Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Inleiding paragraaf 1 tm 3

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1699 woorden
  • 25 oktober 2015
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

  1. Waarom maatschappijleer?



In de maatschappij zijn regels en afspraken.



De 4 thema’s in de Nederlandse samenleving zijn:




  1. Rechtstaat: regels voor de burgers en de overheid zoals waar ligt de privacygrens?

  2. Parlementaire democratie: Hoe word er over Nederland geregeerd?

  3. Pluriforme samenleving: Hoe gaat Nederland om met de cultuurverschillen?

  4. Verzorgingsstaat: Wanneer moet de overheid problemen oplossen en wanneer de burger zelf?



Iets is een maatschappelijkprobleem als:




  • Het gevolgen heeft op grote groepen.




  • Het alleen gemeenschappelijk en door de overheid kan worden opgelost.

  • Het te maken heeft met een tegenstelling.



De grootste tegenstellingen onstaan tussen met met verschillende:




  • Politieke visies.

  • Geloofs- of levensovertuiging.

  • Maatschappelijke posities.



Compromis = tussenoplossing.






  1. De kernbegrippen



Waarde = Is een uitgangspunt of principe van wat mensen belangrijk vinden.                                                            

Norm = Een gevolg van een waarde. Een regel die je wordt opgelegd door je omgeving.                                       

Fatsoensnormen = Ongeschreven regel waar je je wel aan houdt.



Belang = een voor- of nadeel dat iemand ergens bij heeft.



Invloed & macht = Invloed is niet vast gelegd in de wetten maar macht wel.                                                                              

Machtsmiddel = Een middel waarmee je het gedrag van andere kan beïnvloeden.     



Je gedrag kan worden beïnvloed door:                                                                                                                                   - De plaats waar je woont. (gastvrijheid)                                                               - De tijd waar je in leeft.                                                                                         - De groep waar je bij hoort. (rechts-radicale jongeren)   



Sociale cohesie: samenhang tussen mensen in een gemeenschap of samenleving.   



Analysevragen zijn er om je te helpen met maatschappelijke problemen.



Analysevragen:                                                                                                                                                                            

De actoren.




  1. Wat is het probleem?

  2. Wie zijn erbij betrokken / wie zijn de actoren?

  3. Welke normen en waarden spelen een rol bij het probleem

  4. Welke belangen hebben de actoren?

  5. Welke normen, waarde en / of belangen heb jij bij deze kwestie?    



Politie besluitvorming. 




  1. Wat is het probleem?

  2. Welke beleid voert de overhied met betrekking tot dit probleem?

  3. Welke wetten gaan over deze kwestie en welke staan ter discussie?

  4. Wat vinden de politieke partijen van deze kwestie?

  5. Wat vind jij van dit probleem?                                                                                                                                               



Oorzaken & gevolgen.      




  1. Wat is het probleem?

  2. Wat zijn de oorzaken van dit probleem?

  3. Welke gevolgen heeft de kwestie voor de samenleving?

  4. Op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost?

  5. Welke oplossing heeft jouw voorkeur?    



  De vergelijking met vroeger en met andere landen.                




  1. Wat is het probleem?

  2. Heeft dit probleem te maken met normen, waarde, belangen en / of mach? Zo ja, hoe?

  3. Speelt dit probleem ook in andere landen?

  4. Is dit probleem van deze tijd, of speelt het al langer?

  5. Indien van toepassing: hoe is in het verleden / in het buitenland het probleem opgelost?






  1. Wat is waar en wat is niet waar?



Betrouwbare bron?                                                                                                  - Wordt er een bronvermelding gegeven?                                            

- Is er duidelijk onderscheid tussen feiten en meningen?                                                                                                                     - Wordt het onderwerp van verschillende kanten bekeken?



Objectief = feiten.                                                                                                   Subjectief = mening.



Hoor en wederhoor = verschillende betrokkenen zijn gehoord.                                                                                          Communucatie = Het doorgeven van informatie.                                                                                                          Communicatieruis = overdracht van de info verloopt niet goed. Dat kan als: - De zender de informatie verkeerd uit zendt of als – De ontvanger het verkeerde ontvangt. 




  1. Manipulatie = Feiten zijn opzettelijk verdraait / weggelaten zonder dat de ontvanger het weet.

  2. Propaganda = Bewust eenzijdige informatie geven om mensen hun meningen te beïnvloeden.

  3. Indoctrinatie = eigenmening / opvatting zo opdringen dat het publiek het kritiekeloos moet accepteren.



Stereotype = vast staand beeld van een groep mensen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.