ADVERTENTIE
Is jouw geschiedenisleraar de allerbeste?

Geef hem of haar dan op voor de titel Geschiedenisleraar van het jaar van het Rijksmuseum. De deadline voor aanmeldingen is 31 maart 2020.

Geef je leraar op!

Hoofdstuk 1:



1 Communicatie

Deelvraag:Hoe zit het communicatieproces in elkaar?



1.1 Wat is communicatie?

Communicatie is het proces waarbij een zender, bedoeld of onbedoeld, een boodschap doorgeeft aan een ontvanger.

Vormen van wisselwerking tussen zender en ontvanger:

· Face-to-face (zender en ontvanger beide lijfelijk aanwezig. Directe reactie, feedback, is mogelijk dus ze kunnen van functie wisselen)

· Z en O maken gebruik van communicatiemiddel. Soms feedback mogelijk maar soms niet, met brief bijv.



· Tot een groot publiek gericht. Soms feedback, maar meestal is het voor de tv of radio enz.

De boodschap, de kern van communicatieproces, bevat informatie waar meestal correct op wordt gereageerd. Zoniet dan is er communicatiestoornis.

Verbale communicatie is wanneer er gepraat wordt. Non-verbale communicatie is wanneer je met gebaren praat.

Bij telefoon ontbreekt non-verbaal. Er is sprake van een indirecte communicatie. Er wordt ook gebruik gemaakt van 2 media: gesproken taal en de telefoon.



1.2 massacommunicatie

Massacommunicatie is gericht op een groot publiek. Het kan als volgt omschreven worden:

· De zender beschikt over technische hulpmiddelen om grote aantallen mensen met een boodschap te bereiken. Die technische hulpmiddelen heten media.

Massamedia hebben een aantal kenmerken:

· De geboden informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk

· De overgebrachte informatie is in principe bedoeld voor een groot heterogeen en anoniem publiek

· De relatie tussen Z en O is van onpersoonlijke aard

· Meestal verloopt de communicatie eenzijdig. Directe feedback is niet mogelijk. De ontvanger kan hoogstens indirect, achteraf reageren.

(Dit geldt voor gedrukte media en audiovisuele media)



2 Functies van de massamedia


Welke functies vervullen de media in onze maatschappij?



2.1 Vier functies

We onderscheiden 4 functies die te aken hebben met de boodschap die we overbrengen:

· Nieuws – Kranten vooral uit nieuws. Radio en tv heeft ook een belangrijk deel van het totale aanbod als nieuws. Hoge kijkcijfers worden vaak gehaald door programma’s met een hoge nieuwswaarde.

· Amusement – Quizzen, soaps en shows. Vooral bij commerciële zenders. Publieke omroepen hebben dat minder.

· Educatie – Programma’s die informatie geven waar de kijker iets van leert. Teleac is een omroep die zich hierin specialiseert.

· Opinievorming – Discussieprogramma’s, zoals Barend en van dorp, Het Lagerhuis enz. In gedrukte media vindt dit ook plaats wanneer in een krant de hoofdredactie de mening weergeeft van de krant over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen.

Het lijkt simpel die verdeling van de functies, maar soms hebben programma’s meerdere functies. Je kunt dan van mengfuncties spreken. Dit komt vooral op tv voor. Om kijkerspubliek vast te houden wordt bij serieuze programma’s vaak amusement gebruikt.



2.2 Politieke functies van de massamedia

De politieke functies zijn:

· Woordvoerders- of spreekbuisfunctie – massamedia verwoordt de in de maatschappij bestaande standpunten. Vaak door middel van enquêtes. De uitslag wordt dan weergeven in kranten of tijdschriften.

· Informatieve functie – In formatie verspreiden zoals politieke besluiten in de vorm van wetten en algemene maatregelen van bestuur rechtsgeldig maken.

· Commentaarfunctie – Hiermee wordt bedoeld dat de massamedia commentaar leveren op politieke besluiten. Het leveren van dit commentaar kan direct worden gegeven, zoals in een redactioneel commentaar in een dagblad. Het kan ook indirect.

· Onderzoeksfunctie – De achtergronden onderzoeken, bijvoorbeeld als ze denken dat iemand informatie achterhoudt. Nixon heeft daardoor moeten aftreden, want hij wist van illegale handelingen tijdens de verkiezingscampagnes.

