Politieke Besluitvorming

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2942 woorden
  • 4 januari 2004
  • 15 keer beoordeeld
Cijfer 6.1
15 keer beoordeeld

Maatschappijleer Politieke Besluitvorming HS 1 • Politiek = de gezaghebbende toedeling van waarden • Waarden = alles wat voor mensen waardevol is • Beleid = het kiezen v doelen en het inzetten v middelen in een bepaalde tijdvolgorde -> deze middelen moeten zo effectief en efficiënt mogelijk worden ingezet • Beleid = proces van politieke besluitvormingen + politieke besluiten • Soevereine m8 = hoogste vorm v m8 die geen verantwoording aan anderen is verschuldigd • Staat = een groep mensen op een bepaald grondgebied die geregeerd worden door een soevereine m8 • Overheid = drager vd soevereine m8 • Nederland -> I + II Kamer heeft soevereine m8 -> overheid = drager vd soevereine m8 • Kerntaken = zorg voor openbare orde & veiligheid + zorg voor sociaal-economische zaken (werkgelegenheid) + zorg voor sociaal-culturele zaken (welzijn, milieu, onderwijs, kunst en volksgezondheid) • Belangentegenstelling = groepen die opkomen voor belanghartige • Fileprobleem
1. Doelen en subdoelen= oplossen file, beter voor milieu, mindere economische schade

