Hoofdstuk 3: Pluriforme Samenleving

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 8263 woorden
  • 20 april 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Maatschappijleer Thema 1: Rechtsstaat.



Hoofdstuk 1: Rechtsstaat.                                                                                       Democratische rechtsstaat: burgers doen mee aan vrije verkiezingen en besturen dus indirect mee. Rechtsstaat: staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen macht en willekeur van de overheid. Is een soort sociaal contract: als de burgers zich aan de wet houden, zal de overheid deze juist uitvoeren. De beginselen van de rechtsstaat zijn:                                              1. De trias politica                                                                                                                                 2. De grondrechten                                                                                                                           3. Het legaliteitsbeginsel                                                                                                                      In de Tweede Wereldoorlog waren er in verschillende landen weer dictaturen ontstaan. Er moesten opnieuw afspraken worden gemaakt over de rechtsstaatgedachte in Europa.                        1948: de UVRM: Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, opgesteld door de VN 1950: de EVRM: Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, opgesteld door Europa.                 1953: Het Verdrag van Genève;de rechten van politieke vluchtelingen en asielzoekers vastgelegd. De laatste twee zijn afdwingbaar (verdragen), de UVRM niet; dit is geen verdrag maar een intentieverklaring. De verdragen hebben gezorgd voor verbetering en bewustwording van de mensenrechten. Wanneer er onrechtvaardig wordt gehandeld door de overheid, komt de discussie over de rechtstaat weer op. De rechtsstaat is een soort maatstaf over wat de overheid nog wel en net niet kan maken. Het bindt de samenleving, die uit verschillende culturen bestaat.           



Hoofdstuk 2: Grondwet en grondrechten.                                                                                  De grondwet(constitutie): de belangrijkste wet waarin vrijheid en gelijkheid centraal staan.    1798: Staatsregeling van de Bataafse Republiek ontstaat door de Franse bezetting: voorloper van       de grondwet. Nederland werd een gecentraliseerde eenheidsstaat.                                           1806: Nederland wordt een constitutionele monarchie(monarchie met grondwet)                         1814: Eerste grondwet                                                                                                               1848: bestuur werd ‘ministeriële verantwoordelijkheid’: de ministers werden verantwoordelijk voor het beleid i.p.v. de koning, afgedwongen door staatsman Thorbecke. Het Censuskiesrecht ontstond ook: mannen die directe belasting betaalden mochten stemmen.                                1917: Algemeen mannenkiesrecht.                                                                                                             1922: Algemeen vrouwenkiesrecht.                                                                                              1983: herziening grondwet: wet tegen discriminatie, sociale grondrechten.              



De grondwet heeft als doel:                                                                                                      1.De begrenzing van de staatsmacht aan te geven en zo de vrijheden van burgers te garanderen. 2.Fundamentele rechten van burgers vast te leggen.                                                                  3.Aan te geven hoe het bestuur van de staat in grote lijnen is georganiseerd.                      4.Eenheid van de staat uit te drukken en te zeggen dat burgers één zijn.                                         Inhoud van de grondwet:                                                                                                                – Klassieke grondrechten: houden een beperking in van de overheidsbevoegdheden tegenover de burgers (overheid is passief). Voorbeelden zijn het gelijkheidsbeginsel, de politieke rechten en de vrijheidsrechten. De grondrechten staan in willekeurige volgorde: zijn allemaal even belangrijk.  – Sociale grondrechten:de overheid heeft een zorgplicht tegenover de burgers op het gebied van:  1.werkgelegenheid en vrije keuze van arbeid                                                                                           2.bestaanszekerheid en welvaart                                                                                      3.leefbaarheid en milieu                                                                               4.volksgezondheid en woongelegenheid                                                                            5.onderwijs                                                                                                                                         – de verdeling van de bestuurlijke functies en de trias politica                                                      –de wijziging van de grondwet                                                                                        Horizontale werking van de grondrechten: tussen burgers onderling.                             Verticale werking van de grondrechten: tussen burgers en overheid.                               Vooral binnen de horizontale werking zijn er soms botsende grondrechten: de grondrechtelijke belangen  van burgers komen met elkaar in conflict. Bijv. wanneer iemand zegt dat alle leden van de Islam terroristen zijn, is dat dan discriminatie of vrijheid van meningsuiting?                           Botsende grondrechten zouden niet voorkomen als er een rangorde in was. Maar er zijn geen objectieve criteria voor deze rangorde: er zijn geen feiten dat de ene wet boven de andere staat. 



