Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Pluriforme samenleving

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 5681 woorden
  • 19 augustus 2014
  • 25 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 25 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Paragraaf 1 ~ cultuur en identiteit



Nederland is een pluriforme samenleving omdat er allemaal mensen wonen met verschillende waarden, normen, gewoonten, leefstijlen en afkomst, die tegelijkertijd ook bepaalde waarden met elkaar delen.



Cultuur: alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die leden van een groep/samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen.



De cultuur bepaalt een deel van je identiteit, je persoonlijkheid wordt mede gevormd door elementen uit je eigen cultuur, bijv. kleding en muziek. Door cultuur hebben mensen ook dezelfde referentiekamer ontwikkeld met deels dezelfde normen, waarden en gewoonten waardoor men elkaar onder anderen beter kan begrijpen. Cultuur werkt gedragsregulerend; het doet het gedrag van mensen geordend laten verlopenà men spreekt dezelfde taal en elke cultuur heeft ook zijn eigen rolgedrag.



Presentation of the self, de manier waarop mensen hun rol in de samenleving laten zien, wordt beïnvloed door maatschappelijke verwachtingenà mensen hebben maskers die ongemerkt verwisselen als we van rol veranderen, bijv. je rol in school en buiten school. Impression management wordt vaak gevormd door mensen die gezamenlijk een voorstelling spelen, bijv. winkelpersoneel voor de klanten. In de frontstage speelt de voorstelling zich af en in de backstage mag men zijn/haar rol laten vervallen, bijv. bedrijfskantine en kleedkamer.



Deze theorie laat zien hoe ons alledaagse gedrag samenhangt met de cultuur waar wij in leven wat er ook voor kan zorgen dat je in een rolconflict terecht komt.



Om een samenleving goed te laten functioneren, moet er een minimum aan gedragsregels en normen en waarden zijn waar iedereen het over eens is. Dit heet de dominante cultuur: het geheel van waarden, normen en kenmerken dat door de meeste mensen binnen een samenleving wordt geaccepteerd. De kenmerken hiervan zijn meestal gebaseerd op cultuurkenmerken van mensen die de meeste invloed uitoefenen, vooral uit de economie en politiek. De dominantie cultuur verandert voortdurend. Deze veranderingen worden beïnvloed door subculturen en tegenculturen.



We spreken van een subcultuur als een specifieke groep eigen waarden, normen en andere kenmerken ontwikkelt die afwijken van de dominante cultuur. Bijna iedereen uit de samenleving behoort tot een subcultuur, allochtonen hebben in ons land een subcultuur maar in hun eigen land was dat de dominante cultuur. Een van de subculturen is de etnische cultuur: een subcultuur van mensen die behoren tot dezelfde etnische groep. Etnisch betekent hier behoren tot een bepaald volk of afkomstig uit een bepaald land. Meestal hebben deze mensen ook deels herkenbare uiterlijke kenmerken. Subculturen hoeven niet in strijd te zijn met de dominante cultuur. Bij een tegencultuur is dat wel het geval omdat mensen zich verzetten tegen de dominante cultuur of daar een bedreiging voor vormen, bijv. dierenbevrijdingsorganisaties.



Socialisatie: het proces waarbij iemand, bewust of onbewust, de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn groep krijgt aangeleerdà zorgt ervoor dat de cultuur blijft bestaan, bijv. refo’s. socialisatie vindt plaats door:




  • imitatie, zo doet een kind het gedrag na van mensen met wie het een sterke binding heeft.

  • socialiserende instituties: instellingen, organisaties en collectieve gedragspatronen waarbinnen en waarlangs de cultuur overdracht in een samenleving plaats vindt. Collectieve gedragspatronen zijn gemeenschappelijke gewoonten o.a. carnaval. De belangrijke socialiserende instituties zijn gemeenschappen waar je toe behoort zoals het gezin, je vriendengroep etc. waar je vaak zelf niet voor gekozen hebt. Ook de overheid en media zijn substituerende instituties omdat de overheid specifieke waarden, normen en wetten vormt waar iedereen zich aan moet houden en de media omdat die grote invloed hebben op het gedrag en denken van mensen.

  • Sociale controle: de manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden. Als het gebaseerd is op geschreven wetten of regels is het formeel, maar als het is gebaseerd op ongeschreven regels is de informele sociale controle. Sociale controle vindt plaats door middel van positieve en negatieve sancties. Zo is een diploma positief, maar het uitfluiten van een voetbalteam na een wedstrijd negatief.



Enculturatie: als je vanaf je geboorte in een bepaald land of bepaalde groep opgroeit en daardoor de culturele kenmerken met de paplepel ingegoten krijgt.



Acculturatie: het aanleren van bepaalde kenmerken van een cultuur waar je oorspronkelijk niet toe behoort, zoals immigranten.



Internalisatie: als men zich bepaalde aspecten van de cultuur of de samenleving waar je bij hoort, zo eigen hebt gemaakt, dat je je automatisch gaat gedragen zoals de groep dat van je verwacht.