· Controlerende functie – Deze komt voort uit de vorige functies. De resultaten van beleid of juist het ontbreken daarvan geven aanleiding tot publicaties die weer leiden tot kritiek op dat beleid.

De vrije pers vervult een belangrijke rol, omdat de politieke functies er voor zorgen dat zich maar weinig achter de schermen af kan spelen. Soms gebruikt de politici de media als drukmiddel, bijv. door vertrouwelijke informatie te laten lekken en zo in de openbaarheid te brengen.



HS 3. INVLOED VAN MASSAMEDIA.




Je hebt verschillende theorieën over de invloed van massamedia:



- de selectieve – perceptietheorie: Dit gaat erover dat het objectief waarnemen van informatie een illusie is. Ieder interpreteert informatie zodanig dat die past in zijn eigen referentiekader: datgene wat je al weet, met inbegrip van eerder aangeleerde normen of gedragsregels en waarden, opvattingen over goed en kwaad, mooi en lelijk enz. Ze bedoelen dus dat iedereen het anders ziet.



- De agendatheorie: deze richt zich op de betekenis van de massamedia bij het bepalen van de publieke agenda. Zij bepalen uit alle informatie die ze binnenkrijgen, WAT ze uitzenden. Zo bepalen zij uiteindelijk waar mensen over praten, discusseren en waar alle aandacht naar toe gaat.



- De injectienaaldtheorie: Ze zien de mens als een behoorlijk weerloze, passieve spons die kritiekloos de door de massamedia aangeboden informatie aanvaardt. Als dit juist zal zijn is het dus zo dat je mensen makkelijk kan indoctrineren.



- De aanhaaktheorie: Ook deze theorie gaat ervan uit dat de meeste mensen niet in staat zijn om een afgewogen oordeel te vormen over alle onderwerpen die door de massamedia op hun afkomt. Ze worden als het ware geleid door mensen waar ze zelf tegen op kijken. Dit kunnen politieke parttijen zijn, maar ook popsterren of filmsterren.



Invloed van Reclame op de consument.



Overal heb je tegenwoordig reclame. De meest invloedhebbende reclame is wel die van de dagbladen, radio en tv. Hiervan is televisiereclame het meest in het oog springend.



Ondernemers zijn ervan overtuigd dat reclame helpt bij de verkoop van hun product.



Massamedia zelf profiteren hiervan. Commerciële zenders zijn zelfs bijna geheel afhankelijk van de reclame – inkomsten.



Reclame geeft per definitie eenzijdige informatie.



Om de consument zo goed mogelijk te beïnvloeden maakt hij gebruik van een aantal TRUCKS.



- gebruik maken van een bekend persoon die binnen bepaalde doelgroepen positief wordt beoordeeld.

- Gebruik maken van zogenaamde wetenschappelijke termen. Moeilijk klinkende woorden, waarvan bijna niemand de betekensi weet, maar die wel indruk maken.

- Gebruik maken van termen uit andere talen, vooral Engels maar ook soms uit het Frans.

- Proberen bij een bepaald product een bepaalde sfeer te koppelen.

- Proberen in te spelen op specifieke gevoelens van de consument, bijvoorbeeld verantwoordelijkheid voor het leven van je kinderen.

- Muziek. Het allerhoogste dat een reclamemaker kan bereiken is dat de consument het aangeboden product weet te herkennen aan een begeleidende melodie.

- Inspelen op trends. Denk aan de enorme stroom producten die worden aangeprezen als LIGHT.

- Gericht benaderen van doelgroepen.

- Humor in Reclame doet het vaak erg goed. Dit houdt namelijk de aandacht van de kijker of lezer erbij.

- De consument zelf, al of niet geacteerd aan het woord laten. Hij hoopt dat dit invloed heeft op andere consumenten als die horen dat andere mensen er zo positief over zijn.



Het grootste succes dat de reclamemaker zich kan wensen is dat de merknaam van het aangeprezen product tot soortnaam wordt.





Waarden en normen:



Elke gemeenschap ontwikkelt waarden en normen, die tezamen de cultuur van de gemeenschap van de samenleving vormen.



Socialisatie: de overdracht van waarden en normen. De opvoeding van kinderen binnen een gezin is daarvan de duidelijkst herkenbare vorm. Dit vindt uiteraard niet in een gezin plaats. Het bestaat deels uit aanpassing.



Invloed van televisiegeweld:



Geweld op tv is sinds het prille begin van het televisietijdperk al een discussiepunt geweest. Beïnvloedt het, het gedrag van de kijkers, en zo ja, moet de vertoning van geweld op tv dan worden beperkt en hoe dan?



