ADVERTENTIE
Meer kans op slagen?

De gouden tip van docenten: oefen met oude examens. Eindexamensite.nl helpt je daarmee. Via die tool kun je oude examenopgaven oefenen en krijg je feedback over welke onderdelen je nog niet beheerst. Zo leer je super efficiënt. Maak nu een gratis proefaccount of gebruik de kortingscode '5EURO'.

Nu oefenen!

MULTICULTURELE SAMENLEVING:



Hoofdstuk 2: de multiculturele samenleving:




2.3: Wat is de multiculturele samenleving:

Nederland = multiculturele/multi-etnische samenleving: land waarin verschillende bevolkingsgroepen met verschillende culturen naast elkaar leven.

Ontstaat als groepen mensen besluiten naar een ander land en cultuur te gaan verhuizen (volksverhuizingen)

Migratie: verhuizen van het ene land naar het andere.

Etnisch: (etnos) ras/volk/natie.



Etnische groep: mensen die door zichzelf en door andere groepen als een aparte groep worden beschouwd op basis van etniciteit.

Etniciteit: culturele kenmerken en gedragingen van een groep mensen die van generatie op generatie gaan en versterkt worden door gemeenschappelijke afkomst.

Komt o.a. tot uiting in religie, taal, kleding, omgangsvormen, waarden, normen enz…

2.4: Spraakverwarring:

Namen etnische groepen:

- Vreemdeling/buitenlander: bezoeker van dit land die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

– Allochtoon: iemand die zich op grond van ras of andere zichtbare kenmerken onderscheidt van de oorspronkelijke bewoners van een land.

– Gastarbeiders: mensen die door het bedrijfsleven in samenwerking met de overheid uit landen rond de Middellandse Zee zijn gehaald om hier te komen werken.

- Etnische groepen: bestaan vaak uit allochtonen.



– Minderheden: groepen die zich onderscheiden van de meerderheid doordat ze op een of andere manier achtergesteld zijn. (ook homofielen, gereformeerden, huismannen…)

Autochtoon: inwoner van ons land die hier zijn wortels heeft. (al generaties lang woont zijn familie in Nederland)

Stigmatiseren: ergens een stempel op drukken.

2.5: nieuwe sociale en politieke vraagstukken:

Minderhedenbeleid: centraal hierin staat de vraag welke taak de overheid heeft bij de verbetering van de sociaal-economische en sociaalculture positie van de etnische minderheden.

Vreemdelingenbeleid: centraal hierin staat de vraag of er een ruim (terughoudend) beleid van toelating moet worden gevoerd.



Hoofdstuk 3: waarom zijn er vreemdelingen in Nederland:




3.5: Waarom migreren mensen:

- De ecologische en economische situatie (er zijn geen bestaansmogelijkheden)

- De politieke situatie (vervolging om godsdienstige of andere redenen in eigen land)

- De persoonlijke situatie (gezinsvorming of –hereniging

Push-factoren: factoren in het land van de migrant die hem ertoe brengen elders te reizen.

Pull-factoren: factoren in het migratieland, die mensen van aantrekken.

Arbeidsmigratie: mensen die emigreren om (beter) werk te krijgen

Oorzaken van het feit dat de migratiemogelijkheden groter zijn dan vroeger:

- Moderne massamedia heeft ervoor gezorgd dat er veel informatie is over migratie landen

- Moderne vervoermiddelen maken het makkelijk om op een betaalbare manier over de hele wereld te reizen (global village)

3.6: Belangrijkste groepen migranten naar Nederland:

- Indische Nederlanders: Indische Nederlanders voelden zich niet meer zeker toen Soekarno de onafhankelijkheid verwierf in Indonesië. De meesten besloten naar het moederland terug te keren.

