Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Thema B

Beoordeling 8.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2161 woorden
  • 9 februari 2009
  • 58 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.2
  • 58 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
4.1
Nederland is een democratie (dat wil zeggen dat het volk regeert, ze mogen ook kritiek leveren)
• Directe democratie (burgers kunnen via het stemkastje of internet rechtstreeks invloed uitoefenen op politieke beslissingen. )
• Indirecte democratie (Het volk laat het nemen van beslissingen over aan de
volksvertegenwoordigers)
In Nederland geld een wet alleen als de meerderheid van het parlement die heeft goedgekeurd
 representatieve democratie. (toch mogen de besluiten niet de rechten van de minderheid schenden)

Parlement
- Bestaat uit de eerste en de tweede kamer (Staten-Generaal)
- De Kamerleden komen met hun collega’s uit dezelfde partij bij elkaar en vormen de fracties.  fractievoorzitter. (fractiespecialist: Kamerlid op een bepaald terrein.)
- Nederland: parlementaire democratie (parlement staat boven de regering)
De kabinetsformatie
Na de verkiezing van de 2e kamer wordt de regering gevormd (kabinet / ministerraad)
• Kabinetsformatie: het vormen van de regering.
- Na adviezen van de fractievoorzitters benoemd de koningin een informateur. (deze onderzoekt welke partijen samen een meerderheid in het parlement hebben en of deze partijen een coalitie willen vormen)
Coalitie: samenwerken tussen partijen om een meerderheid te kunnen vormen.
Na de informateur word de formateur benoemd door de koningin.

- Stelt een regeerakkoord (hierin staan de plannen voor de komende vier jaar) op in overleg met de fracties die samen willen regeren.
- Wordt meestal later de minister-president of premier.
Tenslotte gaat men praten over de verdeling van de ministers en staatssecretarissen over de partijen en wordt vastgelegd welke personen deze functies gaan vervullen. Een minister heeft de leiding over een departement of ministerie. Een staatssecretaris is een soort onderminister. De koningin beëdigt in paleis Noordeinde de nieuwe regeringsploeg.
Onze koning(in)
Monarchie: er is geen gekozen staatshoofd, maar die is erfelijk bepaald.
Constitutionele monarchie
- De politieke macht van de vorst is door de grondwet bepaald (de koning(in) heeft meer een symbolische / representatieve functie).
Alles wat de koning doet moet de goedkeuring hebben van de minister-president.
Relatie regering en parlement
- De regering bedenkt nieuwe plannen en legt deze voor aan het parlement
- Als het parlement ze goedkeurt worden ze uitgevoerd door de regering
- het parlement controleert dan de regering
dit heet een: Dualistische relatie
Een belangrijke scheidslijn in het parlement is die tussen Regeringspartijen en oppositiepartijen.
-oppositiepartijen hebben geen partijgenoten in de regering zitten
Monistische relatie!
Taken van het parlement:
- de minister maakt een wetsontwerp
- deze wordt voorgesteld bij de Raad van State (het belangrijkste advies orgaan van de regering).
- De minister legt het ontwerp voor aan de tweede kamer
- Soms maakt een kamerlid zelf een voorstel dit heet een: initiatiefwetsontwerp.
- Kamerleden mogen amendementen in dienen (amendementen: voorstel tot verandering van het wetvoorstel)
- Als de meerderheid het goedkeurt, gaat het voorstel naar de eerste kamer. (deze kunnen het alleen goed of afkeuren)
- Een goedgekeurd wetvoorstel wordt ondertekend door de minister en de koningin en verschijnt in de Staatscourant.
-
Rechten 2e kamer: (om de regering te controleren)
- Ze mogen vragen stellen
- Recht van interpellatie (een spoeddebat met de minister over alle actuele zaken)
- Recht van enquête (het recht om zelf een onderzoek in te stellen)
- Recht van motie (het recht om een uitspraak te vragen over het beleid van de regering)

