Politieke besluitvorming

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 3383 woorden
  • 5 november 2001
  • 331 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
331 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

ADVERTENTIE
Fix onze energie!

Studeer energie & techniek. Iedereen staat te springen om jou! We hebben namelijk veel technische toppers nodig die de energie van morgen fixen. Met een opleiding in energie & techniek ben je onmisbaar voor de toekomst. Check Power Up The Planet en ontdek welke opleiding het beste bij je past! 

Check Power Up The Planet!

Hst 1 Politiek
Enge zin Ruime zin = politiek van staat of land = politiek van individu/groep

Politiek = gezaghebbende toedeling van waarden Gaat dus om de vraag wie wat krijgt, waar, wanneer en in welke vorm
Beleid is het kiezen van doelen en het inzetten van middelen in bepaalde volgorde. Het is een goed beleid als het: - Effectief is - Efficiënt

Bij politiek: 2 aspecten van het beleid: 1. De wijze waarop het beleid tot stand komt  proces van politieke besluitvorming
2. De inhoud van het beleid  politieke besluiten

In de samenleving zijn verschillende groepen met eigen normen, waarden en belangen. De overheid moet de diverse belangen tegen elkaar afwegen en besluiten nemen. Politiek omvat het hele proces: groeperingen maken wensen kenbaar, overheid neemt besluiten en besluiten zelf.

Elke staat heeft een overheid. Staat = een groep mensen die op een bepaald grondgebied die geregeerd worden door een soevereine macht. Soevereine macht = hoogste vorm van macht die geen verantwoording aan anderen verschuldigd is. Overheid = draagster van die soevereine macht. Het staats hoofd en de ministers oefenen deze macht uit met behulp van ambtenarenapparaat. De volksvertegenwoordiging controleert deze macht.

Overheid bemoeit zich met dingen die door de burgers zelf niet goed zouden worden geregeld. De belangrijkste kerntaken zijn:  Zorg voor openbare orde en veiligheid  Zorg voor sociaal-economische zekerheid (bijv. werkgelegenheid)  Zorg voor sociaal-culturele zaken (bijv. onderwijs)

Politiek in ruime zin verschilt qua definitie per persoon. Dat hangt af van belangentegenstellingen. Het algemeen belang is uiteindelijk van grotere betekenis dan de tegenstrijdige belangen van de individuen en groepen. Hst. 2 Er zijn 2 modellen om het proces van politieke besluitvorming in kaart te brengen. Het systeemmodel en het barrièremodel. Systeemmodel = schematische voorstelling van zaken die probeert te verklaren via welke fases een bepaald proces verloopt.

Invoer omzetting uitvoer (Input) (conversie) (output)

terugkoppeling (feed-back)

Invoer = eisen en wensen die vanuit samenleving naar voren worden gebracht. Individuen, groeperingen etc. moeten zorgen dat een deel van die opvattingen aan politici worden doorgegeven  sluis of poortwachters.

Het gevoerde beleid kan dus actief gesteund worden  demonstraties etc. opiniebladen en bladen. Ook passief gesteund of bekritiseerd  uitblijven van protest tegen genomen maatregelen.

Eisen, wensen en steun moet worden vertaald naar een politiek besluit  omzetting/conversie.  Verloopt in 3 fases. 1e fase  politici moeten eisen serieus nemen en op de politieke agenda zetten: agendavorming. Of een maatschappelijk probleem op de agenda komt hangt af van:  Wordt situatie door publiek als onjuist of verwerpelijk ervaren?  Komt die verkeerde situatie vaak voor of roept die hevige emoties op?  Kan de verkeerde situatie worden veranderd?  Komen de eisen langs sluis- of poortwachters?  Is op de politieke agenda wel ruimte over op over de kwestie te praten?

2e fase  beleidsvoorbereiding: gebeurt onder verantwoording van regering.  Verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van adviezen over het te voeren beleid. Resultaten van de onderzoeken worden in nota’s vastgelegd. Kunnen ook aanbevelingen bevatten voor de te nemen beslissingen.

Dit wil je ook lezen:

3e fase  beleidsbepaling: gebeurt door ministers in samenwerking met parlement. Minister komt met voorstellen en parlement keurt goed/af.

