Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Verzorgingsstaat

Beoordeling 5.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 4458 woorden
  • 19 augustus 2014
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.3
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Paragraaf 1 ~ Wat is een verzorgingsstaat?



Verzorgingsstaat: de overheid bemoeit zich actief met de welvaart en het welzijn van haar inwoners.



Welvaart: de mate waarin mensen over voldoende middelen beschikken om in hun behoeften te vervullen.



Welzijn: de mate waarin mensen tevreden zijn over hun lichamelijke en geestelijke gezondheid.



In de Nederlandse verzorgingsstaat staan de solidariteitsgedachte centraal: er is bereidheid om risico’s met elkaar te delen binnen een groep of samenleving. De overheid maakt wetten en voert maatregelen uit om die solidariteit af te dwingen.



Het doel van een verzorgingsstaat is tweezijdig: het gaat om welvaart maar tegelijkertijd ook het welzijn van de inwoners. Er zijn vier belangrijke functies:



-Verzekeren: Als je werkt, betaal je sociale premies voor als je ziek, werkloos of arbeidsongeschikt raakt. Hiervan worden sociale voorzieningen zoals AOW betaald. Al deze regelingen vormen het socialezekerheidsstelsel: mensen zijn verzekerd van een inkomen bij werkloosheid, ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid.



-Verzorgen: Als je fysieke of psychische problemen hebt, kun je beroep doen op verschillende regelingen zoals de huisarts, verzorgingshuizen en kraamhulp.



-Verheffen: Goed onderwijs is ook belangrijk in een verzorgingsstaat. Een opleiding geeft je de mogelijkheid je talenten te ontplooien en je krijt een betere kans op de arbeidsmarkt. Bovendien betalen hoger opgeleiden meer belasting en premies wat gunstig voor de verzorgingsstaat.



-Verbinden: De verzorgingsstaat verbindt mensen met elkaar. Dat komt onder anderen door het socialezekerheidsstelsel dat mensen van elkaar afhankelijk maakt. De sociale ongelijkheid wordt door de overheid verkleint en ook onderwijs brengt groepen tot elkaar.



de overheid is verplicht de sociale grondrechten van haar inwoners na te streven.  Hierbij gaat het om voldoende werkgelegenheid, bestaanszekerheid en welvaart, een goed leefmilieu, volksgezondheid en voldoende woongelegenheid en goed onderwijs. De burgers hebben daarnaast ook plichten. De overheid moet zorgen dat er genoeg werkgelegenheid is maar daarin tegen moeten de werklozen hun best doen om een baan te vinden(sollicitatieplicht). Een andere plicht is het betalen van premies en verzekeringen.



Planeconomie:(Sovjet-Unie)



Deze vorm van regeren heeft als hoofdkenmerk dat de productiemiddelen(bedrijven, grond, kapitaal) in handen van de overheid zijn. Zij verdelen ook het werk en hebben dan ook een communistische staatsopvatting. De staat neemt de totale verzorging van zijn burgers op zichàstaatsverzorging. Dit systeem werd een lange tijd in de Sovjet-Unie gehandhaafd en ging ook te paard met onderdrukking en geweld.



Vrijemarkteconomie: (Amerika)



De waarde vrijheid staat hier centraal, in de economie grijpt de overheid dan ook niet actief in. Er zijn lage belastingen maar iedereen moet zichzelf verzekeren. Het risico van het delen wordt hier benadruktàAls anderen meer dan jijzelf gebruik maken van collectieve voorzieningen, betaal je meer dan je ervoor terug krijgt. Daarom hebben Amerikanen ook hoge ziekte kosten en zijn erg individualistisch ingesteld.



Een verzorgingsstaat bevindt zich tussen de planeconomie en de vrijemarkteconomie. Er zijn drie verschillende modellen:



1.Scandinavisch model: Flexicurity is hier erg belangrijk; een combinatie van een flexibele arbeidsmarkt en een sterke sociale zekerheid. In deze flexibele arbeidsmarkt kan je snel ontslagen worden, maar daarin tegen wordt je ook weer heel snel aangenomen. Als men niet snel aan een baan kan komen, krijgen ze veel individuele begeleiding waardoor slechts een klein percentage langdurig werkloos is. De sociale zekerheid zie je terug in hoge uitkeringen en uitgebreide verlofregelingen 96 weken zwangerschapsverlof in NL maar 16 weken. Hierdoor is in Scandinavië een hoge collectieve lastendruk door onder anderen hoge uitgaven en inspanningen op het gebied van onderwijs en kinderopvang.



