geweest van een misdrijf. Bij dader enquêtes wordt aan mensen gevraagd of zij bepaalde misdrijven hebben gepleegd. Die enquêtes kunnen veel opleveren maar ze zijn niet altijd geheel betrouwbaar; niet iedere doelgroep wordt ondervraagd, sommige misdrijven worden verzwegen, het is een subjectieve meting (het is afhankelijk van het gevoel en de ervaring van de ondervraagde) en het zijn steekproeven (het is representatief).

 

 

Hoofdstuk 3 Hoe ontstaat crimineel gedrag?

3.1 Wie is crimineel?

Niet iedere crimineel is het zelfde, er zit verschil in; geslacht, leeftijd, maatschappelijke positie, etnische afkomst en woonomgeving.

Criminaliteit is vooral een zaak van mannen. Dat vrouwen hier veel minder in zijn, zou kunnen te maken hebben met opvoeding en het aangeboren verschil in agressiviteit bij mannen.

In de adolescentie (16 tot en met 23) worden de meeste misdaden gepleegd. Jonge criminelen hebben; weinig besef van geldende normen, veel problemen, gebrekkige sociale vaardigheden en weinig perspectief (op werk en carrière).

Mensen met een lagere maatschappelijke positie zijn vaker betrokken bij agressieve delicten, inbraak en diefstal.

Allochtonen komen vaker met de politie in aanmerking dan autochtonen, het zijn dan vooral de jongeren. Witteboordencriminaliteit en discriminatie wordt vooral door autochtonen gepleegd.

Inwoners van grote steden plegen vaker delicten dan inwoners van dorpen.

3.2 Oorzaken van crimineel gedrag

Criminologie is de wetenschap die onderzoek doet naar (de oorzaak van) strafbaar gedrag en de gevolgen van criminaliteit voor de samenleving. De beschrijvende criminologie is erop gericht een helder en compleet beeld te geven van de aard en omvang van de criminaliteit. De theoretische criminologie probeert crimineel gedrag te verklaren. Microniveau zijn theorieën die criminaliteit proberen te verklaren vanuit de individuele situatie en de persoonskenmerken van criminelen. Macroniveau zijn theorieën die de oorzaken van criminaliteit zoeken in structurele en culturele kenmerken van samenlevingen als geheel.

Als je al wetenschapper crimineel gedrag onderzoekt op de microniveau, ben je op zoek naar individuele/persoonlijke verschillen tussen criminele en niet-criminele mensen. Je wilt weten of dit te maken heeft met aanleg en opvoeding (nature and nurture).

Er is ontdekt dat mensen die asociaal gedrag vertonen een lagere hartslag hebben (minder snel bang voor straffen etc). Onder jongere criminelen wordt vaan persoonlijkheidsstoornissen gevonden (angststoornissen, borderline, autisme). Er kan nog geen causaal verband worden gelegd tussen aangeboren biologische en/of psychologische kenmerken en crimineel gedrag. Alleen omdat je bijvoorbeeld borderline hebt betekent niet dat je gedoemd bent om met politie in aanmerking te komen, dit maakt het niet determinerend.

Sociaalpsychologen zoeken de verklaring van crimineel gedrag in de risicofactoren in de directe leefomgeving van delinquenten. De achterliggende gedachte hier voor is dat er in deze omgeving iets mis is gegaan. Bijvoorbeeld in het gezin, als ouders de kinderen niet corrigeren, of op school, door spijbelgedrag, kinderen die opgroeien in een achterstandswijk hebben ook vaak te maken met normvervaging, een peergroup heeft ook invloed op een kind. Neutralisatie is het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag.

Criminologen die strafbaar gedrag verklaren vanuit de maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen, letten vooral op de sociologische factoren, zoals maatschappelijke ongelijkheid en (sub)culturele verhoudingen.

Maatschappelijke ongelijkheid leidt tot een gevoel van sociale onrechtvaardigheid. Criminaliteit is in deze visie dus een gevolg van de ongelijke verdeling van welvaart en een daaraan gekoppeld gefrustreerd eerlijkheidsgevoel. Maatschappelijke ongelijkheid vergroot de kans op sociale desintegratie, dat wil zeggen dat mensen zich niet langer verbonden voelen met anderen in de samenleving.

