Criminaliteit, strafrecht en samenleving



Hoofdstuk 2: Waarden en normen



criminaliteit: alle strafbaar gestelde gedragingen (door rechter)

Waarden = de goede doelen die men wil nastreven.

Normen = gedragsregels om deze doelen te kunnen nastreven. -> verschillende vormen:

1. Religieuze normen (katholieken: priesters geen sex)

2. Morele normen (respect hebben voor anderen)

3. Fatsoensnormen (etiquette voor tafel)

Je hebt ook persoonlijke normen en groepsnormen. -> dit zijn ongeschreven regels





codificatie: vastleggen van regels en wetten.

wetten: normen die door de overheid zijn vastgelegd in naam van alle mensen

rechtsregels: regels over de manier waarop overtredingen kunnen worden tegengegaan, hoe mensen kunnen worden gedwongen de normen na te leven of hoe ze kunnen worden gestraft wanneer ze dat niet doen.

Ongeschreven rechtsregels: regels die ‘gewoon’ zijn ontstaan, maar nooit opgeschreven.



betekenis rechtsregels:

- geven zekerheid (je weet wat je wel en niet mag doen)

- doelmatig ordenen van de samenleving (wie wát moet doen vb= belasting etc…)

- maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk (Rechter hoeft zich niet aan wet te houden, is onafhankelijk van de overheid)

- voorkomen conflicten of ze verminderen

- bevorderen van rechtvaardigheid (geven aan wat de overheid goed of slecht vind)

- maken gedrag voorspelbaar (je mag ervan uitgaan dat auto’s rechts rijden)



- dragen bij aan het voortbestaan van de groep of samenleving



positieve recht: het recht dat in een samenleving geldt -> soms niet het “ideale” recht.

-> geschreven vorm/ ongeschreven vorm

1.) gewoonterecht: recht dat niet is gecodificeerd (vastgelegd)



2.) privaatrecht: regelt vooral welke verplichtingen mensen ten opzichte elkaar hebben.

3.) publiekrecht: regelt vooral de relatie tussen de overheid en de burger.

a.) het staats- en bestuursrecht (parlement, verkiezingen, verhouding burger-gemeente)

b.) het strafrecht ----overtreding of misdrijven ----



Hoofdstuk 3: Wat is criminaliteit?



Strafwaardig – persoonlijke redenen -> gevangenis in!

Strafbaar - algemeen, volgens de wet.



overtredingen: Schending van regels die onze maatschappij ordenen, schendingen die niet als erg worden beschouwd (bijv. een fietser die door rood rijd= geen misdadiger) misdrijven: Strafbare gedragingen die door iedereen (in ieder geval door de wetgever) als moreel onaanvaardbaar worden beschouwd (bijv. diefstal, mishandeling, moord)

criminaliteit: alle strafbaar gestelde gedragingen.

legaliteitsbeginsel: Dat iemand alleen gestraft mag worden op grond van strafbepalingen die opgeschreven staan in door de overheid vastgestelde wetten.



Recht = cultuurverschijnsel -> waarden en normen veranderen per tijd. Ook “wat crimineel is” -> verschilt door tijd en plaats. Tijd: vroeger was homofilie verboden, nu niet meer. In Islamitische landen worden vrouwen soms vermoord als ze overspel plegen. Hier in Nederland mag dat niet (duh…)

Het vertalen van de heersende waarden en normen over wat crimineel is, gebeurt in Nederland sinds de Franse Revolutie door de wetgever.



De Franse filosoof Montesquieu -> bedacht: Trias Politica.

= De machten in de samenleving:

Wetgevende macht

Uitvoerende macht

Rechterlijke macht.

De rechterlijke macht moest zich houden aan de wetten zoals die door de wetgevende macht waren gemaakt. De wetgever moest dus bepalen wat strafbaar, wat crimineel was.

Hoge Raad: het hoogste rechtscollege in Nederland.

Arrest: de beslissing van de Hoge Raad in een zaak die haar is voorgelegd.

Wanneer de Hoge raad zo’n uitspraak heeft gedaan, heeft deze uitspraak in feite hetzelfde effect als een wet.



Jurisprudentie: uitspraken van rechters die gevolgen kunnen hebben voor toekomstige rechtszaken.



