Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Massamedia

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2258 woorden
  • 17 oktober 2007
  • nog niet beoordeeld
Cijfer
nog niet beoordeeld

Samenvatting maatschappij

- Er zijn veel soorten communicatie, denk maar eens aan een telefoongesprek, brief, quiz op tv en ook onze manier van kleden.

- Een voorbeeld van massamedia zijn reclamespots, hun grootste doel is om ons gedrag te willen veranderen.

Paragraaf 1; SOCIALISATIE EN CULTUUR

Communicatie ontstaat door gedrag, bepaalde kleding en meningen. Wij, mensen, luisteren veel naar elkaar.
Cultuur speelt een zeer grote rol. Onder cultuur verstaan we alle woorden, normen en ander aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als vanzelfsprekend beschouwen. Iedere samenleving en groep ontwikkelt een eigen cultuur.


Natuur staat tegenover cultuur, het is datgene wat aangeboren is. Het gedrag van de mens bestaat uit aangeleerd gedrag en aangeboren gedrag.

Cultuurkenmerken; normen en waarden, kennis, gewoonten, opvattingen, kunst, sport, symbolen en feestdagen.

- Cultuur is dynamisch, het verandert steeds per generatie, maar ook per plaats en per groep.

- Mensen met een gemeenschappelijke cultuur vormen samen een cultuurgroep.

- Er is sprake van een dominante cultuur als een cultuur wordt gedragen door een groep die binnen een samenleving overheersend is.

- Er is sprake van een subcultuur wanneer binnen een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken op bepaalde onderdelen afwijken van de dominante cultuur. (Hoeft niet strijdig te zijn met dominante cultuur.)

- De tegencultuur wordt gedragen door mensen die zich verzetten tegen de dominante cultuur of daar een bedreiging voor vormen.

Antiglobalisten: Tegenstanders van dominante normen en waarden.

Bedrijfscultuur: Alle normen, waarden en gewoonten die er in een bedrijf gelden.

- Bij jongeren zijn er veel subculturen, dit heeft verschillende redenen;

· De welvaart nam toe na de Tweede Wereldoorlog.
· Jongeren willen een eigen leefstijl die anders is dan die van hun ouders.
· Jongeren hebben behoefte aan de geborgenheid van een groep; ze willen ergens bij horen.

Verschillende stromingen zijn rappers en housecultuur.


- Nederland is een multiculturele samenleving; een maatschappij waar verschillende etnische groepen elk met een eigen cultuur met elkaar samenleven.

- De meeste etnische subculturen integreren: ze nemen een deel over van de dominante cultuur, maar behouden ook voor een deel hun eigen cultuur.

- Socialisatie: Het proces waarbij iemand de normen, waarden en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.

- Socialiserende instituties: Instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt;

1. gezin
2. school
3. werk
4. maatschappelijke groeperingen
5. overheid
6. vriendenkring
7. media

- Sociale controle: De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden; sancties zijn een belangrijk onderdeel daarvan en bestaan uit beloningen en straffen.

Er zijn verschillende soorten sancties:

· Formele positieve sancties ( koninklijke onderscheiding, diploma, promotie ).
· Formele negatieve sancties ( strafwerk, boete, gevangenisstraf ).
· Informele positieve sancties ( compliment, fooi, applaus na een voorstelling ).

· Informele negatieve sancties ( kind dat naar zijn kamer wordt gestuurd, popgroep dat wordt uitgefloten na een slecht concert )
- Internalisatie: Mensen die van hun cultuurgroep zo eigen hebben gemaakt, dat zij zich automatisch gaan gedragen zoals de groep dat van hen verwacht.

Paragraaf 2; MEDIA EN COMMUNICATIE

Communicatie: Het proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap overbrengt aan een ontvanger.

Medium: Hetgene waar een boodschap langs wordt verstuurd, zoals gesproken of geschreven woord, gebaren, kleding, televisiebeelden en kunstwerken.

Informatiemaatschappij: Een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen.

- Er is sprake van een communicatiestoornis als een zender iets anders bedoelt met een boodschap dan de ontvanger interpreteert.

Referentiekader: het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring.

Er zijn verschillende soorten communicatie;

· Directe en indirecte communicatie
· Eenzijdige en meerzijdige communicatie
· Verbale en non-verbale communicatie
· Interpersoonlijke communicatie en massacommunicatie

Massamedia: Dragers van openbare boodschappen. (kranten, boeken, websites, aanplakbiljetten en films.)