- Molukkers(1951): Veel Molukse mannen maakten deel uit van het KNIL. Toen Soekarno de macht overnam, waren zij hun lot ook niet meer zeker. De Nederlandse regering beloofde hen een eigen land. Tot die tijd zouden ze in Nederland wonen, in kampen om zo hun Molukse cultuur te behouden. Hun eigen land kon niet gerealiseerd worden en om aandacht te vragen voor hun zaak hebben ze verschillende treinen gekaapt en gijzelingsacties ondernomen.

- Surinamers (jaren ’50 en ’60, 1980): Surinamers uit de betere milieus kwamen naar Nederland voor hun studie. Onafhankelijkheid (1975): veel spanningen in Suriname (slechte economische situatie, tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen). Bouterse kwam in 1985 aan de macht, daardoor nieuwe golf Surinamers (politieke vluchtelingen).

- Antillianen: Aanvankelijk vooral studenten, in de jaren ’70 ook werkzoekenden.

3.7: De groei van etnische groepen in ons land:

- De gezinsgrootte van allochtonen zal meer gaan lijken op die van Nederlanders.

- Gezinsherenigingsproces is praktisch voltooid.

- Gezinsvorming komt nog steeds voor.

- Er zijn nu relatief veel jongere allochtonen, die gezinnen zullen gaan stichten.

- Er zijn steeds nieuwe brandhaarden op de wereld die voor vluchtelingen zorgen

- Gastarbeiders van de eerste generatie zijn aan pensioen toe en zullen misschien terug keren. Er is op dit moment een grote werkloosheid in Nederland.

Assimilatie: Opgaan in een andere cultuur



Hoofdstuk4: verblijfstitels voor vreemdelingen:




4.3: De buitenlander en de wet

In 1992 is de paspoortcontrole aan de binnengrenzen van de EU opgeheven. Dat betekent niet dat je zonder paspoort mag reizen. Buitenlanders mogen dat ook niet. Buitenlanders uit de EU en de VS volstaan dan met een paspoort, andere buitenlanders moeten bovendien een visum laten zien. Aan buitenlanders worden nog andere eisen gesteld, zelfs als ze alleen voor vakantie komen: ze moeten genoeg geld hebben om het verblijf en de terugreis te betalen, en ze mogen niet langer dan drie maanden blijven.

Verblijfstitel: een door de overheid erkende reden of afgegeven vergunning voor verblijf in ons land.

4.4: Wie is Nederlander?

- Als je uit een Nederlandse vader en een Nederlandse moeder geboren wordt

- Door geboorte als ‘derdegeneratiekind’. Dus kleinkinderen van gastarbeiders en vluchtelingen zijn automatisch Nederlander.

- Door gebruik te maken van de optieregeling. Dit geldt onder meer voor personen tussen de 18 en 25 die in Nederland zijn geboren en hier altijd hebben gewoond. Zij kunnen door een verklaring af te leggen Nederlander worden.

- Door Naturalisatie: Een meerderjarige die hier tenminste 5 jaar heeft gewoond, voldoende is ingeburgerd, geen crimineel verleden heeft en wel een geldig visum, kan een verzoek indienen.

4.5: Uitgangspunten voor het vreemdelingenbeleid:

- Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) is in 1948 ondertekend door bijna alle landen ter wereld. Het is een belofte, niet meer. Sommige landen houden zich er niet aan.

- Europese Verklaring van de Rechten van de Mens (EVRM): uitwerking van de UVRM. In tegenstelling tot de UVRM worden er wel maatregelen genomen als de regels niet worden nageleefd. Werd in 1951 in Rome door een groot aantal West-Europese landen ondertekend. Onze wetgeving moet zich houden aan deze verklaring.

- Vluchtelingenverdrag van Genève: In 1951 ondertekend door een groot aantal landen. Belangrijkste bepaling is wat er onder een vluchteling wordt verstaan: hij moet bedreigd worden op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, of het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging.

- Onze eigen grondwet bevat het discriminatieverbod op alle mensen in Nederland, of zij nu wel of niet Nederlander zijn.

