ADVERTENTIE
Maak nu een gratis account aan op Mijn Examenbundel!

Nog 17 weken tot de eindexamens beginnen. Wil jij je zo goed mogelijk voorbereiden? Check Mijn Examenbundel voor een gepersonaliseerd dashboard en rooster, examenstof per vak, gratis oefenexamens en meer!

Naar mijn.examenbundel.nl
Politieke besluitvorming

1. Politiek

1.1 Wat is Politiek

Politiek : De inhoud van het overheidsbeleid én de wijze waarop dit beleid totstandkomt.

De beslissingen die de overheid neemt, zijn van algemeen belang, en hebben te maken met :
- Openbare orde en veiligheid
- buitenlandse betrekkingen
- welvaart
- welzijn

Het politiek bestuur in ons land kent drie niveaus :
- de gemeente
- de provincie
- het Rijk (hele land)
( In Amsterdam bestaat nog een vierde niveau, daar zijn namelijk stadsdeelraden, die besluiten wat er in een bepaalde wijk gebeurt.)


1.2 Invloed op de politiek

Als inwoner van ons land kun je op verschillende manieren invloed hebben uitoefenen op de politiek :
- stemmen
- lid worden van een politieke partij
- een verzoek indienen ( als je een specifiek probleem hebt, kun je een verzoek indienen. Instanties als de gemeenteraad, de wethouder of de provinciale staten zijn verplicht jouw verzoek te bespreken en te beantwoorden.)
- de pers benaderen
- lid worden van een actiegroep
- overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid
- gerechtelijke procedures beginnen

2. Politieke stromingen en partijen

2.1 ideologie

Stroming : een geheel van opvattingen. aan elke politieke stroming ligt een visie op de wereld ten grondslag, die we ideologie noemen.

Ideologie : het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving.

Ideologieën hebben duidelijke standpunten over :
- Normen en waarden; vooral over de mate van persoonlijke vrijheid die moeten worden toegestaan.
- De gewenste sociaal-economische verhoudingen van de samenleving; met name de opvattingen over een rechtvaardige verdeling van welvaart.
- De gewenste machtsverdeling in de samenleving ; bijv. de directie moet altijd beslissen.

3 politieke stromingen in Nederland :
- Socialisme
- Liberalisme
- Christen-democraten

2.2 Eenvoudige indelingen

Progressief : in de politiek betekent dit vooruitstrevend, de maatschappij willen veranderen. Progressieve politici benadrukken de tekortkomingen in de samenleving en pleiten voor grondige veranderingen.

Conservatief : in de politiek betekent dit behoudend. Conservatieve politici benadrukken met name datgene wat er al is bereikt. Conservatieve partijen benadrukken traditionele waarden en normen als gehoorzaamheid, ijver en trouw en houden graag alles bij het oude.

Reactionair : soms gaan politieke conservatieven nog verder en willen ze oude regels die inmiddels door andere regels zijn vervangen, weer herstellen. Dit wordt ook wel reactionair genoemd, letterlijk achteruitstrevend.

Politiek links : sluit over het algemeen aan op de progressieve uitgangspunten. Daarbij benadrukt links het principe van gelijkwaardigheid. Daarom komt links met name op voor mensen met een achterstandspositie omdat deze partijen de nadruk leggen op gelijke kansen voor iedereen op onderwijs, inkomen, en werk.

Politiek recht : sluit vaak aan bij conservatieve uitgangspunten. Rechts legt daarbij de nadruk op bescherming van de persoonlijke en economische vrijheid. Burgers en bedrijfsleven moeten zo veel mogelijk hun eigen zaakjes kunnen regelen. Rechtse partijen zijn tegen een te grote gelijke behandeling van mensen. Als in de inkomens te veel gelijk zijn, verdwijnt volgens hen de prikkel om hard te werken en om eigen initiatief te nemen.

Rol van de staat : de overheid speelt bij zowel links als rechts een belangrijke rol Bij links heeft de overheid de rol van beschermer van de zwakkeren in de samenleving, bij rechts heeft de overheid de rol van bewaker van de vrijheden.

Politieke midden : Veel mensen hebben linkse en rechtse standpunten, zij vormen het politieke midden.