Massamedia heeft verschillende boodschappen met verschillende functies;


· Amusement
· Nieuws
· Reclame
· Meningsvorming
· Kunst
· Educatie en onderwijs

Functies:

· Een informatieve functie, waarmee de media beantwoorden aan de behoefte aan informatie, educatie, hulp bij opinie- of meningsvorming.
· Een sociale functie, waardoor de media ervoor zorgen dat individuen met anderen kunnen meepraten, hun eenzaamheid kunnen verdrijven.
· Een recreatieve functie, waarbij de media voorzien in de behoefte aan ontspanning, gezelligheid, tijdverdrijf, zinvolle vrijetijdsbesteding, het beleven van spanning, sensatie en romantiek.
· De politieke functie, voor de instandhouding van de democratie.

· De socialiserende functie, voor de cultuuroverdracht.

Paragraaf 3; SOORTEN MEDIA

1440: De gedrukte media
1900: De audiovisuele massamedia
2000: De nieuwe media

Pers; kranten en tijdschriften

Gedrukte media: kranten, tijdschriften, huis-aan-huisbladen, boeken

Landelijke dagbladen: Bladen die over heel Nederland te vinden zijn. ( De Telegraaf, het Algemeen Dagblad, de Volkskrant, NCR Handelsblad en Trouw. )

Reginoale dagbladen: Bladen die alleen te vinden zijn in bepaalde streken. ( De Gelderlander, Dagblad van het Noorden en Dagblad De Limburger. )

Verschillende soorten kranten;

· Algemene kranten en richtingkranten
· Progressieve kranten en conservatieve kranten
· Populaire kranten en kwaliteitskranten


- Tijdschriften hebben een belangrijke rol, namelijk dat ze allemaal bedoeld zijn voor bepaalde doelgroepen.

Verschillende soorten tijdschriften;

· Jongerenbladen
· Familiebladen
· Roddelbladen
· Special-intersectbladen
· Vakbladen
· Opiniebladen
· Omroepgidsen

Verschillende soorten zenders;

· Landelijke publieke omroepen
· Regionale en lokale publieke omroepen
· Landelijke commerciële omroepen
· Buitenlandse omroepen

- Het belangrijkste verschil met de andere media zijn de mogelijkheden tot interactiviteit.

Nieuwsgroepen: plaatsen op het net waar mensen samen over bepaalde onderwerpen kunnen praten en discussiëren.

Paragraaf 4; HOE KOMT HET NIEUWS TOT STAND?

Nieuws: informatie over dingen die kort geleden gebeurt zijn en waarvan het grote publiek nog weinig weet.

Kennis: informatie die bekend is.

Er moeten veel vragen gesteld worden voordat een bericht in de krant geplaatst word, dit noemen we selectiecriteria:
· Is het nieuws actueel?
· Is het uitzonderlijk/bijzonder nieuws?
· Vinden mensen het interessant om te lezen?
· Gaat het om een belangrijk/beroemd persoon?
· Voegt het iets toe aan het totaalinzicht van iets?
· Is er beeldmateriaal bij (foto’s).

Nieuws kan ontstaan uit verschillende nieuwsbronnen:
· Personen/instellingen die zelf informatie aan journalisten vertellen (actiegroepen).
· Journalisten gaan zelf op zoek naar nieuws, dit noemen we nieuwsgaring.
· Persbureaus sturen berichten via modem en fax.

Persbureaus zijn bedrijven die een groot aantal correspondenten hebben die nieuws verzamelen. De redactie van het pers-bureau selecteert welke berichten door worden gezonden naar radio, tv en krant. Deze krant/radio/tv zender moet dan wel geabonneerd zijn op het persbureau. De belangrijkste persbureaus voor Nederland zijn:
· het ANP (Algemeen Nederlands Persbureau);

· het AP (Associated Press) uit Amerika;
· Reuters uit Engeland;
· het AFP (Agence France Press) uit Frankrijk;
· het DPA (Deutsche Presse Agentur) uit Duitsland.

De meeste kranten of omroepen willen een duidelijk herkenbare identiteit dit kunnen ze doen door:
· de keuze van onderwerpen;
· de presentatie van het nieuws;
· eigen commentaar/analyses.