4.6: Verblijfstitels voor vreemdelingen

Verdrag van Schengen: regelt het vrije verkeer en vestiging van personen binnen de EU. Ze kunnen zonder meer voor langere tijd in een EU-land werken en wonen. Ze moeten wel na 3 maanden naar de politie om een vergunning aan te vragen maar die krijgen ze altijd als ze genoeg geld hebben.

Belangrijkste titels van de vreemdelingenwet:

- Verblijfsvergunning: Wie langer dan drie maanden in ons land wil blijven, moet binnen acht dagen na aankomst zorgen voor een ‘vergunning tot verblijf’(VTV). Die krijgt hij alleen als hij in eigen land al een machtiging tot voorlopig verblijf heeft gekregen. De vergunning wordt per jaar afgegeven en per jaar verlengd, altijd met een bepaald doel: studie, werk…

- Vergunning tot vestiging: Wie hier 5 jaar legaal heeft gewoond, heeft in principe aanspraak of definitieve vestiging. Hij kan wel worden geweigerd op grond van voldoende middelen van bestaan.

- Verblijf als vluchteling: ze moeten zich melden zodra ze in Nederland zijn. Dan worden ze naar een onderzoeks-of opvancentrum gestuurd, en dan wordt er uitgezocht of ze vluchteling zijn volgens het verdrag van Genève. Als positief beschikt wordt, gaan ze naar een asielzoekerscentrum, na enige tijd krijgen ze huizen toegewezen. Als ze in Nederland mogen blijven, krijgen ze de A-status. Dit houdt een onbeperkte verblijfsmogelijkheid in. De C-status houdt in dat ze een tijdelijke vergunning tot verblijf krijgen in afwachting van ontwikkelingen in het eigen land. Gedoogden zijn mensen die naar Nederland komen maar geen verblijfsvergunning krijgen en ook niet het land worden uitgezet om humanitaire redenen. Ze moeten weer terug als de situatie is veranderd in het land van herkomst.

- Verblijf als gezinslid: Achtergebleven gezinsleden mogen gewoon naar Nederland komen. Als ze hier drie jaar gewoond hebben en de relatie wordt beëindigd, dan mogen ze op eigen naam in Nederland verblijven.

4.7: Illegalen:

Illegalen zijn buitenlanders zonder verblijfsvergunning. Wie op grond van economische motieven naar Nederland komt, kan nooit als vluchteling gezien worden. Illegalen worden in principe altijd het land uitgezet.



4.8: Argumenten voor en tegen:

Voor een soepel asielbeleid:

- de grote ongelijkheid in de wereld

- het toenemende geweld in de wereld

- internationale afspraken

- het recht van gezinshereniging

- de werkgelegenheid in bepaalde sectoren

- je mag je eigen problemen niet ten kost laten gaan van asielzoekers

Tegen:

- de kosten van asielbeleid te hoog worden

- geen werk en woonruimte voor asielzoekers

- de ‘Nederlandse cultuur’ bedreigd zou worden



Hoofdstuk 5: cultuurverschillen in de samenleving:



5.4: Dominante cultuur en subcultuur

Dominante cultuur: De cultuur die de meeste invloed heeft in de samenleving

Subcultuur: Culturen die anders zijn maar toch een band hebben met de dominante cultuur.

Positiegedrag: Je op de juiste manier gedragen, behorende bij de positie in de groep.

5.5: Functies van cultuur in een samenleving

3 dimensies van cultuur:

- Ideële dimensie: elementen die niet tastbaar zijn zoals waarden, godsdienstige opvattingen etc.

- Normerende dimensie: Gewoontes, normen, wetten, strafbepalingen

- Materiële dimensie: kunst

Deviant gedrag: afwijkend gedrag

Sociale controle: men let op elkaar. Het is moeilijk je los te maken uit deze cultuur.