Hoofdstuk 4: Cijfers en andere onderzoeksgegevens over criminaliteit



geregistreerde criminaliteit: De politie registreert alle overtredingen en misdrijven die bij de politie worden gemeld of die zij zelf constateert.



redenen om cijfers van politiestatistieken te relalativeren:

- De cijfers geven geen beeld van de totale criminaliteit -> veel slachtoffers doen om verschillende redenen geen aangifte.

- De politie heeft een aantal prioriteitstaken. -> selectief opsporingsbeleid, “wat niet wordt geconstateerd kan ook niet worden geregistreerd.”

- Zichtbare vormen van criminaliteit zoals geweld en verkeersdelicten, komen vaker ter kennis van de politie dan minder zichtbare vormen zoals fraude.

- Meer regels en meer verkeer bijvoorbeeld -> = meer overtredingen.

- De cijfers moeten gekoppeld worden aan demografische gegevens. -> meer mensen = meer overtredingen.

- veel strafbare feiten worden nooit ontdekt. -> fraudes en verkeersovertredingen.



Ophelderingspercentages worden ook gepubliceerd. Zij geven aan dat het aantal misdrijven dat wordt opgehelderd in de afgelopen jaren is gedaald.



Transactie = soort boete aan Openbaar Ministerie. (vaak bij Verkeersovertredingen)

seponeren: De officier van justitie ziet af van verdere vervolging. (te druk, verdachte voor de 1e keer.)



Alleen klein gedeelte van strafbare feiten -> Rechtbankstatistieken -> daarom niet betrouwbaar. De politie registreert elk persoon die wordt verdacht. De rechtbank registreert welke verdachten ook daadwerkelijk schuldig bevonden worden.



Niet geregistreerde criminaliteit kan worden onderzocht door middel van

1.) slachtofferenquêtes:

op een aantal punten zijn deze enquêtes niet betrouwbaar:

* slachtoffers van moord kunnen niet meer ondervraagd worden

* slachtoffers van misdrijven als chantage en verkrachting zullen het misdrijf eerder onvermeld laten omdat ze niet bereid zijn hun gevoelens bloot te leggen.

* veel misdrijven leveren geen duidelijk slachtoffer op. Bij misdrijven als vernieling van bushokjes of belastingfraudes

2.) self-report onderzoeken:

hierdoor komen ook misdrijven aan het licht waarbij geen duidelijke individuen als slachtoffer zijn aan te wijzen. via deze methode kan beter onderzocht worden of er een relatie is tussen bepaalde vormen van criminaliteit en sociale klassen.

op een aantal punten is deze enquête niet betrouwbaar:

* naarmate de misdaad zwaarder is, zal de dader minder genegen zijn eerlijke antwoorden te geven op de vragen.

* beroepscriminelen zullen wellicht helemaal niet meewerken aan dit soort onderzoeken.



conclusies die getrokken kunnen worden uit de combinatie van de cijfers:

A) Een groep van probleemjongeren is verantwoordelijk voor een groot deel van de kleine criminaliteit, deze jongeren onderscheiden zich op tal van punten:

• ze hebben veel sociale problemen, ze gokken, gebruiken drugs, hebben weinig banden met de samenleving.

• hebben nauwelijks perspectief op sociale mobiliteit (stijgen opmaatschappelijke ladder). Vanwege hun lage opleiding komen ze nauwelijks in aanmerking voor zinvol werk.

• Ze hebben vaak een slecht ontwikkeld gevoel voor waarden en normen problemen met en tussen de ouders spelen daarbij een belangrijke rol.

• Ze beschikken niet over voldoende sociale vaardigheden om zich een plaats in de samenleving te kunnen veroveren.

• Ze zijn vaak van allochtone herkomst.



B) Etnische afkomst -> Allochtone groepen blijken ondervertegenwoordigd te zijn in witteboordencriminaliteit, maar oververtegenwoordigd in delicten als diefstal en drugshandel

C) Locatie -> in grote stad meer criminaliteit (minder sociale controle dan in dorpen)

D) Criminaliteit is in zekere zin milieugebonden, in lagere milieus meer criminaliteit dan hogere. (dit lijkt zo…) Hier heb je nl. te maken met bvb: fraude, belastingontduiken…

E) De georganiseerde misdaad is toegenomen. -> meer vraag naar wapens + drugs.

F) Meer meisjes -> crimineel -> door emancipatie en andere opvoeding.