Hoofdstuk 3: Trias politica                                                                                                             De Trias Politica is bedacht door de Franse filosoof Montesquieu in 1748, in zijn boek De l´esprit des lois. De Trias Politica is de ideale taakverdeling binnen een samenleving, met 3 machten:   1.de wetgevende macht: maakt, wijzigt of verwijdert algemene wetten                                       2.de uitvoerende macht: past de wetten toe in concrete gevallen                                                   3.de rechterlijke macht: oordeelt in geval van onenigheid over wetten,                                             spreekt recht bij alle conflicten die met rechtsregels kunnen worden opgelost.                               De trias politica is goed bedacht: de macht wordt verdeeld over staatsorganen die niets over elkaar te zeggen hebben, maar elkaar wel kunnen controleren. Zo weerhouden ze elkaar van het krijgen van teveel macht en zijn ze in balans: checks and balances.                                                 Waaraan moeten wetten voldoen:                                                                                                 1.ze moeten algemeen zijn: voor alle personen/situaties gelden.                                                2.ze moeten duidelijk zijn: voor iedereen begrijpelijk en duidelijk bekendgemaakt.                               3.ze moeten haalbaar en uitvoerbaar zijn.                                                                                    Trias politica in Nederland:                                                                                                                    De wetgevende macht: het gekozen parlement stemt over alle wetsvoorstellen. Maar de ongekozen regering dient wetsvoorstellen in en ondertekent ze, dus er is geen strikte machtenscheiding Wel zijn de wetgevende machten verdeeld in verschillende kamers, zodat een wetsvoorstel van alle kanten kan worden bekeken: de Eerste en Tweede Kamer.                                 De uitvoerende macht: de ministers voeren de wetten uit. De scheiding der machten is niet zuiver, omdat de ministers allerlei bevoegdheden hebben, zoals over allerlei wetten bepalen. Ook vormen ambtenaren een machtsblok; zij nemen zelf beslissingen . Ze zijn een soort vierde macht.          De rechterlijke macht:onafhankelijke rechters; gebruiken behalve de wet, ook de toelichting  bij de wet,de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie: uitspraken van rechters bij eerdere rechtszaken. Dualistische stelsel:het parlement en de regering gescheiden. Dit is Nederland vaak niet zo, waardoor discussie ontstaat over de Trias Politica: de 3 machten zouden elkaar in de weg lopen.



Hoofdstuk 4: Het legaliteitsbeginsel                                                                            Legaliteitsbeginsel: iemands vrijheid mag alleen ingeperkt worden als de rechtmatigheid van die beperking is vastgelegd in wetten en regels die door het parlement zijn aangenomen.                     Rechtsorde: het geheel van rechtsregels en rechtsbeginselen waarop het recht is georganiseerd. Rechtsregels: gedragsregels die wettelijk door de overheid zijn vastgelegd. Heeft 2 doelen:                       – doelmatigheid, zodat er duidelijke afspraken zijn (je hoort rechts te rijden op de weg)                  – zedelijk bewustzijn: regels die de waarden weerspiegelen>wat is goed en slecht.                                            Bijv.: gij zult niet doden.                                                                                          Sociale regels: beoordelen gedrag in termen van wel of niet rekening houden met een andere.                                   Bijv. je hoort niet met je schoenen op de bank te zitten.                            Morele regels: beoordelen gedrag in termen van goed en kwaad.                                                                              Bijv.: help vrienden in nood/ wees altijd eerlijk.



Privaatrecht (burgerlijk recht, civiel recht): regelt relaties tussen burgers onderling.(horizontaal)        – rechtsbetrekkingen die voortvloeien uit vrije wil van mensen om samen te handelen of werken – zijn vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW)                                                                        Bijv.: het aangaan van een huwelijk/het oprichten van een vereniging. Gebieden zijn:                            1. personen- en familierecht: huwelijk/echtscheiding/geboorte/overlijden/adoptie                       2. ondernemingsrecht: voorwaarden waaronder je een bedrijf kunt oprichten.                   3. vermogensrecht: huurovereenkomst/arbeidsovereenkomst/erfenis                     Publiekrecht: regelt relaties tussen burgers en overheid. (verticaal)                                                          – zaken die zo belangrijk zijn dat de overheid ze niet overlaat aan de vrije keuze van burgers.      Bijv.: leerplicht/belastingplicht/zorg voor volksgezondheid. Gebieden zijn:                                               1.staatsrecht: regelt de inrichting van de Nederlandse staat. bijv. grondwet/kieswet/macht    2.bestuursrecht: regelt de bestuursactiviteiten van de overheid. bijv. belastingrecht                                    3.strafrecht: alle wettelijke strafbepalingen.



