Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Politieke besluitvorming

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 996 woorden
  • 23 oktober 2002
  • 31 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 31 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1
- Politiek: De gezaghebbende toedeling van waarde.
- Beleid: Het kiezen van doelen en het inzetten van middelen in een bepaalde tijdvolgorde.
- Proces van politieke besluitvorming: De wijze waarop het beleid van de overheid tot stand komt.
- Politieke besluiten: De inhoud van het overheidsbeleid.
- Kerntaken: De belangrijkste taken van de overheid.
- Belangentegenstellingen: De opvatting van een persoon.

Hoofdstuk 2
- Systeemmodel: Een schematische voorstelling van zaken die probeert te verklaren via welke fases een bepaald proces altijd verloopt.

- Invoer (input): De eisen en wensen die vanuit de samenleving naar voren worden gebracht.
- Sluis- of poortwachters: Individuen, belangenorganisaties, actiegroepen en politiek partijen die ervoor zorgen dat een deel van de opvattingen worden doorgeven aan de politici in Den Haag.
- Gezag: De acceptatie van de burgers.
- Omzetting (conversie): Als eisen, wensen en steun van het volk worden vertaald in politieke besluiten.
- Agendavorming: Eisen van mensen worden serieus bekeken.
- Beleidsvoorbereiding: Het verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van adviezen over het te voeren beleid.
- Beleidsbepaling: Het keuren van voorstellen door het parlement.
- Uitvoer (output): Uitvoering van de eisen in de vorm van wetten, koninklijke besluiten etc.
- Terugkoppeling (feedback): De wijze waarop op de uitvoer wordt gereageerd.
- Beleidsevaluatie: Regering of parlement stellen zich de vraag of het ingevoerde beleid wel goed is.

- Barrièremodel: Een model om het proces van politiek besluitvorming te verduidelijken, maar dan abstracter en praktischer.

Hoofdstuk 3
- Democratie: Dat betekent dat “de burgers regeren”.
- Volkssoevereiniteit: Een regeringsvorm waarbij de macht van de regeerders uiteindelijk afkomstig is van de burgers.
- Democratische centralisme: Besluiten van hogere organen zijn in principe bindend voor lagere organen.
- Grondrechten: Rechten waarin individuele vrijheden van alle burgers tegenover de overheid gewaarborgd worden.
- Legaliteitsbeginsel: Dit beginsel houdt in dat iemand alleen veroordeeld en gestraft mag worden op grond van duidelijk geformuleerde regels.
- Indirecte democratie: De bevolking is niet rechtstreeks betrokken bij belangrijke overheidsbeslissingen.
- Referendum: Een volksraadpleging waarin de bevolking in enkele zeer belangrijke kwesties wordt gehoord.
- Parlementaire democratie: Het kenmerk hiervan is dat de parlementsleden door de burgers via vrije en geheime verkiezingen kunnen worden gekozen.
- Representatie-democratie: Hetzelfde als indirecte democratie.
- Representaviteit: Als de standpunten van de gekozen vertegenwoordigers overeen komen met die van de kiezers.
- Sociale beweging: Bestaat uit diverse actiegroepen die eenzelfde doel nastreven.
- Parlementair stelsel: Dat een nieuwe regering niet kan regeren zonder het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging.
- Constitutionele monarchie: De koning is het staatshoofd, het koningschap is erfelijk maar de koning is gebonden aan de constitutie (de grondwet).
- Ministeriële verantwoordelijkheid: Als de regering verantwoording schuldig is aan het parlement voor het doen en laten van het staatshoofd.
- Presidentieel stelsel: Als in landen de volksvertegenwoordiging en de president rechtstreeks wordt gekozen door het volk.
- Evenredige vertegenwoordiging: Dat het aantal parlementsleden van 1 partij evenredig is aan het aantal stemmen dat op die partij landelijk is uitgebracht.
- Districtenstelsel: Een kiesstelsel als mensen gekozen willen worden, zich kandidaat moeten stellen in hun eigen district.
- Meerderheidsstelsel: Als kandidaten van de twee grootste partijen tegenover elkaar staan. Doordat ze de absolute meerderheid moeten hebben.
- Beperkt districtenstelsel: Hierbij vaardigt elk district een aantal vertegenwoordigers af en bestaat binnen de districten een systeem van evenredige vertegenwoordiging.

