Hoofdstuk 3 Politiek

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2150 woorden
  • 10 januari 2015
  • 15 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 15 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Maatschappijleer Hoofdstuk 3 ‘Politiek’



§1



Politiek:         Manier waarop het land bestuurd wordt.



→Beslissen over zaken die van belang zijn:




  • Openbare orde en veiligheid

  • Buitenlandse betrekkingen

  • Infrastructuur

  • Welvaart

  • Onderwijs




  1. Democratie:           een staatsvorm waarbij de bevolking direct of indirect invloed uitoefent op de politiek besluitvorming



→Directe democratie:                de belangrijkste beslissingen worden met het volk samen genomen → volksvergadering →volksstemmingen



→ Indirecte democratie:           de beslissingen worden over gelaten aan, gekozen volksvertegenwoordigers → ook wel parlementaire democratie,  het parlement neemt de belangrijkste beslissingen.



Kenmerken democratie:




  • Burgers hebben politieke grondrechten: aantal wetten over hoe de politiek is ingericht.

  • Politieke besluitvorming: wetten over hoe het besluit van de kiezers voor het parlement en regering genomen wordt.

  • Vrij media: iedereen mag zelf bepalen wat hij/zij uitzend, zodat iedereen actief deel kan nemen aan de politiek.




  1. Dictatuur:                Alle macht in de handen van 1 persoon of een klein groepje mensen→ autocratie



→facisten:   zijn zeer nationalistisch, ze zijn voor sterke leiders → geen democratie




  • Religieuze dictatuur:       dictatuur waar het leger alle macht heeft.

  • Militaire dictatuur:                       alle macht in de handen van het leger.



Kenmerken dictatuur:




  • Politieke macht in de handen van een kleine groep

  • Grondrechten worden niet beschermd

  • Geen vrije pers

  • Oppositiepartijen verboden

  • Grote politieke rol voor militairen

  • Verkiezingsfraude



§2



Ideologie:                een samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving.



→ Waarde en normen



→ Sociaaleconomische verhouding



→ Macht verdeling in de samenleving



Progressief:             verandering/vooruitstrevend



Conservatief:         behoudend/ geen verandering



Reactionair:                        de regels weer hetzelfde als vroeger.



Politiek links:           sociaaleconomisch:




  • Gelijkheid van inkomen

  • Opkomen voor de zwakken

  • Grote actieve overheid



Overige:




  • Nadruk op veiligheid & gelijkheid

  • Progressief



Politiek rechts:       sociaaleconomisch:




  • Economische vrijheid

  • Concurrentie

  • Vrij markt economie

  • Kleine passen overheid



Overige:




  • Nadruk op veiligheid

  • Conservatief



Politieke midden:             hebben ongeveer evenveel rechtse als linkse standpunten of zitten er tussen in.



liberalisme:                     rechtse stroming. Vinden vrijemarkteconomie belangrijk, overheid een kleine rol, ze moeten zich alleen beperken tot de kerntaken.



socialisme:                      Overheid moet actief zwakkeren beschermen, kennis, inkomen en macht moet eerlijk worden verdeeld→verzorgingsstaat: een land waarin de overheid voor zijn burgers zorgt.



confessionalisme:        politieke stroming gebaseerd op het geloof.




  • Harmonie:               organisatie, burgers en de overheid moeten goed kunnen samenwerken.

  • Gespreide verantwoordelijkheid:      de mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar welzijn

  • Naastenliefde:      we moeten zorgen voor kwetsbaren in de samenleving

  • Rentmeesterschap:         de mens ‘leent’ de aarde en moet daar voor zorgen.



Maatschappelijk middenveld:           de overheid doet alleen datgene wat niet door maatschappelijke organisaties kan worden gedaan.



§3



Politiek partij:                     een groep mensen met dezelfde ideologie



Actie groepen:                  houden zich bezig met één doel en gaan daarvoor demonstreren.



Belangenorganisatie:     ze behartigen de belangen van een bep. groep mensen → ANWB



Soorten politieke partijen:




  • Partij op basis van een Ideologie: is voortgekomen uit de 3 grote stromingen op basis van ideeën.

  • One-issue partij: richten zich vooral op 1 aspect in de samenleving→PvdD

  • Protestpartij: ontstaan uit onvrede met de politiek

  • Populistische partij: ontstaan deels uit protest, maar hebben vooral de bedoeling om op te komen voor de zwijgende massa→Pvv



Functies van een politieke partij:




  • Integratiefunctie: op basis van allerlei wensen en eisen maken politieke partijen vanuit hun eigen ideologie een logisch samenhangend geheel van programmapunten die in beleid omgezet kunnen worden.

