Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 4: Pluriforme Samenleving

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1016 woorden
  • 6 november 2014
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Maatschappijleer: Pluriforme Samenleving



Wat is de beste manier om in een pluriforme samenleving met andere mensen en culturen om te gaan?






  • Cultuur en identiteit



Nederland is pluriform: allerlei groepen mensen met verschillende waarden, normen, gewoonten, leefstijlen of afkomst. Alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die een groep met elkaar gemeen heeft -> cultuur. Bepaalt een deel van je identiteit. Mensen hebben een gemeenschappelijk referentiekader. Cultuur werkt gedragsregulerend. De manier waarop je jezelf laat zien -> ‘presentation of the self’. Het verband, de voorstelling die groepen spelen -> impression management. Waar het zich afspeels -> frontstage. Als je de rol laat vallen -> backstage. Het minimum aan gedragsregels -> dominante cultuur. Met kenmerken van de groep met de meeste invloed. Een specifieke groep met eigen waarden, normen en gewoonten die afwijkt van de dominante cultuur -> subcultuur. Mensen van dezelfde etnische groep -> etnische subcultuur. Tegencultuur -> strijdig met de dominante cultuur. Belangrijkste cultuurkenmerken worden overgedragen via socialisatie -> onbewust aangeleerd, vindt vooral plaats via imitatie -> gedrag nadoen. Socialiserende instituties -> school, gezin, feestdagen, vriendengroep. Manier waarop mensen anderen stimuleren zich aan de normen te houden -> sociale controle, vindt plaats d.m.v. sancties. Vanaf je geboorte -> enculturatie. Het aanleren van een cultuur waar je niet toe behoort -> acculturatie. Bepaalde aspecten die je eigen hebt gemaakt, waar je je automatisch naar gedraagt -> internalisatie. Culturen veranderen door de jaren. Proces waardoor mensen zich verwant met een cultuur voelen -> groepsidentificatie. Individuele cultuur -> individualistisch, belang van het collectief -> collectivistisch. Loyaal zijn aan de basisafspraken.






  • Nederland immigratieland



Factoren om je land te verlaten of om naar een land te komen -> pushfactoren/pullfactoren. Een buitenlander of met één buitenlandse ouder -> allochtoon. Nederlander met Nederlandse grootouders -> autochtoon. Tijdelijke werknemers uit andere landen -> gastarbeiders: Laag loon, seizoenswerk, Balkan; hoogopgeleid -> kennismigranten; werkzoekenden buiten de EU -> illegalen. Mensen uit de kolonies -> rijksgenoten (bijv. Indiërs, Molukkers of Surinamers). Immigranten die hun gezin laten overkomen -> gezinshereniging. Nederlander met allochtoon -> gezinsvorming. Verlaten land onder druk -> vluchtelingen. Toevluchtsoord -> asiel.






  • Culturele diversiteit



Één of meerdere culturen -> homogeen/heterogeen. Gelijkheid en gelijkberechting ongeacht sekse -> emancipatie/feminisme. Gelijke behandeling, formeel en onpersoonlijk -> rationeel. Voorkeursbehandelingen in niet-westerse landen -> traditioneel/charismatisch gezag. De tweede generatie is bang de familie-eer te schenden d.m.v. seks voor het huwelijk, en trouwen met mensen van een andere cultuur. Seks voor het huwelijk of homoseksualiteit kan leiden tot eerwraak. Bij ‘wij’ is ‘zij’ de out-group. Wie niet vóór mij is, is tegen mij -> polarisatie. Als een groep bewust wordt zwartgemaakt om wij-zijdenken -> demonisatie.



De pluriformiteit van waarden is een kenmerk van de moderne samenleving.



Strategieen bij cultuurverschillen of conflicten: dulden (accepteren), confronteren en beslechten (om mensen te laten aanpassen), verbieden en handhaven (bestraffen).






