Parlementaire Democratie

Beoordeling 9.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3657 woorden
  • 2 februari 2020
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 9.5
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

Dit is mijn samenvatting voor Maatschappijleer, het thema Parlementaire Democratie. Onderaan bij bijlagen staat de samenvatting ook als Word Document. Ik raad je aan niet alleen deze samenvatting te gebruiken, aangezien ik soms lui werd en niet alles erin heb gezet.


Hoofdstuk 1 – Wat is democratie?


Soeverein is een staat die op een bepaald gebied met duidelijke grenzen het hoogste gezag uitoefent en het monopolie van geweldsuitoefening heeft. De soevereine staat bepaalt welke religie op haar eigen gebied wordt toegelaten.


Politiek gaat over het maken van keuzes waaraan allen in een staar zijn gebonden. De keuzes worden in algemeen geldende wetten vastgelegd. Wetten worden uitgevoerd door ‘dienaren van de macht’ zoals ministers, ambtenaren, politie en leger. Keuzes zoals de minimum leeftijd voor alcohol. De meeste onderwerpen waar de politiek zich mee bezighoudt, zijn van algemeen belang omdat veel mensen er nu of laten mee te maken krijgen. Sommige kwesties zoals het onderwijs, het homohuwelijk of het boerkaverbod lijken alleen voor specifieke groepen van belang. Maar ook als je zelf niet meer naar school gaat, heb je belang bij het onderwijs. Je betaalt er via de belastingen aan mee en in de toekomst word je misschien geholpen door een arts die nu wordt opgeleid. Bij het homohuwelijk en het boerkaverbod staan gelijkwaardige behandeling en vrijheid van godsdienst ter discussie: rechten die voor iedereen van belang zijn.                                   Een groot dilemma van de politiek: kiezen we voor snel, draadkrachtig en efficiënt besturen of voor een maximale participatie van burgers in de politiek? In het eerste geval kijk je vooral naar doelmatig resultaat, in het tweede geval kies je voor een proces van de democratische besluitvorming met een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen.


In een democratie ‘regeert het volk.’ Vroeger bestond er directe democratie. Belangrijke beslissingen werden genomen in de vorm van volksstemmingen op stadspleinen. Nu bestaat in sommige landen als vorm van directe democratie het referendum, een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel.


Het basiskenmerk van representatieve democratie is dat het volk vertegenwoordigers kiest die de beslissingen nemen en met een zekere regelmaat bij verkiezingen aan de bevolking verantwoording moeten afleggen voor hun beleid. Dit is praktischer dan een directe democratie, want met een kleinere groep kom je sneller tot besluiten en politici kunnen zich verdiepen in de onderwerpen. Kenmerken van een democratie zijn:



  • Er is individuele vrijheid. Mensen mogen openlijk hun mening uiten en binnen de grenzen van democratisch vastgestelde wetten hun leven inrichten zoals zij dat zelf willen.

  • Er gelden politieke grondrechten. Burgers kunnen zelf hun vertegenwoordigers kiezen en zichzelf verkiesbaar stellen.

  • Politie en leger hebben wettelijk beperkte bevoegdheden. Burgers mogen nooit zomaar worden aangehouden, geweld mag alleen in bepaalde situaties worden toegepast.

  • Er bestaat onafhankelijke rechtspraak. Rechters staan los van parlement en regering en hoeven hun uitspraken daar niet te verantwoorden.

  • Er bestaat persvrijheid. De massamedia vervullen een belangrijke functie: zij controleren de machthebbers en hebben ook de taak ons goed te informeren.



Binnen landen met een representatieve democratie is er onderscheid tussen het parlementaire en het presidentiële stelsel.


Parlementaire stelsel > het rechtstreeks gekozen parlement is het hoogste machtsorgaan.  Constitutionele monarchie > staatshoofd is een koning wiens taken en bevoegdheden in de grondwet staan vastgelegd.


Presidentieel stelsel > het volk kiest niet alleen een parlement maar ook een president. President is het hoogste machtsorgaan.