De kwaliteit van een bericht hangt af van objectiviteit (een beschrijving van feiten en meningen die overeenstemmen met de werkelijkheid). In de journalistiek bestaat er geen volledige objectiviteit. Nieuws wordt altijd geschreven vanuit een referentiekader (vanuit persoonlijke normen en waarden, ervaringen en gewoonten). Ook wordt er geschreven voor een bepaalde doelgroep.
Om het nieuws zo betrouwbaar mogelijk te maken moeten journalisten:

· een scheiding maken tussen feiten en meningen;
· het principe van hoor en wederhoor toepassen, je moet verschillende kanten van het nieuws laten zien. Verschillende mensen hun verhaal laten doen;
· gebruik maken van verschillende nieuwsbronnen en deze bronnen ook vermelden;
· beschikken over kennis van zaken.

Selectieproces

Paragraaf 5; DE INVLOED VAN DE MEDIA

In het algemeen geven media geen reëel beeld van dingen. Het is meer amusement, door erge dingen in de krant te zetten. Kopen meer mensen de krant. Hierdoor lijkt het bijvoorbeeld dat er jaarlijks duizenden moorden in Nederland plaatsvinden. Terwijl het er eigenlijk maar een paar honderd zijn.

Door de media;
· krijg je de vooroordelen dat het vooral om zware en agressieve criminaliteit gaat en niet meer om kleine dingen;
· is de hoeveelheid agressieve criminaliteit veel hoger ingeschat dan het eigenlijk is;
· is er een stereotiep misdadiger;
· is er bij de bestrijding van criminaliteit vaak alleen gedacht aan strenge straffen.

Mensen gebruiken ook vaak vooroordelen en stereotypen om zich tegen andere groepen af te zetten. Vooroordelen zijn oordelen over iets of iemand dat niet op kennis van zaken berust. Je weet er dus eigenlijk niks van, maar je hebt zegmaar al een oordeel klaar. Een stereotiep is een beeld van iets of iemand wat vast staat, waarbij we een groep bepaalde kenmerken geven.

Er zijn 4 beïnvloedingstheorieën;

· De injectienaaldtheorie. Dit houdt in dat het publiek de boodschap van de media geheel overneemt. Hierbij wordt vaak eenzijdige informatie gegeven met als doel om een zaak te winnen, dit wordt propaganda genoemd. Dit kan ook door indoctrinatie dit betekend dat de heletijd bepaalde opvattingen op worden gedrongen aan het publiek. Vaak wordt er ook gemanipuleerd, de media vervormd informatie zonder dat het publiek het merkt.
· De mutiple-step-flow-theorie. Hier hebben de massamediea meestal een indirecte invloed. De beïnvloeding loopt via opinieleiders, mensen die binnen een bepaald kring veel gezag hebben.
· De selectieve perceptie. Dit betekent dat elke informatie altijd zodanig wordt vervormd dat deze zo veel mogelijk past in het referentiekader van het publiek. Dit bepaald dus hoe mensen dingen opvatten aan de hand van eigen ervaringen of gewoonten. Dus bij de een grijpt hetgeen wat de media wil brengen meer aan dan bij de ander.
· De agendatheorie. Als de media aan een onderwerp veel aandacht besteed, dan word er op school, thuis en op het werk ook veel over gepraat. Hierna vormen zich pas meningen over het onderwerp.

Paragraaf 6; DE MEDIA EN DE OVERHEID

De media werken grotendeels onafhankelijk van de overheid. Soms treed de overheid wel op.
· Het goed functioneren van de democratie is nodig omdat alleen dan een goed publiek debat plaats kan vinden. Het zorgt voor meer politieke betrokkenheid van burgers.
· Vrijheid van meningsuiting. Dus ook persvrijheid.
· Pluriformiteit, hiermee wordt bedoeld dat er allerlei verschillende kranten, omroepen, enz. zijn. Hierdoor krijgt het publiek de kans om verschillende soorten informatie te krijgen en te vergelijken.

De overheid bemoeit zich meer met tv en radio dan met gedrukte media. Voor de gedrukte media hebben we het vrijemarktprincipe dit wil zeggen dat het bestaansrecht wordt overgelaten aan de vraag of er voldoende behoefte aan is. En bescherming van pluriformiteit, dit wil zeggen dat de overheid ervoor zorgt dat er genoeg verschillende bladen zijn.