Door socialisatie en Internalisatie voelen mensen zich verwant met de dominante cultuur en de cultuur van kleinere groepenà groepsidentificatie. Dit heeft tot gevolg dat onze persoonlijkheid of identiteit voor een deel bestaat uit sociale elementen. Je persoonlijkheid/identiteit wordt dus gevormd door een mix van aangeboren eigenschappen en aangeleerde cultuurkenmerken. Veel eigenschappen zijn een combinatie van aangeboren en aangeleerde aspecten. Door de vervlechting van persoonlijke karaktertrekken met sociale aspecten ontwikkelt iedereen zijn eigen persoonlijkheid.



De Nederlandse dominante cultuur is individualistisch, de nadruk wordt gelegd op de ontplooiing van het individu. De minimale binding die wij als Nederlanders met elkaar delen is dat we loyaal zijn aan de basisafspraken van de Nederlandse samenleving. ‘Dé Nederlander’ bestaat niet. Culturen waar collectief voorop staat noemen we collectivistisch, zoals in Arabische of Afrikaanse landen.



Paragraaf 2 ~ culturele veranderingen



Karaktereigenschappen van de Nederlandse samenleving tot ongeveer 1960:




  • Weinig sociale mobiliteit; het was moeilijk om op te stijgen op de maatschappelijke ladder door de grote afstand tussen de sociaaleconomische verschillen.

  • Gezinsgericht; gezinnen waren de norm. Als alleenstaande werd je raar aangekeken. Binnen gezinnen was er een strikte taakverdeling; man was kostwinner en vrouw deed het huishouden. Tot 1956 waren vrouwen handelingsonbekwaam; ze mochten geen overeenkomst sluiten zonder toestemming van hun man/vader, bv voor het afsluiten van een bankrekening. Er was ook weinig ruimte voor persoonlijke ontplooiing en individuele wensen/mogelijkheden waren niet belangrijk.

  • Strikte hiërarchische verhoudingen tussen mensen: er waren veel verschillen in rang, er waren geen sociale voorzieningen. Zo gehoorzaamde arbeiders hun werkgever en moesten ze buiten het werk de pet af doen voor de pastoor, burgemeester, dominee en dokter.

  • Nederland was verzuild; het maatschappelijk leven werd bepaald door geloofs- en levensovertuigingen. Een groot deel van het leven van de mensen speelde zich af binnen de geloofsgemeenschap. De belangrijkste kerken hadden hun eigen krant, sportverenigingen, vakbonden en omroepen. Het was niet de bedoeling dat mensen buiten hun eigen zuil actief waren. Huwelijken tussen twee mensen van verschillende geloven werd dan ook afgekeurd.



De jaren zestig staan bekend als de jaren van de sociale en culturele revolutie. In nauwelijks tien jaar tijd veranderde de cultuur in Nederland grondig. Belangrijkste veranderingen na 1960;




  • Nederland werd een consumptiemaatschappij: een samenleving waarin het bedrijfsleven zich sterk richt op het produceren van aantrekkelijke luxegoederen voor consumenten. De sociale mobiliteit en het opleidingsniveau nam sterk toe doordat door de toename van de welvaart nu ook kinderen uit lagere klassen ook langer konden doorleren. Het hogere opleidingsniveau leidde tot een grotere mondigheid; gezag werd niet meer vanzelfsprekend aanvaard waardoor de onderlinge sociale controle minder werd.

  • Individuele ontplooiing kreeg meer kans. Mensen wilden gezien worden als een persoon in plaats van alleen onderdeel van het gezin. Het gezin was niet automatisch meer de hoeksteen van de samenleving. Jongeren kozen voor allerlei nieuwe samenlevingsvormen zoals latrelaties of ongehuwd samen wonen zonder kinderen. Dit werd mede mogelijk gemaakt door de toename van de welvaart en de opkomende verzorgingsstaat.

  • Emancipatie: Er ontstonden feministische actiegroepen doordat vrouwen een hoger opleidingsniveau kregen en vaker een eigen inkomen hadden. Vrouwen eisten gelijk loon voor gelijk werk en zelfbeschikkingsrecht over hun eigen lichaam. Ze eisten verkorting van de arbeidstijd en betere kinderopvang om het werk tussen de man en vrouw ook binnenshuis beter te laten verlopen. Veel van deze acties hebben effect gehad. Ook homoseksuele en andere minderheidsgroepen eisten gelijke rechtenà trouwen.

  • Ontkerkelijking en ontzuiling; Met de ontkerkelijking kwam er een eind aan de verzuiling. Bij ontzuiling speelde de rol van de televisie een grote rol. Op tv was te zien dat mensen van andere zuilen helemaal niet zo slecht waren als altijd werd gedacht. Mensen groeiden naar elkaar toe waardoor de strenge scheidingslijn tussen de zuilen verdween. Dit noemen we secularisatie. De interesse voor religieuze beleving is gebleven ondanks dat de invloed van kerken is afgenomen.

  • Opkomst van jongerenculturen: door de welvaartsgroei hoefden werkende jongeren niet langer meer hun loon af te staan aan hun ouders, waardoor ze zelf ook dingen konden ondernemen zoals naar de bioscoop gaanà ontstaan van de eerste jongeren culturen. De huidige jongerenculturen zijn meestal gerelateerd aan kleding- en muziekstijlen. Ze kregen meer vrije tijd omdat ze thuis niet meer hoefden te werken die ze gebruikten voor contacten met vrienden met dezelfde interesses wat een soort geborgenheid bood die vroeger te zien was in het gezinà peergroep (volgens psychologie), een groep mensen die in dezelfde leeftijdscategorie met overeenkomstige belangstellingen en leefstijl, vooral in de puberteit heeft dit invloed op de sociale en psychische ontwikkeling van jongeren.