2. Middelen = meer banen, werktijden, carpoolen, openbaar verkeer, rekeningrijden
3. Tijdsvolgorde = in welke tijd het gerealiseerd moet worden • Milieupartijen = Groenlinks & D’66 • 2 aspecten vh politieke beleid zijn: 1. proces v politieke besluitvorming -> wijze waarop het beleid vd overheid tot stand komt
2. politieke besluiten -> inhoud vh overheidsbeleid HS 2 • Systeemmodel = proces van politieke besluitvorming in een model uitgedrukt • Input = wensen en verlangens vd samenleving -> bijv. d.m.v. vakbonden, actiegroepen, politieke partijen -> dit zijn sluis of poortwachters • Conversie kent 3 fases: 1. de eisen en wensen op de politieke agenda plaatsen -> agendavorming (politici) 2. beleidsvoorbereiding -> verzamelen + analyseren v informatie & formuleren adviezen over het te voeren beleid (ambtenaren) 3. beleidsbepaling (ministers en parlement) • Voordat een maatschappelijk probleem op de politieke agenda komt, heb je eerst nog 5 vragen: 1. Is er sprake ve situatie die door de ‘het publiek’ als onjuist of zelfs verwerpelijk wordt ervaren? 2. Komt die verkeerde situatie vaak voor of roept die hevige emoties op? 3. Kan de verkeerde situatie worden veranderd? Kan het aangedragen probleem wel worden opgelost? 4. Komen de eisen langs sluis- of poortwachters? 5. Is er op de politieke agenda wel ruimte over om over de kwestie te praten? • Output = de inhoud vh uit te voeren beleid krijgt gestalte (ambtenaren) • Feedback= wijze waarop op de uitvoer wordt gereageerd • Beleidsevaluatie = regering & parlement vragen zich af of een genomen beslissing goed werkt • Omgeving kan een politiek systeem beïnvloeden, zo’n omgeving bestaat uit: 1. kenmerken vd eigen samenleving (bijv. samenstelling vh volk, werkeloosheid etc) 2. relaties met andere landen (bijv. zonder grondstoffen te importeren kan Philips niet bestaan) • Zwakke kanten v systeembenadering: 1. proces verloopt niet altijd volgens de 4 fasen
2. model geeft geen enkel waardeoordeel over manier waarop de overheid haar rol vervult -> kan zowel in democratie als dictatuur worden toegepast
3. niet elk probleem komt op de politieke agenda -> hoe meer m8, hoe sneller je eisen worden vervuld
4. het geeft niet aan wat er gebeurt als actiegroepen het recht vd overheid om te beslissen gaan bestrijden
5. het legt alleen het politieke proces uit -> houdt geen rekening met politieke cultuur • barrièremodel = minder abstract + praktischer • 1e barrière = herkennen v eisen & wensen -> je moet je eigen politieke wensen gaan uitdragen om steun te krijgen v medeburgers • 2e barrière = met je actiegroep/belangengroep politieke partijen benaderen+ zorgen dat het probleem op politieke agenda komt • 3e barrière (belangrijkste) = discussie over uiteindelijke beslissing voor oplossing vh probleem • 4e barrière = uitvoering vh beleid (ambtenaren + ministers) -> als deze barrière mislukt, dan begin je weer opnieuw (conversie) • Geïntegreerd model = het systeemmodel + barrièremodel samengevoegd • Geïntegreerd model: (pag. 17)
HS 3 • Belangrijkste kenmerken vd rechtsstaat: - Grondrechten - Onafhankelijkheid vd rechterlijke m8 - Openbaarheid vh bestuur - Legaliteitsbeginsel -> alleen datgene wat in de wet staat is verboden, de rest niet - Onder de 18, criminelen, patiënten ve krankzinnige instelling, als je onder curatele staa, als je uit ouderlijke m8 bent ontzet en leden vh koningshuis hebben geen kiesrecht • Voordelen ve referendum: - Direct democratisch - Afstand tussen politiek & burgers wordt verkleind • Nadelen ve referendum: - Veel rompslomp (geld & tijd) - Bevolking is slecht geïnformeerd en kan verkeerde beslissingen nemen • 3 Functies vd koningin: 1. hoofd vd regering
2. wijst informateur aan
3. president vd Raad v State (hoogste rechterlijke m8) • Parlementair stelsel = een nieuwe regering kan niet regeren zonder het vertrouwen vd volksvertegenwoordiging + minister moet verantwoording aan parlement afleggen • Presidentieel stelsel = volksvertegenwoordiging + president wordt rechtstreeks door het volk gekozen  president = staatshoofd + ministers moeten verantwoording afleggen aan president • Constitutionele monarchie = het staatshoofd -> de koning wordt “gekozen” dmv troonopvolging  ministers maken de dienst uit • Constitutioneel = aan grondwet gebonden • Evenredige verantwoording = het aantal parlementsleden v 1 partij is evenredig ah aantal stemmen dat op die partij landelijk is uitgebracht -> alle geldige stemmen : 150 = kiesdeler (kiesdeler= 1 zetel in Tweede Kamer) • Beperkt districtenstelsel = elk district vaardigt 1 vertegenwoordiger af en er bestaat binnen de districten een systeem v evenredige vertegenwoordiging • Verschil tussen president en koning(in): 1. bij koning zijn ministers eerst verantwoording schuldig aan het parlement en bij de minister zijn ze eerst verantwoording schuldig ad president
2. president is wél gekozen door het volk -> koning niet
3. president kan regering benoemen & ontslaan -> koning niet • Districtenstelsel = iedere partij heeft de mogelijkheid om een vertegenwoordiger af te vaardigen (gelijke kansen) • Voordelen ve districtenstelsel: - Deelt het land op in 150 districten -> de gekozen mensen staan dichter bij de bevolking en kennen de problemen uit het district beter - Vooral grote partijen in de 2e Kamer • Nadelen vh districtenstelsel - Alle kleine partijen verdwijnen - Niet eerlijk -> evenredige vertegenwoordiging is eerlijker • Meerderheidsstelsel = strijd tussen de 2 grootste partijen (geen gelijke kansen) • Volksdemocratie = regering in het belang vh volk + leidende rol voor communistische partij + democratisch centralisme • Westerse democratie = regering door het volk + meerdere beconcurrerende partijen + pluriformiteit • Volkssoevereiniteit = de m8 vd regeerders is afkomstig vh volk • Functie v grondwet = het fundament vd staat aangeven • Grondwet = voornaamste wet in een land • 4 belangrijkste kenmerken vd Nederlandse democratie: 1. kiesrecht