2.Angelsaksisch model: in dit model is er geen uitgebreide sociale zekerheid doordat liberale opvattingen zoals eigen verantwoordelijkheid, vrijheid en particulier initiatief belangrijker worden gevonden.  Een goed ondernemingsklimaat is ook van belang met een flexibele arbeidsmarkt dat veel impulsen geeft aan de werkgelegenheid. In de landen met dit stelsel, Engeland en Verenigde Staten, wordt hard gewerkt 1.800 per jaar in VS, in NL 1.400 uur. De overheid heeft in deze landen ook een bescheiden rol; gezondheidszorg en onderwijs moet men zelf regelen. Er bestaan wel uitkeringen maar die zijn meestal maar van korte duur en men moet aan vel eisen voldoen om hiervoor in aanmerking te komen. Doordat de overheidsuitgaven daar veel lager zijn, betalen zij ook minder hoge premies en belastingen.



3.Rijnlands model: Dit model is een combinatie van de ander twee modellen. De vrije markt wordt ingeperkt door de collectieve sector en aan de andere kant een samenwerking tussen de overheid, werkgeversorganisaties en vakbonden. Een belangrijk onderdeel van de collectieve sector is de sociale zekerheid. Afspraken over de werkloosheidsuitkeringen worden gemaakt door de overheid in overleg met werknemers en werkgevers organisaties. Hierbij is het van belang dat de werknemers zijn beschermd tegen het risico van ontslag of ziekte. Zij betalen automatisch pensioenspremies voor een goed inkomen na hun pensioen, maar vrouwen profiteren hier minder van doordat de hoogte en duur van de uitkeringen gebaseerd zijn op het arbeidsverleden van de werknemer. Onderwijs en kinderopvang zijn ook minder goed geregeld dan in het Scandinavisch model. Nederland is de laatste jaren langzaam aan het overgaan op het Angelsaksisch model doordat collectieve goederen meer worden overgelaten aan de vrije markt; particuliere bedrijven.



Paragraaf 2 ~ ontstaan verzorgingsstaat



Nederland was tot 1850 een Nachtwakersstaat; een staat waarin de overheid zich vooral beperkt tot het handhaven van de rechtsorde. Veiligheid van de burgers stond voorop. Zwakkeren werden geholpen door rijke burgers, de kerk of andere instellingen. Zorg was in deze periode een gunst en geen recht. Het begin van de verzorgingsstaat kwam met de Armenwet in 1854. Hierbij kregen mensen die hulp nodig hadden en niet bij een kerk hoorden recht op steun door een overheidsorgaan. Daarna kwamen sociale verzekeringen en arbeidsbeschermende wetgevingen waarbij er een begin werd gemaakt aan de collectieve regelingen.



De staat moest ook ingrijpen in de vrije markt. Hier waren verschillende opvattingen over:



-Katholieken/protestanten: beschermen van zwakkeren met overheidsbemoeienis.



-Socialisten: betere leefomstandigheden en sterkere rechtspositie van arbeiders.



-Liberalen: verloedering en onveiligheid in arbeidsbuurten waren een bedreiging van de bestaande orde.



In de 20e eeuw ontstonden er behoeften aan collectieve goederen die de vrij markt niet uit zichzelf kon producerenà de overheid kreeg meer invloed. Er ontstond een gemengde markteconomie. In de 20e eeuw ontstond er een economische crisis doordat de Amerikaanse aandelenhandel op Wall Street instortte. De overheid probeerde een tussenkomst(interventie) te vinden door de werkloosheid te bestrijden. Er kwamen uitkeringen en projecten om werkgelegenheden te stimuleren.



Na de tweede wereldoorlog werd vrijheid en gelijkheid erg belangrijk in de samenleving. Er was een principieel verschil: de sociale verzekeringen van voor de oorlog golden alleen voor werkenden, maar de sociale zekerheid van na de oorlog was van toepassing op alle burgers. Er kwam ook een nieuwe sociale wetgeving.