  • Vormen van samenleven



Culturele diversiteit in een pluriforme samenleving: segregatie (langs elkaar heen leven in gescheiden delen), assimilatie (past zich volledig aan, eigen cultuur verdwijnt bijna), integratie (past zich aan, maar houdt eigen kenmerken). Culturen versmelten met de dominante cultuur -> melting pot. Wederzijdse beïnvloeding maar behoud van eigen kenmerken -> salad bowl. Integratie kan minder soepel lopen door culturele, sociaaleconomische, of politiekbestuurlijke redenen. Immigranten komen soms van een onderontwikkelde samenleving in een sterk gemoderniseerde samenleving, of van een collectivistische in een individueel gerichte samenleving. Nieuwkomers blijven sociaaleconomisch achter door: werkloosheid, taalachterstand, woonsituatie en discriminatie. Jarenlang was het beleid van de overheid gericht op integratie met behoud van cultuur en identiteit: weinig eisen en prioriteiten. Vanaf jaren ‘80/’90 ging de overheid zich actief bemoeien met de integratie. Bij culturalisering van het integratiedebat worden de cultuurverschillen aangewezen als hoofdoorzaak van de achterstand van etnische minderheden. Tweede generaties zijn vaak beter geïntegreerd. Nu ontwikkelt zich een allochtone middenklasse. Allochtonen krijgen steeds vaker hogere functies.






  • Sociale cohesie



Elke groep heeft eigen cultuurpatronen die het gedrag en de emoties van mensen deels bepalen. We hebben behoefte aan andere mensen. De mate waarin mensen bindingen met elkaar hebben en het gevoel bij elkaar te horen -> sociale cohesie. 4 manieren waarop men van elkaar afhankelijk is: affectief (familie en vrienden), economisch (winkels), cognitief (kennis), politiek (wetten). Bindingen zorgen ervoor dat je je betrokken voelt. Meer bindingen betekent meer sociale cohesie. Een basiskenmerk van onze samenleving is arbeidsdeling. Globalisering heeft een nadelig effect op de sociale cohesie. Uitgebreide communicatienetwerken hebben een positief effect, net als historische kennis. Gezamenlijke afspraken die voor iedereen gelden -> sociaal contract. Het is van belang dat mensen betrokken zijn bij maatschappelijke vraagstukken.






  • Internationale vergelijking



4 modellen: religieus (staatsgodsdienst die andere religies uitsluit), atheïstisch (geen enkele godsdienst toegestaan), religieus neutraal (religies worden toegestaan, maar kerk en staat zijn gescheiden), pluriform (religies worden actief ondersteund). Dominante godsdienst -> staatsgodsdienst. Vaderlandsliefde -> patriotisme. Het belang van relaties en verplichtingen tussen mensen -> confucianisme. Bij hiërarchie luister je naar de persoon boven je. Geen staatsgodsdienst, maar groot deel toch christelijk -> christelijke moraal. Werken is heel belangrijk -> arbeidsethos. Overdreven vaderlandslievend -> chauvinistisch. Autoriteit, discipline, regels  en zelfbeheersing -> opvoedingsmoraal. De gezagsverhoudingen in Nederland zijn anders dan de meeste andere landen. Inspraak is vanzelfsprekend. De Nederlandse samenleving is zorgzaam voor haar burgers.






  • De toekomst



In Nederland is culturele diversiteit, dit kan niet zomaar veranderd worden. De overheid en samenleving bepalen samen in hoeverre culturen zich moeten aanpassen. 3 visies: cultuurrelativisten (alle culturen zijn gelijkwaardig), cultuuruniversalisten (bepaalde normen en waarden zijn algemeen geldend), en cultuurpluralisten (culturele verscheidenheid is een verrijking).



Universalisten en relativisten vinden cultuur statisch homogeen en hebben een essentialistisch cultuurbegrip, pluralisten vinden dat het een dynamisch karakter heeft; het verandert voortdurend, en hebben een constructivistisch cultuurbegrip. De bereidheid om te integreren moet van twee kanten komen. 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.