Inhoud van het te voeren beleid krijgt gestalte in de uitvoer (output). Eenmaal genomen besluiten moeten worden uitgevoerd. De wijze waarop op de uitvoer wordt gereageerd heet de terugkoppeling (feedback) bijv. protest of juist geen protest. Regering wordt ook geëvalueerd door te kijken of een beslissing goed heeft gewerkt: beleidsevaluatie. Elke vorm van terugkoppeling kan leiden tot nieuwe invoer.

Het proces van politieke besluitvorming vindt plaats in een omgeving die op allerlei manieren inwerkt op het proces. Deze omgeving bestaat uit:  Kenmerken van eigen samenleving: demografisch, ecologisch, cultureel, economisch, technologisch en sociaal  Relaties met andere landen: Ne wordt beïnvloed door ontwikkelingen van andere landen. NE is ook lid van veel organisaties zoals EU, NAVO.

Kritiek op de systeembenadering:  Besluitvormingsproces verloopt niet altijd via deze fases  Model geeft geen waardeoordeel over de manier waarop de overheid haar rol vervult.  Model laat niet zien dat er al een hele strijd is geleverd tijdens de invoerfase: Wie meer macht heeft, krijgt zijn eisen makkelijker op de politieke agenda.  Model geeft niet aan wat er gebeurt wanneer de actiegroepen het recht van de overheid om te beslissen gaan bestrijden.  Legt alleen het politieke proces uit. Houdt geen rekening met politieke cultuur van land: wel niet stemmen? Veel protesten?

Ander model om politieke besluitvorming te verduidelijken: barrièremodel. Het gaat ervan uit dat er 4 barrières moeten worden overwonnen voordat een wens uit de samenleving uiteindelijk tot concrete daad is omgezet.

Mensen hebben wensen en verlangens  Barrière 1 Herkennen eisen/wensen Burgers, actiegroepen, massamedia, belangenorg. Barrière 2 Vergelijken eisen/wensen Politieke partijen
Barrière 3 Beslissen over eisen/wensen 1e Kamer + 2e Kamer + kabinet
Barrière 4 Uitvoeren van besluiten Ministers, ambtenaren + diverse organisaties

1e  alleen lukt niet. Moet een actiegroep vinden en aandacht van de media krijgen
2e  met de actiegroep moet je een politieke partij benaderen. Partij gaat jou wensen vergelijken met uitgangspunten van partij. 3e  over de voorstellen moet een beslissing worden genomen. Belangrijkste fase
4e  het besluit moet worden uitgevoerd door ambtenaren.

Systeembenadering en barrièremodel benaderen de politieke besluitvorming beide vanuit een andere hoek. Daarom zijn de 2 systemen samengevoegd tot het geïntegreerde model. Barrière 1 Barrière 4 Hst. 3 Democratie betekent letterlijk: de burgers regeren. Het principe van volkssoevereiniteit ligt in dat woord opgesloten. Volkssoevereiniteit = regeringsvorm waarbij de macht van de regeerders uiteindelijk afkomstig is van de burgers. Soevereiniteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd: in het Westen door democratie, in het Oostblok door regeren voor bevolking.

In communistische landen wordt gestreefd naar opheffing van klassentegenstellingen. Rol van arbeider staat voorop. Andere partijen mogen deze leidende rol niet bedreigen anders komt het hele volk in gevaar. Dus wel discussie binnen communistische partij maar hogere organen waren bindend voor lagere organen  democratisch centralisme

In Westerse opvatting is ruimte voor meerdere politieke partijen. Het volk bepaald via algemene verkiezingen weke partij of coalitie de macht krijgt. Volk beslist zelf wat goed is voor zichzelf.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Volksdemocratie Westerse democratie
Regering in het belang van het volk Regering door het volk
Leidende rol voor communistische partij Meerdere elkaar beconcurrerende partijen
Democratische centralisme pluriformiteit

In NE kun je pas over een democratie spreken als een groot aantal kenmerken uit de grondwet is vastgelegd. Grondwet = voornaamste wet in een land: voornaamste staatsorganen, principiële rechten en plichten van burgers en de staat

Principiële uitgangspunten van grondwet:  Macht dient bij volk te liggen: actief kiesrecht en passief kiesrecht  Volksvertegenwoordiging is hoogst macht in het land  Besluitvorming gebeurt met meerderheid van de stemmen  Gelijkwaardigheid van alle mensen die zich in Nederland bevinden. Discriminatie is verboden

