ADVERTENTIE
Zie jij op tegen het lezen van al die boeken voor je leeslijst?

Probeer dan eens een luisterboek! Wij geven je acht tips van boeken die op je leeslijst staan en die je kunt terugvinden op Storytel. Check het blog en probeer Storytel nu 30 dagen gratis! 


Check het blog!

Paragraaf 1

Nederlands is al heel lang een pluriforme samenleving, een land waarin mensen naast elkaar leven met uiteenlopende godsdiensten en levensstijlen en waar een redelijke mate van verdraagzaamheid heerst. Afgelopen jaren zie we een toename van spanningen die te maken hebben met culturele verschillen tussen bevolkingsgroepen. Wanneer mensen veel en langdurig met elkaar te maken hebben, ontwikkelen ze een eigen cultuur. Onder cultuur verstaan we alle waarden en normen en gewoonten die mensen binnen een groep of samenleving met elkaar delen. Normen en waarden zijn belangrijke cultuurkenmerken. Zo is de vrijheid van meningsuiting een kernwaarde in de meeste westerse landen. Andere cultuurkenmerken zijn kennis, gewoonten, kunst, sport, symbolen en feestdagen.

De overheersende cultuur in een land of samenleving noemen we de dominante cultuur: alle waarden, normen en gewoonten die de meerderheid van de bevolking met elkaar deelt. Het spreken van de Nederlandse taal en gelijkwaardigheid zijn kenmerkend voor de Nederlandse dominante cultuur. Naast de dominante cultuur bestaan er talloze kleinere subculturen. We spreken van een subcultuur wanneer binnen een groep sommige waarden, normen en andere cultuurkenmerken afwijken van de dominante cultuur. Vaak kun je een subcultuur herkennen aan een specifieke levensstijl, zoals gothics, boeren, friezen, moslims en hipsters. Al deze verschillende groepen maken deel uit van de dominante cultuur, maar door hun levensstijl verschillen ze er ook weer van. Iedereen is onderdeel van verschillende subculturen. Een subcultuur hoeft niet strijdig te zijn met de dominante cultuur. Dat is wel zo bij een tegencultuur. Hiermee worden groepen aangeduid die zich verzetten tegen (delen van) de dominante cultuur of daar zelfs een bedreiging vormen. Feministen vormden lange tijd een tegencultuur, totdat veel van hun eisen zoals gelijke beloning onderdeel werden van de dominante cultuur. Leven in een pluriforme samenleving betekent dat je om je heen een grote culturele diversiteit ziet, dat wil zeggen dat er veel verschillenden subculturen en levensstijlen bestaan. De culturele verschillen hebben met de volgende factoren te maken.

In de stad zijn mensen gewend aan drukte en anonimiteit, terwijl er in de dorpen juist veel onderlinge betrokkenheid en sociale cohesie bestaat. Mensen groeten elkaar op straat en winkeliers kennen hun klanten bij naam. In de steden zie je dit minder, maar dit geeft juist weer meer individuele vrijheid. Naast verschillen tussen dorp en stad zijn er ook verschillen tussen provincies en regio’s zoals tussen Groningers (nuchterheid) en Brabanders (genieten van het leven). Tussen jou en je ouders of grootouders bestaan culturele verschillen. Je draagt andere kleren, luistert andere muziek en doet andere dingen in je vrije tijd. Soms leiden generatieverschillen tot een generatieconflict, wanneer ouders en kinderen tegenover elkaar staan en elkaars visie en leefstijl totaal niet begrijpen.

Als je ergens werkt moet je je aanpassen aan de bedrijfscultuur: alle waarden, normen en gewoonten die er in een bedrijf gelden. Je maatschappelijke positie en je inkomen hebben invloed op je leefstijl. Ze bepalen in wat voor wijk je woont, welke clubs je lid bent en waar je je kleren koopt.

Hoe mannen en vrouwen zich gedragen, wordt sterk bepaald door de cultuur. Denk aan manier van kleden of de verschillen in hobby’s en interesses. Dit heeft niet alleen te maken met de persoonlijke keuzes maar ook met rolpatronen: algemene verwachtingen en opvattingen over hoe iemand zich moet gedragen. Mede door de emancipatiebeweging zijn rolpatronen van mannen en vrouwen flink veranderd.

