Massamedia (2) - H1 t/m H3

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1208 woorden
  • 4 maart 2002
  • 25 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 25 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
MASSAMEDIA-HOOFDSTUK 1 t/m 3

Cultuur: Alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden
van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als
vanzelfsprekend beschouwen.

Subcultuur: Als de waarden, normen en andere cultuurkenmerken op bepaalde
onderdelen afwijken van de dominante cultuur.

Multiculturele Maatschappij: waar mensen naast elkaar leven met verschillende
Culturele samenleving achtergronden.


Socialiserende Instellingen: organisaties en overige collectieve gedragspatronen
Waarmee instituties de cultuuroverdracht in een
samenleving plaatsvindt.

Culturen verschillen per plaats, tijd en groep.
Mensen kunnen deel uitmaken van meer cultuurgroepen tegelijk.
Ook bedrijven hebben vaak hun eigen cultuur, de bedrijfscultuur, die bestaat uit alle waar-den, normen en gewoonten die in dat bedrijf gelden. (kleding, borrel op vrijdag, logo, enz.)

2 oorzaken waarom er zoveel mensen zich in Nederland gingen vestigen:
- Betere communicatie
- Beter vervoer

3 redenen voor het ontwikkelen van jeugdculturen:
- Welvaart nam toe na WOII

- Jongeren willen hun eigen leefstijl
- Behoefte aan geborgenheid

Jeugdculturen komen vaak voort uit muziekstromingen, rap, house, hardrock, enz.

Doel van socialisatie:
- Aanpassing van het individu aan zijn omgeving.
- De instandhouding en continuering van de cultuur over een periode van vele jaren.

Socialisatie: zorgt ervoor dat het leven in een samenleving geordend kan
verlopen, zonder socialisatie kan niemand overleven.

Collectieve gedragspatronen: de gemeenschappelijke gebeurtenissen als carnaval,
Kerstmis, prinsjesdag, ramadan, enz. Ook hiermee worden normen en waarden overgebracht.

Het medium: de wijze waarop een boodschap wordt verstuurt, kan
bijv. bestaan uit geschreven of gesproken woord, gebaren, kleding, televisiebeelden en kunstwerken.

Communicatie: Proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een
bepaalde boodschap overbrengt aan een ontvanger.


Communicatie is een sociaal proces dat in elk groepsgedrag is terug te vinden.
We maken onderscheidt tussen de volgende soorten communicatie:
- Directe en indirecte communicatie (praten)
- eenzijdige en meerzijdige communicatie (TV en Radio)
- verbale en non-verbale communicatie (Met woorden en met beelden)
- massacommunicatie

Massamedia hebben de volgende kenmerken:
- Informatie die ze overbrengen is bedoeld voor een groot en anoniem publiek
- Informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk
- Relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk
- Communicatie verloopt meestal eenzijdig, dus weinig feedback

De belangrijkste functies van de media:
- Amusement
- Nieuws
- Meningsvorming
- Cultuur
- educatie en onderwijs

Media zijn belangrijk voor:
- instandhouding van de democratie.
- cultuuroverdracht.
- vrijetijdsbesteding.

Gedrukte media:
- tijdschriften
- kranten
- huis-aan-huisbladen

Tijdschriften verschijnen periodiek. Doel is het brengen van informatie, gericht op specifie-ke doelgroep. Formaat is kleiner dan een krant, papiersoort steviger en opmaak luxer.

Kranten zijn dagbladen. Doel is het brengen van nieuwsfeiten aangevuld met achtergrond-info en andere praktische gegevens. Opmaak verschilt en papiersoort is niet erg sterk.

Huis-aan-huisbladen verschijnen meestal eens in de week, gratis. Doel is het brengen van plaatselijk/regionaal nieuws, maar ook geld werven uit de advertenties.

Landelijk dagblad verschijnt in heel Nederland, bevat vooral nieuws en achtergrondinfor-matie uit binnen- en buitenland.
Regionale dagbladen zijn alleen te verkrijgen in een bepaalde streek.
Populaire kranten leggen de nadruk op sensationeel nieuws: misdaad, ongelukken en bekende personen. Vette koppen en grote kleurenfoto’s Richten zich op breed publiek. Te-legraaf en AD zijn voorbeelden.
Kwaliteitskranten richten zich vooral op politieke ontwikkelingen en de achtergronden van het nieuws. Foto’s zijn kleiner, koppen minder vet. Gebruiken moeilijkere woorden. NRC is goed voorbeeld.




Onderscheid tussen verschillende soorten tijdschriften:
- jongerenbladen
- vrouwenbladen
- roddelbladen
- special-interest bladen
- vakbladen
- opiniebladen
- omroepgidsen

3 verschillende soorten televisie- en radiozenders:
- publieke omroepen
- regionale en lokale omroepen
- commerciële omroepen

Publieke omroepen zenden uit op Nederland 1,2 en 3. De meeste zijn opgericht in de jaren ’20. Publieke omroep krijgen hun geld van de omroepbijdrage die iedereen met een radio of televisie moet betalen. Een ander deel krijgen zij van de STER.