  • Diversificatie media-aanbod; voor de jaren zestig regelde de overheid de zendtijd van de enige zender op tv en de drie radiostations. Maar door de piratenzender werd deze structuur opengebroken doordat zij op zee buiten de territoriale wateren vielen zodat ze niet onder de omroepwet vielen. Ook werden er vanaf Luxemburg programma’s uitgezonden, gericht op de Nederlandse radio en televisie. Er kwam een eind aan het oude omroepstelsel. Er zijn nu een aantal commerciële omroepen en daarnaast ook publieke omroepen die gesubsidieerd worden door de overheid. De mogelijkheid van internet versnelde het proces van diversificatie van de media.



Alle genoemde veranderingen hebben een internationalisering van de culturen tot gevolg. Deze culturele globalisering heeft ertoe geleid dat de nationale dominante culturen zijn verbreed maar tegelijkertijd ook in betekenis afnemen.



Paragraaf 3 ~ Nederland immigratieland



De redenen om een land te verlaten noem je pushfactoren, een reden kan bijvoorbeeld zijn dat je niet vrij bent in je eigen land of dat je in gevaar bent zoals in Syrië. De redenen om naar een land te komen noem je pullfactoren.



Allochtoon: iemand die zelf, of tenminste één ouder in het buitenland is geboren.



Autochtoon: iedereen die in Nederland is geboren en van wie de (groot)ouders ook hier zijn geboren en opgegroeid. Immigranten zijn dus allochtonen.



De meeste allochtonen die rond 1960 naar Nederland kwamen, hadden de hoop om hier werk te vinden en een betere toekomst te krijgen dan in hun eigen land. Er was werk in overvloed in de fabrieken door de groeiende economie. De mensen daarom ook gastarbeiders genoemd omdat men ervan uit ging dat ze hier niet voor altijd zouden blijven. De meeste Grieken, Italianen en Spanjaarden zijn teruggekeerd maar Marokkanen en Turken zijn vaan gebleven. De laatste jaren kunnen we de volgende groepen buitenlanders onderscheiden die naar Nederland komen:




  • Mensen uit nieuwe minder welvarende lidstaten van de Europese Unie, o.a. Polen, Roemenië en Oekraïne. Bedrijven werken graag met deze Europeanen omdat ze voor lagere lonen willen werken dan de Nederlanders. Ze werken vooral in de tuinbouw, transport en de bouw.

  • Hoogopgeleide mensen uit landen zoals Duitsland, de VS en China die kennis meebrengen waar in Nederland grote behoefte aan is, bijv. in ICT-sectorà kennismigranten. Werken bij onder anderen Phillips, KPN en Shell.

  • Werkzoekenden uit arme gebieden buiten de Europese Unie. Europa houdt de grenzen voor deze mensen dichtà illegalen.



Nederland heeft lange tijd kolonies gehad, daarvan zijn Nederlands-Indië(Indonesië) en Suriname onafhankelijk geworden alleen de Antillen horen nog bij Nederland. De inwoners van deze kolonies waren Nederlands en daarom werden zij rijksgenoten genoemd.



Tussen 1949 en 1969 kwamen veel emigranten uit Nederlands-Indië naar Nederland met de hoop op een betere toekomst, Indonesië was toen erg anti-Nederlands. In die tijd probeerde Nederlands-Indië zich los te maken van Nederland en een zelfstandig land te worden. In 1951 kwamen er heel veel Molukkers naar Nederland omdat zij door de Indonesische bevolking als collaborateurs(samenwerken met de bezetter) werden gezien. Zij hadden namelijk in het leger gevochten tegen de Indonesische onafhankelijksstrijders. De Nederlandse regering moest hen naar Nederland overbrengen door de moeilijke positie.



In 1975 was Suriname onafhankelijk geworden van Nederland. Burgers konden kiezen tussen een Nederlandse of Surinaamse nationaliteit. Veel mensen kozen voor de Nederlandse omdat de toekomst van Suriname erg onzeker was. Na 1980 bood Nederland nog eens vele duizenden Surinamers aan om naar Nederland te verhuizen door de staatsgreep van Desi Bouterse. De Surinaamse bevolkingsgroep bestaat uit de creolen(stammen af van slaven), Hindoestanen van Indiase afkomst en Javaanse Surinamers.



In de jaren zestig waren veel mensen in de Antillen werkloos, maar in Nederland was er een tekort aan arbeidskrachten en daarom konden zij zich zonder problemen in Nederland vestigen. Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn onafhankelijke landen binnen het Nederlandse koninkrijk. De andere drie eilanden, Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, zijn Nederlandse gemeenten. Om tegenwoordig als Antilliaan toegelaten te worden tot Nederland, heb je een visum nodig.



Gezinshereniging: mensen die legaal in Nederland verblijven en hun gezinsleden laten overkomen, dat zijn vaak gezinnen van erkende vluchtelingen.