Crimineel gedrag kan ook een gevolg zijn van conflicten tussen de dominante cultuur en bepaalde subculturen. We spreken van vervreemding als mensen het gevoel hebben dat zij buiten de samenleving staan. Normvervaging en normloosheid liggen dan op de loer, waardoor strafbaar gedrag door de groep niet langer afgekeurd wordt.

3.3 Theorieën over criminaliteit

Edwin Sutherland was een Amerikaanse socioloog in de jaren twintig en dertig, hij deed onderzoek naar jongeren in getto’s. Hij concludeerde dat crimineel gedrag wordt aangeleerd. Edward Wilson was een sociobioloog, hij had een theorie dat het tegenovergestelde aantoonde, hij liet zien dat crimineel gedrag niet alleen beïnvloed werd door opvoeding en cultuur maar ook door erfelijke factoren.

Adam Smith heeft de gelegenheidstheorie bedacht, volgens hem kiest ieder voor zichzelf de beste optie. Marcus Felson vertaalde de theorie van Adam Smith naar de criminologie, volgens hem maakt de gelegenheid de dief.

De Amerikaanse socioloog Robert Merton zoekt de verklaring voor criminaliteit in de maatschappelijke ongelijkheid. Albert Cohen beschrijft in zijn theorie hoe delinquente subculturen ontstaan.

Volgens de etiketteringstheorie van Howard Becker is de sociale afwijzing van mensen juist de oorzaak van hun criminele gedrag. De Amerikaanse criminoloog Travis Hirschi stelde zich de vraag waarom de meeste mensen juist geen misdaden plegen, aangezien volgens hem ieder mens voor een deel tot het slechte geneigd is.

Robert Sampson en John Laub stellen dat het gebrek aan normen crimineel gedrag stimuleert. De Amerikaanse socioloog Edwin Sutherland stelde dat er patronen bestaan in crimineel gedrag die samenhangen met de waarden en normen van de verschillende sociale milieus die binnen een samenleving bestaan. Met andere woorden; mensen zijn op een verschillende (differentiële) manier verbonden (associatie) met criminaliteit.

Hoofdstuk 4 De rechtsstaat

4.1 Regels en rechten

Een rechtsstaat is een land waar burgers met wetten worden beschermd tegen macht en willekeur door de overheid.

Sommige regels zijn zo belangrijk dat ze zijn vastgelegd in wetten. De rechtsbron is een officieel document waarin een rechtsregel is vastgelegd. Rechtsregels onderscheiden zich van andere regels, doordat ze voor iedereen in het land bindend zijn, dat wil zeggen dat iedereen zich aan die wet moet houden. De jurisprudentie is het geheel aan de rechterlijke uitspraken. Jurisprudentie kan leiden tot nieuwe wetgeving.

Rechtsregels hebben zowel voor de overheid als voor burgers belangrijke functies; rechtszekerheid bieden (iedereen heeft rechten, zo sta je nooit machteloos), orde aanbrengen in de maatschappij (ordening in de samenleving), onafhankelijke rechtspraak waarborgen (iedereen moet op dezelfde manier worden behandelt) en conflicten vreedzaam kunnen oplossen (rechtsregels kunnen eigenrichting voorkomen, eigenrichting betekent als mensen het recht in eigen hand nemen).

Sociaal contact is een soort stille afspraak tussen burgers en overheid. Geweldsmonopolie betekent dat de politie de wapenstok mag gebruiken en dat dit van de overheid macht.

Er zijn 3 grondbeginselen van de rechtsstaat; er is sprake van machtenscheiding (hierdoor krijgt niemand de macht in eigen handen), de grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn in de wet omschreven en gewaarborgd en vanwege het legaliteitsbeginsel is ook de overheid zelf gebonden aan de regels en wetten.

4.2 Rechtsstaat en strafrecht

Je kan machtenscheiding (trias politica) kan je scheiden in 3 machten; de wetgevende macht (parlement, maakt wetten), uitvoerende macht (ambtenaren, wordt uitgevoerd voor de wetgevende macht) en de rechterlijke macht (rechter, onafhankelijke).

Enkele regels in het Wetboek van Strafvordering zijn; iedereen heeft recht op een eerlijk proces, iedereen die ergens van verdacht wordt is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen (onschuldpresumptie), dwangmaatregelen zijn aan wettelijke grenzen gebonden (iemand vasthouden) en iedereen heeft recht op een verdediging. Slachtoffers hebben het recht om tijdens een rechtszaak te spreken.