Democratie in onze grondwet:



  • Taken en bevoegdheden van de drie politieke machten staan nauwkeurig omschreven

  • Alle Nederlanders vanaf 18 jaar mogen stemmen en verkozen worden. Ook mag iedereen een politieke partij of vereniging oprichten en zijn mening uiten.

  • Regels voor de politieke besluitvorming staat vastgelegd.

  • Media is vrij



Dictatuur > de drie machten – wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht – zijn niet van elkaar gescheiden, maar zijn in de handen van een kleine groep mensen.



  • Beperkte individuele vrijheid

  • Nauwelijks politieke vrijheid

  • Er is overheidsgeweld

  • Geen onafhankelijke rechtspraak

  • Censuur bij media en kunst



Hoofdstuk 2 – Politieke stromingen


Politieke partijen passen bij drie belangrijke ideologische politieke stromingen: het liberalisme, het confessionalisme en het socialisme. Een ideologie is een samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving. Bij ideologieën gaat het vooral om de volgende twee aspecten:



  • Normen en waarden die voor iedereen in de samenleving zouden moeten gelden. Bij een ideologie met bijvoorbeeld de waarde gelijkheid als uitgangspunt, past de norm dat rijken meer belasting moeten betalen dan mensen met een lager inkomen, want daarmee verklein je de inkomensverschillen.

  • De gewenste sociaaleconomische verhoudingen van de samenleving. Wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart?


Het linkse standpunt wil de ongelijkheid tussen mensen verminderen met goede uitkeringen en andere voorzieningen, want mensen hebben niet allemaal dezelfde kansen om goed voor zichzelf te zorgen. De overheid is er vooral om de zwakkeren te beschermen en te helpen.


Het rechtse standpunt wil zo weinig mogelijk bemoeienis van de overheid op sociaaleconomisch gebied. Zij vinden dat mensen vooral zelf verantwoordelijk zijn voor een beter bestaan. Rechts ziet economische ongelijkheid in de samenleving en dus ook inkomensverschillen als onvermijdelijk.


Zit een ideologie tussen rechts en links is, dat is het politieke midden.


Liberalisme


Wat goed is voor het individu, is goed voor de maatschappij. Mensen zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie zijn belangrijk.      Veel aanhangers kwamen eerst van mensen die hun geld verdienden in de handel en industrie. Zij wilden meer politieke macht met als ideaal persoonlijke en economische vrijheid. De staat moest bijvoorbeeld geen invoerrechten heffen, omdat dit de handel schaadde.                     Liberalen nu vinden een vrijemarkteconomie het beste voor het land. De overheid moet zich beperken tot kerntaken als defensie, onderwijs en de bescherming van de rechtsstaat en klassieke grondrechten. We noemen het liberalisme daarom ook wel rechts. Ze willen niet dat burgers te afhankelijk worden van de overheid.


Socialisme


Vrijheid en gelijkheid betekenen pas echt iets als mensen ook gelijke kansen hebben. Mensen moeten solidair met elkaar zijn: de sterkste schouders moeten de zwaarste last dragen. Het doel van socialisten was een eind maken aan de armoede en de ongelijkheid. Over de vraag hoe ze het doel van gelijkheid het beste konden bereiken raakten de socialisten verdeeld:



  • Communisten wilden dat arbeiders door een revolutie alle macht zouden overnemen.

  • Sociaaldemocraten wilden maatschappelijke verbeteringen bereiken langs parlementaire weg.


Sociaaldemocraten nu zijn niet tegen de vrijemarkteconomie, maar vinden nog steeds dat kennis, inkomen en macht eerlijker verdeeld moeten worden. De verzorgingsstaat moet om die reden volgens hen in stand gehouden en liefst uitgebouwd worden. Omdat ze voor een grote rol van de overheid zijn noemen we deze partijen ook wel links.