2. volksvertegenwoordiging = hoogste m8
3. besluitvorming dmv meerderheid v stemmen (-> rechten v minderheden mogen dan niet geschonden worden) 4. iedereen is gelijk, geen discriminatie • Rechtsstaat = staat waarin alle burgers tegen de willekeur vd overheid beschermd worden • Democratie kan niet zonder rechtsstaat, want rechtsstaat beschermd burgers -> als burgers niet kiezen uit vrije wel, dan heb je geen democratie meer • Indirecte democratie/Parlementaire democratie/Representatie democratie = de burgers kiezen vertegenwoordigers (parlement) en laten deze vergaderen • Representativiteit = als mensen mogen kiezen en ook gaan kiezen -> de standpunten vd gekozen vertegenwoordiger komen overeen met die vd kiezers (Nederland) • Representatie = de mening vh volk komt niet overeen met die vh parlement • Directe democratie = het volk vergadert zelf (referendum) • Democratisch centralisme = alles gebeurt in de naam van het volk, maar niet noodzakelijkerwijze door het volk zelf • Ministeriële verantwoordelijkheid = de regering is verantwoording schuldig tegenover het parlement voor het doen & laten vh staatshoofd • Je hebt 2 soorten presidenten: 1. representatieve president
2. uitvoerende president • In Nederland vallen representatie & representativiteit niet samen, want: 1. partijen vertegenwoordigen niet alle ideeën v kiezers
2. deel vd burgers voelt zich niet vertegenwoordigd door bestaande politieke beweging  nieuwe politieke partijen + sociale bewegingen ontstaan • Sociale beweging = diverse actiegroepen die eenzelfde doel nastreven HS 4 • Kabinet = de ministers (uitvoerende m8 + maken wetsvoorstellen + discussie nota’s) • Parlement = 1e + 2e Kamer (controlerende m8) • Volksvertegenwoordiging = door het volk gekozen vertegenwoordigers • Regering = de ministers + koningin + volksvertegenwoordiging -> uitvoerende m8 • Staten – Generaal = Kamer I + Kamer II • Kamer I = gekozen door het volk op een indirecte manier • Provinciale staten -> binnen 3 maanden kiezen de leden van de Provinc. staten de 15 leden vd Eerste Kamer • (Staats)burgers = burgers die een Ned. paspoort hebben • Koning = het hoofd ve constitutionele monarchie • Veranderingen voor de positie vd koning door de grondwetsherziening in 1848: 1. koning verloor het recht het kabinet samen te stellen -> ministers werden verantwoordelijk tegenover het parlement

2. koning verloor invloed op het samenstellen ve parlement • Censuskiesrecht = alleen het deel vh volk dat een bepaald bedrag belasting betaalt, krijgt stemrecht • Onschendbaarheid vd koning = koning kan nooit iets fout doen, de ministers zijn aansprakelijk/verantwoordelijk (art. 42.2) • ‘Het geheim van het paleis Noordeinde’ = de mening vd koningin • Contrasigneren = staatshoofd bekrachtigt wetten en koninklijke besluiten met een handtekening (belangrijkste taak vd koningin) • Voordelen v afschaffing 1e Kamer: 1. toch indirect gekozen door Provinc. Staten
2. overbodig en duur • Nadelen v afschaffing v 1e Kamer: 1. m8 v 2e Kamer wordt te groot
2. wetten worden in 1e Kamer goed gecontroleerd (ze hebben een belangrijk controlerende functie) • 2e Kamer keurt wetten goed en voert ze in (dualisme), maar regering heeft veel m8 gekregen (monisme) • dualisme = parlement & regering kunnen elkaar controleren, corrigeren en tegenwerken • monisme = de balans v machtsverdeling slaat door naar 1 vd 2 organen • Koningin benoemt persoon van formatie & informatie • Formatie = het maken ve regering -> formateur wordt minister-president • Informatie = wie wil met wie samenwerken • Rechten v beide Kamers: 1. wetsvoorstellen aanvaarden of verwerpen (wetgevende taak) 2. begrotingen wijzigen of verwerpen -> bij verwerping: opkomen met nieuwe begroting of opstappen (budgetrecht) (wetgevende taak) 3. mondelijk/schriftelijk vragen stellen aan bewindslieden (controlerende taak) 4. recht v interpellatie -> een minister moet in een Kamer komen om vragen te beantwoorden (controlerende taak) 5. moties aannemen -> motie = op schrift gestelde wens/uitspraak v 1 vd Kamers gericht aan regering/1 vd bewindslieden
6. recht v enquête -> onderzoek instellen naar het gevoerde beleid op een bepaald terrein • Tweede Kamer heeft apart 2 rechten: 1. recht v amendement -> wetsvoorstellen wijzigen
2. recht v initiatief -> wetsvoorstellen indienen • Informele middelen: 1. kamerfracties gaan lobbyen bij ministers
2. kamerleden gaan overleg plegen met pressiegroepen & ambtenaren om steun buiten het parlement te vinden
3. kamerleden gaan hun eigen bewindslieden via hun partij onder druk zetten
4. kamerleden kunnen dreigen gebruik te maken v formele middelen • Ontwikkelingen waardoor invloed v kabinet is toegenomen: 1. parlement heeft groot gedeelte v medewetgevende taak doorgeschoven naar regering -> ipv gedetailleerde wetten, nu kader- of raamwetten (= slechts de grote lijnen worden geregeld) -> wetgeving vindt plaats dmv amvb en niet wetten in formele zin
2. regering kan beschikken over groot ambtenarenapparaat met veel specifieke kennis