Als een belangrijk wetvoorstel van een minister geen meerderheid krijgt. Motie van wantrouwen, het kabinet verliest de steun in de tweede kamer (kabinetcrisis).
Volgens de grondwet is Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
- De centrale overheid in Den Haag neemt de belangrijkste besluiten en deze gelden voor heel Nederland.
Medebewind: provincies en gemeenten moeten besluiten van de landelijke overheid uitvoeren.
Autonomie: lokale overheden hebben lokale bevoegdheden.
In de gemeente heeft de gemeenteraad 2 belangrijke taken
1. Het vaststellen van de grote lijnen van het gemeentebeleid en controleren of het college van B en W zijn taken goed uitvoert.
2. Het zijn vertegenwoordigers van de inwoners van de gemeente.
Actief kiesrecht: het recht om te stemmen.
Passief kiesrecht: mensen kunnen zich kandidaat stellen om gekozen te worden.
Lijsttrekker: de eerste naam op de kandidatenlijst.
Evenredige vertegenwoordiging: hoe meer stemmen er op een partij zijn uitgebracht, hoe meer zetels een partij krijgt.
Het totale aantal uitgebracht stemmen wordt gedeeld door de 150 zetels in de tweede kamer. De uitkomst daarvan heet de kiesdeler.

4.2
Eind 18e eeuw ontstonden er grote politieke veranderingen. Nederland werd een eenheidsstaat.
- De Staten-Generaal of het parlement besliste voortaan alles.
- Afschaffing van de standenmaatschappij. (iedereen werd gelijk)
Nederland was een aristocratie  het werd bestuurt door de besten. (adel)
de koning was de baas, maar handelde wel in het belang van het volk
Thorbecke: wordt beschouwt als de grondlegger van onze parlementaire democratie. Ook stelde hij in 1848 een nieuwe grondwet op. In dit grondwet stond dat het parlement de meeste zeggenschap kreeg, daardoor werd de macht van de koning veel kleiner. Ministers werden verantwoordelijk voor de koning.
In de grondwet stond dat er vrijheid was van meningsuiting, en vrijheid was van vereniging en vergadering.
• Censuskiesrecht: kiesrecht voor mannen die veel geld betalen.
• Oligarchie: een land dat wordt bestuurd door de rijken.
• De kamerleden werden gekozen via een districtenstelsel. (dit is een kiesstelsel op basis van de verdeling van het land in districten.)
De Nederlandse politiek werd gekenmerkt door veel strijd in en buiten het parlement.
In 1917-1960: pacificatie democratie.
Een democratie waarin de politici in harmonie (volledige rust) het land besturen.
Nederland was toen een verzuilde maatschappij (een samenleving waarin groepen met een eigen ideologische gescheiden leven). De godsdiensten leefden sterk gescheiden van elkaar, maar hadden onderling wel overleg.
1960 – nu: polarisatiedemocratie
Democratie waarin meningsverschillen tegenover elkaar worden gezet.
Ontzuiling: ze willen niet meer leven volgende de zuil waar ze bijhoren (in opstand)
- De harmonie tussen kies en gekozene was voorbij
- Er kwamen meer partijen

4.3
over hoe een samenleving bestuurd moet worden zijn 2 uitersten:
- De anarchie (links)
Er is geen gezag boven de mensen geplaatst.
Kleine gemeenschappen zoals dorpen, wijken en beslissen zelf gezamenlijk.
Politici heeft niet meer macht dan een normale burger.
Er zijn allen nog maar rechten.
- De dictatuur (rechts)
Een politicus of enkele politici nemen alle beslissingen, zonder dat zij gekozen zijn door de bevolking
Er zijn alleen plichten
- Democratie
Een bestuursvorm tussen de 2 uitersten.
Burgers hebben politieke plichten en rechten.

5 voorwaarden voor het goed kunnen functioneren van een democratie
1. Steun voor democratische waarden.
2. Samenwerking tussen politieke elites.
3. Deelname van burgers aan politieke besluitvorming.
4. Effectief overheidsbeleid
5. Economische ontwikkeling
3 visies op de democratie
1. De politiekpartijendemocratie
De gekozen politici vervullen de centrale rol, zij nemen de besluiten.
2. De overlegdemocratie
Dat de politici voortdurend in overleg is met allerlei maatschappelijke groepen. (zoals kerken, vakbewering, actiegroepen, etc).
Maatschappelijk middenveld: organisaties die tussen burger en politici in staan.
3. De directe democratie.
Dat je via het stemhokje rechtstreeks invloed uitoefent op politieke beslissingen.
Referendum: een volksraadpleging over een bepaald politiek probleem.
Gemengde democratie
een vorm tussen de directe democratie en de indirecte democratie.
gemengd kiesstelsel: kiezers brengen een stem uit op een landelijke lijst en een tweede stem op de districtskandidaat.
• correctief referendum: bindend referendum na een genomen beslissing
• raadgevend referendum: bevolking geeft alleen een advies.