Het legaliteitsbeginsel zorgt ervoor dat er grenzen zijn aan wat de overheid binnen die bevoegdheden mag doen, hier een paar voorbeelden; het strafbaarheids- of nulla poena-beginsel houdt in dat een persoon alleen kan worden gestraft voor iets wat in de wet strafbaar is gesteld, voor ieder delict is een maximumstraf (hier kan van worden afgeweken), er moet een correct vooronderzoek zijn plaatsgevonden dit zijn vormvoorschriften. De ne bis in idem-regel betekent dat je door de uitspraak van een rechter niet voor een tweede keer kan worden berecht voor het misdrijf, er is geen straf zonder schuld en het recht om iemand te straffen kan verjaren.

4.3 Dilemma’s en spanningen

Er is een dilemma in de rechtsstaat, namelijk dat de waarden rechtsbescherming en rechtshandhaving botsen. Veiligheidsutopie betekent; hoeveel vrijheid willen we opofferen ten gunste van de criminaliteitsbestrijding?

Bij criminaliteitsbestrijding ontstaan er veel spanningen; wetten die onze vrijheid te veel beperken, te ruime opsporingsbevoegdheden, de dubbele pet van de politie, de dubbele pet van het Openbaar Ministerie, spanning tussen politie en OM, spanning tussen wetgever en rechter, werkdruk en spanning tussen politici en rechters. Opportuniteitsbeginsel wil zeggen dat vervolging niet opportuun, dat wil zeggen niet in het algemeen belang is.

Klassenjustitie is dat het sociale milieu invloed heeft op de opsporing, vervolging en berechting van verdachten.

Verdachten met een betere maatschappelijke positie zijn beter in staat hun belangen te behartigen, dit kan een lagere straf als gevolg hebben. Door vooroordelen en stereotypering kan dit effect hebben op de straf van een verdachte.

Hoofdstuk 5 Overheidsbeleid

5.1 Integraal veiligheidsbeleid

De kenmerken van het veiligheidsbeleid zijn; de nadruk leggen op het voorkomen van onveiligheid, strafrecht speelt een primaire rol en de overheid zoekt samenwerken met andere bedrijven (bijvoorbeeld Jeugdzorg).

Repressief betekent als de overheid de nadruk legt op strafrechtelijk optreden, op strenger straffen en op het uitbreiden van de capaciteit en de bevoegdheden van politie en justitie. Ligt de nadruk op het aanpakken van maatschappelijke oorzaken van crimineel gedrag, zoals armoede en normvervaging, dan heet het beleid preventief.

Enkele voorbeelden van preventieve maatregelen zijn; meer sociale controle, voorlichting, een veilige omgeving en structurele maatregelen.

Bij zware criminelen wordt het opsporings- en vervolgingsbeleid toegepast. Het repressieve beleid van de overheid bestaat uit vier onderdelen; opsporing, vervolging, gevangenisbeleid en nieuwe wetgeving.

De laatste jaren zijn er ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid; de uitbreiding van bevoegdheden, toegenomen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, nieuwe maatregelen en groeiende internationale invloed.

5.2 Criminaliteitsbeleid in de praktijk

Veel gemeenten steunen preventieprojecten; bijvoorbeeld het inzetten van coaches om hangjongeren beter in de gaten te houden. De overheid heeft ook repressieve mogelijkheden; taakstraffen/celstraffen.

Er bestaat ook een jeugdstrafrecht voor 12- tot  18-jarigen. Sinds april 2014 bestaat er in Nederland ook een adolescentenstrafrecht, voor 16- tot 23-jarigen. Jongeren die in aanraking zijn gekomen met de politie worden eerst naar Bureau Halt toegewezen.

Een kroongetuige is een verdachte die een getuigenverklaring aflegt in ruil voor strafvermindering. Witteboordencriminaliteit wordt de laatste tijd ook wel organisatiecriminaliteit genoemd.

Om illegale financiële constructies bloot te leggen werken financiële rechercheurs samen met de Belastingdienst en De Nederlandsche Bank. Sinds de Wet terroristische misdrijven hoeft er niet sprake te zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan bepaalde handelingen om mogelijke terroristen op te sporen of aan te houden.

5.3 Politieke visies

Linkse of sociaaldemocratische partijen zijn van mening dat veel crimineel gedrag samenhangt met de maatschappelijke context (de manier van leven) waarin mensen leven. Volgens sociaaldemocraten worden gedragsregels pas echt nageleefd wanneer ook de achterliggende waarden erkend worden, deze insteek wordt ook wel pragmatisch moralisme.

