Politieke besluitvorming

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo | 2535 woorden
  • 17 november 2003
  • 112 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 112 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Wat is Maatschappijleer?
Politiek (15%)

Regels: Zijn er om alles in goede banen te lijden

Deze regels gelden op een bepaald moment:
- opvatting van degene met meeste macht
- invloed van de ondergeschikte
- machtsmiddelen die beide groepen hebben

Maatschappelijk probleem:
- Problemen voor grote groepen mensen (drugs, file, agressie)
- gemeenschappelijk oplossen (broeikaseffect)
- tegengestelde belangen

Invalshoeken bij maatschappijleer:

- sociaal-economische invalshoek (je kijkt hoe de economische en maatschappelijke positie is van de samenleving, voordeel dat iemand erbij heeft, Nederlandse en Europese overheid)
- Sociaal-culturele invalshoek (kijk naar de waardeoordelen, kind en hond in het water, wie redt je?)
- politiek-juridische invalshoek (altijd moeten de verschillende belangen wen waarden van mensen, groepen en bedrijven worden afgenomen, luchtvervuiling)
- verandering- en vergelijkende invalshoek (veranderende omstandigheden)
· groep (andere groep andere waarden en normen, rechts-radicale skinheads rassenonderscheid belangrijker dan verdraagzaamheid)
· plaats (ander plaatsen andere waarden en normen, gastvrijheid in oosterse culturen belangrijker dan in NL)
· tijd (dingen van vroeger mogen nu wel, seks)

Waarden:
Uitgangspunten en principes die mensen belangrijk en nastrevenswaardig vinden
(eerlijkheid, zelfstandigheid, creatieve vrijheid)

Normen:

Een opvatting over hoe je in bepaalde situaties wel of niet behoort te gedragen
(niet stelen)

Analyseschema

Probleem 1. Wat is het probleem?
Belangen 2. Welke groepen en organisaties zijn betrokken bij de kwestie?
3. Welke belangen hebben de betrokkenen?
4. Welke concrete voorstellen hebben de betrokkenen?
Waarden en 5. Wat zijn de achterliggende waarden, normen en idealen van
normen elke groep of organisatie?

Overheid en 6. Welk beleid voert de overheid?
politieke partijen 7. Wat vinden politieke partijen van deze kwestie?
Samenvatting en 8. Samenvatting van de belangrijkste feiten, standpunten en eigen mening voorstellen.
9. Welke oplossing is volgens jou het beste?
10. Hoe zal de kwestie zich volgens jou in de toekomst ontwikkelen?

Politiek:
Manier waarop voor een land besluiten worden genomen

Algemeen belang van de overheid (bezig houdt):
- openbare orden en veiligheid (meer blauw)
- buitenlandse betrekkingen (sturen van militaire naar vredesoperatie)
- welvaart (meer banen voor jongeren)
- welzijn (wegwerken wachtlijsten in ziekenhuizen)

Bestuurslagen:
- gemeente
- provincie
- Rijk

Invloed op de politiek:
- stemmen
- lid worden van politieke partij
- contact opnemen met politici
- een verzoek indienen
- pers benaderen
- lid worden van een actiegroep
- overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid (openlijk wet overtreden, doel overtuiging van politici)
- gerechtelijke procedures beginnen















Politieke stromingen en partijen (25%)

Stroming:
Een geheel van opvattingen

Stromingen standpunten op:
- normen en waarden (persoonlijke vrijheid: leeftijdsgrenzen, drugsgebruik)
- sociaal-economische verhoudingen (minimuminkomen, verschil rijk, arm)
- machtsverdeling (werknemers inspraak via ondernemingsraad)

Indelingen:
- Progressief (vooruitstrevend, drugsbestrijding maar ook hulpverlening)
- Conservatief (behoudend, drugsbestrijding, geen enkele vorm)
- Reactionair (achteruitstrevend, euthanasie, abortus, prostitutie)

- Links (progressief, gelijkwaardigheid, allochtonen, ouderen, vrouwen)
- Rechts (conservatief, persoonlijke en economische vrijheid)
- Midden (ligt ertussen, ministers schijven soms naar de andere kant op)

Links Rechts
- eerlijke verdeling van inkomen, kennis - persoonlijke vrijheid
en macht
- bescherming van de zwakkeren - economische vrijheid

benadrukt de rol van de overheid op benadrukt de belangen van het
Sociaal-economisch terrein. Individu en het bedrijfsleven.
Sturende overheid om sociale Terughoudende overheid als
Gelijkheid tot stand brengt. Beschermer van deze vrijheden.