Democratie is alleen mogelijk in een rechtsstaat volgens westers denken. Rechtsstaat = staat waarin alle burgers tegen de willekeur van de overheid worden beschermd. Kenmerkend voor de rechtsstaat zijn:  Bestaan van grondrechten. Grondrechten = rechten waarin individuele vrijheden van alle burgers tegenover de overheid gewaarborgd worden  Onafhankelijkheid van rechterlijke macht  Openbaarheid van bestuur: overheid is verplicht informatie te geven over de uitvoering van haar taken  Legaliteitsbeginsel = het bestuur van het land berust op wetten
NE democratie laat zich nog typeren als representatie-democratie of indirecte democratie

Bevolking wordt gehoord in zeer belangrijke kwesties  via een volksraadpleging of referendum. Nederland is een indirecte democratie = bevolking is niet direct betrokken bij belangrijke overheidsbeslissingen, maar slechts indirect via gekozen volksvertegenwoordiging: het parlement.  daarom NE ook parlementaire democratie genoemd Kenmerk: parlementsleden kunnen worden gekozen door burgers via vrije en geheime verkiezingen

Indirecte democratie wordt ook wel representatie-democratie. Personen die door de burgers zijn gekozen, besturen het land en ontwikkelen een beleid namens de burgers. Komen standpunten van gekozen vertegenwoordigers overeen met standpunten kiezers  representativiteit

Representatie en representativiteit vallen niet altijd samen:  Partijen vertegenwoordigen niet op alle beleidspunten de ideeën van hun kiezers.  Een deel van de burgers voelt zich niet vertegenwoordigd door bestaande politieke partijen. Daardoor ontstaan nieuwe politieke partijen en sociale bewegingen  bestaat uit diverse actiegroepen die een zelfde doel nastreven

NE heeft een parlementair stelsel = nieuwe regering kan niet regeren zonder het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging.  heeft altijd het laatste woord

Volgens de grondwet is het Nederlands Staatshoofd de koning  constitutionele monarchie. De regering is tegenover het parlement verantwoording schuldig voor het doen en laten van het staatshoofd  ministeriele verantwoordelijkheid. Positie van staatshoofd is daarmee anders dan in een presidentiele stelsel  volksvertegenwoordiging en staatshoofd worden direct gekozen. President kan regering benoemen en ontslaan.

NE kiesstelsel  evenredige vertegenwoordiging  aantal parlementsleden van een partij is evenredig aan het aantal stemmen dat op de partij is uitgebracht

Sommige landen  districtenstelsel land wordt opgedeeld in districten. Elk district kan een of meer vertegenwoordigers sturen naar de volksvertegenwoordiging sturen
2 varianten: 1) District heeft het recht om 1 vertegenwoordiger te sturen, gekozen door meerderheid van de stemmen  meerderheidsstelsel
Nadeel: kleine partijen worden nooit vertegenwoordigd. Voordeel: geen lange kabinetsformaties, verkiezingen leveren een duidelijk winnaar op
2) Beperkte districtenstelsel  elk district vaardigt een aantal vertegenwoordigers af en bestaat binnen de districten een systeem van evenredige vertegenwoordiging

Hst. 4
Spelers uit de verschillende fases van het barrièremodel en systeemmodel heten actoren. Bij constitutionele monarchie zijn de belangrijkste actoren: de koning, de regering en het parlement.

De koning  bij grondwetsherziening in 1848 heeft koning meeste macht verloren aan ministers en parlement.  Thorbecke
Koning verloor recht om kabinet samen te stellen
Koning verloor zijn invloed in samenstelling van parlement. Koning kan nooit iets fout doen omdat de ministers voor alles wat de koning doet verantwoordelijk is.

Meeste taken  representatief. Formeel moet koning wel wetten en koninklijke besluiten bekrachtigen met handtekening  contrasigneren
Staatshoofd kan ook enige invloed uitoefenen op kabinetsformaties. Het bepaald wie de formateur wordt en met welke opdracht deze moet gaan werken. Koning bepaald zijn keuze op grond van adviezen van lijsttrekkers.

Ministers  Alle ministers samen = kabinet. Een regering wordt gevormd op basis van de steun van een meerderheid in de 2e kamer.