De sociale voorzieningen werden op drie terreinen uitgebreid:



1.Het aantal risico’s werd gedekt. Alle werknemers waren verzekerd tegen inkomensverlies door ziekte, werkloosheid en bedrijfsongevallen. Later kwamen er collectieven regelingen voor iedereen zoals AOW.



2.Het aantal gerechtigden. Het aantal mensen dat recht had op uitkeringen er voorzieningen steeg omdat ook niet-premiebetalers hier nu recht op hadden.



3.Het aantal sectoren. Via subsidies, collectieve voorzieningen en verplichte regelingen ging de overheid op meer terreinen financiële steun geven.



Door het socialezekerheidsstelsel is iedereen verzekerd van een minimuminkomen en vormt ook de ruggengraat van de Nederlandse verzorgingsstaatà men werd verzorgd van de wieg tot aan het graf.



1874: verbod op kinderarbeidà eerste sociale wet



1901: ongevallenwet- verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid door bedrijfsongevalà eerste verzekering



1956: AOW- eerste uitkering nadat men met pensioen was gegaan.



1965: eerste Bijstandswet- armen waren niet langer afhankelijk van de kerk of particuliere hulpverleningen. Zij kregen een bijstandsuitkering, ook als zij geen premies hadden betaald.



1967: Arbeidsongeschiktheidsverzekering-  een gegarandeerd inkomen bij langdurige of blijvende arbeidsongeschiktheid.



Daarnaast kwamen er vaccinaties voor baby’s en de anticonceptiepil. Ook kwam er een woningbouwvereniging en groeide het onderwijs door onder anderen de leerplichtwet.



Standpunten over verzorgingsstaat



Liberalen: zien verzorgingsstaat als een sociaal vangnet voor mensen in problemen. Ook vinden zij de groeiende lastendruk een belemmering voor economische groei.



Sociaaldemocraten: accepteren de vrijemarkteconomie omdat de sociale wetten de nadelen hiervan terugdringen. Zij streven naar sociale gelijkheid.



Christendemocraten: zij tevreden over de grote rol van het maatschappelijk middenveld op sociaaleconomisch gebied. Ook de samenwerking tussen de werknemers en werkgevers wordt gesteund.



Paragraaf 5 ~ Werk in de verzorgingsstaat



Werk speelt een belangrijke rol bij het realiseren van onze behoeften. De vijf basisbehoeften om te werken zijn: (piramide van maslow)



1.Zelfrealisatie



2.Erkenning en waardering



3.De behoefte om erbij te horen



4.Veiligheid en zekerheid



5.Lichamelijke behoeften



Door te werken kan men zich in deze materiële en immateriële behoeften voorzien. Het loon biedt zekerheid op lange termijn voor grote aankopen en biedt de mogelijkheid zelf eten en drinken te kopen. Je loon is de uitdrukking van waardering van je werk. Door werk kom je ook in contact met mensen, je hoort ergens bij en krijgt waardering voor wat je doet. Als laatste zorgt werk voor een oriëntatiepunt en doel in je leven. Het biedt de mogelijkheid jezelf te ontplooien.



Arbeidsethos: de waarde die mensen aan arbeid toekennen, sterk veranderd. In de klassieke oudheid zag men lichamelijke arbeid als noodzakelijk kwaad. Zij hielden zich liever bezig met het denkwerk zoals filosofie en kochten slaven om het lichamelijke werk te laten verrichten. In de middeleeuwen veranderde weinig. Veel arme mensen legden zich hier ook bij neer. Volgens Calvijn en Luther moest hard werken worden beschouwd als het teken van uitverkiezing; arbeid adelt. Verlichters in de 18e en 19e eeuw geloofden dat de mens geboren was als een ‘tabula rasa’. Daarom werd er gedacht dat armoede en succes niet door god bepaald was maar door eigen toedoen veroorzaaktà middel tot sociale mobiliteit. In de 20e eeuw werd arbeid in verband gebracht met rechten. Dit kwam door het idee dat men zich door het verrichten van arbeid kon ontplooienà recht op arbeid werd vastgelegd. De overheid ging zich vanaf toen inzetten werkgelegenheden te scheppen met het idee dat mensen hier gelukkiger door zouden worden. Werken wordt in een verzorgingsstaat ook als plicht gezien, je betaalt daardoor immers mee aan voorzieningen waar iedereen beroep op kan doen. De solidariteitsgedachte van de verzorgingsstaat maak arbeid tot een maatschappelijke plicht.