Cultuur: de leefwijze van een groep zoals die in uiting komt inde normen en waarden, regels, tradities, rituelen, symbolen en kunst. Cultuur is plaats en tijdsgebonden en wordt aangeleerd

Waarden: datgene wat mensen nastrevenswaard en waardevol vinden

Normen: specifieke gedragsregels die voorkomen uit waarden.

Acculturatie: het veranderen van de eigen cultuur

Socialisatieproces: proces waarin het kind dingen worden geleerd door beïnvloeding van ouders en omgeving.

Internalisatie: ervan overtuigd zijn dat je volgens eigen denken handelt wanneer je iets doet dat past binnen de cultuur van de groep waarin je leeft. Je beseft niet dat je keuzes maakt die volgens de opvattingen van jou groep logisch zijn.



Hoofdstuk 6: problemen door cultuurverschillen:




6.3: Negatieve beeldvorming:

Sociale categorisatie: Indelen in groepen

Stereotypering: Vereenvoudigde en generaliserende beeldvorming.

Etnocentrisme: Mensen uit andere culturen zijn minderwaardig aan de eigen cultuur.

6.4: Hoe ontstaat negatieve beeldvorming?

Oorzaken:

- Socialisatieproces: Dingen die je van huis uit hebt meegekregen

- Creëren van een eigen positieve identiteit: De groep waartoe je behoort kun je beter afschilderen dan een andere groep.

- Angst voor het onbekende: xenofobie. Iets wat vreemd is kan je eigen waarden en normen bedreigen.

- Verdwijnen van de vanzelfsprekendheid van de eigen cultuur. Wat altijd als de waarheid is voorgehouden wordt nu ter discussie gesteld > onzekerheid over de eigen levenswijze.

6.5: Gevolgen van negatieve beeldvorming:

Het ontstaan van vooroordelen over andere mensen leidt makkelijk tot discriminatie.

Discriminatie: het onterecht verschillend (of gelijk) behandelen van personen of groepen, of door in een bepaalde situatie geen rekening te houden met personen of groepen.

Institutionele discriminatie: regelingen die bewust of onbewust zo gemaakt zijn dat ze bepaalde bevolkingsgroepen systematisch minder kansen geven.

Racisme: Discriminatie gekoppeld aan het uiterlijk en met name de huidskleur van mensen.

Nieuw racisme: Binnen 1 samenleving kunnen verschillende culturen niet met elkaar samenleven, of de ene cultuur wordt er als minderwaardig beschouwd.

Discriminatie leidt vaak tot acherstand en die achterstand leidt weer tot nieuwe negatieve beeldvorming.

Selffulfilling prophecy: Oorzaak en gevolg lopen in elkaar over en zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden.



Oorzaken van nieuwe negatieve beeldvorming:

- Minder kans op de arbeismarkt en woningmarkt (Sociale onderklasse: ongeschoolden met tijdelijke baantjes, langdurige werklozen en arbeidsongeschikten met zeer lage inkomens)

- Het ontstaan van het gevoel gekwetst en bedreigt te zijn. Etnische groepen willen hun eigen cultuur/identiteit versterken

Positietoewijzing: de samenleving zorgt ervoor dat elke groep zijn plaats toegewezen krijgt.

Positieverwerving: De minderheden zorgen ervoor dat ze een bepaalde plaats in de samenleving krijgen.

6.7: Fundamentalisme

Fundamentalisme: een dogmatisch en compromisloos vasthouden aan religieuze en politieke principes en regels. Dit zijn de enige waarheden. Er is geen discussie mogelijk tussen aanhangers van fundamentalistische groepen en groepen die meer gematigd zijn.

Oorzaken voor het ontstaan van fundamentalistische bewegingen:

- Verzet tegen de modernisering van de samenleving en daarmee gepaard gaande individualisering en secularisering

- Het zoeken naar een eigen culturele identiteit in of na een westerse of koloniaal getinte cultuur.