Montesquieu (1689-1755) heeft het idee van trias politica ontwikkeld.  onderscheid tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht
Machten moeten uitgeoefend worden door 3, van elkaar onafhankelijke staatsorganen. In zuiverste vorm: Regering = uitvoerende Volksvertegenwoordiging = wetgevende College van rechters = rechtelijke
Regering heeft echter meer macht dan volgens Montesquieu zou moeten. Bovendien is regering ook nog medewetgever. Taakomschrijving regering = regering is verantwoordelijk voor voorbereiding en uitvoering van het overheidsbeleid en medeverantwoordelijk voor de wetgeving. Regering gaat met voorstellen naar parlement

Regering gaat wetten/besluiten die zijn goedgekeurd door parlement uitvoeren

Het parlement  wordt in NE grondwet Staten-Generaal genoemd. Bestaat uit 2 kamers: Tweede kamer  minstens om de vier jaar rechtstreeks gekozen door burgers. Zijn 150 volksvertegenwoordigers. Eerste kamer  Leden Provinciale Staten kiezen 75 leden van Eerste Kamer. Zij krijgen dan een mandaat voor 4 jaar.

Parlement moet wetgevende macht delen met de regering. Om zijn taak als wetgevende macht goed uit te kunnen voeren heeft het parlement in de grondwet geregelde middelen ter beschikking:  Beide kamers hebben het recht wetsvoorstellen te aanvaarden/verwerpen  Tweede kamer mag wetsvoorstellingen wijzigen  recht van amendement  Tweede kamer mag zelf wetsvoorstellen indienen  recht van initiatief  Beide kamers kunnen begroting wijzigen en verwerpen.  budgetrecht.

Volksvertegenwoordiging  ook controlerende functie. Om deze taak goed uit te kunnen voeren hebben ze de volgende middelen:  Beide kamers kunnen mondeling/schriftelijk vragen stellen aan bewindslieden  Beide kamers hebben recht van interpellatie  Een van de kamer belist dan dat een minister in de Kamer moet verschijnen om daar vragen te beantwoorden  Beide kamers kunnen moties aannemen. Motie = op schrift gestelde wens/uitspraak van een van de Kamers aan de regering of een van de bewindslieden.  Beide kamers hebben het recht van enquête: zij kunnen onderzoek instellen naar het gevoerde beleid op bepaald terrein.

Naast deze grondwettelijke middelen zijn er ook nog informele middelen:  Kamerfracties kunnen lobbyen bij hun ministers: minister en kamerleden kunnen informeel informatie inwinnen. Leden van oppostiepartijen hebben meer moeite met lobbyen  Kamerleden kunnen overleggen met pressiegroepen en ambtenaren
pressiegroepen  maatschappelijke druk
ambtenaren  binnen ministerie  Kamerleden kunnen massamedia hanteren als spreekbuis  Kamerleden kunnen eigen bewindslieden via hun partij onder druk zetten  Kamerleden kunnen altijd dreigen met het gebruik van formele middelen.

Verhouding tussen regering en het parlement is dualistisch   Toch ook monistische kenmerken. Monisme = de balans van de machtsverdeling doorslaat naar een van beide organen: bedoelen toegenomen macht van kabinet: - Parlement heeft wetgevende taak voor deel doorgegeven aan regering. Steeds meeer kader- of raamwetten = wet waarin grote lijnen worden geregeld. Parlement geeft regering bevoegdheid om wet in te vullen. Veel wetgeving vindt daardoor plaats via algemene maatregelen van bestuur  geen goedkeuring van parlement. Normaal dus wel met goedkeuring parlement  wetten in formele zin - Regering kan beschikken over groot ambtenarenapparaat met veel specifieke kennis. Kamerleden moeten zonder die kennis werken. - Steeds meer zaken worden geregeld in regeerakkoorden = overeenkomst tussen regering en de regeringspartijen gemaakt tijdens de formatie, waarin grote lijnen van het beleid van komende regeerperiode zijn vastgelegd. Zo wordt ruimte van parlement kleiner - Ministers kunnen dreigen met aftreden als Kamer niet akkoord gaat. Kamer kan dan alsnog instemmen