2.3 Liberalisme

De liberalen richtten zich vooral op het ideaal van de vrijheid, omdat ze vonden dat de mensen werden onderdrukt. De staat moest zo min mogelijk beperkingen opleggen en slechts dienstbaar zijn aan het ideaal van de persoonlijke vrijheid. De aanhangers van het liberalisme vinden we in deze eerste periode vooral onder de gegoede burgerij. Dat waren vaak kooplieden en fabrikanten die hun eigen gang willen gaan. Daarom streden zij vooral ook voor economische vrijheid.
In ons land is de VVD de meest kenmerkende liberale partij.

2.4 Socialisme

Zowel liberalen als socialisten streven naar het welzijn van de mens. De liberalen benadrukken de individuele vrijheid, maar de socialisten zijn bang dat dan het recht van de sterkste de zwakken sullen overheersen. De socialisten kiezen daarom voor gelijkheid of gelijkwaardigheid als uitgangspunt.

Sociaal-democraten : de meeste socialisten zijn geen communisten. Zij zijn niet tegen particulier initiatief, maar vinden wel dat de overheid de zwakkeren in de samenleving moet beschermen.
De grootste sociaal.democratische partij in Nederland is de Partij van de Arbeid (PvdA), omdat deze partij wat naar het midden is opgeschoven, zijn er links van de PvdA andere partijen ontstaan zoals GroenLinks en de Socialistische Partij(SP).

2.5 Christen-democratie

Christen-democraten streven naar een samenleving op christelijke grondslag, waarin geloof, naastenliefde en harmonie belangrijke waarden zijn. In deze ideologie is niet de mens het belangrijkste, maar God.
Binnen de christelijke stroming is het rentmeesterschap een belangrijk beginsel; de overheid dient de door God aan de mens 'in bruikleen' gegeven aarde op zorgvuldige wijze te beheren. Volgens de christen democraten heeft de overheid een aanvullende rol. Ze moet zo veel mogelijk overlaten aan particuliere organisaties. De overheid voert alleen taken uit die niet door andere instituten in de samenleving kunnen worden verricht.
De christen-democraten willen een zorgzame samenleving in plaats van een verzorgingstaat. Dit volgt uit hun uitgangspunt van 'gespreide verantwoordelijkheid'.
Het Christen-Democratisch Appèl (CDA) is de grootste christen-democratische partij. Daarnaast zijn er nog klein-rechtse partijen Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) en de ChristenUnie.

2.6 Politieke partijen

van links naar recht kennen we de volgende partijen in de Tweede Kamer :

SP Groenlinks PvdA D66 CDA LPF VVD ChristenUnie SGP

3. Rechtsstaat en democratie

3.1 Staat

We spreken van een onafhankelijke staat als de volgende drie elementen aanwezig zijn ;
- Er is een vast grondgebied of territoir.
- Op het grondgebeid woont een bevolking.
- Er wordt een vorm van gezag uitgeoefend.

In de meeste landen wordt de soevereiniteit, de hoogste macht, uitgeoefend door de overheid. Deze overheid bestaat uit instanties die het land besturen, zoals het staatshoofd en de ministers samen met het ambtenarenapparaat. Omdat Nederlands de macht van de overheid accepterend, zeggen we ook wel dat de overheid gezag heeft.

Gezag : betekent dat je iemand belangrijk vindt of het accepteert dat iemand boven je staat.

Macht : het vermogen om je wil aan anderen op te leggen, eventueel tegen hun zin.

dictatuur : Een staat waarin alle politieke macht in handen is van één persoon of een kleine groep mensen.

In ons land kan de overheid niet zomaar besluiten wat ze zelf willen:
1. Zij moet zich houden aan de Grondwet.
2. De vrijheid van de overheid wordt beperkt door de kiezers. Bij verkiezingen schenkt de bevolking namelijk het vertrouwen aan gekozen politici : de volksvertegenwoordiging
3. De overheid wordt steeds nauwlettend gevolgd door de media.

Rechtstaat : Een staat waarin de overheid is gebonden aan wettelijke regels en waarin de bevolking beschikt over politieke en sociale rechten.

3.2 Rechtstaat

Kenmerken van een rechtstaat :
- er is een grondwet
- burgers hebben grondrechten
- er is een scheiding van de verschillende machten.