Gezinsvorming: een Nederlander of iemand met een verblijfsvergunning die met een buitenlander trouwt en hier een gezin sticht. Veel Marokkanen/Turken die hier trouwen met een partner uit het land van herkomst. Er zijn wel bepaalde eisen gesteld bij gezinshereniging en gezinsvorming. Zo moeten beide partners minimaal 21 jaar zijn en geldt het minimumloon als inkomenseis. Bij gezinsvorming moet de nieuwkomer ook een basisexamen inburgering afleggen.



Vluchtelingen zijn mensen die hun land onderdruk verlaten. Het zijn mensen die vervolgd worden vanwege hun geloof, seksuele geaardheid, politieke overtuiging of ze moeten vluchten vanwege een oorlog. Sommige vluchtelingen vluchten naar het westen en vragen asiel aan, vaak met de hoop zich permanent te kunnen vestigen.



Paragraaf 4 ~ culturele diversiteit



Dogmatische visie: iemand met een dogmatische visie is ervan overtuigd dat dit de enige juiste visie is en verzet zich tegen andere opvattingen, bijv. Communisme. Hierdoor cultuurverschillen in een maatschappij. Als die uitgroeien tot culturele tegenstellingen kan, dat tot spanningen en conflicten leiden.



Nederland is veranderd van een homogene verzuilde samenleving naar een cultureel heterogene samenleving. Dat is te zien aan:




  • Emancipatie: de opvattingen over emancipatie hangt samen met de verhouding tussen masculiniteit en femininiteit. Masculiniteit: vaste taakverdeling tussen de seksen; man werkt, vrouw verzorgt. Dit is vooral in Zuid-Europese en niet-westerse culturen. In feminiene culturen is de kwaliteit van het leven voor alle individuen belangrijk, ongeacht de sekse. Dit is vooral in Noord- en West-Europa. In deze culturen is gelijkberechting voor vrouwen en homoseksuelen geslaagd tijdens de emancipatie. Dit is nu een van de belangrijkste waarden uit onze samenleving ook al is niet iedereen het daar mee eensà SGP en Islam.

  • Bestuur en gezag: de rationele manier waarop de overheid ons land bestuurd is voor ons vanzelfsprekend. Deze manier wordt gekenmerkt door formele, onpersoonlijke en bureaucratische procedures die bedoeld zijn om alle burgers gelijk te kunnen behandelen. Deze bestuursvorm staat recht tegenover het traditionele en charismatische gezag uit niet-westerse landen dat als kenmerken vriendendiensten en voorkeursbehandeling heeft. Geld geven aan een ambtenaar die voor jouw bouwvergunning heeft gezorgd, is daar normaal. Maar bij ons wordt dat als omkoperij beschouwd.

  • Huwelijk en seks: in islamitische en hindoeïstische culturen is seks voor het huwelijk verboden door de familie-eer. Ouders bemoeien zich vaak met de partnerkeuze van hun kinderen. Bij jongeren van de tweede generatie brengt dit verwarring omdat zij zijn opgegroeid met twee culturen; de Nederlandse en islamitische cultuur. In de Nederlandse cultuur denkt men veel vrijer over seks. In sommige gevallen is er sprake van eerwraak. Bij eerwraak loopt de jongen uit een andere familie waarmee een ongehuwd meisje seksueel contact heeft gehad, worden vermoord. Het meisje wordt verstoten uit de familie. Eerwraak heeft te maken met een oude stam- en familiegebruiken, het heeft dus niks te maken met het islamitische geloof.

  • Opvoeding: Nederlandse kinderen krijgen vaak veel vrijheid tijdens hun opvoeding. Slaan en andere lijfstraffen horen niet bij de democratische manier van opvoeden, in sommige culturen is dit wel een onderdeel van de opvoeding. In Nederland wordt dit zelfs vaak gezien als kindermishandeling.



Het wij-gevoel in Nederland kan optreden bij alle soorten groepen, een voorbeeld hiervan is het Nederlands elftal. Als zij in een interland spelen, kleurt heel Nederland oranje. Bij een ‘wij’ is er ook altijd een ‘zij’, dat zijn de anderen die er niet bij horenà out-group. ‘Wij’ kennen elkaar en vormen een in-group. De wij-groep heeft meestal een negatief beeld van de zij-groep. Wij-zijdenken en versterking van de eigen groepsidentiteit kunnen leiden tot conflicten als de verschillen tussen groepen worden omgezet in vijand beeldenà polarisatie: wie niet voor mij is, is tegen mij bv gevechten tussen hooligans, dit kan een belemmering vormen voor integratieprocessen. Als een groep bewust wordt zwartgemaakt om het wij-zijdenken te stimuleren heet dat demoniseren.



Over de manier waarop Nederland het beste kan omgaan met culturele tegenstellingen heeft de WRR(wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid) vastgesteld. Zo moet de overheid zo min mogelijk met de burgers bemoeien, zij moet alleen ingrijpen als het gedrag van de mensen uit de samenleving in strijd is met de normen en waarden uit de rechtstaat. Dit zijn de drie mogelijke strategieën die de overheid kan hanteren bij verschillende soorten conflicten en cultuurverschillen:




  • Dulden: accepteren van afwijkend gedrag, omdat je anderen de vrijheid gunt om hun leven te leven zoals zij graag willen. Dit gedrag moet hun medemens wel in hun waarde laten en er moeten geen wetten worden overtreden. Bijv. hoofddoek.