Hoofdstuk 5: Het ontstaan van criminaliteit



Mensen zijn altijd geïnteresseerd geweest hoe criminaliteit ontstaat en waarom mensen ertoe over gaan. Vanaf de Renaissance begon het zogenaamde rationele denken.

De Theologische visie:

Thomas More (+/-1500) beweerde dat de maatschappij schuldig was aan criminaliteit. Hoe slechter de maatschappij des te meer crimineel gedrag. Daarom was het nodig maatschappelijke zaken te veranderen.



Klassieke school:

Rousseau, Montesquieu en Voltaire (midden 18e eeuw) rationele verklaringen voor het bestaan van criminaliteit.



Beccaria (+/-1750) schreef een boek: nadruk op maatschappelijke oorzaken van misdaad. Hij was grondlegger van de klassieke scholen-> Dat wil zeggen de mens is een rationeel wezen. Hij begaat een misdaad omdat hij een ellendig leven lijdt. -> Daarom: straf moet ervoor zorgen dat misdaad niet loont. Ook pleitte hij voor wetten met toegepaste straffen.



Biologische Theorieën:

Een tegenstander van de klassieke school is de antropologische school (= biologisch). De grondlegger is Lombroso (+/- 1890). Hij gebruikte de evolutie theorie. Hoe meer men geëvolueerd is des te minder criminaliteit. Een crimineel was dus blijven steken. Je was dus soms een geboren misdadiger. De nazi’s hebben gebruik gemaakt van de theorie van Lombroso met betrekking tot de Joden. Tegenwoordig staat genetische manipulatie ter discussie.

( Buikhuisen -> introduceerde : bio-sociale criminologie…)



Ferri (1880) leerling van Lombroso -> middelweg tussen biologisch en klassieke school. => “elke misdaad is een resultante van individuele ( biologische ) en sociale factoren.



Sociaal – psychologisch Theorieën:



Durkheim verklaarde dat verschijnselen als criminaliteit gezien moesten worden als een normaal maatschappelijk verschijnsel.



*** Sociologie gaat over processen in de samenleving: de samenleving is het onderwerp van onderzoek (dus niet de individu).

*** Sociaal- psychologie gaat over de invloed van de ongevind op de psychologie van de mens: de mens is het onderwerp van onderzoek (dus niet de samenleving).



Sociologische therorien:



1,) De anomie theorie: Deze theorie is ontwikkeld door Cohen. Om je doel (succes en rijkdom) te bereiken moeten normen wijken (criminaliteit bvb)

Robert Merton noemde dit de anomie theorie.

De Nederlander Jongman noemde dit geheel de verzetstheorie. Men steelt uit verzet tegen zijn armoedige positie.



Kritiek op deze theorieën:

• Criminaliteit komt in alle milieus voor, ook in rijkere.

• Niet iedereen is gecharmeerd van de midden klas idealen (niet iedereen heeft dezelfde doelen in zijn leven).



2.) De controle of bindingstheorie:

Hirschi 1969 -> Deze theorie verbaast zich er over dat er zo weinig criminaliteit is. Dat heeft te maken met de banden die een mens heeft met ‘dierbaren’. Die banden = bindingen. Als je geen leuke banden hebt -> nix te verliezen -> dus criminaliteit.

4 Bindingselementen -> remmende werking op crimineel gedrag:

A) Attachment = je hebt hechte banden, dus waarom zou je crimineel pad opgaan->

B) Commitment = afwegen van risico`s; gestudeerd, goeie baan…dan zou je veel meer kwijtraken als je gepakt word, dan wanneer je geen baan hebt. Rationele keuze theorie

C) Involvement = heb je geen tijd over -> geen tijd voor criminaliteit

D) Belief = ieder mens heeft een geweten.



Deze theorie gaat voor een groot deel op maar toch is er de volgende kritiek.

• Er zijn ook vrienden clubs van criminelen

• Sociale controle roept de criminaliteit op die ze wil bestrijden.

• Dit kan gelden bij jongeren, maar kan dat ook gelden bij georganiseerde misdaad bvb->



Aangeleerd gedrag theorie (sochiaal psychologisch):



Deze theorie is van Shaw en Mckay. Hierbij wordt criminaliteit aangeleerd door familie, vrienden en omgeving. Uitbouwer van deze theorie is Sutherland (1940). -> differential-association. + Uitvinder van de term witte boorden criminaliteit. (= criminaliteit die alleen door mensen met een hoge positie op de maastschappelijke ladder kan worden gepleegd.)