- Als bron van inspiratie voor verzet tegen armoede en werkloosheid.

6.8: Een voorbeeld: beeldvorming over moslims en de islam

- In extreem-rechtse kringen wordt wel beweerd dat de moslims langzamerhand zo talrijk geworden zijn dat ze de westerse samenleving overnemen. Moslims zouden een hecht front vormen dat zich tegen de autochtonen zou kunnen keren.

- Veel mensen denken dat de islam gewelddadig en intolerant is. Dit komt door nieuws uit fundamentalistische landen als Irak en Iran. In Nederland levende moslims zijn vaan veel gematigder en leggen de nadruk op harmonieus samenleven met andersdenkenden.

- Over de positie van de Islamitische vrouw zijn ook veel vooroordelen, maar vaak valt het heel erg mee met hun onderdrukking. In Turkije was er zelfs een vrouwelijke premier.

- Moslims zouden dieren mishandelen. Ze mogen geen vlees eten dat niet op een rituele manier is geslacht. Omdat er in Nederland eerst geen voorzieningen waren gebeurde dat soms inderdaad thuis, maar tegenwoordig zijn er speciale slachthuizen.

- Moslims zouden niet bereid zijn om zich aan te passen omdat zij de regels van de Koran volgen. Slechts een klein deel van de in Nederland levende moslims is fundamentalistich.



Hoofdstuk 7: denken over cultuurverschillen:




7.3: Een extreme visie

Extreem rechtse partijen zijn de CD (Centrum Democraten) en de CP (Centrum Partij). Deze partijen worden gekenmerkt door etnocentrisme en nationalisme.

7.4: Beoordelen van cultuurverschillen

Kan vanuit 2 invalshoeken:

- Cultureel relativisme: We hebben de neiging om de andere cultuur te toetsen aan onze eigen normen en waarden. Cultuurrelativisten vinden dat dat niet goed is. Zij wijzen er ook op dat onze waarden en normen relatief zijn: honderd jaar geleden waren ze anders dan nu. Als we naar andere culturen kijken, moet je je inleven in die cultuur. We moeten het gedrag van die mensen proberen te begrijpen, en een veroordeling van dat gedrag is niet op zijn plaats. We moeten het accepteren dat anderen die dingen die wij verkeerd vinden, wel doen. We moeten het gedrag van de ander leren tolereren.

- Universalisme: Verzet zich tegen deze enorme tolerantie. Het gaat ervan uit dat er wel algemene waarden zijn die voor iedereen zouden moeten gelden, ongeacht cultuur. Universalisten zullen zeggen dat waarden en normen uit de UVRM wel redelijk goede zijn. Deze verklaring is immers door heel veel landen ondertekend, en door zeer veel verschillende culturen. Universalisten hebben veel kritiek op de relatievisten: ze vinden hun houding onverschillig.

Een compromis tussen deze visies is mogelijk: Je kunt het begrijpen en tegelijkertijd een stelling aannemen.

Samenlevingsmodellen:

- Segregatiemodel. Gaat uit van een duidelijke fysieke en sociale scheiding van etnische minderheden van de dominante groep.

- Multiculturele samenleving: Verschillende etnische groepen krijgen gelijke toegang tot het sociale, economische en politieke leven. Verschillende culturen worden gelijkwaardig aan elkaar beschouwd. De verschillende etnische groepen kunnen bij elkaar blijven leven met behoud van hun eigen cultuur.

- Assimilatiemodel: De nieuwkomers nemen de cultuur van de dominante groep volledig over.

- Melting pot: de etnische groepen binnen een staat smelten samen tot een nieuwe bevolkingsgroep. Er ontstaat als het ware een nieuwe cultuur op basis van verschillende oude.



Hoofdstuk 8: Maatschappelijke ongelijkheid



8.3: Maatschappelijke ongelijkheid

Sociale klasse: een groep mensen die in de samenleving min of meer dezelfde positie innemen.