Door migratie leven er in Nederland veel mensen met verschillende etnische achtergronden samen. Vooral in grote steden bestaat er een grote diversiteit aan etnische subculturen. In de jaren 70 werden de termen autochtoon en allochtoon geïntroduceerd. Het CBS beschouwde iemand als allochtoon wanner hij of zij zelf, of tenminste één van de ouders in het buitenland is geboren. Autochtoon is iedereen die in Nederland is geboren en van wie de (groot) ouders ook hier zijn geboren en opgegroeid. De begrippen worden als generaliserend beschouwd en zorgen voor een tweedeling in de samenleving. Bij voorkeur wordt gesproken over mensen met een migratie achtergrond in plaats van allochtonen.

Bij elke godsdienst of kerk horen specifieke opvattingen, gebruiken en feestdagen. Christenen, joden en moslims geloven in één god, terwijl hindoes geloven dat er een heleboel goden bestaan. Bij alle geloven zie je mensen die de voorschriften streng volgen en mensen die er losser en op een meer persoonlijke manier mee omgaan. Ook dat zijn allemaal cultuurverschillen. Sommige kenmerken van onze cultuur veranderen niet. Op andere gebieden zijn culturen voortdurend in ontwikkeling. Anders gezegd: cultuur is dynamisch en verspilt in de loop van de tijd, maar ook per plaats en per groep. Wat normaal en abnormaal is, kan per generatie en per land verschillen.

Paragraaf 2

De belangrijkste kenmerken van een cultuur worden telkens overgedragen aan nieuwe ‘leden’ zoals kinderen, immigranten, brugklassers of nieuwe werknemers van een bedrijf.

Elk mens is uniek en heeft kenmerken of eigenschappen die niemand anders heeft. Nature-aanhangers denken dat ons gedrag vooral wordt bepaald door aangeboren eigenschappen zoals lichaamsbouw, ritmegevoel of seksuele voorkeur. Nature aanhangers zeggen juist dat gedrag vooral aangeleerd is en dat je omgeving en de cultuur waarin je opgroeit bepalend zijn. Zo is het vermogen om te leren praten aangeboren maar welke taal je spreekt, is aangeleerd. Veel van je persoonlijke eigenschappen horen bij je karakter, maar worden verder gevormd door je ervaringen in het leven en door socialisatie.

Cultuuroverdracht
Cultuur overdracht noemen we ook wel socialisatie (het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert). Hierdoor raak je als individu aangepast aan je omgeving en begrijp je anderen beter. Normen en waarden zorgen ervoor dat een cultuur blijft voor bestaan. Elk kind heeft met socialisatie te maken. Als je leert lopen en praten, daarna eten met mes en vork, fietsen en beleefdheidsvormen. Andere gewoonten leer je juist af, zoals slaan of in bed plassen. Zonder socialisatie (zonder mensen om je heen), zul je je nooit leren functioneren in de samenleving.

Elke samenleving heeft verschillende socialiserende instituties (Dit zijn groepen, organisaties en collectieve gedragspatronen die specifieke waarden, normen en gewoonten overdragen) Socialisatie vind plaats binnen de gemeenschappen waar je, al dan niet zelf gekozen, toe behoort: je gezin, je school, je vriendenkring, je geloof en maatschappelijke groepen als sportclubs of actiegroepen. Daarnaast zijn de overheid en de media belangrijke socialiserende instituties. De overheid vervult die rol omdat zij specifieke waarden en normen tot wetten omvormt waar iedereen zich aan moet houden.

Hoe vindt socialisatie plaats?
De manieren waarop cultuur wordt overgedragen zijn gebaseerd op imitatie, informatie en sociale controle. Imitatie zien we vooral bij kinderen, zoals peuters die terugzwaaien als opa en oma weer weggaan. Naarmate kinderen ouder worden krijgt informatie een grotere rol in het socialisatieproces. Informatie : kennisoverdracht zoals dat gebeurt op school, op je werk of via media. Denk aan lessen wiskunde en geschiedenis. Toegang tot kennis is van belang om mee te komen in de samenleving maar dit lijkt niet voor iedereen gelijk te zijn. Sociale controle ( De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden). Bijv. vergeet je de verjaardag van je vriendin dan is ze een week boos op je. Of mensen zeggen er iets van als je voordringt. Internalisatie ( dat mensen zich waarden, normen en gewoonten eigen maken en zich automatisch gaan gedragen zoals hun omgeving van hen verwacht). Dit zie je bijvoorbeeld bij peuters die zindelijk worden. In ons dagelijks leven zijn talloze voorbeelden van geinternaliseerd gedrag te vinden. Denk aan fietsen, telefoneren, de manier waarop we elkaar begroeten.