In Nederland is er sprake van sociale ongelijkheid: een ongelijke verdeling van welvaart, macht en sociale privileges. Verschillen in welvaart ligt hem in het verschil in inkomen. Machtsverschillen zijn gebaseerd onafhankelijkheidsrelaties tussen mensen. De mensen aan de top hebben meer mogelijkheden dan anderen om het gedrag en levenssituatie te bepalen. Sociale privileges zijn bepaalde voorrechten die het gevolg zijn van de verschillen in welvaart en macht. Deze privileges zijn middelen om anderen afhankelijk te maken of macht te krijgenà sociaal kapitaal: de mate waarin iemand beschikt over handige sociale connecties. Hoe hoger je op de maatschappelijke ladder staat, hoe uitgebreider je sociale kapitaal en hoe meer je dat kunt benutten.(vriendjespolitiek)



Sociale ongelijkheid heeft te maken met je maatschappelijke positie: je plaats op de maatschappelijke ladder. Hierbij spelen de volgende factoren een rol:



-Economische factoren, zoals je beroep.



-Politieke factoren: hoe meer macht, hoe hoger je positie.



-Sociale factoren, bijv. waar je opgroeit.



-Culturele factoren cultureel kapitaal: kennis en vaardigheden waardoor je gemakkelijker een hoge maatschappelijke positie krijgt.



De posities op de maatschappelijke ladder hebben gevolgen voor de levenswijze van mensen. Mensen die hoger op de ladder staan hebben vaak betere leefomstandigheden. Door de betere kansen in onderwijs zijn de mogelijkheden tot sociale mobiliteit toegenomen waardoor de verschillen tussen de sociale groepen minder is geworden. De overheid voert een emancipatiebeleid. Dat houdt in dat zij banen subsidieert en wettelijke regelingen stimuleert werkgevers om eerder sollicitanten uit een bepaalde groep uit de samenleving aan te nemen zoals allochtonen.



Paragraaf 6 ~ De arbeidsmarkt



Arbeidsmarkt: de plaats waar de vraag naar en het aanbod van de arbeidskrachten elkaar ontmoeten. Men krijgt geld, of terwijl loon, in ruil voor het verrichten van arbeid.



Beroepsbevolking: Alle personen die geheel of gedeeltelijk beschikbaar zijn voor werk (+/- 8,5 miljoen mensen). De vraag naar arbeidskrachten noemen we werkgelegenheid.



Als de vraag naar arbeidskrachten groter is dan het aanbod, hebben we mensen uit het buitenland nodig zoals in de jaren 60 van de vorige eeuw. Bij een overschot van arbeidskrachten is er sprake van werkloosheid dat veel voorkomt in tijden van economische crisis waar NL zich nu in bevindt. Als vraag en aanbod gelijk zijn, is er volledige werkgelegenheid alleen dit wordt nooit bereikt. De overheid streeft hier wel naar omdat bij hoge werkloosheid de uitgaven voor uitkeringen stijgen en belastingen dalen. Ook stijgen de lonen bij een tekort aan arbeidskrachten waardoor het onze exportpositie verslechtert.



Iemand is werkloos als:



-Hij/zij tussen de 15 en 65 jaar oud is.



-Niet of minder dan twaalf uur per week werkt.



-Actief opzoek is naar een baan van 12 uur of meer.



-Ingeschreven staat als werkzoekende bij het UWV.



Mensen die werkloos zijn kunne in de financiele problemen komen doordat hun inkomsten achteruit gaan. Ook krijgt hun gevoel van eigenwaarde een klap.



Er zijn vier soorten werkloosheid:



-Frictiewerkloosheid: iemand heeft voor een korte tijd geen werk, bv door de wisseling van baan.



-Seizoenwerkloosheid: werkloosheid door seizoensgebonden werkzaamheden



-Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid doe optreedt door de schommelingen in de economie (goede periodes en recessies).



-Structurele werkloosheid: werk dat structureel verdwijnt door bijvoorbeeld verplaatsing naar lagelonenlanden.