Hoofdstuk 5: Het strafproces                                                                                        Strafprocesrecht: (beschreven in het Wetboek van Strafvordering)                                                      Een verdachte heeft recht op een advocaat, mag niet procesloos worden veroordeeld, en krijgt Onschuldvermoeden: een verdachte is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Fasen strafproces: 1. aanhouding: de politie kan verdachte staande houden(ondervragen) en aanhouden(arresteren)  2. opsporing:politie verzamelt informatie met behulp van dwangmiddelen: huiszoekingsbevel/ opvraging speciale persoonsgegevens/machtiging tot binnentreding/infiltratie >toestemming nodig van officier van justitie,voor voorarrest van verdachte is toestemming nodig van de rechter. 3.vervolging:het vervolgingsmonopolie:het OM beslist of de zaak voor de rechter wordt gebracht Ook kan de officier schikking voorstellen: de verdachte krijgt een taakstraf/geldboete, of de zaak seponeren, vanwege gebrek aan bewijs/verdachte is al gestraft/misdrijf niet ernstig genoeg          4.berechting: de rechter stuurt de verdachte een dagvaarding:staat wanneer de rechtszaak is en de tenlastelegging:waarvan je beschuldigd wordt. De rechtszaak begint: de rechter bekijkt het bewijs en hoort de getuigen, de officier van justitie houdt zijn requisitoir (waarom de verdachte moet worden beschuldigd, hierna houdt de advocaat zijn pleidooi, verdachte heeft recht laatste woord. 



5.hoger beroep: als het OM of de verdachte het oneens is met de uitspraak kan hij in hoger beroep gaan bij het gerechtshof: de rechtszaak wordt overgedaan. Ben je het er hierna nog steeds niet mee eens dan ga je in cassatie bij de Hoge Raad: die kijkt of het recht juist is toegepast. Gedetineerdenrecht: recht op voeding/bezoek/ontspanning/niet gemarteld worden, recht op voorwaardelijke invrijheidstelling: na 2/3 straf komt iemand op bepaalde voorwaarden vrij.      Ex-gedetineerden hebben recht op ondersteuning van de reclassering wanneer ze vrij komen.



Hoofdstuk 6: Het strafrecht,  heeft 3 belangrijke uitgangspunten:                                                           1.het legaliteitsbeginsel                                                                                                        2.strafbepalingen moeten duidelijk zijn omschreven in het Wetboek van Strafrecht (WvS)         3. de ne bis en idem-regel: iemand mag niet 2 keer worden vervolgd 1 vergrijp.             Het WvS bestaat uit drie delen:                                                                                                        1.algemene bepalingen: geven antwoord op algemene vragen,bijv. welke soorten straffen zijn er? 2. opsomming van alle misdrijven (ernstige strafbare feiten). Bijv. moord of diefstal.                   3. opsomming van overtredingen (minder ernstige strafbare feiten) Bijv. burengerucht.                     Maximale straf: de rechter mag geen hogere straf geven dan in het WvS voor die misdaad staat.



Strafuitsluitingsgronden:iemand heeft de misdaad gepleegd, maar krijgt geen straf. 2 soorten: Rechtvaardigingsgronden: het gepleegde feit is door omstandigheden niet meer strafbaar:        1. Noodweer: je verdedigt jezelf/een ander tegen geweld.                                                                    2. Overmacht-noodtoestand: bijv. 'verboden toegang' negeren om een kind te redden.                    3.Ambtelijk bevel:overtreding begaan door bevel van een ambtenaar. Bijv:op vluchtstrook rijden.



Schulduitsluitingsgronden: het feit is wel strafbaar, maar de dader heeft geen schuld.                     1.Psychische overmacht: bijv. iemand is jarenlang mishandeld en vermoordt de mishandelaar.      2.Noodweerexces: als je door een aanval in paniek raakt waardoor de zelfverdediging te groot is.  3.Ontoerekeningsvatbaarheid:de verdachte is niet echt verantwoordelijk (psychische stoornis)      4.Afwezigheid schuld:je overtreedt de wet zonder dat je weet. Bijv. gestolen goed doorverkopen.