hoofdstuk 5; Wie heeft het meeste te zeggen?
• politieke participatie: deelname van burgers aan politieke besluitvorming.
Volgens politicologen (wetenschappers van de politiek) is er constant een wisselwerking tussen politici en burgers tijden de agendavorming, besluitvorming en de beleidsuitvoering.
als het beleid uit gevoerd is vind er terugkoppeling plaats.
kijken hoe de samenleving erop reageert.
• publieke agenda: hier staan de onderwerpen op die besproken zullen worden. De poortwachter bepaald welk probleem er op de agenda zal komen te staan. (massamedia, pressiegroepen en politieke partijen
4 barrières
- de wensen van de burgers moeten worden erkend en herkend.
- ze moeten bepalen met welk probleem ze zich gaan bezighouden.
- hoe het probleem moet worden opgelost.
- het uitvoeren en het luisteren naar het commentaar op de besluiten.
wie beïnvloeden de politici?
- ambtenaren (adviseren de minister met wetvoorstellen)
- massamedia
- pressiegroepen
- actiegroepen
- advies / over leg organen
- individuele burgers
door middel van machtsbronnen / machtsmiddelen (kennis / geld / etc)
- electronale participatie (dat burgers stemmen)
burgerinitiatief: wettelijk middel om een onderwerp op de agenda te krijgen.
- gespreksparticipatie (lobbyen: op een informele manier praten of schrijven met politici en ambtenaren).
- protestparticipatie (burgers die demonstreren).
3 theorieën staan centraal over hoe de macht in Nederland verdeeld is;
- presentatietheorie
de meeste macht ligt bij de regering en het parlement
- pluralismetheorie
de macht ligt bij regering en parlement en bij de leiding van allerlei pressiegroepen.
- elitetheorie
macht ligt bij een kleine groep ondernemers en hoge beleidsambtenaren.

5.2 is het beleid wel succesvol?
doelmatigheid (vier criteria)
- eindresultaat (is het beleidsdoel behaald?)
- effectiviteit (is het (niet)bereiken van de doelen te danken of te wijten aan het gevoerende beleid?
- efficiency (is de verhouding tussen de kosten acceptabel)
- neveneffecten (welke niet-beoogde effecten heeft het beleid?)
zo weten de burgers wat er met hun belasting gebeurd.
rechtmatigheid: hoe het beleid loopt volgens de regels van de wet.
• de rekenkamer onderzoekt jaarlijks of de uitgaven van de regering eerlijk zijn.
politici kijken vaak maar 4 jaar lang vooruit en willen korter termijn succes behalen.
• bureaucratische cultuur: Nadruk ligt op het rechtmatigheidstelsel in plaats van het doelmatigheidsstelsel.
• verkokerde departementen: departementen die alleen door hun eigen bril of kijken naar het probleem. (alleen op de manier hoe het hun goed uitkomt)
falend overheidsbeleid is slecht voor de werking van de parlementaire democratie: er komen ontevreden burgers, en een dalend vertrouwen in de parlementaire democratie.
5.3 Een (on)overbrugbare kloof?
Nederland is een vertegenwoordigende democratie; er is afstand tussen politici en de bevolking.
als deze afstand te groot wordt spreken we van een kloof.
legitimiteitscrisis: burgers zien politici niet meer als hun rechtmatige leiders.
4 verschillende groepen van kiezers:
• de onverschilligen
deze personen hebben geen interesse in de politiek
• de ontevredenen
deze personen vinden de politiek niks
• de gezagsgetrouwen
deze personen beschouwende politici als hun leiders.
• de geïnvolveerde
deze personen zijn geïnteresseerd of zijn betrokken bij politieke besluiten.
Veel burgers kunnen zich minder herkennen in hun politieke leiders, dit komt doordat de sociale afkomst meestal anders is.
representatie  de gekozen politici
representativiteit  de mate waarin de ideeën van politici overeenkomen met burgers.
ostrogorski-paradox: de meerderheid van de bevolking denkt anders dan de meerderheid van het door de bevolking gekozen parlement.
burgerlijke ongehoorzaamheid: een geweldloos, maar illegaal protest.
(tien kenmerken van burgerlijke ongehoorzaamheid, blz 61).
• progressieve politici
terecht, verkeerde besluiten van de overheid. De overheid wil gewoon niet luisteren naar de gevoelens van de meerderheid, dus moeten ze dit maar voelen.
• conservatieve politici
burgerlijke ongehoorzaamheid mag gewoon niet. Je moet maar naar de rechter stappen, het is al besloten en politici komen hun beloften na.