Confessionalisme


Mensen baseren hun politieke opvattingen op hun geloofsovertuiging. Dit heeft in Nederland geleid tot de oprichting van christelijke partijen. Uitgangspunt is dat God een bedoeling met de wereld heeft en dat de mens zich daarnaar moet richten. In het confessionalisme gaat men uit van een organische staatsopvatting: de samenleving is vergelijkbaar met een menselijk lichaam waarin alle onderdelen van elkaar afhankelijk zijn en ook alleen in onderlinge samenhang kunnen functioneren. Het hoort bij de menselijke natuur om gezinnen te vormen en ook grotere samenlevingsverbanden aan te gaan. Mensen moeten verantwoordelijkheid voor elkaar dragen.                                              
De huidige christendemocraten streven naar een samenleving waarin rentmeesterschap, solidariteit, harmonie en gespreide verantwoordelijkheid belangrijke waarden zijn. De overheid heeft slechts een aanvullende rol en moet zo veel mogelijk overlaten aan het maatschappelijke middenveld, zoals welzijnsinstellingen en schoolbesturen. Rentmeesterschap betekent dat de mens de taak heeft om goed voor de door God aan ons toevertrouwde aarde te zorgen. Solidariteit heeft te maken met het Bijbelse begrip ‘naastenliefde.’


Ontideologisering is het verdwijnen van ideologie als leidraad voor het politieke leven. Hierdoor ontstonden er meer pragmatische en populistische partijen die niet pasten in een van de traditionele ideologieën.                                                                        
 Pragmatische partijen hebben geen vaste uitgangspunten of principes: afhankelijk van het probleem, wordt een oplossing gekozen.                                                                                          Het ecologisme benadrukt de wederzijdse afhankelijkheid van mensen en de natuurlijke omgeving. Daarom moeten economische waarden ondergeschikt gemaakt worden aan ecologische waarden.           


Het populisme is meer een bepaalde stijl van politiek dan een echte ideologie. De stroming zegt nadrukkelijk de stem van het volk te willen laten horen. Dat volk wordt gerepresenteerd als één homogene groep en de populistische partij bepaalt zelf wie er wel en niet bij dat volk horen. Het populisme heeft de neiging politieke kwesties te versimpelen. Neemt de criminaliteit toe? Dan gaan we harder straffen. Ze zijn niet links of recht, niet progressief of conservatief. Populisten hebben vaak zeer nationalistische standpunten: ze zijn tegen immigratie en tegen inmenging van het buitenland.


Progressief betekend vooruitstrevend, veranderingsgezind en vooral gericht op de toekomst. Milieuvervuiling door fossiele brandstoffen kun je in hun ogen het beste tegengaan door alleen nog te investeren in duurzame energie.                                             
Conservatief betekent behoudend en is gericht op heden en verleden: ‘houden wat je hebt.’ Conservatieve politici benadrukken wat we al hebben bereikt. Soms willen conservatieven dat de situatie van vroeger terugkeert. Dit noemen we reactionair (terugdraaien homohuwelijk, gulden weer invoeren etc.)


Kosmopolitisme wil dat het eigen land opengehouden wordt zodat het mee kan omen in een geglobaliseerde wereld. Nationalisme ziet globalisering als een bedreiging voor de eigen banen, cultuur en identiteit.


Hoofdstuk 3 – Politieke partijen


One-issuepartijen > vertegenwoordigen 1 specifieke doelgroep (50PLUS) of kijken naar 1 aspect van de samenleven (Partij voor de Dieren.)


Politieke partijen vervullen een aantal functies in onze democratie:



  • Integratie van ideeën: de wensen en eisen van veel mensen worden gebundeld tot 1 politiek programma.

  • Articulatie: het verwoorden van wat er in de samenleving leeft en dat op de politieke agenda zetten.

  • Informatie: via politieke partijen komen mensen standpunten te weten.

  • Participatie: politieke partijen proberen burgers te interesseren om zelf actief aan de politiek deel te nemen.

  • Selectie van kandidaten: politieke partijen selecteren kandidaten voor publieke functies.


Zwevende kiezers > laten de keuze voor een partij afhangen van het moment en vooral ook van de persoonlijkhied van de partijleiders.


Hoofdstuk 4 – Verkiezingen


Alle Nederlandse staatsburgers hebben een actief kiesrecht, recht om te kiezen, en een passief kiesrecht, recht om gekozen te worden.
Het Nederlandse kiesstelsel is gebaseerd op een evenredige vertegenwoordiging > alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Een partij die 3% van de stemmen heeft, heeft dus ook 3% van de zetels.
Bij de berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler > de hoeveelheid stemmen die nodig is voor 1 zetel.