Liberalisme:
Ontstaan: eind 18e eeuw tijde Franse Revolutie
Uitleg: opstand van burgerij tegen koning en adel.
- persoonlijke vrijheid
- economische vrijheid
rechtse en conservatieve elementen
Partijen: VVD

Socialisme:
Ontstaan: 19e eeuw als reactie op liberalisme
Uitleg: gevolg van de slechte werkomstandigheden van de arbeiders
- gelijkwaardigheid of gelijkheid
welzijn van de mens, bang voor recht van de sterkste (overheersing)
- Communisme kwam, omdat socialisten nog steeds bang waren voor uitbuiten.
- Sociaal-democraten vinden dat overheid zwakkeren moet beschermen, maar via democratische weg.
Partijen: PvdA, SP, Groenlinks, D66


Christen-democratie:
Ontstaan:
Uitleg: Mensen konden niet kiezen tussen werkgever en werknemer
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
- samenleving op christelijke grondslag, waarin geloof, naastenliefde en harmonie belangrijk zijn
- rentmeesterschap belangrijk, de aarde in bruikleen
- zorgzame samenleving in plaats van een verzorgingsstaat
- gespreide verantwoordelijkheid
Partijen: CDA, SGP en ChristenUnie

Protestpartijen:
- One-issuepartijen richten zich op 1 punt van de samenleving en hebben daarover een duidelijk standpunt
- vb. ouderenpartijen, boerenpartij (jaren zestig) Mokum Mobiel (jaren negentig)

Protestpartijen ontstaan uit onvrede met de bestaande politiek.
(vb. D66, LPF en Leefbaar Nederland)

Partijen in de kamer van links naar rechts:
Links Rechts

SP, Groenlinks, PvdA, D66, CDA, LPF, VVD, ChristenUnie, SGP

CDA (Christen-democratisch Appèl)
- midden van politiek
- overheid moet bezuinigen op lonen ambtenaren
- verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid bij werkgevers en werknemers
- gezin basis van samenleving, uitbreiding ouderschapverlof voor beide ouders
- regelvrijheid op scholen
- recht op veiligheid in grondwet
- strenge aanpak voor misbruik uitkeringen

PvdA (Partij van de Arbeid)
- links vh midden en is sociaal-democratisch
- kennis, macht en inkomen eerlijk verdeelt
- overheid moet economie sturen
- meer plaatsen kinderopvang
- experimenteren om gratis harddrugs te verstrekken
- niet-Nederlands stemrecht krijgen
- aparte Milieu minister






SP (Socialistische Partij)
- meest linkse partij in de 2de kamer
- bezuinigen op defensie
- komt op voor armen
- werkt niet alleen in politiek, ook gezondheidcentra’s
- gelijke toegang tot onderwijs
- gedetineerde beter voorbereiden op terugkeer maatschappij
- lidmaatschap Navo opzeggen

LPF (Lijst Pim Fortuyn)
- in 2002 opgericht door Pim Fortuyn
- overheid sterk bezuinigt en ambtenaren verdwijnen
- minder beperkte regels voor ondernemers
- burgermoed belonen
- nieuw zorgstelsel
- gevangenissen privatiseren
- nieuwkomers pas na 10 jaar Nederlander

GroenLinks
- links vd PvdA en is 1989 ontstaan uit 3 kleine partijen
- bescherming vh milieu belangrijk
- extra belastingtarief voor hoge inkomens
- deeltijdwerk en kinderopvang stimuleren
- geen BTW heffen op biologische producten
- meer zeggenschap voor docenten, ouders en leerlingen
- politie afspiegeling zijn van de bevolking
- softdrugs legaliseren

D66 (Democraten 66)
- staat iets links vh midden en is in 1966 opgericht
- belastingkortingen
- extra geld bij economische groei voor milieu
- kleinere scholen
- burgemeester rechtstreeks kiezen
- meer referenda over besluiten
- burgers direct minister-president kiezen