Drie meningen:



De reductiethese: ze beweren dat kinderen leren door het kijken naar situaties waarin gewelddadig gedrag wordt getoond dergelijke situaties te vermijden.



De geen – effectthese: Ze beweren dat de invloed van de televisie over het algemeen verwaarloosbaar is.



Het stimulatiethese: het zien van geweld op televisie kan volgens hun zeker wel tot agressief gedrag leiden bij kinderen. Het zou de kinderen kunnen vertellen dat geweld kan lonen en een aanvaardbaar middel kan zijn om bepaalde doelen te bereiken.



WELKE MEDIA HEBBEN DE MEESTE INVLOED?




Om veel invloed te hebben moet je een groot publiek kunnen bereiken.

Welke media hebben de meeste invloed op onze samenleving?



Recht van persvrijheid: Deze werd in 1848 in de Nederlandse grondwet opgenomen. De persvrijheid is een belangrijke voorwaarde voor de democratie. Een staatsbestel kan namelijk alleen dan democratisch functioneren als er sprake is van goed geïnformeerde, mondige burgers.



Persvrijheid houdt in:



- men mag ook kritische standpunten innemen.

- Openlijk publiceren.





3 Invloed van de massamedia

Hoe wordt de maatschappij door de massamedia beïnvloed?



3.1 Visies

Reclamemakers gaan er vanuit dat zij het koopgedrag van consumenten kunnen beïnvloeden en daarmee hun uitgaven terugverdienen.

Censuur: de mogelijkheden beperken om via massamedia kritische politieke geluiden te laten horen.

Er is invloed van de massamedia, maar hoe groot die is, is onduidelijk. Er zijn 4 theoriën die de verschillen laten zien:

1 de selectieve-perceptietheorie

2 de agendatheorie

3 de injectienaaldtheorie

4 de aanhaaktheorie

selectieve perceptietheorie: - gaat ervan uit dat het objectief waarnemen van informatie een illusie is. Ieder interpreteert informatie zodat ie past in z’n referentiekader (datgene wat je al weet, met inbegrip van eerder aangeleerde normen en waarden)

- mensen selecteren hun waarnemingen, waarbij voorkeur uitgaat naar feiten die bij hun normen passen.

Agendatheorie - richt zich op de betekenis van de massamedia bij het bepalen van de publieke agenda (de onderwerpen die in het centrum staan van de aandacht van het grote publiek)

- massamedia selecteren uit de hoeveelheid informatie onderwerpen

De injectienaaldtheorie - ziet de mens als een tamelijk weerloze passieve spons die kritiekloos de aangeboden informatie aanvaardt.

(aangenomen dat het uitgangspunt van deze theorie juist is, dan is het mogelijk de samenleving te indoctrineren)

De aanhaaktheorie - gaat er ook van uit dat mensen alle informatie op zich af laten komen, daarom sluiten ze zich aan bij het oordeel van mensen die ze betrouwbaar en terzake kundig achten.

- Men haakt zich dus aan bij mensen die ze betrouwbaar achten.



3.2 Invloed van de reclame op de consument

In Nederland per jaar voor Fl 1,6 miljard,- per jaar.

Commerciële zenders zijn bijna totaal afhankelijk van reclame-inkomsten

Reclame is per definitie eenzijdige informatie

Trucjes die gebruikt worden bij reclame maken:

- bekend persoon die binnen een doelgroep voor positief wordt gezien

- gebruik van zogenaamde wetenschappelijke termen. (Xylitol bijv)

- gebruik maken van termen uit een andere taal

- product aan een bepaalde sfeer koppelen

- proberen in te spelen op specifieke gevoelens van de consument

- muziek. Mensen herkennen producten aan een door reclame begeleidende melodie

- Inspelen op trends

- Gericht benaderen van doelgroepen

- Humor in reclame

- De consument zelf, geacteerd of niet geacteerd aan het woord laten

Het grootste succes dat de reclamemaker zich kan wensen is dat de merknaam van het product een soortnaam wordt.



3.3 Waarden en normen

In reclame is het bedoeling dat de consument beïnvloed wordt. In het merendeel van het programma-aanbod is dat niet belangrijk.

Waarden: hiermee worden opvattingen aangeduid over goed en kwaad, lelijk en mooi enz.