3. sinds 1970 willen kabinetsformaties zaken steeds meer regelen in regeerakkoorden
4. ministers dreigen met terugtrekken v wetsvoorstel of aftreden als de kamer niet akkoord gaat met een voorstel • amvb (algemene maatregelen v bestuur) = algemeen geldende wetten die geen goedkeuring v parlement nodig hebben • wetten in formele zin = wetten die wel in samenwerking met parlement tot stand zijn gekomen • Ontwikkelingen, die m8 v parlement vergroten: 1. in kamerfracties komen steeds meer specialisten (= kamerlid dat zich grondig heeft ingewerkt op 1 bepaald beleidsterrein) 2. specialisten v versch. fracties uit beide Kamers vormen commissies, die al vanaf het begin vh maken ve nieuw beleid overleg plegen met bewindslieden -> vaste kamercommissies
3. bewindslieden kunnen plannen voor een toekomstig beleid al in vroeg stadium in nota’s verwoorden -> hierdoor kan het parlement de regering al gelijk in de juiste richting sturen • coalitie = samenwerkingsverband v meerdere partijen • regeerakkoord -> stellen de partijen op die aan de coalitie zullen deelnemen (regeringspartijen) -> hierin leggen ze vast welke koers ze de komende periode willen gaan varen • partijen die niet meedoen aan coalitie = oppositiepartijen HS 5 • 1e m8 = regering • 2e m8 = parlement • 3e m8 = rechters • 4e m8 = ambtenaren -> stellen wetten op en voeren ze uit • knelpunten v bureaucratie: traagheid, ondoorzichtighei, vaak inefficiëntheid & ondoelmatigheid en verkokering • verkokering = ambtenaren binnen eenzelfde ministerie werken langs elkaar heen • Hiërarchische structuur (Max Weber) = minster -> secretaris generaal -> directeur generaal • Verantwoording is van beneden naar boven -> traag & ondoorzichtig • belangrijkste adviesorganen (v hoog naar laag): 1. Raad van State -> advies aan regering + behandelt administratieve rechtspraak
2. SER (Sociaal Economische Raad) -> 3. Planbureaus -> voorspellingen doen en zaken doorberekenen -> Centraal Planbureau & Sociaal Cultureel Planbureau • Voor administratieve rechtspraak maken ze gebruik vd AROB - procedure • Planbureaus = wetenschappelijke instellingen, die kennis & inzichten aanreiken ter onderbouwing vh te voeren overheidsbeleid HS 6 • Functies v politieke partijen: 1. communicatiefunctie -> zorgt ervoor dat iedereen weet hoe elke kandidaat denkt