  • Confronteren en beslechten van afwijkend gedrag: personen confronteren met de last/onvrede die zij veroorzaken, met het doel dat zij zich aanpassen. Dit gedrag moet dan wel ongewenst en mogelijk strafbaar zijn. Bv hangjongeren.

  • Verbieden en handhaven: het bestraffen van afwijkend gedrag. Maar dan moet het wel noodzakelijk zijn het gedrag te bestraffen omdat rechten van anderen aantast en het wettelijk strafbaar is. Bv voetbalhooligans.



Paragraaf 5 ~ vormen van samenleven



De drie verschillende manieren waarop de overheid met mensen met verschillende culturele diversiteiten in een pluriforme samenleving omgaat:




  • Segregatie: het opdelen van een samenleving in gescheiden delen, mensen kunnen dan niet zonder problemen naast elkaar samenleven. Bijv. verschillende bevolkingsgroepen wonen dan in aparte wijken. Segregatie wordt meestal veroorzaakt doordat één cultuurgroep de politieke en economische macht bezit en daardoor andere groepen buitensluit en geen gelijke kansen meer biedtà apartheidsregime in Zuid-Afrika; de blanke minderheid legde haar wil op tegen de zwarte meerderheid, sociale en culturele ongelijkheid werden wettelijk vastgelegd. Segregatie kan ook uit vrije

  • Assimilatie: een bevolkingsgroep past zich zo volledig aan, dat de oorspronkelijke cultuur grotendeels verdwijnt, hierbij geeft de groep een belangrijk deel van hun sociale identiteit op. Sommige immigranten kiezen bewust voor het overnemen van de dominante cultuur om hun kansen op een succesvolle toekomst te vergroten. Als assimilatie onder dwang plaats vindt, n de verbiedt de overheid culturele uitingen van minderheden zoals de taal of religieà Aboriginals in Australië. De Nederlandse overheid streeft assimilatie van de burgers niet na, maar het is wel verplicht om ABN te praten op scholen

  • Integratie: als iemand zich aanpast aan de cultuur waar hij in terechtkomt, n maar tegelijkertijd gedeeltelijk zijn eigen gewoonten, normen en waarden kan behouden, bijv. iemand die Groningen naar Amsterdam verhuist. Iemand uit het buitenland is in Nederland geïntegreerd als:




  1. Sprake is van een gelijke juridische positie

  2. Gelijkwaardige deelname op sociaaleconomisch terrein

  3. Kennis van de Nederlandse taal voldoende is

  4. De gangbare normen, waarden en gedragspatronen worden gerespecteerd



Er wordt van iemand verwacht dat hij bereid is te integreren, maar de samenleving moet de integratie wel mogelijk maken, beide groepen moeten zich dus aanpassen. Melting pot: de manier waarop nieuwkomers in het ontvangende land hun plaats vinden en integreren, culturen van etnische groepen versmelten met de dominante cultuur waardoor en een nieuwe cultuur ontstaat.> Amerika. Salad bowl: er is sprake van wederzijdse beïnvloeding van culturen maar cultuurgroepen behouden hun eigen typische kenmerkenà Suriname.



Redenen van de immigratieproblemen van de immigranten(vanaf jaren 60):




  • Verschillen in achtergrond: de immigranten verschilden in sociaal en cultureel opzicht sterk met de Nederlanders. Zij kwamen van een minder gemoderniseerde, agrarisch-ambachtelijke samenleving terecht in een sterk gemoderniseerde en geïndustrialiseerde, stedelijke samenleving. In Nederland is de samenleving individualistisch ingericht maar in het land van herkomst de samenleving collectivistisch was met een sterke familiestructuur, waarin een schaamtecultuur heerst.

  • Sociaaleconomische achterstand: werd veroorzaakt door:




  1. Werkloosheid: door automatisering en verplaatsing van fabriekswerk naar lagelonenlanden raakten arbeiders hun baan kwijt, allochtonen van de eerste generatie belandden aan de onderkant van de samenleving.

  2. Taalachterstand: allochtone kinderen hebben het relatief moeilijker om hun talenten optimaal te benutten vanwege hun taalachterstand.

  3. Woonsituatie: migranten vestigden zich vooral in grote steden in wijken met goedkope woningen, waardoor er een concentratie van migrantengroepen ontstond. Ze behielden veen van hun eigen cultuur door bijv. een moskee te bouwen, hierdoor voelden autochtone inwoners zich niet meer thuis en vertrokken.

  4. Discriminatie: minderheden worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en daarbuiten ondanks het verbied op discriminatie(grondwet artikel 1). Ook andere groepen in de samenleving hebben hier last van.