Commerciële zenders vertegenwoordigen geen maatschappelijke groeperingen, in tegen-stelling tot publiek omroepen als de KRO en VARA en de NOS.
Ons land heeft dus publieke én commerciële zenders, dit noemen we duaal bestel.

Nieuwe media is de nieuwe informatiebronnen naast gedrukte media, radio, televisie en
Internet.

MASSAMEDIA-HOOFDSTUK 4 t/m 6

Objectiviteit: Beschrijving van feiten en meningen die in overeenstemming zijn met
de werkelijkheid

Indoctrineren: Het systematisch en voortdurend opdringen van bepaalde opvattingen
en meningen aan het publiek, waardoor het denkpatroon sterk wordt
beïnvloed.

Manipulatie: Vervormde informatie over een bepaalde kwestie, omdat met opzet
feiten worden weggelaten of verdraait, zonder dat de ontvanger dit
merkt.

Opinieleiders: Mensen die binnen een bepaalde kring veel gezag hebben.

Referentiekader: Het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring.

Vooroordeel: Oordeel over iemand dat niet op kennis van zaken berust.

Stereotypering: Een vaststaand beeld, waarbij we aan een hel groep bepaalde
kenmerken toeschrijven

Hoe meer objectiviteit, des te hoger de kwaliteit van het nieuws.
Om objectiviteit zo dicht mogelijk benaderen, moeten journalisten:
- Scheiding maken tussen feiten en commentaar
- Principe van hoor en wederhoor toepassen
- Over kennis van zaken beschikken

Leiding van een krant is opgesplitst in 2 aparte verantwoordelijkheden:
- Directie: verantwoordelijk voor het zakelijke en financiële management
- Redactie: heeft inhoudelijke verantwoordelijkheid

Het redactiestatuut is ervoor om te zorgen dat er geen conflicten ontstaan tussen de ver-antwoordelijkheden van redactie en directie.
Meeste media streven naar duidelijk herkenbare identiteit:
- keuze van de onderwerpen
- presentatie
- eigen commentaar en analyses

We kennen de volgende nieuwsbronnen:
- Personen en instellingen (mensen die informatie verstrekken aan journalisten)
- nieuwsgaring (journalisten die zelf op zoek gaan naar nieuws)
- persbureaus (bureau’s die nieuws naar redacties struren)

Belangrijkste persbureaus:
- ANP, Den Haag
- AP, Amerika
- REUTER, Engeland
- AFP, Frankrijk
- DPA, Duitsland

Selectiecriteria om een bericht op te nemen:
- Hoe uitzonderlijk is het bericht
- Hoe ingrijpend zijn de gevolgen
- Is het feit van belang voor het totaalinzicht in een bepaalde kwestie
- Sluit het aan op de interesse van de doelgroep

Off-the-record informatie: Informatie die de geinterviewde niet in de krant wil hebben maar
wel aan de journalist heeft verstrekt.

Embargo: dat er voor een afgesproken tijd niets mag worden vrijgegeven van de
informatie

4 theorieën over de invloed van massamedia op ons gedrag:
- injectienaald-theorie
- de ‘multiple-step-flow of communication’
- theorie van de selectieve perceptie
- agenda-theorie

Injectienaald-theorie: Druppeltje voor druppeltje, zodat het publiek bepaalde ideeën
klakke-loos overnamen. Volgens deze theorie zijn de media in
staat de mening en het gedrag van het publiek te indoctrineren.


De ‘multiple-step-flow of communication’: Massamedia hebben indirecte invloed.
Beïnvloeding verloopt via opinieleiders. 1e Fase: de opinieleiders formuleren eigen mening. 2e Fase: opinievolgers sluiten zich aan bij de opinieleiders.

Selectieve perceptie: benadrukt het gegeven dat mensen nooit objectief waarnemen.
Elke informatie moet zo goed mogelijk in ons referentiekader
passen.

Agenda-theorie: Benadrukt dat de media niet bepalen hoe mensen denken,
maar hooguit waarover zij denken en met elkaar praten.

Discriminatie begint altijd met het hebben van vooroordelen.

2 Algemene uitgangspunten in het beleid van de Nederlandse overheid:
- Vrijheid van meningsuiting
- Bescherming van een pluriform aanbod

Alles mag, behalve discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezind-heid, ras, geslacht of op welke grond dan ook.
Onware, opruiende en onzedelijke publicaties of uitzendingen zijn ook verboden

Pluriformiteit van de massamedia: de verscheidenheid aan kranten, tijdschriften, omroepen en zenders.

Overheid ziet het als haar taak om de pluriformiteit te beschermen.
Houding van de overheid tegenover de pers, 2 tegengestelde principes:
- Vrijmarktprincipe
- Bescherming van de pluriformiteit

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.