Klein rechts
- bestaat uit ChristenUnie en SGP (Staatkundig gereformeerde Partij)
- volgens Bijbel
- verhoging kinderbijslag
- tegen sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders
- verplichte winkelsluiting op zondag
- moord moet doodstraf betekenen
- abortus en euthanasie strafbaar
- NL in EU een herkende staatkundige eenheid blijft




Rechtstaat en democratie (20 %)

Onafhankelijke staat:
- territoir (vast grondgebied)
- bevolking op territoir
- gezag aanwezig

Soevereiniteit:
de hoogste macht

Overheid:
Bestaat uit instanties die het land besturen (staatshoofd, ministers, ambtenarenapparaat)

Gezag:
Acceptatie dat iemand boven je staat

Macht:
Vermogen om je wil aan andere op te leggen

Dictatuur:
Een staat waarin alle politieke macht in handen is van 1 persoon of een kleine groep mensen

Democratie:
Een staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politieke besluitvorming
- overheid moet zich ook aan grondwet houden
- vrijheid overheid beperkt door keizers
- overheid wordt gevolgd door de media

Rechtstaat:
Land waarin de macht van de overheid beperkt wordt en de verhouding tussen de overheid en de burgers wettelijk is vastgelegd

Ontstaan à uit 19e eeuw, bang voor absolute macht.

- er is een grondwet
- burgers hebben grondrechten
- scheiding van de verschillende machten

Grondwet:
Grondrechten vastgelegd
- vrijheidsrechten (eigen geloof, eigen mening, eigen woon en werk)
- politieke rechten (gelijke mate invloed op politiek)
- sociale rechten (iedere burgen recht op woonruimte, werk, medische hulp, voedsel, onderwijs)



Politieke macht:
Het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten

Trias politica:
- wetgevende macht (wetten waaraan burgers zich moeten houden, leerplicht)
- uitvoerderende macht (goedgekeurde wetten, die goed worden uitgevoerd, milieucontroles)
- rechtelijke macht (beoordeelt of wetten goed worden nageleefd, rechters)

Directe Democratie:
Vooral vroeger op marktpleinen

Referendum:
Een volksstemming over een wetsvoorstel.
Voordelen:
· bevolking betrokken bij de politiek
· politici beter op de hoogte van bevolking
Nadelen:
· Moeilijk vraagstelling te maken met alleen ja of nee
· Het is duur
· Extreme denkbeelden (afschaffing belasting enz.)

Indirecte democratie:
Volk neemt niet zelf beslissingen maar laat dat doen door volksvertegenwoordigers, ook wel een parlementaire democratie

(Constitutionele) monarchie:
Monarchie: een staatsvorm met een koning(in) als staatshoofd, uitvoering ook houden aan grondwet

Art. 1
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandelt. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.















Verkiezingen en kabinetsformatie (25%)

Politieke bestuursorganen:
- europees parlement
- 2de kamer
- provinciale staten
- gemeenteraden
- stadsdeelraden (Amsterdam of Rotterdam)

actief kiesrecht:
iedereen 18 jaar en ouder kan stemmen en die geen kiesrecht heeft ontnomen door de rechter

passief kiesrecht:
iedereen 18 jaar en ouder die zich verkiesbaar kan stellen

Buitenlanders hebben na 5 jaar actief en passief kiesrecht

Voorwaarden voor een partij:
- officieel registreren bij de kiesraad (450 euro waarborgsom)
- elke kieskring waar ’t wil meedoen een kandidatenlijst inleveren
- elke kieskring moet daarvanuit 30 steunbetuigingen hebben
- moet 11250 euro betalen (krijgt terug als je 75 % haalt op 1 zetel te halen

Verkiezingsprogramma:
Hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij vermeld

Lijsttrekker:
De persoon die voor een partij als 1ste op de lijst staat van kandidaten

Kiesdeler:
De hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor 1 zetel

Kiesdrempel:
Partij krijgt pas een zetel bij een bepaald percentage

Voorkeurstem:
Als je stemt stem je niet op een partij maar op een persoon van een partij