Veranderingen op de arbeidsmarkt:



-Oude en nieuwe bedrijfstakken: veel arbeidsintensief laaggeschoold werk in de industrie of landbouw  is verdwenen in NL. Dit komt door automatisering en door het verplaatsen van het werk naar de lagelonenlanden. Ook is de behoefte aan hooggeschoold personeel toegenomen. De ontwikkeling van nieuwe industriële producten is wel in NL gebleven, zoals researchafdelingen van Philips en Shell. Ook in de landbouw is er meer vraag naar hooggeschoolde mensen. Daarnaast in de dienstensector er gegroeid, met name de ICT-sector.



-Schaalvergroting bij bedrijven: Uit concurrentieoverweging zijn veel bedrijven gefuseerd tot grote multinationals, zoals Unilever. Dit is ook gebeurd bij scholen en ziekhuizen waardoor er grotere samenwerkingsverbanden zijn ontstaan. Hierdoor is de afstand tussen de bedrijfstop en het personeel groter geworden, maar er zijn wel tussenlagen ontstaan die als contactpersoon dienen, zoals managers die contact hebben met de mensen op de werkvloer.



-Informatisering van bedrijven: informatietechnologie is bij de meeste bedrijven onmisbaar, zoals een elektronisch patiëntendossier. De toegankelijkheid tot deze informatie is in bedrijven vaak belangrijker dan kennis; algemene kennis die door studie en ervaring wordt verkregen. Vroeger had de baas de meeste kennis, maar tegenwoordig stuurt hij als directeur zijn personeel aan. De specialisten beschikken nog steeds over de meest vakkennis, maar het management bepaald hoe daar gebruik van wordt gemaakt. Door de informatietechnologie is het aantal banen in de ICT-sector toegenomen maar heeft ook voor de recessie gezorgd.



-Flexibilisering van de arbeid:tegenwoordig hebben werknemers behoefte aan flexibele arbeidsrelaties: alle werksituaties met een variabele inzetbaarheid. Dit houdt in dat je thuis werkt, oproepbaar bent als je baas je nodig heeft en een tijdelijk contract hebt.(Zzp’ers met eenmanszaak). Flexibilisering is voordelig voor werkgevers omdat zij tijdelijke arbeidskrachten niet hoeven te ontslaan en ze hoeven voor zzp’ers geen premies af te staan. Het voordeel voor werknemers is dat ze in tijden dat er geen vacatures voor vaste banen zijn en kunnen arbeid, studie en zorg met elkaar combineren. De keerzijde hiervan is dat je een grens moet trekken tussen vrije tijd en arbeid als je thuis werkt.



-Globalisering/internationalisering van de arbeidsmarkt: de economieën over de wereld raken steeds meer in elkaar vervlochten. Door de globalisering van de arbeidsmarkt verandert de EU steeds meer in een gemeenschappelijke arbeidsmarkt. De komst van de arbeidsmigranten kan leiden tot verdringing van de Nederlandse werknemers, maar het biedt voor deze arbeiders ook meer mogelijkheid hun blik te verruimen en voor bedrijven die willen uitbreiden of investeren in andere landen. Dit kan wel de financiering van de verzorgingsstaat in gevaar brengen(werkloosminder premies).



Paragraaf 3 ~ Sociale partners



De vijf doelstellingen van de overheid wat betreft de gemengde markteconomie:



1.Een evenwichtige arbeidsmarkt:De overheid investeert als opdrachtgever in grootschalige projecten waardoor zij in slechte economische tijden de werkgelegenheid stimuleert. Door subsidies en voorrangsbeleid probeert zij groepen die ontvertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt aan een baan te helpen.



2.Rechtvaardige inkomensverdeling: De overheid beschermt de onderkant van de arbeidsmarkt door het wettelijk invoeren van  het minimumloon. Door het progressieve belastingsstelsel betalen mensen die meer verdienen, meer belasting. Ook garanderen uitkeringen bestaanszekerheid aan mensen die zichzelf niet van een inkomen kunne voorzien.



3.Evenwichtige betalingsbalans: Dit is het overzicht van alle grensoverschrijdende geldstromen met het buitenland. Dit bestaat groot en deels uit import en export van goederen en diensten. Zo kan NL als handelsnatie beter concurreren met andere landen door de lonen minder te laten stijgen.



4.Het creëren van goede arbeidsvoorwaarden: Dit handhaaft men door een halfjaarlijks overleg met werkgeversorganisaties en vakbonden over de loonontwikkelingen.