Rationalistisch individualisme betekent het nastreven van eigenbelang, binnen de kaders van de wet, dit heeft volgens liberalen een heilzame werking op de samenleving.

Volgens het christendom is de mens geneigd tot het kwade. Toch is er bij de christendemocraten wel aandacht voor de maatschappelijke kant van criminaliteit. Vooral het uitgeholde normbesef en de afwezigheid van een duidelijke publieke moraal hebben in hun ogen een negatieve invloed op de veiligheid in ons land.

Hoofdstuk 6 Opsporen, vervolgen en berechten

6.1 De politie

De 25 regionale korpsen en het Korps Landelijke Politiediensten zijn opgegaan in de nationale politie. De belangrijkste taken van de politie zijn; handhaving van de openbare orde, hulpverlening en opsporing.

Soms wordt er vroegsporing gebruikt, dit is een proactieve aanpak van de criminaliteit, zo probeert de politie misdaden te voorkomen. De politie heeft bevoegdheden bij opsporing, dit staat in de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden.

De politie heeft voor onderstaande bevoegdheden geen toestemming vooraf nodig; een verdachte staande houden, een verdachte arresteren, iemand fouilleren, iets in beslag nemen, en de vrijheid benemen. Heb je geen grote misdaad begaan dan mag de politie jou niet langer dan 6 uur vast houden, heb jij een misdaad begaan waar een gevangenis straf van langer dan 4 jaar op staat, dan mogen zij jou 3 dagen met nog een verlenging van 3 dagen vasthouden, dit laatste heet de inverzekeringstelling. Hierna kan een verdachte nog 104 dagen vastgehouden worden, dit heet voorlopige hechtenis. Voor de eerste veertien dagen, de zogenoemde inbewaringstelling, is goedkeuring van de rechter-commissaris nodig en voor de overige tijd (gevangenhouding) goedkeuring van een rechtbank.

Voor de volgende bevoegdheden heeft de politie vooraf toestemming nodig van de (hulp)officier van justitie; huiszoeking, inzetten van infiltranten, uitvoeren van inkijkoperaties, gecontroleerde doorvoer, de politie mag informanten geld betalen en preventief fouilleren.

6.2 Openbaar Ministerie

De centrale persoon in het strafproces is de officier van justitie. Het proces-verbaal is een dossier tijdens een opsporingsonderzoek waar bewijsmateriaal, getuigenverklaringen en andere gegevens inzitten.

In veel strafzaken besluit de officier van justitie niet te vervolgen. Je noemt dit seponeren. De redenen hiervoor kunnen zijn; een veroordeling lijkt niet haalbaar, de verdachte is al op een andere manier gestraft of vervolging is niet in het algemeen belang. Als de officier voorwaarden verbindt aan het seponeren, spreken we van een voorwaardelijk sepot.

De officier kan bij overtredingen en lichte misdrijven als vernieling en winkeldiefstal een transactie aanbieden. Dit heeft de vorm van een geldboete of taakstraf en wordt ook wel schikking genoemd.

Sinds de Wet OM-afdoening heeft de officier van justitie de mogelijkheid om bij lichtere gevallen zelfstandig een straf op te leggen. Vervolging vindt dan plaats door een strafbeschikking.

6.3 De rechter

De rechtbank kent verschillende rechters, ieder met een eigen taakomschrijving en bevoegdheid; de kantonrechter behandelt binnen het burgerlijk recht vooral huur- en arbeidsgeschillen, de kantonrechter doet meestal meteen uitspraak, de politierechter houdt zich bezig met lichte misdrijfzaken, zoals vernieling en winkeldiefstal, de meervoudige kamer bestaat uit drie rechters en behandelt ernstige misdrijven, zoals verkrachting en mishandeling, de kinderrechter houdt zich bezig met alle overtredingen en misdrijven gepleegd door jongeren tussen twaalf en achttien jaar. Door invoering van het adolescentenstrafrecht is de ‘harde’ grens tussen het jeugd- en het volwassenstrafrecht verdwenen.

Als een verdachte het niet eens is met de uitspraak van een rechter kan die in hoger beroep gaan, dit kan bij het gerechtshof, hier heeft Nederland er 5 van. Het hoogste rechtscollege is de Hoge Raad in Den Haag, hier ga je heen nadat je bij het gerechtshof bent geweest.