Zwevende kiezer:
- mensen die niet op een vaste partij stemmen
- onvrede over partij waarop vorige keer gestemd, en niet weten op welke nu
- mensen die nog nooit hebben gestemd

Kabinet:
Alle ministers en staatssecretarissen

Elke minister heeft eigen portefeuille, ook wel beleidsterrein


Kabinetsformatie:
Een aantal bestuurders, ministers en staatssecretarissen te vinden die
- globaal eens zijn over nieuwe beleid
- samen steun hebben van meerderheid van de 2de kamer

Verloop:
· koningin krijgt advies (direct na de verkiezingen)
· koningin benoemt een informateur (ervaren politicus, die kijkt welke partijen een meerderheid zouden kunnen vormen)
· de informatie (informateur overlegt met leiders van partijen met dezelfde ideeën)
# lukt het, dan wordt er een coalitie gevormd (samenwerkingsverband van 2 of meer partijen)
# aan de hand van onderhandelingen, stelt informateur regeerakkoord op (hoofdlijnen aangeven van het beleid)
· De informateur gaat terug naar de koningin (verslag uitbrengen)
· De koningin benoemt een formateur(deze moet ervoor zorgen dat hij ministers en staatssecretarissen vind die het regeerakkoord willen uitvoeren)
· De formatie (welke partij welke ministerposten)
· De formateur gaat terug naar koningin (verslag uitbrengen)
· Koningin benoemt nieuwe kabinet

De Regering:
Koningin en de ministers (dagelijkse bestuur, ministerraad)
voorbereiding en uitvoering van het overheidsbeleid
- opstellen wetsvoorstellen
- uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten
- opstellen rijksbegroting (jaarlijks) en aanbieden aan parlement

Parlement: (Staten-Generaal)
1ste en 2de Kamer
- discussiëren en stemmen over wetsvoorstellen (medewetgeving)
- controleren van ministers (controle)

Koningin:
Zij is onschendbaar
Belangrijkste taken:
- plaatsen van haar handtekening onder alle wetten
- voorlezen troonrede op prinsjesdag
- benoemen ministers en (in)formateurs
- voeren van regelmatig overleg met minister-president

Kabinetsbeleid:
Uitvoeren van regeerakkoord


Premier:
Minister-president

Sociaal-economische driehoek:
- Economische zaken
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Financiën
(soms Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties)

1ste en 2de kamer:
- 2de kamer heeft 150 zetels/leden en wordt om de 4 jaar gekozen
- 2de kamer behandelt als eerste elk wetsvoorstel en heeft het recht deze af te wijzen of te veranderen
- 1ste kamer (senaat) heeft 75 zetels/leden
- 1ste kamer extra controle op het werk van 2de kamer maar mag alleen nog in zijn geheel goed- of afkeuren
- 2de kamer heeft dus meer macht

Fractie:
De groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan
Degene die aan het hoofd staat is de fractievoorzitter

Machtsverdeling:
De ministers hebben zowel wetgevende als uitvoerende macht. De wetgevende macht delen ze met het parlement. De uitvoerde macht is in handen van de ministers.

Regeringspartijen:
De partijen die ook deel uitmaken van de regering

Oppositiepartijen:
Alle partijen die niet in de regering deelnemen

(mede)wetgevende taak:
parlement kan gebruikmaken van de volgende rechten:
- parlement heeft stemrecht bij wetsontwerpen
- recht van initiatief (wetsvoorstellen indienen)
- recht van amendement (onderdelen van wetsvoorstel kan worden gewijzigd)












Controlerende taak:
- recht om mondeling of schriftelijk vragen te stellen aan ministers
- recht van interpellatatie (minister ter verantwoording te roepen)
- recht om een parlementaire enquête aan te vragen (gedetailleerd onderzoek naar opgesteld)
- budgetrecht (recht om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren)
- recht om motie in te dienen ( schriftelijke uitspraak over het beleid van een minister, waarmee de kamer het niet eens is)
· motie van afkeuring (als minister niets van zo’n motie aantrekt)
· motie van wantrouwen (minister of hele kabinet treed af als dit door hen zo wordt beschouwd)

Lobbyen:
Onderling van ministers en 2de kamerleden buiten debatten elkaar te overtuigen

Pragmatische gronden:
Ieder voorstel moest op zijn eigen waarde beoordeeld worden.