5.Goede arbeidsomstandigheden: Door bijvoorbeeld de Arbo-wet en inspectiedienst voor het controleren van bedrijven.



Werknemers zijn per beroepsgroep ingedeeld in vakbonden die vaak weer overkoepeld zijn door vakcentrales. De vakcentrales vormen samen de vakbeweging met als doel de belangen van de werknemers te behartigen, bijvoorbeeld de onderhandelingen over loondoorbetaling bij ziekte. De leden kunnen individueel om hulp vragen bij vakbonden als ze problemen hebben met hun werksituatie, dit gaat vaak om ontslagkwesties. De vakbond probeert te bemiddelen tussen de werkgever en de werknemer, maar kan ook namens de werknemer naar de rechter stappen.



Werkgeversorganisaties behartigen de belangen van ondernemers in de onderhandelingen met de vakbonden en oefenen als pressiegroep druk uit op de regering. Zij proberen een goed ondernemersklimaat te bevorderen  door bijvoorbeeld de premiedruk te verlagen.



Sociale partners: werkgeversorganisaties en vakcentrales. De sociale partners overleggen met elkaar en maken afspraken die voor alle werkgevers en werknemers gelden. De manier waarop zij met elkaar omgaan, noemen we arbeidsverhoudingen. Deze vormen de basis voor de afspraken die over arbeid gemaakt worden.



In de Sociaal Economische Raad (SER) overleggen werknemers- en werkgeversorganisaties, vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken en Kroonleden(onafhankelijke deskundigen). De SER adviseert de regering op sociaal en economisch gebiedà verhoging pensioensleeftijd. In de Stichting van de Arbeid overleggen werknemers- en werkgeversorganisaties over de arbeidsvoorwaarden die worden opgenomen in een centraal akkoord dat als richtlijn dient voor afspraken o bedrijfstakniveau.



Het overleg binnen bepaalde bedrijfstakken, waaronder horeca en de bouw, vinden alleen plaats tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. Het belangrijkste doel hiervan is het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst; een overeenkomst tussen werkgevers en werknemers uit één bedrijfstak over de arbeidsvoorwaarden. Als de minister van Algemene Zaken en Werkgelegenheid de cao als algemeen bindend verklaart, geldt deze voor alle werkgevers en werknemers in de bedrijfstak. Sommige grote bedrijven sluiten een eigen cao voor hun werkgevers af in overleg met de vakbonden.



Partijen zoeken eerst gezamenlijk een oplossing te vinden om tot overeenstemming te komenàharmoniemodel. Als hierbij de belangentegenstellingen worden benadrukt, is er sprake van een conflictmodel.



Paragraaf 4 ~ verzorgingsstaat, de praktijk.



Doelen van de overheid op het gebied van onderwijs:



1.Iedereen moet de kans krijgen zijn of haar talenten te ontwikkelen. Onderwijs vergroot de kansen om later een goede maatschappelijke positie te krijgen verbeterd voor vrouwen en allochtonen de laatste jaren doordat men een hoger opleidingsniveau heeft gekregen.



2.Zorgen voor voldoende hoogopgeleid personeel zodat Nederland beter kan concurreren met het buitenland en bedrijven die niet aangewezen zijn op buitenlandse specialisten.



Om deze twee doelen te bereiken is er een makkelijke doorstroming in het onderwijssysteem ontwikkeld, mavoàhavoàhbo.



De overheid zorgt ervoor dat de leerplicht wordt nageleefd en controleert de kwaliteit van de scholen in het belang van goed onderwijs. Jongeren zijn van hun 6e tot hun 16e leerplichtig maar zijn hierna tot hun 18e gedeeltelijk leerplichtig zolang zij nog geen startkwalificatie(mbo- niveau 2) hebben gehaald. Bij veel spijbelen komt de leerplicht ambtenaar om de hoekà spijbelen is wettelijk strafbaar, gevolg kan zijn het intrekken van de kinderbijslag.



Alle onderwijsinstellingen worden gecontroleerd door de Onderwijsinspectie. Openbare scholen zijn opgericht door de overheid en vallen daardoor direct onder de verantwoordelijkheid van de overheid. Bijzondere scholen zijn initiatief van een particuliere godsdienstige of ander levensbeschouwelijke organisatie en hebben ook een particulier bestuur. De onderwijs inspectie houdt een lijst van zwakke opleidingen bij en publiceert hoe scholen presteren.