  • Informatiefunctie: politieke partijen informeren de kiezers (ook buiten de verkiezingen) naar hun standpunten ten aanzien van verschillende kwesties

  • Participatiefunctie: Politieke partijen proberen burgers te stimuleren om actief deel te nemen aan de politiek

  • Selectiefunctie: mensen die aan de politiek willen deelnemen, kunnen dat via een bestaande partij doen of richten zelf een partij op



§4



Actief kiesrecht: het recht op vanaf je 18e te mogen stemmen.



Passief kiesrecht: het recht op je verkiesbaar te stellen



Partijen hebben een verkiezingsprogramma daarin staan de standpunten van de partij, ze bedenken een verkiezingsleus en hebben een lijsttrekker; de bekendste kandidaat van de partij, staat op nummer 1 ‘het gezicht van de partij’.      Welke partij?




  • Standpunten

  • Jouw belangen

  • Strategisch: je kijkt welke partij die in de buurt van jou standpunten zit de meeste kans heeft op een zetel.

  • De lijsttrekker



De zetel verdeling gaat volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging: elke partij krijgt het aantal zetels dat in verhouding staat met het totaal aantal geldige uitgebrachte stemmen. → kiesdeler



Voorkeurstemmen: op iemand stemmen die laag in de lijst staan om te zorgen dat hij/zij een plek heeft in de tweede kamer.



Spindocters: communicatiedeskundigen die de partij en de lijsttrekker adviseren.



Opiniepeilingen: welke partij/ lijsttrekker maakt de meest kans?



Zwevende kiezers: kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemmen.



§5



De regering: koning en minister



Kabinet: ministers en staatssecretarissen



Kabinetsformatie: het samenstellen van het kabinet na de Tweede Kamerverkiezingen. Er wordt gelet op:




  • Eens zijn met het beleid

  • Hebben steun van de meerderheid.



Verloopt in een aantal stappen:




  1. Er wordt advies gegeven, wie het beste een kabinet kan gaan vormen, de koning benoemt op basis van de gegevens een informateur.

  2. Informateur onderzoekt wie het beste kunnen samenwerken, naast de meerderheid in de tweede kamer. Partijen sluiten compromissen → coalitie: een samenwerking tussen twee of meerdere partijen. Er wordt een regeerakkoord opgesteld; de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren.

  3. Is het gelukt dan benoemt de koning een formateur, anders komt er weer een nieuwe informateur. De formateur zoekt de geschikte ministers en staatssecretarissen bij elkaar. Er wordt gekeken naar de voorkeuren, aantal zetels, en de zwaarte van de verschillende functies.

  4. De koning benoemt de ministers en staatssecretarissen als alles gelukt is en wordt er een foto gemaakt op het bekende bordes.



Nederland is een constitutionele monarchie, een staatsvorm waarin de taken en bevoegdheden van het staatshoofd grondwettelijk zijn vastgelegd.



Taken van de koning:




  • Handtekening plaatsen onder wetten

  • De troonrede voorlezen op Prinsjesdag

  • Ministers en (in)formateurs benoemen

  • Regelmatig overleg voeren met de minister-president



Taken van de minster:




  • Het opstellen van wetsvoorstellen

  • Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten

  • Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement



Ministeriële verantwoordelijkheid: het kabinet is verantwoordelijk voor wat de koning doet en zegt, voor de inhoud van de wetten en de troonreden.



Politiek verantwoordelijk: ministers zijn verantwoordelijk voor hun ambtenaren.



Het minister heeft zijn eigen portefeuille (beleidsterrein) en een eigen ministerie waarin veel ambtenaren voor hun werken.



Ministers zonder portefeuille: hebben geen eigen ministerie, maar zitten bij een andere in.



Staatssecretarissen: zijn verantwoordelijk voor een deel van het beleidsterrein. Zij zitten niet in de ministerraad, maar voeren wel zelf het woord in de Tweede Kamer als het over hun beleid gaat.



Kabinetscrisis:




  • de ministers zijn het onderling niet meer eens over een of meer kwesties

  • er is geen meerderheid meer in de tweede kamer.



Er komen dan vervroegde verkiezingen. Oude ministers blijven nog wel in hun functie, maar het is een demissionair kabinet: hebben geen eigen missie meer, handelen alleen de lopende zaken af.



§6



Politieke cultuur: de manier waarop de regering en het parlement met elkaar omgaan → kenmerken Nederland: bereidheid tot overleg en het sluiten van compromissen; poldermodel



Statengeneraal: 1e en 2de kamer samen, de parlementsleden zijn volksvertegenwoordigers → 2de  kamer direct gekozen



                                                 → 1e kamer indirect gekozen, door de leden van de provinciale staten (getrapte verkiezingen)



2de kamer: 150 leden voor vier jaar, behandelt als eerste elk wetsvoorstel en mag voorstellen afwijzen of veranderen. → meer macht dan de



1e kamer (senaat): 75 leden, mag een wetsvoorstel niet veranderen, maar alleen goed of afkeuren bijv. als er fouten in zitten of onduidelijk is → extra controle.