Paarse Kabinetten:
Ontstaan vanaf 1994 PvdA, VVD en D66 2de zogenaamde paarse kabinet (apart vanwege eerste keer dat CDA naar 2de WO uit de regering was.
Belangrijke afspraken:
- makkelijker om een referendum te houden (D66)
- rol vd overheid teruggedronken en meer privatisering (VVD)
- handhaving van bestaande uitkeringen (PvdA)
- homohuwelijk en euthanasie werden wettelijk geregeld (D66, VVD, PvdA)
Onvrede:
- 1ste en 2de kamer kregen minder te zeggen door gedetailleerde akkoorden
- uitkomst van debatten was al bepaald
- GroenLinks en SP hadden veel kritiek
- Problemen waar mensen mee zaten werden niet opgelost (wachtlijsten, NS, onderwijs)
- Men dacht dat men behoud kabinet belangrijker vond dan oplossen problemen
Reacties:
- verschillende partijen probeerde onvrede te verwoorden
- nieuwe politiek kwam tot stand (meer aandacht voor kiezers)












Hoe verloopt politieke besluitvorming? (15%)

Beleid:
Hoe doelstellingen bereikt moeten worden (extra subsidies voor kinderopvang, verbieden tabaksreclame, verhogen ouderbijdragen)

Politieke actoren:
Personen, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces.

- ambtenaren
· wetsvoorstellen voorbereiden en zorgen voor de praktische uitvoering
· vrij veel invloed
· vaak hogere ambtenaren meer kennis dan politici (door langere tijd op dezelfde positie)
Ambtenarenapparaat (bureaucratie):
Een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagstructuur.
- massamedia
· informatieve functie
· spreekbuisfunctie (mensen aan woord laten)
· onderzoekende of agendafunctie (journalist vindt wat)
· commentaarfunctie (mening geven)
· controlerendefunctie (kritisch bekeken)

Pressiegroepen:
Die proberen invloed (pressie=druk) uit te oefenen op de politieke besluitvorming
- belangengroepen (komen op voor bepaalde groep, consumentenbond)
- actiegroepen (korte tijd inzetten voor 1 kwestie)
- actieorganisatie (langere tijd inzetten voor 1 kwestie, Greenpeace)

Systeemtheorie:
- invoer (pressiegroepen, wethouder)
- omzetting (komt op politieke agenda, bestuurders en politieke partijen kunnen er niet meer omheen
o beleidsvoorbereiding (onderzoeken en advies uitbrengen)
o beleidsbepaling (wetsvoorstel of oplossing)
- uitvoer (wet wordt ingevoerd)
- terugkoppeling (reacties van de samenleving op wetsvoorstel)

Omgevingsfactoren:
Alle gegevens die een mogelijke rol kunnen spelen in het proces van de politieke besluitvorming
- demografische kenmerken (samenstelling van bevolkingsopbouw)
- ecologische kenmerken (wisselwerking tussen mens en milieu)
- culturele kenmerken (geschiedenis van een land, gewoonte en gebruiken)
- economische kenmerken (economische situatie)
- technologische kenmerken (technische mogelijkheden)
- sociale kenmerken (bv. Verschil tussen rijk en arm)
- internationale verhoudingen (contacten met buitenland)

Barrièremodel
Problemen moeten worden overwonnen

Start: Mensen ervaren een kwestie als een maatschappelijk probleem

Barrières Betrokken actoren
1. brede bekendheid geven aan een burgers, actievoerders, belangen-
maatschappelijk probleem groepen en massamedia

2. het ontstaan van een politieke politieke partijen, leden van de
discussie 2de en 1ste Kamer

3. keuze en formulering van het ministers, staatssecretarissen,
besluit ambtenaren, adviescommissies,
leden van de 2de en 1ste Kamer
4. uitvoering van het besluit ministers, staatssecretarissen,
ambtenaren


Martin Beers®

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

W.

W.

weet je zeker dat SGP en CU voor de doodstraf zijn??
ik denk het niet hoor!

14 jaar geleden

S.

S.

Voor welk niveau is dit??

9 jaar geleden