Maatschappelijke ongelijkheid: De ene maatschappelijke laag heeft meer toegang tot de materiële of symbolische beloningen dan de andere.

Sociale stratificatie: Gelaagdheid in de samenleving.

5 sociale klassen:

- Onderklasse: mensen met zeer lage inkomens enz.

- Werknemers- of arbeidersklasse: schilders, machinebankwerkers enz.

- Professionele middenklasse: hoog opgeleide werknemers (hogere ambtenaren, leraren enz.)

- Ondernemersklasse: eigenaren van kleine en middelgrote bedrijven

- Bovenlaag: kapitaalbezitters enz.

8.4: Theoretische maatschappelijke ongelijkheid

Karl Marx (1818-1883): Verklaart de ongelijkheid vooral uit de wijze waarop mensen in hun bestaan voorzien. De werknemers zijn afhankelijk van de werkgevers

Max Weber (1864-1920): Sociale groepen zijn er niet alleen door economische, maar ook door culturele en politieke factoren bepaald. Status, opleiding en (politieke) macht zijn belangrijk.

Functionalisten: Ongelijkheid is nodig: voor schaarse taken worden hogere beloningen gegeven, maar dan moet er wel harder voor gestudeerd worden. Als men voor elk soort werk dezelfde beloning krijgt, dan wil niemand de schaarse taken meer op zich nemen.

8.5: Maatschappelijke positie en kansen

Doorlezen!

8.6: Sociale mobiliteit:

Sociale mobiliteit: Het stijgen of dalen van de ene klasse naar de andere.

In een gesloten samenleving (het Indiase kastenstelsel) is de mogelijkheid tot sociale mobiliteit veel kleiner dan in een open samenleving.

Intergenerationele mobiliteit: stijging of daling op de maatschappelijke ladder ten opzichte van de ouders.

Intragenerationele mobiliteit: stijging of daling op de maatschappelijke ladder tijdens de eigen loopbaan.



Hoofdstuk 9: De maatschappelijke positie van etnische minderheden



Etnische onderklasse: In de maatschappelijke onderklasse is een bepaalde etnische groep oververtegenwoordigd (in ons land Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen).

Vluchtelingen zijn vaak intellectuelen.

Achterstandssituatie hoeft niet blijvend te zijn.

9.4: Positieverwerving en positietoedeling

Bij positietoewijzing kunnen de volgende factoren een rol spelen:

- Discriminatie op de arbeidsmarkt

- Onderwijs

- De mate waarin organisaties van autochtonen openstaan voor etnische minderheden

Positieverwerving:

- De houding van allochtone jongeren en hun ouders tegenover (hoger) onderwijs

- De mate waarin allochtonen participeren in organisaties van autochtonen

- De mate waarin allochtonen hun eigen organisaties ontwikkeld hebben

9.5: Achterstand op de arbeidsmarkt

Feiten waaruit blijkt dat etnische minderheden een achterstand hebben op de arbeidsmarkt:

- Er heerst een hoge werkloosheid onder allochtonen

- Er is sprake van veel meer langdurige werkloosheid onder allochtonen dan onder autochtonen.

- Leden van etnische minderheden hebben vaker lage functies dan autochtonen

- Allochtonen hebben vaker dan autochtonen een tijdelijk dienstverband

Oorzaken van bovenstaande bij de samenleving:

- Het verdwijnen van werk in de industrie

- De verschuiving van de werkgelegenheid naar de dienstensector

- Het proces van verdringing (lagere opleidingen werden minder vaak aangenomen)

- Discriminatie door werkgevers en uitzendbureaus

- Indirecte of institutionele discriminatie

Oorzaken van bovenstaande bij de etnische minderheden:

- Geringe taalbeheersing

- Het geringe opleidingsniveau

- Het niet vertrouwd zijn met Nederlandse sollicitatieprocedures

- Het onvoldoende ingevoerd zijn in het (informele) netwerk dat toegang geeft tot baantjes



9.6: Achterstand in huisvesting

Oorzaken aan de kant van de samenleving van achterstand in huisvesting:

- Het toewijzingsbeleid van woningbouwcorporaties

- Het spreidingsbeleid van de gemeenten

- Weerstand bij de bevolking tegen nieuwkomers

Oorzaken aan de kant van de etnische minderheden:

- De behoefte aan contacten met de leden van de eigen groep

9.7: Achterstand in het onderwijs

De achterstand blijkt onder meer uit:

- Het gemiddelde lagere onderwijsniveau van kinderen van etnische minderheden

- Kinderen van etnische minderheden presteren relatief slechter op de basisschool (doordat ze vaak geen Nederlands spreken)

- Kinderen van etnische minderheden stromen minder vaak door naar hogere vormen van onderwijs

- Er zijn onder etnische minderheden meer drop-outs (=schoolverlaters zonder diploma)

Oorzaken hiervan door positietoewijzing:

- Het onderwijs houdt vaak te weinig rekening met het feit dat kinderen van etnische minderheden de Nederlandse taal minder goed beheersen

- Leerkrachten en docenten denken soms ook vanuit vooroordelen en stereotypen

- Veel leermiddelen en toetsen zijn onvoldoende toegesneden op etnische minderheden

Oorzaken hiervan door positieverwerving:

- Met name allochtone jongeren die op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen (anderhalfde generatie) hebben vaak aansluitingsproblemen in het onderwijs

- De sociaal-economische status en de geringe vooropleiding van ouders zijn er de oorzaken van dat ouders vaak weinig belangstelling hebben voor de prestaties van hun dochters

- De opvoeding bij etnische minderheden verloopt vaak anders dan bij autochtonen

- De onbekendheid met het Nederlandse onderwijs

- Slechte woonomstandigheden



Hoofdstuk 10: Het minderhedenbeleid




10.3: Ontwikkelingen

Inburgeringscontracten: Vluchtelingen die hier blijven, worden verplicht Nederlands te leren en kennis te verwerven over de Nederlandse samenleving om zich daardoor sneller een betere positie in onze samenleving te kunnen verwerven.

Rest doorlezen.

10.4: Concrete maatregelen

Maatregelen met betrekking tot het onderwijs:

- Er is een onderwijsvoorrangsbeleid opgezet: Scholen met hoge percentages leerlingen uit etnische minderheden krijgen extra middelen.

- Er zijn opstapprojecten en schakelklassen geintroduceerd voor leerlingen en studenten van etnische minderheden

- Er is gestart met onderwijs in eigen taal en cultuur met lessen Nederlands-als-tweede-taal

- De introductie van intercultureel onderwijs

Maatregelen met betrekking tot de werkgelegenheid:

- Bedrijven worden gestimuleerd meer leden van een etnische groep in dienst te nemen

- Het voeren van positieve actie. (De overheid neemt meer etnische minderheden in dienst, als voorbeeld voor de rest)

Maatregelen met betrekking tot huisvesting:

- Gemeenten en woningcorporaties hebben van de landelijke overheid het verbod gekregen een spreidingsbeleid uit te voeren

Maatregelen met betrekking tot de politiek:

- De Nederlandse grondwet geeft de politieke rechten ook aan buitenlanders

- Vreemdelingen mogen sinds 1985 ook stemmen en zichzelf verkiesbaar stellen bij lokale verkiezingen.



Hoofdstuk 11: De politiek en de multiculturele samenleving




11.3: De PvdA:

- Gelijkwaardigheid is één van de belangrijkste punten

- PvdA heeft geen problemen met de multiculturele samenleving, omdat imigratie vaak een impuls geeft aan de welstand en culturele ontwikkelingen.