Toch ontwikkelingen om invloed van parlement te vergroten: - In de Kamer meer specialisten = kamerlid die zich op een bepaald beleidsterrein heeft ingewerkt - Specialisten uit verschillende fracties vormen een commissie  vaste kamercommissies. - Bewindslieden kunnen plannen al vroeg in nota’s verwoorden

In parlement zitten altijd verschillende partijen. Regering moet altijd steunen op een coalitie  samenwerkingsverband met meerdere partijen. Na verkiezingen zullen partijen onder leiding van een informateur (voor vooronderzoek) of een formateur (wordt later Minister-President) overleggen over mogelijke samenwerking. Partijen stellen uiteindelijk een regeerakkoord op  welke koers gaan ze varen?  regeringspartijen
niet deelnemen aan coalitie  oppositiepartijen

Hst. 5 Ambtenaren, planbureau’s, en adviescolleges geven adviezen aan overheid

Geen enkele overheid kan zonder ambtenarenapparaat = overheidsbureaucratie.

Ambtenaren zijn werknemers van de overheid die opdrachten van de regering moeten uitvoeren. Duitse socioloog Max Weber heeft gestudeerd op bureaucratie  ideale situatie: ambtenaren moeten volgens vaste procedures werken in een hiërarchische structuur: iedere ambtenaar moet verantwoording afleggen aan een hogere ambtenaar. Hoogste zijn verantwoording schuldig aan minister. Eigen voorkeuren mogen niet meespelen.  ambtenaren zijn dus maar instrumenten

In werkelijkheid is dit anders  ambtenaren zijn de vierde macht. Ambtenaren blijven vaak langer op een positie zitten dan ministers, zij zorgen voor continuïteit.

Ambtenaren moeten dus besluiten uitvoeren  daarbij kunnen ze de regels zelf interpreteren en hebben daardoor dus ook een vorm van macht.

Voordeel bureaucratie * burgers moeten allemaal hetzelfde proces doorlopen * Ambtenaren kunnen dus geen persoonlijke voorkeuren uitspreken
Nadeel bureaucratie: * te veel regels: leidt tot traagheid, inefficiëntie en ondoelmatigheid * Omvang en complexiteit leidt ertoe dat ambtenaren oncontroleerbaar worden * Verkokering = langs elkaar heen werken van verschillende ministeries

Adviesorganen = niet-ambtelijke colleges die tot taak hebben het kabinet of individuele ministers te adviseren over het te voeren beleid. 2 belangrijke adviesorganen: 1. De Raad van State  hoogste adviescollege. Moet advies geven over alle wetsvoorstellen, voorstellen tot algemene maatregelen van bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen. Raad van State ook hoogste rechterlijke orgaan op gebied van administratieve rechtspraak = rechtspraak over geschillen met overheidsbesturen. Procedure voor de rechtsspraak heet AROB-procedure
2. Sociaal Economische Raad  vertegenwoordigers van werknemers, werknemers en overheid. Vertegenwoordigers overheid = kroonleden. Adviseren over sociaal-economisch beleid

Planbureau = wetenschappelijke instellingen die kennis en inzichten moeten aanreiken ter onderbouwing van het te voeren overheidsbeleid. Op grond van studies geven zij vermoedelijke gevolgen. 2 belangrijke planbureau’s: 1. Centraal Planbureau  bestudeert vooral ontwikkelingen op sociaal-economisch terrein en geeft prognoses. 2. Sociaal-Cultureel Planbureau  doet hetzelfde op sociaal-cultureel terrein

Hst. 6 Partijen hebben wel invloed op het doen en laten van hun partijgenoten in het parlement en kabinet. Er zijn 5 functies waarin de invloed van politieke partijen tot uitdrukking komt: 1. Communicatiefunctie  PP dragen bij aan communicatie tussen overheid en burgers. PP zorgt voor verkiezingscampagnes etc… 2. Selectiefunctie  PP bepalen wie er op de kieslijsten komen. PP doen ook aan kadervorming = proberen leden voor te bereiden op politieke werk door hen actief te maken in de afdelingen en bij te scholen. Selectiefunctie geven partijen ook macht over leden met belangrijke politieke functies
3. Integratiefuncties  nemen wensen van mensen op in hun ideeën
4. Participatiefunctie  organiseren lezingen etc. om mensen te winnen voor hun eigen ideeën Proberen mensen actief te betrekken bij politiek
5. Articulatiefunctie  PP brengen publieke eisen en wensen in de samenleving naar voren.