Normen: gedragsregels, gebaseerd op waarden.

Deze waarden en normen worden toegepast op nationale samenlevingen en op gezinnen enz. Binnen elke gemeenschap worden de waarden en normen anders toegepast. Om als individu te functioneren binnen een vereniging, moet je normen en waarden aanpassen. Dat wordt socialisatie genoemd

Socialisatie: overdracht van normen en waarden.

Het aanpassingsproces van normen en waarden begint vaak met imitatie (bijv dezelfde kleding gaan dragen)

Jeugdsubculturen zijn vaak aangepast aan muziek enz.

Dit voorbeeld illustreert tevens de rol van de massamedia, vooral de tv, bij de socialisatie daarvan (clips op MTV enz: je hoort niet alleen de muziek, maar je ziet ook de personen met wie je graag identificeert)



3.4 De invloed van televisiegeweld

Agressief gedrag: gedrag dat bewust is gericht op het toebrengen van schade aan anderen of aan zaken die anderen toebehoren, zowel fysiek als niet-fysiek.

Soms wordt agressie gebruikt om een bepaald doel te gebruiken, om bepaald gedrag bij andern af te dwingen. Onderzoek naar de relatie van tv geweld met agressief gedrag richt zich vooral op kinderen.

Drie meningen



De reductiethese: aanhangers van deze visie wijzen op de socialiserende rol van tv. Kinderen leren door het kijken naar situaties dergelijke situaties te vermijden.

De geen-effectthese: Een belangrijk pleiter voor deze visie is socioloog Halloran (hij bestudeerde de invloed van de tv op grotere groepen in de samenleving) na onderzoek kwam hij tot de conclusie dat tv geweld in het algemeen verwaarloosbaar is.

De stimulatiethese: met name binnen de psychologie komt men tot de conclusie dat het zien van geweld op tv agressief gedrag tot gevolg kan hebben. Psycholoog Liebert meent dat te hebben aangetoond.



Relatie tussen de soorten geweld en agressie

Aanhangers van de stimulatiethese zien een verband tussen realisme en agressief gedrag:

Hoe realistischer het geweld wordt vertoond, hoe groter de kans wordt op imitatie daarvan.

Overdadig science-fiction gedrag schijnt geen effect te hebben.]

Verder onderzoek noodzakelijk

Toch blijven vragen onbeantwoord:



- gesteld dat er een relatie bestaat tussen tv geweld en agressief gedrag, waarom wordt de één wel in die zin beïnvloed en de ander niet?

- Waarom worden er verschillen in agressief gedrag tussen jongens en meiden geconstateerd?

- Is er ook alleen sprake van korte termijneffecten of zijn er ook effecten op langere termijn?

- Waarom worden er verschillen geconstateerd in beïnvloeding als er volwassenen meekijken?

- Wat is de invloed bij volwassenen?



Beleid

Steeds meer mensen wil minder geweld op de tv. De kern van richtlijnen is dat geweldscènes voor 21.00 uur vermeden moeten worden. Het Commissariaat voor de media moet toezien op de naleving van deze richtlijnen.



4 Welke media hebben de meeste invloed?


Welke media hebben de meeste invloed in onze samenleving?



4.1 De krant

Krant is het oudste massamedium. Rond 1450 werd de boekdrukkunst uitgevonden in Duitsland.

Nog niet veel mensen konden via de druktechniek informatie ontvangen, omdat de meesten analfabeet waren.

In 1619 zag in Nederland het eerste periodiek het licht als voorloper van de krant kan worden beschouwd. Deze periodieken bevatten vooral berichten die van belang waren voor de handel. Heel soms politieke ontwikkelingen, die van belang waren voor de handel.





Persvrijheid

Bij de grondwetswijziging in 1848 werd persvrijheid opgenomen in de grondwet, artikel 7.

Persvrijheid belangrijk voor democratie: een staatsbestel kan alleen dan democratisch functioneren als er sprake is van goed geïnformeerde, mondige burgers.

Persvrijheid: houdt niet alleen in dat je kritische standpunten mag innemen, maar het houdt ook de zogenaamde vrijheid van nieuwsgaring in.



Een groter publiek

Na 1848 werd de krant nog niet direct een massamedium. In NL had dat niet te maken met analfabetisme, want bijna iedereen kon lezen en schrijven toen (10% was nog analfabeet).

Kranten waren erg duur, vooral door de belasting die erop geheven werd.