Kritiek op deze theorie:

• Hoe kan men bij iemand positieve of negatieve associaties meten.

• Personen hebben soms zo een sterke persoonlijkheid dat ze nauwelijks te beïnvloeden zijn.



Stigmatisering of etikettering theorie (sociaal psychologisch):

De uitvinder is Becker (1963). -> sociale groepen stellen regels op, wie niet aan die regels voldoet, wordt beschuldigd van deviant (afwijkend) gedrag. -> je kreeg een stempel opgedrukt van de samenleving = stigmatisering (= brandmerken).

Je word eigenlijk afgestoten van de samenleving -> leidt uiteindelijk tot voorspelbaar gedrag. Je gaat nog meer de criminaliteit in. Dit is een self fullfilling prophecy (= voorspelling die steeds uitkomt).

Kritiek:

• Niet elke persoon gaat afwijkend gedrag vertonen als de omgeving hem afwijkend vind.

• Deze theorie gaat alleen op voor de machtelozen, voor diegenen die niks hebben.



De socio-biologische theorie:

Grondlegger is Buikhuisen (jaren 70). -> Hij koppelde sociale factoren aan factoren van biologische aard bij elke persoon. Vb= agressie kan voort komen uit verwaarlozing en /of overgevoeligheid voor etenswaren.



Wanneer men alle theorieën bekijkt kan men het volgende concluderen (kritiek):

• Ze proberen de totale criminaliteit te verklaren in plaats van kleine onderdelen.

• Criminaliteit op lange termijn zou meer bekeken moeten worden.

• Is criminaliteit wel een zo groot sociaal probleem->

• Zijn wetten en een regelgeving ook niet criminaliserend.



Tegenwoordig geldt de multicausale benadering van Braithwaite 1989. Daardoor heeft men een algemeen beeld van een potentiële dader: Tussen de 15 en 25 jaar, mannelijk, werkeloos, ongehuwd, contact arm, geen of weinig banden met ouders of vrienden. Daarnaast weinig gemeenschapszin, weinig solidariteit en wonen in de stad.



Hoofdstuk 6: Criminaliteit als sociaal en politiek probleem



sociaal probleem: probleem van de hele samenleving -> hierdoor ook een Politiek probleem. -> er moet dus een oplossing komen!



Via belastingen -> hogere premies voor verzekeringen -> hogere prijzen voor producten voor de burgers-> dit allemaal voor de schade die criminaliteit veroorzaakt.



De immateriële schade: (slachtoffers enz…)



• Het veroorzaakt Trauma’s.

• Criminaliteit veroorzaakt morele verontwaardiging.(mensen gaan zich opwinden)

• Het perkt je bewegingsvrijheid in. Het geeft je een onveilig gevoel.

• Mensen zijn geneigd tot Eigenrichting (= heft in eigen hand nemen)

• Criminaliteit leidt tot normvervaging. “waarom ik wel betalen als niemand het doet->”

• Criminaliteit leidt tot verlies aan vertrouwen in mensen en organisaties



Massamedia mikken vooral op een hoge omzet. -> Zullen criminaliteit eenzijdig belichten = sensatie! -> Dit heeft invloed op de burgers.



Staat -> handhaven van de openbare orde en veiligheid voor de burgers.

Criminaliteit wordt soms gezien als bedreiging voor de rechtsorde. (=alle leefregels die in een gemeenschap gelden voorzover die bepaald worden door rechtsregels.)



Rechtsstaat: een gemeenschap/staat waarbinnen de verhouding tussen overheid en burger en tussen burgers onderling in wetten word geregeld.



een rechtsstaat is te herkennen aan de volgende zaken:

• een grondwet die de betrekkingen tussen overheid en burgers regelt.

• -> daaruit vloeit voort dat de overheid de rechtsorde moet handhaven met de middelen die de wet de overheid geeft. Legaliteitsbeginsel = gebonden zijn aan de wet

• duidelijke scheiding van machten.