  • Passief integratiebeleid: het beleid van de overheid was jarenlang gericht op integratie met behoud van cultuur en identiteit, waardoor er weinig eisen werden gesteld aan de nieuwkomers en zij daardoor niet verplicht waren zich te integreren. Ze hoefden dus de Nederlandse taal niet te leren. Bepaalde visies werden geleid door cultuurrelativisme; gaat ervan uit dat de ene cultuur niet beter is dan de andere. Toen later bleek dat de aanwezigheid van de immigranten blijvend was, werden de normen rondom integratie aangepast. De overheid ging werkloosheid onder allochtonen bestrijden, allochtone sollicitanten kregen bij gelijke geschiktheid de voorkeur. Dat werkte alleen bij de overheid zelf omdat het gebaseerd was op de vrijwilligheid van de werkgevers. Om de taalachterstand weg te werken is de Nederlandse taal officieel een onderdeel van het Nederlandse integratie beleid. De achterstandswijken zijn ook opgeknapt om de woonpositie van de allochtonen te verbeteren.



Sinds 2000 is het integratiedebat harder geworden door de aanslagen van de islam in de VS en Europa. De cultuur en godsdienst die meekwamen uit het land van herkomst, zouden het voor de migranten moeilijker maken om volledig deel te nemen aan de samenleving. De cultuurverschillen tussen de nieuwkomers en de autochtone bevolking wordt als hoofdoorzaak van de achterstand van etnische minderheden gezienà culturalisering van het debat.



Om de mate van integratie te meten moet er ook worden gekeken naar de sociaaleconomische en politieke integratie. Veel allochtonen hebben door eigen inspanning veel bereikt en hun omstandigheden zijn verbeterd de laatste jaren.



Paragraaf 6 ~ sociale cohesie



Iedereen heeft een eigen karakter en een eigen wil, maar we zijn tegelijkertijd ook onderdeel van een groter geheel zoals het dorp of de stad waar je woont. We zijn uiteindelijk onafhankelijk van anderen. Iedereen heeft andere mensen nodig om in levensonderhoud te voorzien en om sociale, emotionele en andere behoeften te vervullen. De mate waarin mensen bindingen met elkaar hebben en het gevoel bij elkaar te horen heet sociale cohesie.





Mensen zijn op vier soorten bindingen van elkaar afhankelijk:




  1. Affectieve bindingen: (houden van) bijv. je familie/vrienden. Ervaringen van mensen zorgen voor een collectieve bindingen, het gevoel van verbondenheid met elkaar. Deze gevoelens maken mensen bereid voor elkaar op te komen in bepaalde situaties, maar het kan ook leiden tot het wij-zijdenken.

  2. Economische bindingen: bijv. winkel waar je eten koopt. Economische bindingen zijn ontstaan doordat men afhankelijk is van voedsel, kleding en onderdak, dit geldt voor de hele samenleving. In Nederland bestaat er een sterk doorgevoerde arbeidsdeling; we produceren goederen, die voor het grootste deel niet voor eigen gebruik zijn, in ruil voor geld. We zijn onderdeel van een economisch netwerk dat verstrekt is over de hele wereld, economische globaliseringà nadelig voor sociale cohesie van een land omdat producten niet meer geheel in één land gefabriceerd worden omdat de productie voor het grootste deel is verplaatst naar de lagelonenlanden.

  3. Cognitieve bindingen(kennis) bijv. met je leraar op school. Voor het ontwikkelen van kennis zijn we onafhankelijk van anderen met wie we cognitieve bindingen hebben. Communicatienetwerken zijn van belang voor onze cognitieve bindingen. Het niet kunnen omgaan met internet is nadelig voor de sociale cohesie, omdat er een tweedeling ontstaan tussen mensen met een hogere opleiding die taal- en computervaardig zijn en mensen met een lagere opleiding die dat niet zijn. De sociale cohesie wordt versterkt door gemeenschappelijke historische kennis, aspecten uit de Nederlandse samenleving zijn alleen te begrijpen als je weet waar het vandaan komt.

  4. Politieke bindingen: bijv. de politici op wie je stemt. De overheid is verantwoordelijk voor collectieve voorzieningen zoals onderwijs en AOW, omdat we niet alles zelf kunnen regelen. Deze politieke bindingen leiden tot afspraken die voor iedereen gelden, dit beschouwen we allemaal als een sociaal contract; een stilzwijgende overeenstemming van de bevolking dat men zich houdt aan de regels die door politici worden vastgesteld, de rechtstaat is hiervan de uitwerking. Voor sociale cohesie is het van belang dat mensen betrokken zijn bij maatschappelijke vraagstukken en stemmen bij verkiezingen.



Deze vier bindingen lopen in werkelijkheid door elkaar heen. Deze bindingen dragen ertoe bij dat je je betrokken voelt bij de belangen en kwesties die van belang zijn voor de groep waar je jezelf rekent. Hoe meer bindingen, hoe meer sociale cohesie.