Aan evenredige vertegenwoordiging zitten voor- en nadelen.
Voordeel: Iedere stem telt even zwaar mee. Ook kleinere partijen komen dus in de Tweede Kamer.
Nadeel: Alle partijen hebben spreektijd, waardoor debatten lang duren en overzichtelijk kunnen zijn. Hierdoor hebben sommige landen een kiesdrempel > een partij moet een minimumpercentage stemmen hebben om mee te kunnen delen in de zetels. 


Districten- of meerderheidsstelsel > het land wordt verdeeld in een aantal districten en per district zit 1 persoon in het parlement, die persoon heeft in het district de meeste stemmen gekregen.
Voordeel: Kiezers kennen de kandidaten beter.
Nadeel: Afgevaardigden denken misschien minder aan het algemeen belang maar aan het belang van zijn district.


De media organiseren in verkiezingstijd wekelijks opiniepeilingen waarin mensen gevraagd wordt op welke partij ze gaan stemmen. Dit kan de uitslag beïnvloeden: mensen stemmen op een winnende of juist verliezende partij.


Motieven om op een partij te stemmen:



  • De standpunten van een partij.

  • Je eigen belangen, bijvoorbeeld als student of als ondernemer.

  • De kans dat de partij een cruciale rol kan spelen bij het vormen van een kabinet. Een grote partij heeft meestal meer invloed, je stemt dan strategisch.

  • De aantrekkingskracht van de lijsttrekker.


De dag na de Tweede Kamerverkiezingen begint al de formatie van een nieuw kabinet, dat uit ministers en staatsecretarissen bestaat. Als de Tweede Kamer het niet eens is met veel wetsvoorstellen van het kabinet, wordt het land onbestuurbaar. Daarom moet een kabinet kunnen rekenen op de steun van de meerderheid van de Tweede Kamer.


Kabinetsformatie:



  1. Informateur benoemen > onderzoek samenwerking partijen

  2. Partijen onderhandelen

  3. Formateur benoemen > vormt kabinet

  4. Koning benoemt kabinet



Hoofdstuk 5 – Regering en parlement


Kabinet   >  ministers en staatssecretarissen
Regering >  ministers en koning


Regering is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van ons land. De koning is onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk.


Koning heeft politieke taken:



  • Ondertekenen van alle wetten en verdragen.

  • Voorlezen troonrede op Prinsjesdag.

  • Benoemen van ministers en staatssecretarissen.

  • Regelmatig laten informeren over het kabinetsbeleid door de minister-president.

  • Ons land vertegenwoordigen in het buitenland.


Het parlement is de Eerste Kamer en de Tweede Kamer > samen de Staten-Generaal.


Taken Tweede Kamer: Samen met de regering de rechten maken (medewetgeving) en de regering controleren.


Rechten Tweede Kamer:



  • Stemrecht: wetsvoorstellen aannemen of verwerpen.

  • Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen.

  • Recht van initiatief: zelf wetsvoorstellen indienen.

  • Budgetrecht: het budget goedkeuren, verwerpen of wijzigen.

  • Recht van motie: een uitspraak van de Tweede Kamer waarmee zij een minister of staatssecretaris oproept bepaalde maatregelen te nemen of eventueel met een wetsvoorstel te komen.

  • Vragenrecht: vragen stellen.

  • Recht van interpellatie: een debat aanvragen met een minister of staatssecretaris over een actuele kwestie.

  • Recht van enquête: zelf onderzoek in te stellen naar de rol van regering en overheid bij kwesties van groot maatschappelijk belang.


Pas als de Tweede Kamer een wetsvoorstel heeft goedgekeurd, gaat dit naar de Eerste Kamer (Senaat). Ze mogen een recht alleen in zijn geheel aannemen of verwerpen, niet wijzigen dus. Ze moeten de wetten checken, een extra controle. De regering regeert en het parlement controleert > dualisme: een duidelijke taakverdeling tussen regering en parlement.