Grondwet/constitutie : staan de rechten en plichten van burgers en overheid, en de regels waaraan de overheid zich moet houden, de manier waarop ons democratisch stelsel is geregeld en de rechten en plichten die de koningin heeft. Verder worden daarin de bevoegdheden van politie en leger bepaald.

sociale rechten : rechten om het leven van de inwoners te verbeteren.
- Vrijheidsrechten
- Politieke grondrechten
- Sociale grondrechten

Politieke macht : Het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.

Trias politica -> Montesquieu
Het idee was om de politieke macht op te splitsen in drie onderdelen :
- De wetgevende macht ; stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden, bijv. Leerplicht. In NL is dit de taak van de regering (ministers en Koningin) en het parlement (eerste en tweede kamer) samen.
- Uitvoerende macht : zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook precies worden uitgevoerd, dit is de taak van de ministers.
- Rechtelijke macht : beoordeelt of wetten goed worden nageleefd, deze macht is in handen van rechters.

Grondwet zie blz. 32

3.3 Democratie

Democratie : een staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politiek besluitvorming

Directe democratie : directe zeggenschap van het volk.

referendum : een volksstemming over een wetsvoorstel.

Voordelen van een referendum :
- De bevolking wordt meer betrokken bij de politiek
- Politici zijn beter op de hoogte van de mening van de bevolking over een kwestie

nadelen van een referendum :
- het is erg moeilijk een duidelijke en volledige vraagstelling op te stellen waarop alleen met ja of nee geantwoord kan worden.
- Het is duur en organisatorisch onuitvoerbaar om regelmatig een referendum houden.
- Extreme denkbeelden (fascistische ideeën, voorstellen om buitenlanders te discrimineren), of niet-realistische maatregelen (afschaffing van de belasting) kunnen onder werpen worden waarover men een referendum wil houden. Het is de vraag of zoiets wenselijk is.

Indirecte democratie : Het volk neemt zelf geen beslissingen maar laat dit over aan gekozen vertegenwoordigers. We spreken ook wel van een parlementaire democratie omdat het parlement de belangrijkste beslissingen neemt.

constitutionele monarchie : een staatsvorm met een Koningin als staatshoofd.

4. Verkiezingen en kabinetsformatie

4.1 verkiezingen

Om de paar jaar worden de leden van een aantal politieke bestuursorganen rechtstreeks gekozen namelijk van :
- Het Europees parlement
- De Tweede Kamer
- De Provinciale Staten
- De gemeenteraden
- De stadsdeelraden (bijv. Amsterdam)

Actief kiesrecht : Alle Nederlanders van achttien jaar en ouder mogen bij verkiezingen hun stem uitbrengen
Passief Kiesrecht : Het recht om je verkiesbaar te mogen stellen voor alle Nederlands van achttien jaar of ouder.

4 voorwaarden waar een partij aan moet doen als deze mee wil doen met de Tweede-Kamerverkiezingen :
- De partij moet zich officieel laten registeren bij de Kiesraad. Deze registratie vereist een waarborg som van €450,- dat je terug krijgt als je daadwerkelijk aan de verkiezingen mee doet.
- De partij moet in elke kiesring waar het wil meedoen een kandidatenlijst inleveren, Nederland is verdeeld in 19 kiesdistricten.
- De partij moet in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen de steunbetuiging van dertig Nederlands hebben.
- De partij moet €11.250,- betalen, dit krijgen ze terug als ze 75% van de stemmen haalt die nodig zijn voor 1 zetel.

Verkiezingsprogramma : Hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij.
Lijstrekker : De persoon die voor een partij als eerste op de lijst van kandidaten staat geplaatst.

4.2 Stemmen

Evenredige verkiezingen : Bij Tweede-Kamerverkiezingen worden de 150 zetels verdeeld op basis van alle uitgebrachte stemme in het hele land.
Kiesdeler :De hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor één zetel.
Kiesdrempel : Een partij krijgt dan alleen een zetel als een bepaald percentage stemmen is behaald.