2. selectiefunctie -> men wijst kandidaten aan of men selecteert kandidaten
3. integratiefunctie -> wensen & verlangens vd leden vertalen in politiek programma
4. participatiefunctie -> mensen interesseren om deel te nemen aan politiek
5. articulatiefunctie -> het naar voren brengen v wensen vd gewone burger • functies v massamedia: 1. informatiefunctie -> informatie geven over het overheidsbeleid
2. opiniërende functie -> standpunten v politici worden doorgegeven aan burgers
3. commentaarfunctie -> commentaar geven op ontwikkelingen in de politiek
4. controlefunctie -> controleren of politici wel de juiste info doorgeven
5. agendafunctie -> media bepalen vaak waar mensen over praten -> als een probleem veel in media voorkomt, komt het al snel op politieke agenda HS 7 • Actief kiesrecht = je mag wel stemmen • Passief kiesrecht = je mag niet stemmen, mr jezelf wel verkiesbaar stellen • Conventionele participatie = politieke partij / pressiegroep / belangenorganisatie / hoorzitting / brieven (samenwerking tussen burger en politiek) • 3 verschillende vormen v politieke participatie: 1. electorale participatie -> burgers gaan stemmen
2. conventionele vormen v participatie -> burgers kunnen in een politieke partij/pressiegroep gaan zitten of deelnemen aan hoorzittingen of politici benaderen d.m.v. brieven (burger en overheid werken samen) 3. protestparticipatie -> handtekeningenacties, demonstraties of boycotacties • Vormen v politiek protest: 1. legitiem protest (via rechter, demonstratie, petitie, stakingen, verzoek aan politicus) 2. non-coöperatie (niet stemmen, boycot, afwezig blijven, stakingen) 3. geweldloze directe actie (vredeskampen, acties v Martin Luther King) 4. burgerlijke ongehoorzaamheid (openlijk weigeren belasting betalen voor defensiedoeleinden, dingen vd overheid met opzet vernietigen/beschadigen) 5. geweldloze weerbaarheid (stelen v voedselbonnen voor onderduikers in oorlog) 6. burgerlijk verzet (sabotage v spoorlijnen door verzet in WOII,terroristische aanslag) 7. gewapend verzet (terroristische aanslag, guerillastrijd) 8. rebellie (opstand vh leger tegen m8hebber) 9. revolutionair verzet (gewelddadige m8sovername) • 1 t/m 4 -> burger gaat ervan uit dat overheid m8 terecht uitoefent -> wet wordt niet overtreden • Redenen om mee te doen aan politiek: 1. mens = sociaal wezen -> als je niet meedoet aan samenleving, geef je een stukje m8 weg

2. ieder weet zelf het beste wat zijn belangen zijn -> als je geen invloed probeert uit te oefenen op de afweging vd belangrijkste belangen, wordt er misschien geen rekening gehouden met jouw belangen
3. als té weinig mensen zich met politiek gaan bemoeien, gaan beroepspolitici bepalen wat er op de politieke agenda komt • Oorzaken voor geringe participatie: 1. onwetendheid & onbekendheid
2. dreiging die uitgaat v meedoen -> mensen kunnen je persoonlijk gaan terugpakken
3. idee dat politiek toch nutteloos is
4. gebrek aan stimulansen
5. tevredenheid • Variabele = meetbaar kenmerk van te onderzoeken personen of groeperingen -> in dit geval: achtergronden v burger • Aantal variabelen zijn: 1. leeftijd -> oud mensen stemmen meer dan jongeren
2. sekse -> mannen zijn actiever binnen politieke partijen dan vrouwen