Hoofdstuk 6 – Invloed op politieke besluiten


Systeem van politieke besluitvorming van Easton:
4 fasen:



  • Invoerfase: actoren brengen hun wensen naar voren.

  • Omzettingsfase: politici pakken de kwestie op. Hij vraagt bijvoorbeeld de verantwoordelijke minister wat hij aan de situatie gaat doen. Het staat het op de politieke agenda en politici moeten een oplossing bedenken. Dan komt de beleidsvoorbereiding. Een minister vraagt zijn ambtenaren de zaak te onderzoeken en advies te geven. Daarna komt de besluitvorming. De minister stelt een oplossing voor of laat door zijn ambtenaren een wetsvoorstel maken waar het parlement over moeten stemmen à

  • Uitvoerfase: ambtenaren moeten zorgen dat politieke besluiten worden uitgevoerd.

  • Terugkoppelingsfase: kijken of het werkt. Zo niet, besluitvorming overnieuw.


Actoren > alle individuele burgers, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces.


Pressiegroepen zijn groepen die druk uitoefenen op politici om ze voor hun standpunten te winnen. Er zijn twee soorten pressiegroepen:



  • Belangengroepen komen op voor de belangen van een bepaalde groep uit de samenleving.

  • Actiegroepen willen één bepaalde doelstelling bereiken. Ze voeren actie of gaan demonstreren.



Media heeft 5 politieke functies:



  • Informatieve functie

  • Onderzoekende of agendafunctie: ze signaleren en analyseren problemen in de samenleving die vervolgens op de politieke agenda terechtkomen.

  • Commentaarfunctie: ze geven commentaar op politieke kwesties.

  • Spreekbuisfunctie: politici, actiegroepen en burgers krijgen ruimte om hun zegje te doen.

  • Controlerende functie: ze volgen politici kritisch.


Events > onvoorziene gebeurtenissen, zoals natuurramp, staatsgreep of economische crisis.
Trends > ontwikkelingen die een politicus wel had zien kunnen aankomen.


Hoofdstuk 7 – Gemeente en provincie


Subsidiariteitsbeginsel > hogere instanties doen niet iets wat door lagere instanties gedaan kan worden.


Wij stemmen op het parlement en vanuit daar wordt er een regering gekozen > nationaal
Wij stemmen op provinciale staten en vanuit daar komen er gedeputeerde staten > provinciaal
Wij stemmen op de gemeenteraad en vanuit daar komt er een burgemeester en wethouders > lokaal


Hoofdstuk 8 – Internationale politiek


Internationale samenwerking moet gebeuren op gebieden zoals vluchtelingen, klimaatverandering, oorlogen etc. Veel problemen in Nederland kunnen op nationaal niveau aangepakt worden. Internationale samenwerking betekent meestal dat de soevereiniteit van een land wordt ingeperkt, dat wil zeggen het exclusieve recht van een staar om zonder inmenging van buitenaf beslissingen te nemen.


Na de Tweede Wereldoorlog vond Europa dat samenwerking een nieuwe oorlog kon voorkomen. De strijd voor grondstoffen was een grote oorzaak voor oorlogen, dus toen kwam de EGKS, Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en later ook de EEG, de Europese Economische Gemeenschap. Deze samenwerking leverde de lidstaten economische groei en welvaart op > meer landen wilden aansluiten. EEG stelde als belangrijkste eis dat een land niet alleen economische maar ook politieke hervormingen zou doorvoeren. In 1992 kwam de Europese Unie > belangrijkst is de economie.


In de EU is er sprake van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal > interne markt. De eurozone is de groep van EU-landen die een gecoördineerde economische, financiële en monetaire politiek voeren (de euro). Probleem met eurozone > verschillende economieën.


Op een aantal gebieden is de EU een supranationale organisatie > aangesloten landen hebben bevoegdheden overgedragen aan de EU. Besluiten worden bij meerderheid van stemmen genomen. Op andere gebieden is de samenwerken intergouvernementeel > besluiten kunnen alleen genomen worden, met instemming van alle afzonderlijke landen.