Paragraaf 7 ~ internationale vergelijkingen



Er zijn vier modellen van de manier waarop de relatie tussen kerk en staat geregeld is:




  1. Atheïstische model: er wordt geen enkele godsdienst toegestaan

  2. Religieuze model: er is een staatsgodsdienst, andere religies zijn niet toegestaan.

  3. Religieus neutrale model: religies worden toegestaan, maar de kerk en staat zijn strikt gescheiden.

  4. Pluriforme model: religies worden toegestaan en actief ondersteund door de overheid.



Iran



De staatsgodsdienst in Iran is het sjiisme, en van de twee hoofdstromingen van de islam. De juiste interpretatie van de Koran, bewaakt door religieuze leiders, vormt de leidraad voor het dagelijks leven, de wetgeving en rechtspraak. Iran is geen volkomen totalitaire islamitische samenleving. Religieuze minderheden zoals joden kunnen hun geloof vrij belijden als ze geen moslims proberen te bekeren. De staat houdt de burgers goed in de gaten en de media staat onder scherpe controle en censuur van de overheid.



Kinderen krijgen les in burgerschap en patriottisme. Zo moeten ze regelmatig het volkslied zingen met de hand op het hart. Ze leren ook de islamitische waarden. In parken en op straat is er de zedenpolitie die mensen in de gaten houdt en controleert of zij geen aanstoot geven met hun manier van kleden en gedragà de mensen houden zich rustig op hun persoonlijke veiligheid veilig te stellen.



China



China is sinds 1949 een atheïstische staat. Geloof wordt beschouwd als bijgeloof met als doel mensen te verdorven en koest te houden. Officieel zijn religies toegestaan, maar in het dagelijks leven worden gelovigen vervolgd. Door het economische liberalisme heeft religie meer ruimt gekregen, christelijke kerken mogen georganiseerd worden, ook internationale contacten mogen onderhouden worden.



Om het patriottisme aan te sporen, voert de overheid een campagne onder jongeren waarmee de machthebbers het nationale bewustzijn proberen te versterken. Het confucianisme, de 25 eeuwen oude leer van de wijsgeer Confucius, een belangrijke rol. De leer brengt het belang van onderlinge relaties en verplichtingen tussen mensen naar voren. Als de relaties harmonieus zijn, is de samenleving ook harmonieus. Op veel plaatsen heerst een hiërarchie, collectief is belangrijker dan het individu. Je gaat niet in tegen beslissingen van degene die boven je staat.



Verenigde Staten



De VS heeft een officiële scheiding van de kerk en staat zonder staatsgodsdienst. In 1982 deed het Hooggerechtshof een uitspraak dat Amerika een christelijke natie omdat de principes van een democratisch bestuur onlosmakelijk verbonden zijn met de principes van het christendomà God bless America. De christelijke moraal werkt door in de algemeen aanvaarde normen en waarden; liefdadigheid is belangrijk en liever geen seks voor het huwelijk. Maar door de godsdienstvrijheid mogen mensen ook iets anders of niks geloven, maar er is onderling weinig contact en is er bijna geen sprake van een brede integratie.



Amerikanen hebben een hoog arbeidsethos: ze werken heel veel omdat de Amerikaanse samenleving is niet erg zorgzaam voor haar burgers; rechtspositie van werknemers is slecht en er zijn nauwelijks sociale voorzieningenà individualistische levensstijl, deze hardheid zie niet je terug in de omgangsvormen. Ze zijn vriendelijk en behulpzaam, geduldig in het verkeer. Vaderlandsliefde is een cultuurkenmerk van VS. Trots op je land is vanzelfsprekend, ongeacht je afkomst, huidskleur etc. het wordt kinderen met de paplepel ingegoten.



Frankrijk



In Frankrijk geldt de scheiding van de staat en kerk als ideaal, er wordt geen enkele godsdienst bestreden. De Franse staat doet niets ten gunste van welke religie dan ook. Religie wordt gezien als een privézaak die niet thuishoort in de publieke sfeer, in tegenstelling tot de VS. Elk kind moet zo neutraal mogelijk worden voorbereid op deelname aan de samenleving, dus er mogen op school geen religieuze symbolen dragen zoals een hoofddoekà etnische en religieuze verschillen horen niet thuis in het onderwijs.



Fransen zijn chauvinistisch; overdreven vaderlandslievend. Ze vinden het vanzelfsprekend dat anderen hun taal kennen, maar zelf leren ze weinig andere talen. Van etnische en religieuze minderheden wordt ook verwacht dat zij de Franse cultuur en taal eigen maken.



In Frankrijk geldt een strenger opvoedingsmoraal dan in Nederland op gebied van discipline, autoriteit, regels en zelfbeheersing.



Nederland



In het pluriforme of multiculturele model worden religieuze groeperingen actief gestimuleerd/financieel ondersteund in hun maatschappelijke activiteiten door de overheid, bij het religieus neutrale model wordt dat niet gedaan. Nederland heeft een pluriform model. Zo krijgen bijvoorbeeld verzuilde omroepen en scholen financiële bijval van de overheid. Elke levensbeschouwelijke groepering mag met subsidie van de overheid zijn eigen school op richten volgens de grondwet.



Patriottisme in Nederland is niet de gewoonte, in de hiervoor genoemde landen wel. Nederlanders staan over het algemeen open voor andere landen en culturen, ook al lijkt dat minder te worden. Op gebied van gezagsverhouding lijkt Nederland ook niet op dat van Iran, China, VS en Frankrijk. Inspraak is in Nederland vanzelfsprekend, het streven is om overal compromissen te sluiten volgens het poldermodel. In Nederland is er op sociaaleconomisch gebied een sterke solidariteit, afgedwongen door sociale wetten, ondanks dat Nederlanders individualisten zijn. De Nederlandse samenleving is zorgzaam voor haar burgers. Doordat er in het pluriforme model binnen religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen een sterke verbondenheid kan ontstaan, dat bevorderd de sociale cohesie in eigen kring maar dat gaat ten koste van de nationale sociale cohesie.