Een belangrijke stap was het afschaffen van de dagbladzegel in 1869. De prijs zakte verder door nieuwe druktechnieken en dankzij reclame.

Deze economische ontwikkeling leidde tot ingrijpende veranderingen in de infrastructuur.

Een belangrijke factor bij de ontwikkeling van de krant tot massamedium, was de politieke emancipatie van de bevolking, die zich manifesteerde in de vorm van oprichting en groei van politieke partijen en vakbonden. Daardoor groeide het politieke bewustzijn en dus de vraag naar informatie over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen bij brede lagen van de bevolking.



Pluriformiteit en verzuiling

In een moderne democratie kenmerkt de pers zich door pluriformiteit (veelvormigheid)

Hiermee krijg je vooral de verscheidenheid aan dagbladen.

De verzuiling: gaf de pluriformiteit gedurende de 20e eeuw een geheel eigen gezicht.

De emancipatie voltrok zich in Nederland op eigen wijze, eind 19e eeuw:

men organiseerde zich vooral op basis van godsdienstige en levensbeschouwelijke uitgangspunten, de zogenaamde zuilen (vooral temaken met tegenstelling tussen katholieke zuiden en het protestantse noorden en westen.

Met de industrialisatie groeide tegelijkertijd de tegenstelling tussen arbeidersbeweging eb rijke burgerij en middenstand. 4 zuilen waren het resultaat:



- protestants-christelijke zuil

- katholieke zuil

- sociaal-democratische zuil

- liberaalconservatieve zuil



Sinds midden jaren ’60 is er sprake van een ontzuiling. Belangrijke oorzaken:

- het voortgaande proces van deconfessionalisering

- ontkerkelijking

- doorbreking van autoritaire maatschappelijke structuren in de jaren ‘60



Verschillende soorten dagbladen

Sommige dagbladen richten zich nog steeds op lezers met een levensbeschouwelijke overtuiging (Trouw - protestants publiek, Reformatorisch Dagblad en het NLs Dagblad – orthodox-protestants)

Volkskrant tijdens het hoogtepunt van verzuiling het katholieke Dagblad. Tijdens de ontzuiling werd het een progressief, linksgeoriënteerde krant. In tegenstelling met de behoudende Telegraaf.

Dagbladen zijn ook in te delen in:

- kwaliteitskranten (NRC-Handelsblad en Trouw) : richt zich minder op populair roddelnieuws, maar meer op politieke en cultureel nieuws

- populaire kranten (Telegraaf)

Regionale dagbladen: naast landelijk en internationaal nieuws ook stad en streek nieuws. Internationaal nieuws ontlenen zij vaker dan landelijke dagbladen nieuws aan persbureau’en gemeenschappelijke redacties als de GPD: Gemeenschappelijke Persdienst.



Nieuwsbronnen

Iedere krant heeft zijn eigen nieuwsbronnen. Elke journalist is gespecialiseerd op een bepaald gebied. Vaak heeft een krant ook een aantal freelancers: zij worden per artikel betaald. Verder krijgt een krant veel nieuws aangereikt via de persbureaus: - ANP (algemeen persbureau) voor NL

- Agence Rance Press voor Frankrijk

- Reuter voor GB

- Associated press voor de VS

Via de telex en computernetwerken verspreiden zij nieuws, waaruit de redactie van een krant een keuze maakt.

Inkomsten

Bijna ¾ van de inkomsten bestaat uit de verkoop van advertentieruimte. Hoe groter de oplage van een krant, hoe hoger de advertentieopbrengsten.

Toen in 1967 televisiereclame mogelijk werd via de STER zagen de dagbladen hun advertentie-inkomsten teruglopen. Daardoor moesten een aantal dagbladen weg, en sommige gingen van landelijk naar regionaal. Sommige werden opgekocht door uitgeefconcerns. Dit proces heet persconferentie.

Persconferentie werd beschouwd als een ebdreiging voor de pluriformiteit van de pers. Om deze bedreiging het hoofd te bieden, ging een deel van de opbrengsten van de STER naar krantenuitgevers.

Het BEDRIJFSFONDS VOOR DE PERS verdeelt die gelden.



4.2 Weekbladen en andere tijdschriften

tijdsschriften kunnen worden verdeeld in:

- opinieweekbladen

- gezinsbladen

- sensatiepers

- wetenschappelijke bladen

- populair-wetenschappelijke bladen

- hobbybladen

Opinieweekbladen: Leveren wel degelijk ook nieuws, politiek en cultuur. Hoewel ze journalistiek onafhankelijk zijn (niet gebonden aan een politieke partij) zijn ze toch vrijwel allemaal een politieke signatuur.