Ook de massamedia vervullen een rol als intermediair tussen overheid en burgers: 1. Informatiefunctie  Massamedia geven burger informatie over overheidsbeleid. Maakt output zichtbaar voor burger
2. Opiniërende functie MM wordt gebruikt om standpunten aan burgers door te geven. 3. Commentaarfunctie  MM levert commentaar op ontwikkelingen in politiek. 4. Controlefunctie  MM laat politiek door specialisten volgen. MM kan politiek beter controleren of politici juiste informatie verschaffen
5. Agendafunctie  Probleem in samenleving wordt via MM aandacht aan besteed daardoor wordt druk ook groter om het niet op politieke agenda te plaatsen.

Hst. 7 Grondwet geeft burger 2 soorten rechten om deel te kunnen nemen aan politieke besluitvorming: 1. Indirect invloed uitoefenen door kiesrecht. 2. Rechten om voor belangen bij politieke machthebbers op te komen en de machthebbers kritisch te volgen: recht voor verzoekschrift, vrijheid van meningsuiting  Typerende voor democratie

Deelname aan het politieke proces heet politieke participatie. 3 verschillende vormen van politieke participatie: 1. Electorale participatie  burger kan gaan stemmen
2. Conventionele vormen van participatie  * Burgers kunnen participeren in een PP. * Burgers kunnen in pressiegroepen en belangenorganisaties zitten

* Met politiek bemoeien door andere organisaties kan ook * Burgers kunnen deelnemen in hoorzittingen: wensen op tafel leggen * Burgers kunnen politici rechtstreeks benaderen via brieven, gesprekken aanvragen
3. Protestparticipatie  handtekeningen, protesten etc.

Participatie kan veranderen in verzet. Vormen van politiek protest zijn: Nm Vorm Voorbeeld
1 Legitiem protest Protest via rechter, demonstraties
2 Non- coöperatie Niet stemmen
3 Geweldloze directe actie Acties Martin Luther King
4 Burgerlijke ongehoorzaamheid Openbaar weigeren belasting te betalen
5 Geweldloze weerbaarheid Stelen van voedselbonnen voor onderduikers in oorlog
6 Burgerlijk verzet Sabotage spoorlijnen
7 Gewapend verzet Guerrillastrijd
8 Rebellie Opstand van leger tegen machthebber
9 Revolutionair verzet Gewelddadige machtsovername

1 t/m 4  demonstranten gaan ervan uit dat overheid macht terecht uitoefent
1 +2 + meestal 3  geen sprake van wetsovertreding
Burgerlijke ongehoorzaamheid  wordt wel de wet overtreden. Gaat nooit gepaard met geweld tegen personen en gebeurt volledig openbaar.

1 t/m 4  demonstranten gaan ervan uit dat overheid macht terecht uitoefent
1 +2 + meestal 3  geen sprake van wetsovertreding
Burgerlijke ongehoorzaamheid  wordt wel de wet overtreden. Gaat nooit gepaard met geweld tegen personen en gebeurt volledig openbaar.

Goede redenen om wel te participeren in politieke besluitvorming: - Mens is een sociaal wezen - Ieder mens weet zelf het beste wat zijn belangen zijn - Als weinig mensen participeren gaan beroepspolitici bepalen wat er op de politieke agenda komt

Oorzaken van geringe participatie:  Onwetendheid en onbekendheid  Dreiging die uitgaat van het meedoen aan politieke activiteiten  Het idee dat politiek nutteloos is  Gebrek aan stimulans  Tevredenheid met de gang van zaken.

Welke mensen zijn wel geinteresseerd in politiek?  Jongeren, mannen en hoger opgeleiden maken vaker gebruik van mogelijkheden tot participatie. Een aantal variabelen:  Leeftijd  ouderen brengen vaker stem uit dan jongeren  Sekse  mannen actiever binnen politiek als vrouwen  Sociaal milieu  hogere klasse gaan meer met politiek om  Opleidingsniveau  Kennis van zaken is nodig om mee te kunnen praten

Hst 8 Pressiegroepen zijn groeperingen die geen politieke partij of publiekrechtelijk orgaan zijn en die op basis van gemeenschappelijke belangen en/of uitgangspunten politieke invloed trachten uit te oefenen.  # bepalen voor groot deel invoer van steun en eisen # terugkoppeling in politiek systeem

2 soorten pressiegroepen: 1. Belangenorganisaties  speciaal opgericht om de belangen van bepaalde groepen mensen te behartigen. Goed georganiseerd: hierarchische organisatiestructuur. Voorbeeld: vakbonden, ANWB .