• Democratische rechtstaat: de wetgeving komt tot stand in samenwerking met de volksvertegenwoordiging (wetgevende macht)

• de regering als uitvoerende macht moet zich houden aan de voorschriften van de wet (uitvoerende macht)

• een onafhankelijke rechter beslist in geschillen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid (rechtelijke macht)

• grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn omschreven en gewaarborgd.



De overheidsorganen -> betrokken bij probleem van de criminaliteit:



1.) Wetgevende macht = regering en parlement. -> stelt vast wat strafbaar is. Regelt + bepaalt strafvervolging. Criminaliteit als probleem op politieke agenda zetten.

2.) Uitvoerende macht = Politie en Openbaar Ministerie (OM) -> misdrijven opsporen. OM -> vervolging strafbaar gedrag. Burgemeester -> handhaven openbare orde. (hij wordt hierbij gecontroleerd door gemeenteraad.)

3.) Rechterlijke macht = rechter -> onafhankelijke rechtspraak. Onpartijdig.



Soms spanningen -> OM en politie kunnen soms niet goed misdaden opsporen omdat zij zich aan wetten en regels moeten houden. Of soms wordt de rechtszekerheid belangrijker gevonden dan het straffen van de misdadiger. Hij wordt dan dus vrijgelaten…



Hoofdstuk 7: Het strafrecht



Wetgeving over criminaliteit valt uiteen in onderdelen:

a.) strafrecht: welke gedragingen zijn strafbaar-> Hoe kunnen deze gedragingen gestraft worden-> Welke straffen zijn er->

b.) strafprocesrecht: procedures die door politie en justitie gevolgd moeten worden om tot een veroordeling van een verdachte te komen.



Waar staat wat strafbaar is-> In deze boeken/bronnen: Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering, de Opiumwet, Wegenverkeerswet, Vuurwapenwet…enz.



Wetboek van Strafrecht: boek waarin de algemene uitgangspunten van ons strafrecht zijn vastgelegd. -> in 3 boeken:

1) algemene Bepalingen (worden uitgangspunten voor strafrecht geregeld)

2) misdrijven (concreet geformuleerde strafbare gedragingen)

3) overtredingen (concreet geformuleerde strafbare gedragingen)



- 1E BOEK: begint met enkele principes die gebaseerd zijn op het idee van de rechtsstaat:

* het legaliteitsbeginsel (houd in dat iemand alleen veroordeeld en gestraft mag worden op grond van duidelijke geformuleerde regels. Elk wetsartikel uit het strafrecht bestaat uit:

-Delictsomschrijving

-Strafmaximum)

*het "ne bis in idem" principe (houdt in dat niemand twee keer voor hetzelfde vergrijp gestraft kan worden)

*de Verjaring: Iemand kan na een tijdje niet meer gestraft worden.



twee categorieën straffen:

*hoofdstraffen:

-gevangenisstraffen (min. 1 dag, max. 20 jaren)

-hechtenis (min. 1 dag, max 1 jaar en 4 maanden)

-geldboetes

-taakstraffen:

*Bijkomende straffen: zijn straffen die naast de hoofdstraf kunnen worden opgelegd en die direct met de aard van het delict te maken hebben. Vb: verkiezingsfraude-> zijn stemrecht kwijtraken.



* Maatregelen: zijn niet bedoeld om de dader te laten boeten maar om de samenleving tegen de dader of de dader tegen zichzelf te beschermen.



* vb. tbs (terbeschikkingstelling) de dader wordt dan behandeld in een inrichting. plaatsing in een inrichting en onder toezichtstelling. -> Ze kunnen in combinatie met straf worden opgelegd.



* Voorwaardelijke straf: de straf of de maatregel wordt dan niet ten uitvoer gelegd als de veroordeelde binnen een afgesproken proeftijd geen strafbaar feit pleegt of bepaalde andere afspraken nakomt.