Hoofdstuk 4
- Actoren: De voornaamste spelers uit elke fase van het proces.
- Contrasigneren: Het bekrachtigen van wetten en koninklijke besluiten door een handtekening door het staatshoofd.
- Kabinet: De ministers tezamen.
- Trais politica: De leer van machtenscheiding (de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht).
- Eerste kamer: Wordt door een indirecte manier door het volk gekozen.
- Recht van amendement: Dat de Tweede Kamer wetsvoorstellen mag wijzigen.
- Recht van initiatief: Dat de Tweede Kamer zelf wetsvoorstellen mag indienen.
- Budgetrecht: Als de beide kamers moeten komen tot een nieuwe begroting of anders opstappen.
- Recht van interpellatie: Een van de Kamers beslist dan dat een minister in de Kamer moet verschijnen om daar vragen van kamerleden over een bepaalde kwestie te beantwoorden.
- Motie: Een op schrift gestelde wens of uitspraak van een van de Kamers gericht aan de regering of en van de bewindslieden.
- Recht van enquête: De beide kamers kunnen een onderzoek instellen naar het gevoerde beleid op een bepaald terrein.
- Dualisme: Dat de regering en het parlement duidelijk verschillende functies hebben.
- Monisme: De balans van machtsverdeling duidelijk doorslaan naar een van beide organen.
- Kader- of raamwet: Een wet waarin slechts de grote lijnen worden geregeld.
- Algemene maatregelen van bestuur (AMvB): Algemeen geldende wetten die niet de goedkeuring van het parlement hoeven te hebben.
- Regeerakkoorden: Een overeenkomst tussen de regering en de regeringspartijen.
- Specialist: Een kamerlid dat zich grondig heeft ingewerkt op een bepaald beleidsterrein.
- Vaste kamercommissies: Specialisten van verschillende fracties.
- Coalitie: Een samenwerkingsverband van meerder partijen.
- Regeerakkoord: Partijen stellen hier in vast welke koers ze in de komende periode gaan varen.
- Regeringspartijen: Partijen die deelnemen aan de coalitie.
- Oppositiepartijen: Partijen die niet deelnemen aan de coalitie.

Hoofdstuk5
- Overheidsbureaucratie: Ambtenaarapparaat.
- Hiërarchische structuur: Dat iedere ambtenaar verantwoording schuldig is aan een hogere ambtenaar.
- Vierde macht: De ambtenaren.
- Verkoring: Als verschillende ambtenaren met verschillende bazen niet van elkaar precies weten wat er gedaan wordt.
- Adviesorganen: Niet-ambtelijke colleges die tot taak hebben het kabinet of individuele ministers te adviseren over het te voeren beleid.
- Raad van State: Het hoogste adviescollege in ons land.
- Administratieve rechtspraak: Een rechtspraak over geschillen met overheidsbesturen.
- AROB-procedure: De procedure voor de administratieve rechtspraak.
- Sociaal Economische Raad (SER): Een belangrijk adviescollege.
- Kroonleden: Vertegenwoordigers van de overheid.
- Planbureaus: Wetenschappelijke instellingen die kennis en inzichten moeten aanreiken ter onderbouwing van het te voeren overheidsbeleid.
- Centraal Planbureau: Bestudeert voorla de ontwikkelingen op sociaal-economisch terrein en probeert op dit gebied prognoses te geven.
- Sociaal-cultureel Planbureau: Deze doet hetzelfde als degene hierboven maar dan op sociaal-cultureel terrein.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.