Voor aanvang van elke rechtszitting krijgt de verdachte een dagvaarding, hier staat dat de verdachte ervan wordt verdacht dat hij of zij op een bepaald moment, op een bepaalde plaats een bepaald delict heeft begaan. Een rechtszaak bestaat uit acht stappen;

  1. Opening, de rechter controleert de persoonsgegevens van de verdachte
  2. Aanklacht, de officier van justitie leest de tenlastelegging ofwel aanklacht voor
  3. Onderzoek, de rechter begint aan het eigenlijke onderzoek naar het eventuele bewijs voor de aanklacht
  4. Verhoor van de verdachte, de verdachte mag eerst zelf een verklaring afleggen, daarna volgt de ondervraging door de rechter, de officier van justitie en ten slotte door zijn eigen advocaat
  5. Requisitoir, nadat de verdachte en getuigen zijn verhoord, vat de officier van justitie alles nog eens samen en zal proberen aan te tonen dat de verdachte schuldig is
  6. Pleidooi, de advocaat houdt het pleidooi, waarin hij de verdachte verdedigt
  7. Laatste woord, de verdachte heeft altijd het laatste woord
  8. Vonnis, nadat de rechter het onderzoek heeft afgesloten en alle belangen tegen elkaar heeft afgewogen, doet hij uitspraak

Om een verdachte schuldig te verklaren moet de rechter vier inhoudelijke vragen beantwoorden, de vier vragen zijn;

  1. Is het ten laste gelegde feit geheel bewezen?
  2. Levert het bewezen feit een strafbaar feit op?
  3. Is de dader strafbaar?
  4. Welke straf moet worden opgelegd?

Strafrechtelijke sancties is een maatregel die wordt genomen als er geen sprake is van schuld, als je bijvoorbeeld ontoerekeningsvatbaar bent.

De wet kent drie soorten hoofdstraffen; geldboete, vrijheidsstraf of taakstraf. Bij een taakstraf gaat het om onbetaald werk wat wel nuttig is voor bijvoorbeeld de gemeente. Bij elke straf kan een deel voorwaardelijk worden opgelegd, dat wil zeggen dat de dader die straf alleen krijgt als hij binnen een bepaalde proeftijd nogmaals een soortgelijk strafbaar feit begaat. De rechter kan ook bijzondere voorwaarden opleggen, bijvoorbeeld bij een gevangenisstraf ook tbs.

De bekendste maatregel is terbeschikkingstelling (tbs). Om gezondheidsredenen kan de rechter ook besluiten tot gedwongen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Een anders voorbeeld van een maatregel is ontneming van door misdaad verkregen geld of goederen. Een maatregel die hier op lijkt is onttrekking aan het verkeer, waarbij onwenselijke goederen zoals wapens worden afgenomen. Tot slot kan de rechter eisen dat de dader een schadevergoeding betaalt aan het slachtoffer.

Hoofstuk 7 Criminaliteit en straf

7.1 Waarom straffen we?

 De volgende doelen of functies van straffen spelen een rol; vergelding (kwaad mag niet ongestraft blijven), generale preventie (het afschrikkingseffect van straf), speciale preventie (voorkomen dat een specifieke dader in de toekomst in herhaling vervalt), resocialisatie (heropvoeding), beveiliging van de samenleving, handhaving van de rechtsorde en genoegdoening aan het slachtoffer. Naast deze motieven om te straffen zijn er nog twee omstandigheden die de rechter bij strafoplegging meeneemt in zijn afwegingen; de kosten van verschillende sancties en een mogelijk cellentekort.

7.2 Uitvoering van straf

Een door de rechter opgelegde straf wordt pas uitgevoerd nadat het vonnis onherroepelijk is geworden, dat wil zeggen dat hoger beroep en/of cassatie heeft plaatsgevonden of wanneer de beroepstermijn is verstreken, waardoor verdere rechtsgang onmogelijk is. Een penitentiaire inrichting is ook wel een gevangenis. Voor vrijheidsstraffen langer dan één jaar bestaat de mogelijkheid tot een vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling, waardoor de straf met een derde vermindert.

De reclassering houdt zich bezig met de volgende taken; (vroeg)hulp, adviseren, toezicht houden, toezicht bij werkstraffen en re-integratie.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.