Machtsverdeling EU


Wetgevende macht > Raad van Ministers en het Europees Parlement


Uitvoerende macht > Europese Commissie


Rechtsprekende macht > Hof van Justitie van de EU


Hieronder staan nog wat extra aantekeningen die ik uit de les en van youtube heb.


Wat is politiek


Politiek is de manier waarop een land wordt bestuurd. Politiek neemt besluiten die van algemeen belang zijn, voor iedereen van belang. Nederland is een democratie > het volk regeert. Directe democratie > mensen komen bij elkaar om te stemmen. Representatieve democratie > we stemmen op mensen.


Twee manieren waarop je een democratie kan inrichten:


Parlementair stelsel


Hoogste macht is het parlement en het staatshoofd is de koning > constitutionele monarchie


Presidentieel stelsel


Hoogste macht is de president en het staatshoofd is ook de president.


Dictatuur: geen machtenscheiding en dus geen rechtsstaat, alle macht in 1 groep.



  • Weinig individuele vrijheid

  • Geen politieke vrijheid

  • Overheidsgeweld

  • Geen persvrijheid

  • Geen onafhankelijke rechtspraak



Autocratische dictatuur



  • 1 leider

  • Vaak met begulp van leger

  • Geen ideologie


Totalitaire dictatuur



  • 1 partij of groep mensen met een ideologie

  • Indoctrinatie van het volk

  • Geen politieke vrijheid



Politieke stromingen


Links – Gelijkheid                                                                                Rechts – Vrijheid
Socialisme (gelijkwaardigheid)     Confessionalisme (saamhorigheid)    Liberalisme (vrijheid)


Socialisme


De sterke schouders dragen de zwaarste lasten.


Communisme (extreem links) – Alles gelijk verdeeld


Sociaal democraten – Betere verdeling rijkdom, rijken meer belasting etc > SP, GroenLinks en PvdA


Confessionalisme


Geloofsovertuiging


Organische staatsopvatting > samenleving is lichaam, groepen mensen zijn organen en hebben elkaar nodig.


Gezinnen vormen basis van de samenleving


Christendemocraten > ChristenUnie, CDA en SGP


Anderen en de wereld verzorgen en helpen


Liberalisme


Het individu is de basis van de samenleving


Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie


D66 en VVD


Overheid moet zich beperken tot kerntaken zoals defensie, klassieke grondrechten etc


Burgers moeten niet afhankelijk worden van de staat


Populisme


Spreekt voor het volk. Simpele oplossingen voor complexe problemen


Nationalistische standpunten > tegen immigratie etc.


PVV


Verkiezingen


Evenredige vertegenwoordiging


Elke stem telt even zwaar mee


Kiesdeler > aantal stemmen delen door aantal zetels = aantal stemmen die nodig zijn voor 1 zetel


Districtenstelsel


Persoon met meeste stemmen, per district, wordt afgevaardigd.


Regering en parlement


Regering > koning en ministers – dagelijks bestuur


Kabinet > ministers en staatssecretarissen – uitvoeren overheidsbeleid, plannen vastleggen en uitvoeren. Ze mogen wetsvoorstellen mogen voordragen aan het parlement


Parlement > eerste en tweede kamer (Staten-Generaal)


Tweede Kamer doet medewetgeving (wetten accepteren, voorstellen, aanpassen) en controleert de regering


Eerste kamer doet de laatste controle over wetsvoorstellen


Tweede Kamer heeft rechten:


Wetgevende rechten


Stemrecht > wetsvoorstellen aannemen of verwerken


Recht van amendement > wetten wijzigen


Recht van initiatief > wetten indienen


Controlerende rechten


Recht van motie > regering om een bepaalde maatregel vragen


Motie van wantrouwen > niet meer vertrouwen hebben en 1 of meerdere personen


Vragenrecht > vragen stellen


Recht van interpellatie > spoeddebat aanvragen


Recht van enquête > onderzoek instellen naar rol van regering en overheid over bepaalde kwestie


Eerste Kamer mag geen wijzigingen aanbrengen of wetten voorstellen

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.