Zwevende kiezers zijn :
- Mensen die niet op een vaste partij stemmen, maar geregeld van partij wisselen.
- Mensen die ontevreden zijn over de partij waar zij de vorige keren op stemden en nog niet weten op welke partij zij nu zullen stemmen.
- Mensen die nog nooit gestemd hebben. Hieronder zitten veel jongeren die voor het eerst mogen stemmen.

Kabinet : alles ministers en staatssecretarissen samen.
Kabinetsformatie : De onderhandelingen over welke partijen en personen ons land gaan besturen. Ze starten meteen na de dag na de Tweede-Kamerverkiezingen.

Het doel van de kabinetsformatie is een aantal bekwame bestuurders, ministers en staatssecretarissen te vinden die :
- Het globaal eens zijn over het toekomstige beleid.
- samen de steun hebben van de meerderheid van de Tweede Kamer.

De kabinetsformatie verloopt in acht stappen :
1. De Koningin krijgt advies. De vice-voorzitter van de Raad van State, de voorzitters van de Eerste en Tweede kamer en de leiders van de (grootste) partijen , die zojuist in de Tweede Kamer zijn gekozen, gaan opbezoek bij de Koningin, ze adviseren haar wie het beste kan onderzoeken welke politieke partijen samen
het kabinet kunnen vormen. De persoon die dit moet onderzoeken heet de formateur.
2. De koningin benoemt een informateur.
3. De informatie.
- eerste overlegt de informateur met de leiders van de partijen die ongeveer dezelfde ideeën hebben. Hij moet de partijen op één lijn brengen wat de betreft de belangrijke onderwerpen.
- als dat lukt wordt er een coalitie gevormd. een coalitie is een samenwerkingsverband van twee of meer partijen.
- Aan de hand van onderhandelingen tussen de coalitiepartijen stelt de informateur een regeerakkoord op, waarin de coalitiepartijen de hoofdlijnen aangeven van het beleid dat zij in de komende tijd willen voeren.
4. De informateur gaat terug naar de Koningin. De informateur brengt verslag uit, als het hem niet gelukt is partijen bij elkaar te brengen en een regeerakkoord op te stellen benoemt de Koningin een nieuwe informateur.
5. De Koningin benoemt een formateur. Deze moet ervoor zorgen dat hij ministers en staatssecretarissen vind die het regeerakkoord willen uitvoeren.
6. De formatie. De formateur overlegt met de coalitie partijen over de verdeling van ministers en staatssecretarissen.
7. De formateur gaat terug naar de Koningin. Als hij voor alle posten een minister en staatssecretaris heeft, gaat de formateur terug naar de koningin om te vertellen dat hij een nieuw kabinet heeft samengesteld.
8. De Koningin benoemt het nieuwe kabinet.

2 redenen voor een kabinetscrisis :
- De ministers kunnen het onderling niet met elkaar eens worden over een aantal kwesties.
- De meerderheid van de Tweede Kamer steunt het kabinet niet meer en zegt zijn vertrouwen in de ministers op.

Demissionair kabinet: als het kabinet aftreedt blijven ze nog wel in functie zolang er nog geen nieuw kabinet gevormd is. Zij handelen slechts de lopende zaken af.

5. Regering en Parlement

5.1 De Regering

De belangrijkste taak van de regering is de voorbereiding en uitvoering van het overheidsbeleid, dit gebeurt voornamelijk door :
- Het opstellen van wetsvoorstellen
- Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten
- Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement.

De belangrijkste taken van de Koningin zijn :
- Het plaatsen van haar handtekening onder alle wetten.
- Het voorlezen van de Troonrede op prinsjesdag
- Het benoemen van ministers en (in)formateurs.
- Het voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid.

Binnen het regeerakkoord moeten er voortdurend besluiten genomen, daarom voer de premier regelmatig overleg met de ministers uit de 'sociaal-economische driehoek' : Economische zaken, Sociale zaken en werkgelegenheid en Financiën, soms aangevuld met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

5.2 Het Parlement

Parlement : De Eerste en Tweede Kamer ( Staten-Generaal)

In de Eerste Kamer ook wel Senaat genoemd zitten 75 leden. De senaat kan een wetsvoorstel niet meer veranderen, maar mag het alleen in zijn geheel goed- of afkeuren

Fractie : De groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan. Aan het hoofd van een fractie staat een fractievoorzitter.