Identiteit
Met persoonlijke identiteit bedoelen we alle aangeleerde kenmerken die bij jouw persoonlijkheid horen, zoals de muziek waar je van houdt. Sociale identiteit bestaat uit de groepen en culturen waarmee je je verbonden voelt. Groepen kunnen een wij-zij-gevoel ontwikkelen. Dan is er niet alleen onderlinge saamhorigheid, maar de groep gaat zich ook afzetten ten andere groepen. Bijv. Wij rotterdammers zijn beter dan Amsterdammers.

Individualisme en collectivisme
De Nederlandse dominante cultuur noemen we daarom individualistisch. In onze samenleving zijn de banden tussen mensen vrij los. Van burgers word verwacht dat zij voor zichzelf zorgen en voor zichzelf opkomen. In andere culturen staat het collectief vaak boven het invidu. Dit betekent dat mensen vanaf hun geboorte al horen bij een hechte en sterke groep.

Masculiniteit en feminiteit
In masculiene culturen zijn de werelden van mannen en vrouwen duidelijk gescheiden. Mannen zijn meer leiden en zijn gericht op carrière en succes. Van vrouwen wordt verwacht dat zij meer bescheiden zijn en vooral een dienstbare rol hebben. Landen : Mexico en Saudi-Arabië. In feminiene culturen lopen vrouwelijke en mannelijke rollen meer in elkaar over. Beide partijen hebben aandacht voor de gevoelens van anderen en houden rekening met elkaar. Landen : Nederland en Zweden.

Paragraaf 3

Cultuur is Dynamisch en verandert met de tijd mee. Dit zie je bijvoorbeeld van de dominante cultuur van Nederland van 50 jaar terug en van nu.

Wat was Nederland voor samenleving?
Voor de Tweede Wereldoorlog zag de nederlandse samenleving er heel anders uit dan nu.

  • Er waren sterke gezagsverhoudingen: Werknemers hadden respect voor hun baas, kinderen respecteerden het gezag van hun ouders en onderwijzers.
  • Er waren grote verschillen tussen de sociaal economische klassen, tussen rijk en arm. Er was weinig sociale mobiliteit: het was moeilijker om te klimmen op de maatschappelijke ladder. jongeren in de lagere sociale klassen kregen nooit de kans om verder te leren en een betere baan te krijgen. Ze moesten na de lagere school werken om bij te dragen aan het gezinsinkomen.
  • Nederland was sterk godsdienstig en verzuild. Verzuiling betekend dat mensen zich organiseerden rond hun geloof of overtuiging. Katholieken stuurden hun kinderen naar Katholieke scholen, lazen een katholieke krant. Dit gold ook voor protestanten, ze hadden hun eigen scholen, verenigingen en omroepen. De kerken verboden zelfs om met anders gelovigen om te gaan.
  • Mannen en vrouwen leefden naar traditionele rolpatronen: De man was het hoofd van het gezin en moest het geld verdienen. De vrouw zorgde voor de huishouding.

Groeiende samenleving
Na de oorlog werd er hard gewerkt om alles te herstellen. Dit is de periode van Weder opbouw. Door de groeiende economie had de overheid ook meer belastinginkomsten. Dit geld werd gebruikt voor om de verzorgingsstaat verder uit te bouwen. Investeringen in het onderwijs, de gezondheidszorg en een betere huisvesting. Dit verbeterde de kansen van de lagere klassen en nam de Sociale mobiliteit toe.

De inkomsten van de mensen stegen, hierdoor hielden mensen geld over voor luxe goederen(auto, tv, koelkast). De vakantiedagen werden ingevoerd, toen groeide de vrijetijdsindustrie: er werden pretparken gebouwd en op vakantie gaan werd normaal. Nederland veranderde in een Consumptiemaatschappij: een samenleving die gericht is op vrijetijdsbestedingen en bezittingen.

Ontzuiling en ontkerkelijking.
Vanaf 1960 begon de ontkerkelijking, vooral bij de Katholieken. Met de ontkerkelijking kwam er een einde aan de verzuiling. Hierbij speelde de televisie een belangrijke rol, want in het begin had je maar 1 zender, waardoor de katholieken protestantse programma’s keken en andersom. Op deze manier ontdekten ze dat mensen van een ander geloof helemaal niet zo slecht waren dan dat ze verteld werden. De groepen groeiden naar elkaar toe, zo gingen verenigingen en kranten zich los van de kerk maken.