- PvdA is het niet eens met de kreet: Nederland is vol. Het aantal vreemdelingen in ons land is beperkt in vergelijking met andere landen.



11.4: CDA:

- Naastenliefde en solidariteit is belangrijk.

- Nederland komt zijn verplichtingen tegenover buitenlanders zeer ruim na. Vluchtelingen voor wie in de eigen regio plaats is, moeten terug.

- Vreemdelingen die hier voor langere tijd blijven moeten worden aangespoord voor scholing en het leren van de Nederlandse taal.

- Duurzame aanwezigheid van illegalen is gevaarlijk voor de maatschappij en moet worden bestreden.

11.5: VVD:

- De integratie van allochtonen verloopt niet altijd even soepel.

- Hoogste prioriteit moet gegeven worden aan de integratie van allochtonen.

- Er moet een inburgeringscontract komen

- Alleen politieke vluchtelingen mogen naar ons land komen, economische vluchtelingen niet.

11.6: D66

- D66 heeft geen probleem met migranten.

- 2 Probleemgroepen: mensen die niet voldoende zijn toegerust om op eigen kracht een plaats op de arbeidsmarkt te kunnen veroveren en illegalen.

- Opvangbeleid gericht op snelle integratie

- Meer samenhang in de opvang

11.7: GroenLinks:

- Nederland moet bereid zijn meer vluchtelingen op te nemen.

- Zo lang de oorzaken van migratie niet zijn weggenomen, moet Nederland migranten opnemen.

- Internationale samenwerking is belangrijk

- Migranten met economische motieven zouden toegelaten moeten kunnen worden

11.8: Klein rechts:

GPV:

- Nederland valt uit elkaar in verschillende los van elkaar staande samenlevingen

- Gettovorming moet worden voorkomen

- Bedrijven moeten immigranten in dienst nemen

RPF:

- Opvang van vreemdelingen dient te gebeuren onder toezicht van de VN

- Allochtonen krijgen een basiseducatieplicht

- Gebedsplaatsen worden niet door de overheid gesubsidieerd

- Kiesrecht alleen voor Nederlanders

SGP:

- Racisme en vreemdelingenhaat zijn uit den boze.

- Geen subsidiering van gebedsplaatsen

- Minderheden mogen hun eigen culturele identiteit bewaren als deze niet in strijd is met het door de historie bestempelde karakter van de Nederlandse Natie.

- Integratie van vreemdelingen is nodig

- Toelatingseisen moeten strenger worden

- Vluchtelingen moeten bij voorkeur in de eigen regio worden opgevangen

11.9: Extreem rechts: CD:

- Multiculturele samenleving moet worden gestopt

- Vreemdelingen passen zich aan of verdwijnen over de grenzen.

- Remigratie van alle hier wonende minderheden moet worden gestimuleerd

- Werkloze buitenlandse werknemers moeten verplicht remigreren.

- De voorrang bij huisvesting voor minderheidsgroepen moet worden opgeheven

- Asielzoekers moeten op aanwezigheid van besmettelijke ziekten worden gecontroleerd. Zij moeten direct na binnenkomst in werkkampen worden ondergebracht.

- Voorkeursbehandelingen voor minderheden moeten ongedaan gemaakt worden


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

heey hij is erg goed.. dankje wel!! doeidoei

18 jaar geleden

L.

L.

Je samenvatting van Maatschappijleer over de Multiculturele samenleving is erg duidelijk en volledig.
Heel erg bedankt dus!

Groetjes

Linda

18 jaar geleden

L.

L.

een lange tekst, maar wel heel handig om begrippen eruit te pikken voor mijn werkstuk:)

8 jaar geleden

R.

R.

"Nederland = multiculturele/multi-etnische samenleving"
verander dit in "Nederland = multiculturele en multi-etnische samenleving"
multiculturele samenleving en multi-etnische samenleving is niet hetzelfde

4 jaar geleden