5.3 Verhouding tussen regering en parlement

wetgevende + uitvoerende macht wetgevende macht

Verantwoording schuldig

Regering Parlement
Koningin + ministers Eerste en Tweede Kamer
controleert

De belangrijkste taken van het Parlement zijn :
- (mede)wetgeving. Ministers maken de meeste wetsvoorstellen. Deze gelden alleen als het parlement ze goed gekeurt heeft.
- Controle van de ministers. Het beleid van de ministers wordt steeds kritisch besproken in het parlement, vooral in de Tweede Kamer.

Lobbyen : proberen via persoonlijk contact steun te krijgen voor je standpunten en belangen.

5.4 Onvrede met de politieke besluitvorming

Politieke besluiten nemen op pragmatische gronden : Ieder voorstel moest op zijn eigen waarde beoordeeld worden.

1994 -> PvdA , VVD en D66 vormden 2 paarse kabinetten. De belangrijkste afspraken hiervan waren :
-Het werd makkelijker een referendum te houden, bijvoorbeeld over een nieuwe burgemeester.
- De rol van de overheid werd verder teruggedrongen en er werd meer geprivatiseerd.
- De hoogte en duur van bestaande uitkeringen met name de WAO, bleven gehandhaafd.
- Het homohuwelijk en euthanasie werden wettelijk geregeld.

6. Hoe verloopt politieke besluitvorming ?

beleid : hoe doelstellingen bereikt moeten worden.

6.2 Ambtenaren en massamedia

Politieke actoren : personen, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingproces.

Bureaucratie : een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijk gezagsstructuur.

5 politieke functies van de media :
- informatie functie : een krantenbericht.
- spreekbuisfunctie : verschillende mensen aan het woord in bijv een krantenbericht
- onderzoekende of agendafunctie : als een journalist iets zelf ontdekt waar de politici zich niet mee bezig hielden.
- commentaarfunctie : de krant geeft zijn commentaar.
- controlerende functie : het beleid van de verantwoordelijke minister wordt kritisch bekeken.

6.4 Systeem theorie

invoer : het probleem/de kwestie doet zich voor.
omzetting : - het komt op de politieke agenda
- beleidsvoorbereiding
- beleidsvaststelling
uitvoer : ambtenaren zorgen ervoor dat de wet wordt uitgevoerd.
terugkoppeling : wetten en andere maatregelen zijn nooit het eindpunt van politiek, besluiten roepen namelijk altijd reactiesop in de samenleving.

Bij het nemen van Politieke besluiten moet er rekening gehouden worden met veel belangen veel van dit soort zaken zijn omgevingsfactoren :
- Demografische kenmerken; de samenstelling van de bevolkingsopbouw.
- Ecologische kenmerken; de wisselwerking tussen mens en milieu.
- Culturele kenmerken; de geschiedenis van een land en de daaraan gekoppelde gewoontes gebruiken.
- Economische kernmerken; Plannen om de sociale uitkeringen te verhogen maken en weinig kans als een land er economisch slecht voor staat.
- Technologische kenmerken; Door de toenemende technologie zijn nu milieumaatregelen mogelijk zoals gebruik van wind- en zonne-energie.
- Sociale kenmerken; In ons land worden te grote inkomensverschillen als sociaal onaanvaardbaar beschouwd.
- Internationale verhoudingen; Nederland is onder andere lid van de VN, EU en de Navo.

6.5 Barrièremodel

Uitgangspunt van het Barrièremodel is de problemen die moeten overwonnen worden om een volgende stap te kunnen nemen in het proces van politieke besluitvorming.

Het barrièremodel

Start mensen ervaren een kwestie als een maatschappelijk probleem

1. brede bekendheid geven aan een maatschappelijk probleem ( actoren : burgers, actievoeders, belangengroepen en massamedia.)

2. Het ontstaan van een politieke discussie ( actoren : politieke partijen, leden van de Tweede en Eerste kamer.)

3. Keuze en formulering van het besluit ( actoren : ministers, staatssecretarissen, ambtenaren, adviescommissies, leden van de Tweede en Eerste Kamer.)

4. Uitvoering van het besluit ( actoren : Ministers, staatssecretarissen, ambtenaren.)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.