Individualisering
Mensen gingen steeds meer naar hun zelf kijken en niet meer in groepsverband van de kerk etc. De individualisering bracht nieuwe waarden zoals persoonlijke vrijheid. De grotere mondigheid van burgers had invloed op de bestaande gezagsverhoudingen. De D66 eiste meer democratie, maar ook werknemers en jongeren wouden meer te zeggen hebben. Het gezag van de baas, de politie en je ouders was niet meer zo vanzelfsprekend.

Ontstaan jongerenculturen.
Door deze welvaart veranderde de leefstijl van jongeren, ze hoefden hun loon niet meer af te geven aan hun ouders en hielden dus meer geld over voor andere dingen zoals een brommer, nieuwe kleding en vrijetijdsactiviteiten. Zo ontstond eind jaren 50 de eerste jongerencultuur in Nederland, dit werd de ´nozems´ genoemd. Deze jongeren hadden hun eigen leefstijl, de rockers later de Hippies en punkers en hierna de nog andere groepen zoals Gabbers, Gothics en skaters.

De verandering tussen jongeren en ouders veranderden mee. Jongeren hoefden steeds minder te helpen in het huishouden. Ze kregen meer vrije tijd en ontwikkelden hun eigen levensstijl. De banden in het gezin werden losser maar die van leeftijdsgenoten werden juist sterker.

De emancipatiebeweging
Begin de twintigste eeuw werden getrouwde vrouwen nog als handelingsonbekwaam gezien: in de wet stond dat ze niet zelfstandig een overeenkomst zoals een lening mochten sluiten, maar hiervoor moesten ze toestemming vragen aan hun man.

In de jaren '60 breidde de emancipatiebeweging zich uit. Meer meisjes gingen studeren en werken waardoor ze economisch onafhankelijk werden. Rolpatronen veranderen, de man werd niet meer gezien als ‘het hoofd van het gezin’. Mannen en vrouwen werden gelijkwaardiger, dit werd ondersteunt door feministen.

Mensen gingen zich niet meer alleen richten op Nederland zelf, maar ook op het buitenland. Bedrijven gingen op grotere schaal handelen en ook in het buitenland, zo ontstonden er Multinationals, ondernemingen gevestigd in meerdere landen. Dit word ook wel gezien als globalisering: De ontwikkeling waardoor mensen wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden raken. Dit is sterk gegroeid door het gebruik van Facebook en Watsapp.

Paragraaf 4

Immigratie is een belangrijke reden voor het bestaan van cultuurverschillen binnen onze samenleving. De meesten nemen hun eigen gewoonten en gebruiken mee. In de afgelopen 50 jaar is de migratie flink gestegen.

Motieven voor migratie

Economische motieven 
Mensen verlaten hun land vanwege werk, bijv. omdat ze een baan hebben bij een internationaal bedrijf of omdat ze hun eigen land ontvluchten vanwege de armoede.

Sociale motieven
Mensen verhuizen om bij familie in het buitenland te wonen, of om te trouwen en een gezin te stichten met iemand uit een ander land.

Politieke motieven
Mensen vertrekken vanwege de politieke situatie in het land. Bijv. omdat er oorlog is of omdat ze vervolgd worden vanwege hun geloof, mening of seksuele geaardheid > politieke vluchtelingen.

Migratie uit vroegere koloniën
Nederland heeft lange tijd koloniën gehad (Nederlands-Indië, nu Indonesië en Suriname en de Antillen). Toen Indonesië zelfstandig werd gingen velen van de mensen naar Nederland voor een betere toekomst. De Molukkers kwamen hier nadat ze tijdens de vrijheidsoorlog aan de Nederlandse kant hebben gevochten. Ze zouden een eigen aparte Molukse staat krijgen van Nederland maar die belofte is nooit uitgekomen. Surinamers kwamen altijd al. Na de onafhankelijkheid van Suriname kwamen er steeds meer naar Nederland-> er wonen nu evenveel Surinamers in Nederlands als in Suriname. Veel Antillianen en Arubanen komen naar Nederland voor studie of betere werkmogelijkheden.

We onderscheiden vier groepen arbeidsmigranten:

Gastarbeiders
Vanaf de jaren zestig groeide de Nederlandse economie snel en was er een grote behoefte aan laaggeschoolde arbeidskrachten. Op uitnodiging kwamen veel Spanjaarden, Italianen hierheen. Later veel Turken en Marokkanen. De Spanjaarden en Italianen zijn weer teruggekeerd naar hun eigen land toen het daar weer beter werd. Maar de Turken en de Marokkanen zijn in Nederland gebleven.