6.1 macht van de media: reageert de leugen?
In een democratie is er persvrijheid.
journalisten mogen produceren wat ze willen.
een journalist wordt de waakhond van de politici genoemd. Ze controleren de politici en beslissen wat de bevolking krijgt te weten en wat niet.
mediacratie: massamedia hebben veel invloed op besluitvorming
Politicologen bestuderen de ‘politieke cultuur’ in Nederland.
dit is de manier waarop de politici, de media en burgers met elkaar omgaan en over elkaar denken.
Er is veel kritiek op de Nederlandse politieke cultuur
• spindokters: zorgen ervoor dat het politieke lid zo goed mogelijk in beeld komt.
• tv – democratie: politici zijn alleen bezig om zich zo goed mogelijk in beeld te laten komen.
• overbelaste democratie: democratie waarin burgers te veel eisen.
journalisten vinden dat in een parlementaire democratie de media de politieke macht moet controleren en niet andersom.

6.2 Naar een Verenigde Staten van Europa?
de Europese Unie heeft vier belangrijke bestuursorganen.
• de Europese Commissie. (EC).
deze stelt Europese wetten voor en voert deze ook uit met behulp van duizenden ambtenaren.
• het Europese Parlement (EP).
een wetgevende en controlerende taak
• De Europese Raad
dit zijn de regeringsleiders van de EU landen.
• het Europese Hof van Justitie.
de opperrechter van Europa.
hoe verloopt de besluitvorming?
• medebeslissings-procedure
raad en parlement moeten samen het voorstel van de Commissie accepteren, anders is het geen wet.
• raadplegings-procedure
Parlement mag alleen advies geven.

hoe moet de Eu ingericht worden?
intergouvernementele organisatie: deelnemende landen staan geen zeggenschap
af.
federale organisatie: landen staan zeggenschap af aan de organisatie.
subsidiariteitsbeginsel: Europa mag zich alleen met zaken bemoeien die de afzonderlijke landen niet zelf kunnen oplossen.
toch zijn er verschillende visies hierop:
• volgens de linkse partijen heeft de politieke en economische elite van grote landen en multinationals te veel invloed op het beleid. Er moet burgerinitiatief op Europees niveau komen. het EP moet dezelfde rechten hebben als de Tweede kamer ten opzichte van de regering. De EC moet direct door de bevolking worden gekozen; Ieder land hoort zijn eigen commissaris te kiezen.
• CDA en VVD willen de positie van de EC versterken om de samenwerking binnen Europa te verbeteren. De EU is naast een economische en politieke samenwerking ook een ‘waardengemeenschap’. Rechtsstaat, democratie en sociale rechtvaardigheid zijn belangrijke waarden.
• Rechtse partijen als SGP en andere kleine rechtse partijen willen dat Europa zich voornamelijk bezighoudt met economische problemen. Nederland moet zoveel mogelijk z’n eigen zaakjes regelen. De EU moet een samenwerking tussen soevereine staten zijn, waarbij ieder land vetorecht heeft. Geen verdere uitbreidingen van Europese bevoegdheden. EP, EC en ER: ze moeten allemaal minder macht krijgen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

I.

I.

Echt super samenvatting heb er heel veel aan gehad ! GEWELDIG! :)

Kusjes

10 jaar geleden