Internet was de nieuwe media ook internet werkt via het vrijemarktprincipe. De overheid bemoeit zich weinig met de nieuwe media. Om voor iedereen internet bereikbaar te maken heeft de overheid;

· scholen geld gegeven om kinderen wegwijs te maken met de computer;
· belastingsmaatregelen gemaakt om burgers in staat te stellen een computer te kopen;
· cursussen beschikbaar gesteld.

De overheid bemoeit zich meer met de omroepen dan met kranten en tijdschriften. Toen de televisie zo’n beetje net in beeld kwam mochten de omroepen geen winst maken, ze mochten niet commercieel zijn. Tachtig jaar geleden ontstond er sterke verzuiling. Hiermee wordt bedoeld dat de maatschappij werd beïnvloed door geloofs- en levensovertuigingen. Vanaf eind jaren vijftig vielen de oude scheidslijnen tussen de maatschappelijke stromingen weg en kwam er ontzuiling, mensen kregen minder behoefte om hun leven te laten bepalen door hun geloofs- of levensovertuigingen.

De kranten kregen het steeds moeilijker, en de omroepen werden juist uitgebreid. Er kwam meer zendtijd en reclame. De Omroepwet werd gewijzigd, het veranderde in een open bestel. Hierdoor kwamen er meer zenders, deze ontwikkeling wordt vertrossing genoemd.

In 1988 werd de Omroepwet vervangen door de eerste Mediawet. Maar commerciële zenders waren nog steeds verboden. Omdat er ook buitenlandse zenders kwamen, die wel commercieel waren besloot de Nederlandse overheid de Mediawet te wijzigen. Hierdoor waren commerciële zenders nu wel toegestaan.

De Mediawet zei dat;
· een publieke omroep de vorm moet hebben van een vereniging of stichting. En het moet goede pluriforme programma’s verzorgen;
· de televisie zendtijd moet gebruikt worden voor een volledig programma. Er moet jaarlijks tenminste 25% aan cultuur besteed worden en 35% aan educatie of informatie;
· een omroep moet 50% van de zendtijd besteden aan programma’s die kunnen worden aangemerkt als Europese producties.;
· een beginnende publieke omroep moet 50.000 betalende leden tellen. Een volledig erkende publieke omroep moet er minstens 300.000 hebben;

· geestelijke genootschappen, maatschappelijke organisaties en politieke partijen kunnen zendtijd krijgen zonder dat zij leden hebben.

Deze regels slaan dus niet op de commerciële zenders, hiervoor geld ook dat;
· De winst moet de Ster afstaan aan de overheid. De overheid verdeelt de opbrengst van de reclame onder de omroepen.
· Publieke omroepen mogen niet meer dan 6,5% aan reclame besteden. Hierbij komt dat ze maximaal 12 minuten reclame mogen uitzenden in een uur. Ze mogen alleen reclameblokken uitzenden tussen programma’s in.
· Sponsoring bij culturele evenementen is toegestaan.
· Het is niet toegestaan om een product te tonen of te noemen zonder dat het publiek weet dat het om reclame gaat bijvoorbeeld in een soap mag je geen bier van een bepaald merk drinken. Dit heet sluikreclame.


Het afgelopen jaar is er een grote concurrentie strijd tussen de media. Dit heeft een aantal gevolgen;
· Bij de gedrukte media zien we dat steeds minder uitgevers de markt beheersen. Er zijn nog heel weinig zelfstandige kranten en dagbladen. Voor kranten zijn advertenties steeds belangrijker geworden. Ze brengen ongeveer de helft van de inkomsten binnen.
· Ook bij tijdschriften is er nog een beperkt aantal uitgevers. Bij steeds meer tijdschriften wordt geprobeerd om een bepaalde doelgroep te bereiken.
· Door de commerciële tv-zenders trekken meer kijkers weg bij de publieke omroepen. De commerciële zenders stellen hun programma’s met het oog op de adverteerders, hoe meer kijkers, hoe hoger de reclame-inkomsten. Ze zijn sterk markt- en publieksgericht, het gaat hen meer om het veroveren van een zo groot mogelijk marktaandeel. Adverteerders zijn zeer geïnteresseerd in een bepaalde doelgroep.

· Het is de verwachting dat alle massamedia uiteindelijk beheerst zullen worden door een paar grote mediaconcerns. Zij zullen het dan te zeggen hebben over kranten, internet, omroepen, enz.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.