Arbeidsmigranten binnen de Europese Unie
Inwoners van de EU-lidstaten mogen zich in de hele EU vrij vestigen en er werken. Uit minder welvarende EU-lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië komen dan ook veel mensen naar Nederland om daar te werken. En Nederland is blij met hun want ze werken voor een veel lagere loon dan de Nederlanders. Ze doen seizoenswerk in de tuinbouw en werken in de sectoren als de bouw en transport.

Kennismigranten van buiten de Europese Unie
Er komen ook mensen uit andere gebieden naar Nederland om kennis mee te brengen waar hier grote behoefte aan is, bijvoorbeeld in de wetenschap en techniek. Zij krijgen meestal een verblijfsvergunning. Het gaat dan om landen als de VS, Japan, China, Zuid Korea en India.

Illegalen van buiten Europa
Heel mensen komen naar Nederland om in hun eigen land de armoede te ontvluchten. Ze hopen het hier beter te hebben. Ze hebben geen wettige toestemming om hier te wonen en te werken.

Vluchtelingen
Mensen die hun land onder druk van oorlog en geweld verlaten. Zij emigreren vaak vanuit politieke motieven. De meeste vluchtelingen worden in hun buurland opgevangen. Een deel vlucht naar het Westen en vraagt asiel (toevluchtsoord) aan, vaak in de hoop hier te kunnen blijven.

Volgmigratie
Bij alle migrantengroepen zie je het zogenoemde volgmigratie wat een gevolg is van eerdere migratie. In Nederlands pelen twee vormen van volgmigratie:

Gezinshereniging
Iedereen boven de 21 jaar met voldoende inkomen en een verblijfsvergunning heeft het recht om zijn gezin hierheen te laten verhuizen.

Gezinsvorming
Een inwoner van Nederland trouwt met een buitenlander en sticht hier een gezin.

De meeste politieke partijen zijn het eens over een streng toelatingsbeleid voor immigranten, voor zover internationale verdragen en wetten dit toestaan. Sinds de jaren tachtig hanteert de overheid daarom een restrictief toelatingsbeleid. Dit houdt in dat er strenge voorwaarden zijn. Arbeidsmigranten van buiten de EU worden bijvoorbeeld alleen toegelaten als zij een beroep hebben waar behoefte aan is.

Daarnaast worden asielaanvragen zeer grondig onderzocht. Een asielzoeker moet geldige identiteitspapieren hebben en kunnen bewijzen dat hij of zij bij uitzetting gevaar loopt en om humanitaire redenen niet kan worden teruggestuurd. Bijvoorbeeld omdat zijn geloof niet word geaccepteerd.

Nederland kan niet helemaal zelfstandig bepalen wie wel of niet wordt toegelaten. We moeten ons namelijk houden aan internationale verdragen die Nederland samen met andere landen heeft ondertekend. We noemen de belangrijkste:

VN-Vluchtelingenverdrag (1951)

Hierin staan de regels over hoe Nederland moet omgaan met asielaanvragen en wanneer een asielzoeker recht heeft of een verblijfsvergunning.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1950)

Hierin staan de mensenrechten precies geformuleerd. Ook is het recht van gezinsvorming en -hereniging hierin opgenomen.

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948)

Hierin staat dat Nederland de rechten en vrijheden van nieuwkomers moet respecteren en niet mag discrimineren, ook niet aan de grens. Dit alles staat ook in de Nederlandse Grondwet.

Verdrag van Schengen (1985)

Hierin is geregeld dat vrij verkeer van goederen en personen mogelijk is tussen landen in de Schengenzone.

Paragraaf 5

Hoe gaan we met elkaar om?
E
r bestaan drie mogelijkheden van nieuwkomers: assimilatie, segregatie en integratie

Assimilatie
Mensen uit een cultuurgroep zich volledig aanpassen aan de dominante cultuur in een samenleving. (Assimileren betekent het zelfde). Dit houd in dat je als moslim niet meer naar de moskee gaat en niet meer aan de ramadan doet en dat je dan op feestjes wel gewoon alcohol drinkt. Nederland is er niet sprake van assimileren.

Segregatie
Groepen gescheiden van elkaar samenleven. Dit houd in dat je bijvoorbeeld in de ene wijk alleen maar chinezen ziet en in een andere wijk alleen maar afrikanen. Rassenscheiding dit was dat zwarte mensen niet alleen apart van blanken leefden maar ook speciale regels hadden. Nederland doet niet aan segregatie.

Integratie
Wederzijdse aanpassing tussen cultuurgroepen. het gaat er dan om dat nieuwkomers zich moeten aanpassen aan de kernwaarden van de cultuur in het land waar ze komen wonen. Dat Nederland voorzieningen moet aanbieden aan nieuwkomers om de cultuur en taal te leren.