De stimulans viel voor veel lezers weg doordat de opiniebladen het lange tijd moeilijk hadden door:

- kostenstijgingen

- teruglopende advertentie-inkomsten

- het beleid van de grote dagbladen om in de vrijdag en zaterdag edities veel beschouwende en opiniërende journalistiek te stoppen op politiek en cultureel terrein.

Belangrijkste opinieweekbladen:

- Vrij Nederland

- Elseviers

- Magazine

- HP/De tijd

- De groene Amsterdammer

- Hervormd Nederland

Gezinsbladen en de sensatiepers

Weekend, Privé, Panorama en Revu zijn gezinsbladen (bladen met een journalistieke formule van lichtverteerbare artikelen met veel foto’s, vooral gericht op amusement en verstrooiing)

Ze hebben wel vrijheid van drukpers, maar aan de andere kant krijgen ze ook te maken met het recht op privacy.



4.3 Radio en Televisie

De radio

Radio werd uitgevonden eind 19e eeuw. In Nederland was de 1e radio-uitzending in november 1916.

- NCRV (1924 als eerste omroep, kort daarna ook de andere)

- AVRO

- VARA

- KRO

- VPRO

Alle levensbeschouwelijk stromingen komen voor in de omroepen. Ook hier preekte men voor eigen parochie.

Radio Oranje: radio-omroep in Engeland die informatie verspreide in het bezette Europese continent. Radio Oranje gaven gecodeerde berichten aan verzetsgroepen. Na de oorlog namen alle verzuilde omroepen hun oude positie weer in.



Opkomst van de televisie

In 1951 werd een begin gemaakt met tv. Binnen enkele jaren ontwikkelden de radio-omroepen zich tot verzuilde radio- en tv omroepen.

Door de Omroepwet hoefden zij niet bang te zijn voor concurrentie, want het omroepbolwerk was niet voor andere omroepen toegangbaar.

In de jaren ’60 was er een beweging die zich manifesteerde in de ether. Radio-avonturiers gingen uitzenden vanaf zendschepen. Radio Veronica en Radio Noordzee (piratenzenders) hadden veel luisteraars. Vanaf nu kwamen er meerder omroepen zoals TROS, de eerste niet aan een zuil verbonden omroep.



Een nieuw omroepbestel

Na het succes van de TROS, had trouw aan de zuil afgedaan en in een poging om de kijkers terug te winnen imiteerden de meeste oude omroepverenigingen de formule van de nieuwkomers: veel amusement en minder levensbeschouwelijk programma’s.

Kijk- en luistercijfers werden de belangrijkste maatstaf. Veel christelijke mensen vond dit minder leuk en wensten een omroep met een christelijke achtergrond en dat bracht de EO.

Deze omroepen hadden nog te maken met de omroepbestel. Die wet stelde een paar eisen:

- een omroep diende een bepaalde culturele, maatschappelijke of geestelijk stroming in de samenleving te vertegenwoordigen en niet gericht te zijn op winst.

- Een omroep diende gevarieerde programma’s aan te bieden (25% informatief, 25% cultureel, 25% amusement, 5% educatief en 20 % vrije invulling)

- Een omroep diende minstens 150 000 leden te hebben

Omroepen die hier aan voldeden kregen een financiële bijdrage via de kijk- en luistergelden. De overheid financierde ook de NOS die zich op nieuwsachtergronden moest richten.

De doorbraak van commerciële zenders kon niet tegen worden gehouden. RTL4 en SBS 6 deden hun intrede en Veronica werd nu ook commercieel.



Kabelmaatschappijen

Tegelijkertijd met deze ontwikkelingen zij ook de kabelmaatschappijen gekomen. Tot eind jaren ’70 had men een antenne op z’n dak. Hierdoor waren niet alleen de antenneproblemen weg, maar er kwamen ook veel meer zenders bij door de kabelnetwerken.

Kabelmaatschappijen zijn verplicht NLse en NL-talige Belgische zenders door te geven, verder mogen ze zelf kiezen.

Dit enorme zenderaanbod leidde tot zenders die niet, zoals de traditionele omroepen, een totaalpakket van programma’s aanbieden, maar zich specialiseerden.