* Niet elk gedrag dat voldoet aan de delictsomschrijving, is gelijk strafbaar. Het gedrag moet ook voldoen aan 4 andere voorwaarden:

- alleen menselijk gedrag is strafbaar (dat betekend dat gedachten en gevoelens >>hoe immoreel en verwerpelijk ze ook mogen zijn
- alle bestanddelen uit de delictsomschrijving moeten zijn bewezen (we hebben al gezien dat het legaliteitsbeginsel inhoud dat elke strafbepaling een duidelijke delictsomschrijving moet hebben. Als niet alles wat in de delictsomschrijving staat, kan worden bewezen, dan volgt vrijspraak bij gebrek aan bewijs, zelfs al zijn de aanwijzingen voor de schuld van de dader erg talrijk)

- het gedrag moet wederrechtelijk (= in strijd met de rechtsorde) zijn, soms erkent de verdachte het wel dat hij het delict heeft gepleegd, maar beroept hij zich op een rechtvaardigingsgrond. ->

• Noodweer : zelfverdediging

• Overmacht

• Soms moest de verdachte kiezen tussen twee kwaden (relatieve overmacht, noodtoestand). -> In veel gevallen zal het hier gaan om mensen die humanitaire overwegingen zwaarder lieten tellen dat de letter van de wet.

• Het schuldbeginsel (= de dader moet schuldig zijn). Soms kan een delict worden gepleegd zonder dat het de dader aangerekend kan worden, ook al zijn alle voorwaarden die we hierboven genoemd hebben vervuld. De dader kan zich dan beroepen op een schulduitsluitingsgrond en zal niet worden gestraft.

schulduitsluitingsgronden zijn:

- de ontoerekenbaarheid van de dader (gestoorde gek)

- noodweerexces (emoties -> verdedigingsmiddel gebruiken)

- psychische overmacht/overmachtexces (is sprake van wanneer iemand onder zware psychische druk een misdrijf pleegt. De druk moet dan wel zo zwaar zijn dat "iedereen" onder dezelfde omstandigheden het misdrijf gepleegd zou hebben)

- afwezigheid van alle schuld (iemand kan een delict plegen zonder dat hij het hoeft te weten, vb. melkboer verkoopt melk zonder dat hij weet dat het door zijn baas met water is aangelegd)



* Strafuitsluitingsgronden: zowel rechtvaardigingsgronden als de schulduitsluitingsgronden. Er zijn wel strafbare feiten gepleegd, maar er wordt toch geen straf gegeven.



Iemand die strafbaar is krijgt bijna nooit de maximumstraf die in de wet staat vermeld. De criteria die de rechter moet hanteren zijn:

- ernst van het delict

- de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd

twee soorten omstandigheden:

*subjectieve omstandigheden -> gaan over de dader, heeft de dader echt met opzet gehandeld of was het nalatigheid->

*objectieve omstandigheden -> omstandigheden buiten de dader, bijv. de gevolgen van de daad. Zijn deze gevolgen ernstig, dan zal de straf hoger uitvallen dan wanneer de gevolgen minder ernstig zijn.



poging: Wanneer iemand begonnen is met het uitvoeren van de misdaad, maar om een of andere reden buiten zichzelf, het misdrijf niet afmaakt, hij is dan wel strafbaar maar het strafmaximum wordt met een derde verminderd

Medepleger: Je kunt dan het strafmaximum krijgen dat in de wet staat vermeld. Het strafmaximum kan ook met een derde worden verminderd voor al diegenen die bij de misdaad waren betrokken zonder hem zelf uit te voeren. Je kunt bijvoorbeeld een misdrijf uitlokken, je kunt hulp verlenen bij het misdrijf (medeplichtigheid).



voor jongeren beneden de leeftijd van achttien jaar is een aantal uitzonderingsbepalingen opgenomen, waarvan de belangrijkste zijn:

- kinderen jonger dan 12 jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.

- kinderen tussen 12 en 18 jaar kunnen alleen terechtstaan voor de kinderrechter (soms voor meervoudige kamer van de rechtbank).

- de rechtszittingen zijn niet openbaar.

- er gelden andere straffen en maatregelen. Zo kunnen jeugdigen voor een misdrijf geen gevangenisstraf krijgen. Zij kunnen wel voor een periode van maximaal 6 maanden in een tuchtschool geplaatst worden.



Ook voor jongeren zijn taakstraffen mogelijk. Speciaal hiervoor is het HALT-project (Het ALTernatief) opgericht.



Het onderscheidt tussen misdrijf en overtreding heeft te maken met wat de samenleving wel of niet moreel verwerpelijk vind



- 2E BOEK:

Het onderscheidt tussen misdrijf en overtreding heeft te maken met wat de samenleving wel of niet moreel verwerpelijk vind



Misdrijven = verkrachting, moord, mishandeling…enz = iedereen begrijpt dat dit niet kan. -> Arrondissementsrechtbank. -> strafblad en meestal gevangenis is.