De Open samenleving
Integratie is de samenlevingsvorm die vanuit Nederland wordt gestimuleerd. In een opensamenleving kun je je eigen normen en waarden naleven. De ze vrijheid kun je terug vinden in de grondwet. Hier staat in dat je je eigen godsdienst en levensovertuiging te belijden. Iedereen mag zijn eigen gedachtes en gevoelens openbaar maken. Vrijheid van onderwijs. En discriminatie is verboden.

Culturele diversiteit en de politiek

Dit zijn de stampunten van de grootste politieke stromingen.

Christendemocraten
Het CDA voorop hechten grote waarde aan de vrijheid van godsdienst. ze hebben geen bezwaar tegen een godsdienst maar denken wel dat nieuwkomers zich uitsluiten dus alleen op hun geloof richten.

ChristenUnie en SGP zijn minder tolerant en benadrukken het christelijke karakter van Nederland. Ze vinden dat alle christelijke feestdagen moeten gevierd worden en zondag een rustdag moet zijn.

Liberalen
De VVD en de sociaalliberalen van D66 benadrukken de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van alle burgers.

Sociaaldemocraten
Hun staan voor een samenleving zonder ongelijkheid en armoede. GroenLinks is meer van de liberale koers dus alle nieuwelingen moeten zich zelf redden en zijn zelfverantwoordelijk. PvdA en de SP vinden juist dat de overheid moet helpen bij nieuwkomers.

Rechts-populisten
PVV ziet multiculturaliteit als een bedreiging. Ze vinden dat buitenlandse geloven zoals islam een gevaar veroorzaken. Ze willen geen nieuwe moskeeën en islamitische scholen. Ze vinden dat migranten een assimilatiecontract moeten krijgen. Dit houd in dat je pas een Nederlands paspoort krijgt als je aan alle eisen voldoet. Tot die tijd mogen ze niet stemmen en krijgen geen uitkering. en met een wetsovertreding kunnen ze het land worden uitgestuurd.

Europese dilemma’s
Het toenemende immigratie in Europa de laatste jaren. Dit heeft er voor gezorgd dat politieke opvattingen scherper tegenover elkaar zijn komen te staan. Elk land word geconfronteerd met 2 afwegingen: zorg voor het welzijn van de eigen bevolking binnen de grenzen en zorg voor de vluchtelingen aan buiten de eigen grenzen. Er ontstaan twee groepen protectionisten en internationalisten.

Protectionisten
Protectionisten hebben veel zorgen over het verlies aan eigenheid door toenemende immigratie. Aanhangers van de PVV willen beleid dat zorgt voor bescherming voor eigen cultuur. Dit soort partijen zijn vaak ook teen immigratie en vrijehandel in Europa en samenwerking met Europa.

Internationalisten
Tegenover de protectionisten staan de internationalisten. Zij vinden het juist belangrijk om samenwerking met Europa te hebben en dat er immigratie is. Dit vinden ze vaak belangrijk omdat ze dan wereldmacht innemen tegenover China, India, Rusland en de VS. Ze denken niet echt aan landgrenzen maar meer aan termen zoals wereldburgerschap

Paragraaf 6

Bij immigratie kun je steeds vergelijkbare ontwikkelingen herkennen. Paul Scheffer heeft hier veel onderzoek naar gedaan en onderscheidt drie fasen in het integratieproces:

  • Vermijding
  • Conflict
  • Aanvaarding

Deze fasen kunnen in de werkelijkheid nooit op precies dezelfde manier op elkaar volgen. Bij de ene groep immigranten verloopt integratie snel en makkelijk, bij een andere groep verloopt het moeizamer. Het is ook afhankelijk van de periode en de situatie waarin een land verkeerd. Vaak zijn landen met een economische vooruitgang gastvrijer dan in tijden met een crisis.

Vermijding
Immigranten zijn hun thuisland kwijt en moeten een nieuw leven opbouwen. Ze hebben een gevoel van verlies. Autochtonen zien de wijken veranderen.

Vaak zoeken mensen in de eerste tijd aansluiting bij hun eigen groep. Die cultuur kennen ze. Maar ook autochtonen houden vaak wat afstand van allochtonen. Soms veranderd de hele samenstelling van stadswijken, dit komt ook doordat nieuwkomers bij elkaar gaan wonen en doordat autochtone Nederlanders wegtrokken toen ze hun buurt zagen veranderen.

Conflicten
Deze situatie duurt vaak niet lang. Mensen kunnen elkaar niet blijven ontlopen, ze komen elkaar tegen op de werkvloer of in de omgeving.