Woord Betekenis
Politiek gezaghebbende toedeling van waarden
Beleid het kiezen van doelen en het inzetten van middelen in bepaalde volgorde
proces van politieke besluitvorming
De wijze waarop het beleid tot stand komt
politieke besluiten De inhoud van het beleid
Staat een groep mensen die op een bepaald grondgebied die geregeerd worden door een soevereine macht
Soevereine macht hoogste vorm van macht die geen verantwoording aan anderen verschuldigd is
Overheid draagster van die soevereine macht
Systeemmodel schematische voorstelling van zaken die probeert te verklaren via welke fases een bepaald proces verloopt
Invoer eisen en wensen die vanuit samenleving naar voren worden gebracht
sluis of poortwachters Individuen, groeperingen etc. moeten zorgen dat een deel van die opvattingen aan politici worden doorgegeven
beleidsvoorbereiding Verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van adviezen over het te voeren beleid
barrièremodel Model dat ervan uit gaat dat er 4 barrières moeten worden overwonnen voordat een wens uit de samenleving uiteindelijk tot concrete daad is omgezet
Volkssoevereiniteit regeringsvorm waarbij de macht van de regeerders uiteindelijk afkomstig is van de burgers
Grondwet voornaamste wet in een land: voornaamste staatsorganen, principiële rechten en plichten van burgers en de staat
Rechtsstaat staat waarin alle burgers tegen de willekeur van de overheid worden beschermd. Grondrechten rechten waarin individuele vrijheden van alle burgers tegenover de overheid gewaarborgd worden
contrasigneren koning wetten en koninklijke besluiten bekrachtigen met handtekening
kabinet Alle ministers samen
trias politica Leer van de machtsscheiding
regeerakkoorden overeenkomst tussen regering en de regeringspartijen gemaakt tijdens de formatie, waarin grote lijnen van het beleid van komende regeerperiode zijn vastgelegd.

REACTIES

J.

J.

Heei Alieke, dit = n goeie samenvatting!! hassike tof dat je die op scholieren heb gezet...khoop dat ik er wat aan heb..(woensdag toets..)
xxxx Judith

21 jaar geleden

C.

C.

Ik vond het een erg goede samenvatting en heb er veel aan gehad
Bedankt!!!!!

21 jaar geleden

A.

A.

Ik wil je ff heel erg bedanken!!
want heb vrijdag namelijk een toets over dit hoofdstuk..ik had zelf geen zin om het hele boek te leren en om nu nog te beginnen aan een samenvatting.....nee beetje te laat.

groetjes Anouk

21 jaar geleden

M.

M.

hartikke goed, ik heb er veel aan gehad. top!!

21 jaar geleden

`.

`.

Super samenvatting, kan ik goed gebruiken.!!!
Bedankt hé. DDDDOOOEEEEIIII

21 jaar geleden

M.

M.

Hai Alieke!

Echt toppie dat je de samenvatting op het internet hebt gezet, nederland houdt van je en ik nog meer..!!!
Dikke kus van Minke

21 jaar geleden

L.

L.

Wauw, goeie samenvatting van politieke besluitvorming! denk dat ik hier heel veel aan ga hebben, bedankt!

21 jaar geleden

D.

D.

slecht verslag, wel veel, maar niet duidelijk, zeker mavo

21 jaar geleden

P.

P.

vet goed, ik had nie zonder gekunt, dank je wel!!!!

20 jaar geleden

S.

S.

Ja vette samenvatting!!!
Hoe langf ben je ermee bezig geweest. Een eeuw.
Nou door jou kan ik dus eindelijk leren.

20 jaar geleden

M.

M.

he alieke

bedankt voor je samenvatting
ik heb er veel aan gehad

groetjes mark

20 jaar geleden

W.

W.

Hallo!!!Dankjewel voor je goede samenvatting!!!Ik heb er wel wat aan!!!xxx Wypkje!

19 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.