- 3E BOEK:

Overtredingen = links rijden op weg…enz = iedereen weet dat dit niet kan, maar is niet zo erg. -> door de Kantonrechter. -> meestal geen strafblad



Hoofdstuk 8: Het strafproces



Voorlopige hechtenis: opsluiting in afwachting van het proces

In Nederland word iemand onschuldig geacht tot het tegendeel is bewezen.

In de VS, GB, Frankrijk, en in België -> een jury, samengesteld uit willekeurig gekozen mensen uit de samenleving. De rechter fungeert in dit gebeuren als voorzitter, bepaalde de hoogte van de straf.



Nederlandse strafprocesrecht -> in het Wetboek van Strafvordering. Proces door deskundigen gedaan, niet door een jury.

• De rechter zit het proces voor. Hij ondervraagt getuigen, deskundigen en de verdachte. Hij moet oordelen, is hij schuldig ja/nee, welke straf->

• De officier van justitie beslist of een verdachte voor de rechter moet verschijnen. Is dat het geval, dan heeft de officier tot taak de tenlastelegging (een aanklacht gebaseerd op wettelijke bepalingen) te formuleren. Tijdens het proces moet hij ervoor zorgen dat de bewijzen tegen de verdachte aan de rechter worden overgelegd. Hij doet dat door getuigen, deskundigen en de verdachte te ondervragen. In zijn requisitoir (slotpleidooi) eist de officier van justitie een bepaalde straf. Alle officieren van justitie samen = het Openbaar ministerie.

• Prodeo-advocaat-> betaald door de overheid. -> belangen van de verdachte verdedigen en zijn best te doende bewijzen van de officier van justitie te ontkrachten om tot vrijspraak of een zo laag mogelijke straf te komen. Tijdens het proces zal de advocaat ook getuigen, deskundigen en de verdachte verhoren. Een advocaat heeft een geheimhoudingsplicht.

• Zowel de officier van justitie als de advocaat kunnen getuigen oproepen. Zij moeten eerlijk antwoord geven.

• De rol van de verdachte zelf tijdens het hele proces is erg beperkt. Hij hoeft niets te zeggen. De verdachte heeft wel het recht op een laatste woord voordat de rechters zich terug trekken om zich te beraden over het vonnis.

• Het slachtoffer speelt een kleine rol. Hij kan als getuige worden gehoord.



Er zijn in Nederland veel verschillende rechters. Wie welk strafbaar feit behandeld, hangt af van de competentie= bevoegdheid, we spreken daarbij van:



Relatieve competentie: de bevoegdheid van een bepaalde rechter in een bepaalde streek

Absolute competentie: de bevoegdheid om te oordelen in bepaalde delicten.

- kantonrechter: behandeld overtredingen, hij vonnist alleen

- (arrondissements)rechtbank: behandelen misdrijven

- alleenrechtsprekende politierechter: behandeld eenvoudige zaken

- meervoudige kamer: behandeld meer ingewikkeldere zaken

- kinderrechter: behandeld bepaalde overtredingen en misdrijven voor onder 18 jaar.

- hoger beroep: verdachte of een officier van justitie -> niet eens met de uitspraak van een rechter-> -> in hoger beroep, zaak wordt voorgelegd aan hogere rechter

- Het hof handelt alleen beroepszaken en grote belastingzaken.

- Hoge Raad: is het hoogste rechtsorgaan van ons land, toetst uitsluitend of lagere rechters de wetgeving op de juiste manier hebben toegepast. Soms moet de Hoge Raad daarbij uitspraak doen over een onduidelijke bepaling in de wet. Deze uitspraken zijn erg belangrijk omdat lagere rechters er altijd rekening mee zullen houden. Op deze manier ontstaat jurisprudentie.

cassatie: in beroep gaan bij de hoge raad (in cassatie gaan)

vonnis: een uitspraak van de kantonrechter en de arrondissementsrechtbank

arrest: uitspraak van het hof en de hoge raad

raadsheren: de naam van rechters bij het Hof en de Hoge Raad



bij elke rechtszitting treedt er een lid van het Openbaar Ministerie op als aanklager:

- bij het kantongerecht en bij de arrondissementsrechtbank -> officier van justitie

- bij het Hof en de Hoge Raad -> procureur-generaal

- voor verkeersdelicten -> verkeersschout.