Als autochtonen en immigranten meer met elkaar in aanraking komen, kunnen er conflicten ontstaan. Deze hebben drie oorzaken: sociaaleconomische, cultureel-religieuze en politieke.

Sociaaleconomische oorzaken
Vooral op het werk wordt het meest geconcurreerd tussen autochtone werknemers en immigranten. Dit probleem speelt nu rond immigratie van werknemers uit minder welvarende EU-landen, zoals Polen, Bulgaren en Roemenen, die bereid zijn voor lage lonen te werken. Ook heersen er soms vooroordelen en stereotypen, die leiden tot discriminatie.

Cultureel-religieuze oorzaken
Autochtone Nederlanders zien dat migranten vasthouden aan tradities en leefgewoonten die niet overeenkomen met een vrijere manier van denken en leven. Voorbeelden:

  • Voor immigranten uit Sudan, Ethiopië en Somalië is vrouwenbesnijdenis een culturele en religieuze traditie. In Nederland is dit strafbaar. Deze kwestie is vergelijkbaar met de weigering om hun kinderen te laten inenten omdat God alles bepaald. Polio is besmettelijk en kan leiden tot verlamming, daarom het ouders het recht niet om dit bij hun kinderen te doen.
  • Jarenlang hebben emancipatiebewegingen gestreden voor gelijke rechten voor vrouwen en homo’s. Bepaalde christenen en moslims vinden dat homoseksualiteit verboden moet worden. Dit kan tot botsingen leiden.
  • In hindoestaanse en islamitische gezinnen is vanwege de familieeer seks voor het huwelijk verboden, zeker voor meisjes. Ouders bemoeien zich hier veel mee en kiezen het liefst zelf de partner voor hun kinderen uit. In autochtone gezinnen wordt meestal veel vrijer over seks en het huwelijk gesproken.

Politieke oorzaken
Conflicten in de landen van herkomst van migranten gaan door in de samenleving. Bijvoorbeeld oorlogstrauma’s van vluchtelingen of een burgeroorlog kan ervoor zorgen dat een groep Nederlandse jongeren uit migrantengezinnen de veiligheid hier bedreigt.

Botsingen ontstaan ook als autochtonen zichzelf als baas van dit land zien. Zwarte piet is hier een voorbeeld van.

Aanvaarding en aanpassing
Als mensen accepteren dat er veranderingen komen, is het mogelijk om er samen iets goed van te maken.

Dit bereiken we niet alleen door te kijken naar de regels in de grondwet. Het is ook afhankelijk van respect dat mensen voor elkaar hebben. Respect en tolerantie zijn niet zomaar vanzelfsprekend, dus is hier wel een inspanning voor nodig.

Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen op het gebied van opleidingen en werk (meer meisjes volgen bijvoorbeeld een goede opleiding).

Drie generaties
Een vergelijking die vaak wordt gemaakt, is die van de drie generaties migranten. De eerste generatie zijn de oorspronkelijke immigranten en leven sterk mee met de tradities. Hun kinderen, de tweede generatie, krijgen deze normen en waarden nog van hun ouders mee, maar ook die van het nieuwe land. Hun kinderen, de derde generatie, krijgen niet veel meer mee van de tradities en zitten in een veel veranderde samenleving.

Op dezelfde manier hebben autochtonen die de eerste immigranten hebben zien komen meer moeite met de veranderede samenleving, hun kleinkinderen daarentegen zijn opgegroeid met allochtonen en hebben hier dus veel minder moeite mee.

Je kunt twee conclusies trekken; immigratie is zowel voor de nieuwkomers als voor de autochtone bevolking een lastig proces waarin veel dingen onder druk komen te staan. Tegelijkertijd zien we veel voorbeelden die laten zien dat op langere termijn migranten een verbinding voelen met het land.

Paragraaf 7

Bindingen tussen mensen hebben met afhankelijkheid te maken. Dit is belangrijk omdat ze het gevoel versterken dat je iets gemeenschappelijks hebt met anderen in de samenleving. Dit noemen we ook wel sociale cohesie. Zonder sociale cohesie valt een samenleving uiteen door conflicten en tegenstellingen. Daarom is het ook wel 'de kleefkracht van de samenleving'.

Er zijn vier soorten afhankelijkheidsbindingen:

  1. affectieve bindingen
  2. economische bindingen
  3. cognitieve bindingen
  4. politieke bindingen

Affectieve bindingen
Mensen hebben elkaar nodig voor vriendschap, liefde en emotionele steun. De bindingen die om gevoelens draaien noemen we affectieve bindingen. Ergens bij willen horen, of religie en spiritualiteit vallen ook onder dit begrip.