Iedereen boven de 18 jaar is verplicht een zorgverzekering af te sluiten tegen ziektekosten. Jongeren onder de 18 zijn gratis meeverzekerd met hun ouders en mensen met een laag inkomen kunnen een tegemoetkoming krijgen in de vorm van zorg toeslag. In het basispakket zijn de meest voorkomende zaken verzekerd, maar voor de fysiotherapeut en de tandarts moet je een aanvullende verzekering afsluiten. Je betaald de zorgverzekering door:



-Zorgpremies: basisverzekering is dat ongeveer €100,- per maand, vrijwillige aanvullende verzekeringen kosten enkele tientjes per maand.



-Een inkomensafhankelijke bijdrage door middel van je loon.



-Eigen risico, het zelf betalen van de eerste ziektekosten, van een paar honderd euro.



Door marktwerking kunnen zorgverzekeringen tegenwoordig zelf hun verzekerden ‘zorg inkopen’, zij maken zelfstandig prijsafspraken met aanbieders waaronder huisartsen. Men vraagt zich af of dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van de zorg.



Socialezekerheidsstelsel:



Sociale verzekeringen: mensen betalen verplicht premie om zich te verzekeren tegen een bepaald risico.



Werknemersverzekeringen zijn bedoeld voor werknemers, maar ook werkgevers betalen hieraan mee. De uitvoering hiervan gebeurt meestal door het UWV (uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) dat is opgericht door werknemers en werkgevers organisaties. De hoogte van de uitkering is gebaseerd op het laatstverdiende loon. De drie belangrijkste:



1.Werkloosheidswet (WW): voorziet een werknemer van inkomen als hij/zij onvrijwillig werkloos wordt. De duur van deze uitkering is afhankelijk van het aantal gewerkte jaren.



2.De Wet uitbreiding loondoorbetalingplicht bij ziekte (WULBZ): verplicht werkgevers om werknemers bij ziekte gedurende maximaal 2 jaar een uikering van 70% van het lastverdiende loon te geven. Voor mensen die niet in loondienst zijn, gelden e aparte regels.



3.De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen(WIA): voorziet werknemers van een inkomen die als gevolg van langdurige ziekte  of ongeval niet in staat zijn te werken. De hoogte hiervan hangt af van het laatstverdiende loon en de mate waarin iemand arbeidsongeschikt is geworden.



Volksverzekeringen betaalt iedereen die in NL een inkomen heeft een premie:



-Algemene Ouderdomswet (AOW): iedere burger boven de 65-jaar heeft recht op een AOW-uitkering, iedereen ontvangt het zelfde bedrag omdat het inkomensafhankelijk is.



-Algemene Nabestaandenwet (ANW): Voorziet in een inkomen voor weduwnaars, weduwen en minderjarige wezen. De hoogte van het inkomen is afhankelijk van het inkomen van de achtergebleven partner.



-Algemene Kinderbijslagwet (AKW): alle ouders met kinderen onder de 18 jaar wordt een tegemoetkoming verstrekt in kosten voor levensonderhoud van de kinderen.



Sociale voorzieningen:  zijn bedoeld voor mensen die geen aanspraak kunne maken op sociale verzekeringen bijvoorbeeld doordat zij nog nooit gewerkt hebben. Hiervoor betalen de burgers geen premie. Dit wordt betaald uit de belastingsopbrengsten. Iedereen die ouder dan 21 jaar is moet zelfstandig in zijn eigen bestaan voorzien. Wie dat niet kan, krijgt een bijstandsuitkering en is het vangnet onder het stelsel van sociale zekerheid. De bijstand voorziet het minimumbedrag dat je maandelijks nodig hebt voor noodzakelijke kostenà algemene bijstand. Bijzondere bijstand is er voor ongewone, extra kosten die je moet maken zoals een wasmachine die plotseling kapot gaat. De Sociale Dienst bepaalt of en hoeveel geld je hiervoor ontvangt.  



Paragraaf 7~ De verzorgingsstaat onder druk.



Er is al sinds de verzorgingsstaat bestaat kritiek. De eerste kritiek kwam na de WO II van economen die beweerden dat de staatsbemoeienis en regelzucht de vrijheid van de mensen zouden beperken. Zij waren bang voor een overheidsbureaucratie met veel regels. In de jaren 60 kwam er kritiek van linkse partijen die beweerden dat de doelstellingen van de verzorgingsstaat niet waren behaald, omdat er geen gelijkheid was in de economische groei.