Paragraaf 8 ~ de toekomst



Nederland voert sinds enkele jaren een restrictief toelatingsbeleid; Nederland laat in principe geen immigranten meer toe, behalve als ze aan enkele strenge voorwaarden voldoen of als hun komst voortkomt uit internationale verdragen of overeenkomsten.



Verdragen die Nederland getekend heeft waardoor ze aan veel regelingen, richtlijnen en procedures vastzitten wat betreft immigratie:




  • Universele Verklaring van de Rechten van de Mens(1948): een land mag niet discrimineren en de rechten en vrijheden van de mens moeten worden nagekomen, staat ook in de grondwet.

  • Europese Verdrag van de Rechten van de Mens(1950): Nederland moet inwoners de gelegenheid geven tot gezinshereniging en gezinsvorming, de overheid mag hierbij wel aanvullende voorwaarden stellen, bv inburgeringcursus.

  • VN-Vluchtelingen verdrag(1951): vormt de basis voor het asielrecht, vluchtelingen worden gedefinieerd als ‘iemand die gegronde redenen heeft te verzen voor vervolging wegens godsdienstige/politieke overtuigingen of nationaliteit of wegens het behoren tot een bepaald ras/bepaalde sociale groep. ‘

  • Verdrag van Maastricht(1992): afgesproken dat er binnen de Europese Unie vrij verkeer van personen en goederen geldt, de binnengrenzen van de lidstaten zijn open. Nederlanders kunnen in principe alle EU-landen wonen en werken, maar Nederland moet ook inwoners uit andere EU-landen toestaan.



De mensen die niet onder de hierboven genoemde verdragen vallen, moeten eerst een machtiging tot voorlopig bedrijf(MVV) aanvragen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst(IND) neemt hierover een beslissing, uit naam van de minister die zich bezighoudt met asiel- en immigratiebeleid. Arbeidsimmigranten van buiten de EU krijgen alleen een MVV op verzoek van een in Nederland gevestigde werkgever en dat op het betreffende vakgebied aantoonbare tekorten zijn op de arbeidsmarkt. Studenten kunnen alleen komen studeren op uitnodiging van een universiteit. Van de asielzoekers wordt ongeveer de helft afgewezen omdat hun land als veilig wordt geschouwd.



Tegenstanders van het ruimhartige toelatingsbeleid vinden dat door het huidige immigratiebeleid negatieve effecten heeft zoals hoge kosten voor opvang, moeizame integratie, verdringingseffect op arbeidsmarkt en een bedreiging voor de Nederlandse cultuur. Zij willen dat er zo min mogelijk mensen Nederland worden binnen gelaten.



Voorstanders vinden dat de regels nu te streng zijn waardoor het soms leidt tot het maken van onmenselijke beslissingen, vooral in individuele gevallenà kinderpardon o.a. Mauro. Door dit beleid worden de regels ook onuitvoerbaar waardoor mensen tussen wal en schip terecht komenà mensen worden terug gestuurd naar hun eigen land, maar daar worden ze niet meer binnengelaten waardoor zij kiezen voor illegaliteit. Ook vinden zij dat deze mensen de vergrijzing tegen kunnen gaan door hier te werken.



Cultuurrelativisten: vinden dat alle subculturen in beginsel gelijkwaardig zijn, de ene cultuur is niet beter dan de andere. Alle normen en waarden van anderen moeten beoordeeld worden vanuit de context van hun cultuurà respectvolle manier waarop naar andere culturen wordt gekeken. Nadeel is dat er geen universele moraal bestaat die grenzen stelt aan normen, waarden en gedragà geen duidelijke grens over wat rechtvaardig is en wat niet bijv. eerwraak.



Cultuuruniversalisten: vinden dat bepaalde waarden een universele geldingskracht hebben, zoals de klassieke grondrechten. Een (sub)cultuur is in hun ogen beter wanneer zij deze universele waarden garandeert en beschermt. Een nadeel is dat ze heel individualistisch zijn ingesteld omdat het een westers idee is. Wat goed is voor het individu, is goed voor de groep. Zie toepassing cultuurvisies op blz. 190 voor een voorbeeld.



Cultuurpluralisten: zien de culturele verschillen als een verrijking van de samenleving, daardoor leren mensen elkaar te respecteren. De basisrechten gaan minder ver dan de klassieke mensenrechten van de universalisten, maar bieden meer mogelijkheid om bepaalde dingen af te keuren dan het cultuurrelativisme.



Bij relativisten en universalisten heeft het begrip cultuur een andere betekenis dan bij pluralisten. De eerste twee zien een cultuur als een statische/dezelfde eenheid die nauwelijks verandertàessentialistisch. Volgens pluralisten veranderen culturen voortdurend onder invloed van factoren in en buiten het land. Sommige cultuurelementen verliezen aan kracht en er worden nieuwe elementen aan toegevoegdàconstructivistisch


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.