Fractie: de groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan, olv. een fractievoorzitter.




  • Regeringsfractie: de partijen die ook ministers in de regering hebben zitten. Deze partijen zijn het meestal eens met de wetsvoorstellen van de regering.

  • Oppositiefractie: alle partijen die niet in de regering zitten. Zijn het vaak niet eens met de regering en roepen dus vaker een ministers ter verantwoording of komen met een eigen wetsvoorstel.



De trias politica in Nederland:




  1. Ministers hebben te veel macht, omdat de regeringfractie vaak een meerderheid heeft.

  2. Ministers hebben altijd toestemming van het parlement nodig.



Wetgevende taak, de rechten van de 1e en 2de kamer:




  • Stemrecht bij wetsontwerpen, het recht om een wetsvoorstel te aanvaarden of te verwerpen → 1e en 2de kamer.

  • Het budgetrecht, het recht om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren. → 1e en 2de kamer.

  • Het recht van initiatief, het recht om wetsvoorstellen in te dienen. →2de kamer.

  • Het recht amendement, het recht om wetsvoorstellen te wijzigen, het amendement moet dan ook echt uitgevoerd worden als het uiteindelijk wordt aangenomen. → 2de kamer



Controlerende taak, de rechten van de 1e en 2de kamer:




  • Het recht om schriftelijke vragen te stellen aan ministers of staatssecretarissen → 2de kamer

  • Het recht van interpellatie, een minister ter verantwoording roepen, over bijv. zijn beleid of uitspraken → 2de kamer.

  • Het recht op parlementaire enquête, onderzoek naar alle uitgevoerde plannen →speciale commissie van Kamerleden.

  • Het recht om een motie in te dienen, het verzoek aan een ministers om iets aan te pakken of iets juist niet te doen; motie van afkeuring, het beleid van een minister wordt afgekeurd, motie van wantrouwen, het vertrouwen in de minister wordt opgezegd.



§7



Gemeente:




  • Gemeenteraad, wetgevende macht

  • College van burgemeester en wethouder, uitvoerende macht



Taak:




  • Bestemmingsplannen

  • Afval

  • Huwelijk



Provincie:




  • Provinciale staten, wetgevende macht

  • Commissaris v/d koning+gedeputeerde staten, uitvoerende macht



Taak:




  • Milieu

  • Streekplannen



§9



Soevereiniteit (het recht om zelf te bepalen welke regels worden vastgesteld) wordt in geperkt als je gaat samenwerken met verschillende landen.



Europese Unie, 27 landen en met de meeste landen een gezamenlijke munt →Euro



Bestuur EU:




  • Europese Commissie, een soort regering voor het dagelijkse bestuur.



27 eurocommissarissen




  • Raad van ministers, de regeringen van alle 27 euro landen zijn vertegenwoordigd, beslissen over het beleid.

  • Europees parlement, wordt eens in de vijf jaar gekozen. 736 zetels. Weinig macht.

  • Hof van justitie, de rechtsprekende macht → 27 rechters. Doet uitspraken over kwesties tussen lidstaten

  • Europese Centrale Bank, moet zorgen voor stabiliteit op financieel vlak.



Scheiding machten:




  • Europese commissie kan als enige wetvoorstellen indienen

  • Europees parlement mag het alleen veranderen

  • Raad van ministers, keurt elke wetsvoorstel goed of af.

  • Europese commissie, voert de wetten uit en controleert

  • Parlement controleert weer de Europese Commissie

  • Hof van Justitie is een onafhankelijke rechterlijke macht.



De verenigde Naties:



Onafhankelijke Staat: er is sprake van een eigen grondgebied, een bevolking en een overheid die het land besturen.



Secretaris Generaal is de hoogste ambtenaar.



→geeft leiding en is een voorzitter algemene vergadering (een vergadering aan alle VN-leden)



→kan bij meerderheid resoluties (uitspraken waarin bepaald gedrag van een land wordt veroordeeld) en verklaringen (een bep. standpunt over omstreden onderwerp) aannemen.



Organisatie:




  • Unicef, onderwijs

  • Wereldbank, leningen

  • WHO, gezondheid

  • UNHCR, vluchtelingen



Organen:




  • Veiligheidsraad, is verantwoordelijk voor de internationale veiligheid en vrede

    • 15 landen waarvan 5 permanent → vetorecht, recht om de uitvoering van een resolute te verbieden.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.