Economische bindingen
Voor behoeften aan voedsel, onderdak en kleren zijn we afhankelijk van anderen. Dit zijn dus economische bindingen. Ze hebben een lange (productie)keten.

Economische bindingen gaan vooral om het hebben van werk en het kunnen voorzien in je levensonderhoud. Als je geen baan meer hebt, verdwijnt niet alleen je inkomen maar ook je sociale contact. Als dit wegvalt horen ze er minder bij en kun je niet meer 'klimmen' in de maatschappelijke ladder.

Bij binding doen niet alle nieuwkomers het hetzelfde. Er is een groot verschil in wat voor werk een migrant heeft. Ook is er een groot aantal zelfstandige ondernemers binnen de migrantengroepen. We spreken ook wel van etnisch ondernemerschap. Hierdoor verschillen de levens van migranten enorm.

Cognitieve bindingen
Voor het krijgen van kennis ben je afhankelijk van anderen. Dit noemen we cognitieve bindingen. Dit ontstaat bij ouders/kind of bij leraar/leerling. Deze binding heeft te maken met de ontwikkeling van een gemeenschappelijke referentiekader (normenstelsel). Hierbij past kennis over hoe de samenleving waarin we leven is georganiseerd, hoe de rechtsstaat werkt en de kennis over onze geschiedenis. Daarom is er een historische canon van Nederland samengesteld. Dit is een lijst van 50 onderwerpen die iedereen zou moeten weten over de Nederlandse geschiedenis en cultuur. Kennis is in Nederland de kracht achter onze economie. Daarom spreken we in Nederland van een kennis economie. Dit is een economie waarin wij meer met ons hoofd werken dan met de handen. Hierin is onderwijs, toegang tot kennis en taalbeheersing erg belangrijk.

Mensen uit het buitenland die hier naartoe komen hebben vaak anders onderwijs gehad dan wij. Er is een wisselend beeld maar er is vooruitgang. Migranten gaan steeds vaker naar hoog onderwijs. Ook is er zorg dat buitenlandse jongeren steeds vaker hun school niet afmaken. Hierdoor ontstaat een tweedeling tussen mensen met een goede opleiding en mensen met weinig kennis.

Politieke bindingen
Mensen zijn van elkaar afhankelijk omdat ze zelf niet alles kunnen regelen. Ze moeten afspraken maken en samenwerken. Dit gebeurd onder andere via de politiek. Denk bijvoorbeeld aan veiligheid. Als iedereen zichzelf moest beschermen zou er chaos ontstaan. Daarom is er afgesproken dat de politie en het leger dit regelen. Dit soort afspraken zijn in wetten vastgelegd. Ze gelden als een soort sociaal contract. Dit is een afspraak van de bevolking om zich te houden aan de regels die door de politiek zijn vastgesteld. Natuurlijk kan artikel 1 uit de grondwet niet tegenhouden dat mensen zelf meningen hebben over bijvoorbeeld homo's of andere mensen die 'afwijken' van de samenleving.

Het uitgangspunt is wederkerigheid. Als je zelf niet slecht behandeld wilt worden moet je het zelf ook niet bij anderen doen.

Bindingen veranderen
In werkelijkheid lopen de 4 bindingen door elkaar heen. Zolang die 4 soorten bindingen bij de meeste mensen aanwezig zijn, behoudt de samenleving stabiliteit.

Tegelijk is de samenleving altijd in beweging. Hij ziet er nu heel anders uit dan 20 jaar geleden. Dat komt door globalisering en europeanisering. We kunnen bijvoorbeeld erg makkelijk een paar jaar studeren in het buitenland, of buitenlanders bij ons. Hierdoor voelen we ons minder verbonden met ons eigen land en worden de affectieve bindingen dus minder sterk.

Nederlandse identiteit
​​​​​​​De laatste jaren is er nog de vraag of de Nederlandse identiteit nog bestaat. In hoeverre voelen we ons nog verbonden als 'Nederlanders'?

Het antwoord op deze vraag heeft te maken met loyaliteit. Dit is de mate waarin je trouw bent aan je groep. Je kunt aan veel dingen loyaal zijn, maar er word ook verwacht dat je loyaal bent aan de Nederlandse samenleving. Denk aan naar school gaan, belasting betalen of goed verkeer. Deze regels en verplichtingen die de samenleving oplegt vormen de minimale binding.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.