Het Openbaar Ministerie heeft drie belangrijke taken:

* het leiden van het opsporingsonderzoek (samen met politie)

* het vervolgen van strafbare feiten -> seponeren = zaak hoeft niet voor de rechter.

(opportuniteitsbeginsel -> bij beslissingen -> alg. belang weegt zwaarder dan de vervolging v/d verdachte.)

* het doen uitvoeren van de opgelegde vonnissen.



Taken van de politie:

Openbare orde handhaven, Hulp verlenen, Strafbare feiten opsporen.|->

• De politie mag persoon staande houden en vragen naar zijn gegevens (naam/adres) De persoon moet wel verdacht worden van een strafbaar feit.

• De politie mag een verdachte aanhouden en meenemen naar het bureau voor een verhoor.

• De politie mag een verdachte onder bepaalde voorwaarden langer vasthouden. De officier van justitie moet altijd toestemming geven hiervoor. Hij doet dat als de politie meer tijd nodig heeft voor het onderzoek of als het gaat om een zwaar misdrijf. Deze inverzekeringstelling duurt maximaal 6 dagen en vindt plaats op het politiebureau. Onder bepaalde voorwaarden mag een officier van justitie een verdachte nog langer vasthouden-> maximaal 102 dagen.

• De politie mag onder bepaalde voorwaarden zaken in beslag nemen, mensen fouilleren, huiszoeking doen, telefoons aftappen enz.

• De politie mag door het aanbieden van een schikking de straf op bepaalde overtredingen zelf afhandelen.



rechten van de verdachte:

- verdachte heeft het recht om te weten waarvan hij verdacht wordt

- vanaf het moment dat hij in verzekering gesteld word heeft de verdacht recht op hulp van een advocaat of raadsman

- de verdachte hoeft op geen enkele manier mee te helpen aan zijn eigen veroordeling, mag zwijgen, moet echter wel mee meewerken aan identificatie

- de verdacht mag maar een beperkte tijd worden vastgehouden

- verdachte heeft in een rechtzaak het recht om in hoger beroep te gaan



reclassering: aantal particuliere, door de overheid gesubsidieerde instellingen. DOEL = “zich in te spannen voor de maatschappelijke inpassing van mensen die met het strafrecht in aanraking komen, herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen en overlast te verminderen”.

ze proberen hun doel te bereiken door:

- het verlenen van vroeghulp (bijv voorstellen doen voor alternatieve straffen)

- verzorgen van een voorlichtingsreportage voor de rechter. (omst. Verdachte)

- voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van taakstraffen.

- de ex-gedetineerden helpen bij hun terugkeer in de maatschappij.



Landelijke Organisatie Slachtofferhulp (1984).

Wanneer een slachtoffer een vergoeding wil hebben moet hij die via een procedure voor de burgerlijke rechter verkrijgen. Ook kan hij een beroep doen op bureau slachtofferhulp of schadefonds geweldsmisdrijven.



Hoofdstuk 9: De discussie over straf



functies en doelen van straf:

- generale preventie = dreigen met straffen -> afschrikken van criminaliteit. Of de pakkans hoger maken -> afschrikken van criminaliteit

- speciale preventie = het geven van straf met bedoeling herhaling van een misdrijf voorkomen, iemand die in de gevangenis heeft gezeten moet daar zo van onder de indruk zijn dat hij het wel zal laten om de misdrijf nog een keer te plegen,

recidiveren: voor hetzelfde delict terugkomen

- handhaving van de rechtsorde = straffen voorkomt dat burgers zelf t heft in handen nemen, waardoor het een puinhoop zal worden.

- vergelding = ‘opzettelijk en gerechtvaardigd leed toevoegen aan een misdadiger” niemand zou het begrijpen wanneer een zware misdaad ongestraft zou blijven omdat het toch niks oplevert en het geen nut heeft voor de samenleving.

- resocialisaite = (Beginselenwet Gevangeniswezen) de straf word dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van gedetineerde in het maatschappelijk leven. Hoe langer iemand vastzit -> hoe moeilijker het is om terug te keren in de samenleving.



- beveiliging van de maatschappij en burgers = Misdadiger gevangen = veiliger voor samenleving.

- genoegdoening = aan de wensen van het slachtoffer voldoen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.