De kabel heeft ook een enorme stoot gegeven aan de ontwikkeling van de regionale en lokale omroepen: eerst beperkten die zich tot radio, maar door wat eenvoudige middelen kunnen ze ook tv-uitzendingen laten zien.

Al deze ontwikkelingen maakten van de Mediawet van 1988 een verouderde wet. Tijdens kabinet Kok(1994-1998) werd deze wet veranderd.



5 De nieuwste ontwikkelingen op mediagebied


Welke ontwikkelingen op mediagebied zijn te verwachten?



5.1 Telefonie

Mobiele telefonie wordt steeds meer in: mensen willen altijd en overal bereikbaar zijn.

Er was veel concurrentie op dit gebied. De privatisering van de PTT (nu KPN) maakte een eind aan

monopolie op deze dienst en de prijzenslag die daarop volgde maakt het GSM-etje voor bijna iedereen bereikbaar



5.2 Dagbladen

Landelijke dagbladen worden niet bedreigd door de elektronische snelweg. De meeste kranten hebben zelfs op internet hun krant.



5.3 De radio

Het publieke bestel heeft 5 themazenders gecreëerd: het probleem blijft de versnippering tengevolge van de verdeling van zendtijd over de publieke omroepen, die elk proberen een eigen gezicht te bewaren.

De commerciële radiozenders hebben het voordeel zich te kunnen richten op een specifieke doelgroep en als zender herkenbaar kunnen zijn.

Radiozenders krijgen vaak te maken met te weinig etherruimte. Etherruimte wordt Europees vastgesteld en NL mocht zelf kiezen hoe ze dat willen verdelen. Een criteria die de overheid stelt is dat de aanbieders iets nieuws moeten toevoegen.



5.4 Televisie

Reality-tv en Emotie-tv zijn grote publiekstrekkers geworden door de verschuiving die zich heeft voorgedaan in het programma-aanbod.

Ze worden niet alleen uitgezonden door commerciële maar ook door publieke zenders. Door de aard van deze programma’s komt het voor dat rechters worden ingeschakeld om klachten over het schenden van privacy te behandelen.

Reality-tv: Zendt levensechte situaties uit

Overheid wil een soort code invoeren: dit is om een grotere bescherming van de burger te garanderen.

Een ander soort programma dat met de komst van commerciële zenders intrede heeft gedaan zijn de Amerikaans afkomstige soaps.

Vanwege de horizontale programmering kunnen alleen commerciële zenders die uit zenden.

Soaps tegenwoordig elke avond, vroeger 1 keer per week

Kwaliteits-tv zal ondanks deze ontwikkeling naar men verwacht niet verdwijnen. Er zal vraag naar blijven bestaan en de overheid ziet dat als basis om het publieke bestel overeind te houden. Wat hier ook toe kan dienen is het onder NLs toezicht plaatsen van buitenlandse zenders die zich op ons and richten. Dit om concurrentievervalsing tegen te gaan en de greep op deze zenders te vergroten.



5.5 Internet

Computers aansluiten op het telefoonnet luidde een revolutionaire ontwikkeling in op het terrein van communicatie. Wereldwijd zijn computers met elkaar verbonden en kunnen ze informatie aanbieden aan andere computers via een website. Iedereen beschikt zo binnen korte tijd over een eigen massamedium.

Dit betekent een enorme uitbreiding van de mogelijkheid tot uitoefenen van meningsuiting.

Het nadeel daarvan is dat er sites komen met kinderporno en racistische propaganda.

Dit wil de overheid voorkomen, maar hoe is nog niet duidelijk, want je kunt ze moeilijk verbieden het web op te gaan. Providers verzetten zich hiertegen: zij willen slechts technologische voorwaarden scheppen voor het functioneren van Internet en geen verantwoordelijkheid dragen.

Hoe moet het dan aangepakt worden? Om erachter te komen wie over de grens gaan, zijn meer providers nodig.



5.6 Verdere ontwikkelingen

Andere ontwikkelingen op communicatiegebied zullen voornamelijk ontstaan op technologisch gebied. Veel fantasie is er bij sciencefiction: robotten, visofoon

Slechts 1 keer kwam het voor dat de werkelijkheid op de sciencefiction voorlag. In 1969 was de eerste maanlanding op tv te volgen.

Er zullen weinig realistische ontwikkelingen te verwachten zijn. De geuren-kleuren tv is misschien het hoogst haalbare


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.