3. sociaal milieu -> mensen die zichzelf bij een hogere klasse rekenen, hebben vaak meer vertrouwen als het gaat om politieke acties
4. opleidingsniveau -> als je een hoge opleiding hebt gehad, begrijp je meer v politiek en zal je eerder stemmen dan iem. met een lagere opleiding HS 8 • Pressiegroepen = belangenorganisaties + actiegroepen + sociale bewegingen • Belangenorganisaties (bijv. vakbond -> eigen belang) • Actiegroep -> algemeen belang • Publiekrechtelijke organen = organisaties die met overheidsgezag bekleed zijn, zoals SER) • 4 kenmerken v belangenorganisatie: 1. goed georganiseerd -> hiërarchische structuur
2. onderhandelen veel namens hun lede
3. permanent
4. constante factoren • Sommige actiegroepen zijn ook permanent • Los samenwerkingsverband met dezelfde doelstellingen = sociale bewegingen • 2 verschillen tussen politieke partijen en pressiegroepen: 1. pressiegroep = one-issue & politieke partij = meerdere issues
2. pressiegroep oefent invloed uit op buitenparlementaire manier (media) & politieke partijen oefenen invloed uit op binnenparlementaire manieren • CD = one-issue partij -> buitenlanders moeten eruit -> criminaliteit, milieu en financiële problemen komen allemaal door buitenlanders • SGP = zéér christelijk • 3 m8stheoriën: 1. klassieke democratietheorie = democratie; iedereen stemt en grootste partij wint & beslist
2. pluralismetheorie = verschillende mensen strijden om m8 en overheid zorgt voor evenwicht (Nederland) 3. elitetheorie = hoge pieten maken dienst uit (Philips, Shell, Ahold etc) (Nederland voor een deel) • sociale beweging = verscheidene groeperingen hebben eenzelfde doel • getuigenispartijen -> getuigenis is belangrijker dan actieve deelname ah bestuur • Vragen om een duidelijke strategie voor pressiegroep te vormen: 1. Wat wordt beoogd met de actie? 2. Op wie is de beïnvloeding gericht? 3. Welke beïnvloedingsmogelijkheden heeft de pressiegroep? • m8 = het vermogen om anderen jouw wil op te leggen • politieke m8 = het vermogen om politieke besluitvorming effectief mede te bepalen • Manieren om m8 te krijgen: 1. macht gebaseerd op de wet

2. ‘samen sterk’ 3. ‘kennis is macht’ 4. macht d.m.v. geweld
5. macht d.m.v. persoonlijkheid  charismatisch gezag
6. macht d.m.v. sleutelposities bij overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven HS 9 • Bezwaren op onze democratie: - Kiezers hebben geen rechtstreekse invloed bij het kiezen ve minister-president en bij het vormen ve kabinet - Kiezers mogen tussen 2 verkiezingen door geen uitspraken doen over het te voeren beleid - Invloed vh parlement op de regering & het ambtenarenapparaat is beperkt - Verschil v mening over wat het parlement wil en wat grote groepen vd bevolking willen - Moeilijke gespecialiseerde termen zijn onbegrijpbaar voor de burger - Kiezers & gekozenen zijn té ver v elkaar verwijderd • Knelpunten op gebied v efficiëntheid: - Bureaucratie zorgt voor vertraging - Wetgeving wordt altijd door 2 kamers behandeld -> vertraging - Ondoorzichtig beleid t.g.v. zeer uitgebreide regelwetgeving • Kleine bewegingsvrijheid voor de overheid • Bezwaren v algemene aard: - Samenleving is grondig verdeeld over een bepaalde kwestie - Alle politieke wensen kosten geld - Beleid wordt gemaakt in té gesloten circuits • Ideeën voor verbetering: - Meer invloed vh volk d.m.v. referenda - Formateur gekozen laten worden door het volk - Gekozen burgemeester -> volk krijgt meer lokale invloed - Meer mogelijkheden en bevoegdheden voor het parlement - Beperkt districtenstelsel -> betere band tussen volksvertegenwoordiger en kiezers - Afschaffing vd Eerste Kamer -> versnelling - Hogere kiesdrempel -> partij moet aantal zetels hebben om in Kamer te komen • Corrigerend wetgevingsreferendum = wanneer een groot aantal burgers dat wilt, wordt een door het parlement goedgekeurde wet a/d kiezers ter goedkeuring voorgelegd HS 10 • 4 politieke stromingen: 1. liberalisme
2. confessionalisme
3. socialisme
4. extreem rechts • kenmerk v liberalisme = individuele vrijheid • overheid = passief • VVD & PvdA willen allebei alleen openbaar onderwijs (dus geen speciaal) -> art. 23: speciale scholen mogen • Paars = rood en blauw -> socialisme en liberalisme • D’66 = links liberaal • SP & PvdA (sociaal-democraten) vinden de overheid actief • SP wil eco-tax afschaffen, omdat de kleine burger er ’t meest voor betaalt • PvdA & Groenlinks willen wel eco-tax • VVD = afsplitsing v PvdA • 3 kenmerken v CDA: 1. naastenliefde (PvdA ook) 2. gespreide verantwoordelijkheid (VVD ook) 3. rentmeesterschap (Groenlinks ook) • CPN was na WOII heel machtig

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.