De hervorming was gebaseerd op de economische groei, maar in de jaren 70 kwam er een wereldwijde recessie en een oliecrisis. De werkgelegenheid verplaatste zich naar het buitenland waardoor de werkloosheid en arbeidsongeschiktheid stegen waardoor ons stelsel onbetaalbaar werd. de oorzaken zijn vastgesteld:



-De collectieve kosten lopen uit de hand: door de vele regelingen wordt het risico vergroot dat het systeem onbetaalbaar wordt als het aantal mensen dat gebruik maakt van de geboden voorzieningen sterk groeit.  Het gaat met name om de bijstand, onderwijs, arbeidsongeschiktheidsuitkering, gezondheidszorg en AOW-uitkeringen.



-De veelheid aan voorzieningen en uitkeringen maakt mensen passief: uitkeringen en verzekeringen vergroten het risico dat mensen niet actief gaan zoeken naar een oplossing voor hun problemen door alle financiële steun die zij van de overheid ontvangen. soms worden mensen hier zelfs beter van en dit zorgt voor een blijvende afhankelijkheid.



-Misbruik maken van de voorzieningen:Van sommige uitkeringen en voorzieningen wordt ook misbruik gemaakt. Zoals zwart bijlklussen naast een werkloosheidsuitkering.



Wat doet de overheid eraan?



-Stimuleren om te gaan of blijven werken: als meer mensen gaan werken stijgend de premie- en belastingopbrengsten en daalt het aantal uitkeringsgerechtigden AOW-leeftijd omhoog en loonbelasting voor bedrijven verlagen.



-Verantwoordelijkheid delen: de dekking van de risico’s ligt niet alleen meer bij de overheid. Werkgevers moeten het loon van een zieke werknemer doorbetalen i.p.v. de overheid.



-Meer controleren: door koppeling van computerbestanden en invoering van het burgerservicenummer controleert de overheid steeds nauwkeuriger of iemand echt recht heeft op een sociale verzekering of voorziening. Verder zijn er ook inspecties bij bedrijven. 



De verzorgingsstaat biedt vooral bescherming tegen risico’s die verbonden zijn met werk. De laatste jaren zijn er een aantal dingen veranderd op dit gebied waardoor er behoefte is aan een neiuwe regeling. Aan het begin van de verzorgingsstaat was de man de kostwinner van het gezin. Tegenwoordig werken ook vrouwen waardoor de behoefte aan kinderopvang gestegen is. Maar wie moet die kinderopvang betalen?



Door vergrijzing en ontgroening betalen steeds minder mensen de AOW en de pensioenen van steeds meer mensen. Hierdoor stijgen ook de kosten van de gezondheidszorg. De nieuwe generatie jongeren moet bereid zijn te zorgen en te betalen voor het welzijn van de oudere generaties wat voor spanningen kan zorgen. Solidariteit tussen de generaties is belangrijk voor de sociale cohesie in het land.



Microniveau(families, gezinnen): de verzorgingsstaat heeft de onderlinge hulp en steunrelaties niet aangetast. Men wil overgaan op mantelzorg, maar op lange termijn wordt dit lastiger omdat ook vrouwen werken.



Macroniveau(samenleving als geheel):  doordat het aantal mensen die beroep op de zorg doet stijgt, krijgen niet alle mensen de zorg  die zij nodig hebben.



Om te weten hoe de toekomstige verzorgingsstaat eruit ziet, moeten we het antwoord vinden op de volgende vragen:



1.Welke individuen of groepen krijgen recht op een voorziening?



2.Wat biedt de overheid als recht of voorziening aan?



3.Hoe worden de voorzieningen gefinancierd?



Collectief beantwoorden: iedereen krijgt dezelfde rechten, zorgt de overheid voor de voorzieningen en betaalt iedereen via belastingen mee.



Individualistisch beantwoorden:  alleen degene die het nodig hebben het recht op voorzieningen, mensen die veel verdienen moeten meer betalen, ook voor dingen waar ze geen gebruik van maken. Er wordt steeds opnieuw de balans gezocht tussen het delen van het risico en het risico van het delen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.