Hoofdstraffen:                                                                                                                                – 1.geldboete                                                                                                                                    – 2. taakstraf (alternatieve straf: i.p.v. Vrijheidsstraf), is een taakstraf of leerstraf.                                   – 3. vrijheidsstraf: je moet de gevangenis in (hechtenis) voor een bepaald aantal jaar     Bijkomende straffen: hebben een relatie met het gepleegde delict, bijv. rijbewijs innemen. Strafrechtelijke maatregelen: zijn bedoeld om de samenleving te beschermen of de situatie van voor het delict te herstellen, bijv. schadevergoeding / tbs / verplichte opname afkickkliniek.



Functies van straffen:                                                                                                                    1. wraak en vergelding: wat je doet, krijg je terug                                                    2.afschrikking: dient als voorbeeld zodat anderen niet ook de fout ingaan.                          3.voorkomen van eigenrichting:als overheid niet straft,straffen mensen zelf            4.resocialisatie: straf moet ervoor zorgen dat iemand zijn leven betert                             5.beveiliging van de samenleving: gevaarlijke misdadigers opsluiten.                            Haltbureau: jongeren die een lichte misdaad begaan krijgen via dit bureau een taakstraf.



Hoofdstuk 7: Burgerlijk recht en bestuursrecht                                                           Burgerlijk recht: twee burgers staan tegenover elkaar. (burgers=ook rechtspersonen; bijv. bv's)                De eiser (ouder dan 18)is legt de zaak voor aan de rechter, de gedaagde is degene van wie iets wordt geëist en die daarom voor de rechter wordt gedaagd. Verloop van burgerlijke rechtszaak:             – De eiser laat door een deurwaarder een dagvaarding sturen, daar staat in:                                     – naam van de eiser, de eis, de motivatie van de eis, het tijdstip& plaats van de rechtszaak. – De rechtszaak: Bij eenvoudige zaken ga je naar de kantonrechter, je hebt geen advocaat nodig, bij ingewikkelde zaken is een procureur (iemand die alle regels kent) verplicht; er is dan geen oponthoud. De gedaagde hoeft niet bij de rechtszaak aanwezig te zij, kan reactie ook opsturen.     – Rechter beoordeelt eis en&verweer;vraagt om zelf oplossing te zoeken, lukt niet?>vonnis.                                                                                        – De veroordeling: zowel de eiser als de gedaagde kan winnen. Wint de eiser, dan  moet de gedaagde elke keer dat hij de nieuwe regel (bijv. om 10 uur is het stil) overtreedt, een dwangsom betalen. Wint de gedaagde, dan moet de eiser een schadevergoeding betalen. Betaalt iemand dit niet, dan kan de deurwaarder beslag leggen op zijn goederen, of loonbeslag:elke maand wordt een deel van de verliezers' inkomen  ingenomen tot de boete/schadevergoeding is afbetaald.          Kort geding: een versnelde procedure die wordt behandeld door een voorzieningenrechter. Wordt vaak gebruikt als een snelle uitspraak noodzakelijk is. De rechter doet in z'n eentje uitspraak en geeft een voorlopig oordeel. Later komt eventueel de bodemprocedure: de echte rechtszaak.



Bestuursrecht: burgers staan tegenover de overheid; ook de overheid moet zich aan regels houden. Burgers kunnen bezwaar maken tegen de opgelegde lasten van de overheid. Krijgen ze geen gelijk, dan kunnen ze in hoger beroep gaan. Dit bestuursrecht heeft 4 grote terreinen:                  1.Vergunningen geven; voor bouw/milieu/jacht/wapens/horeca/taxi/parkeren/bordelen, enz.        2.Uitkeringen en subsidies verstrekken: bijstandsuitkeringen/kinderbijslag, enz.                           3.De behandeling van asielaanvragen en verblijfsvergunningen; vluchtelingen hebben recht op een gratis advocaat en tolk. Worden ze afgewezen door de Immigratie-en Naturalisatiedienst, dan kunnen ze naar de rechter stappen en daarna in hoger beroep gaan bij de Raad van State.                            4.Belastingen opleggen en innen; inkomstenbelasting/motorrijtuigbelasting/btw; elk in aparte wet



Hoofdstuk 8: Internationale vergelijkingen                                                            Internationale verdragen: UVRM (wordt ook wel de morele grondwet genoemd), EVRM en Verdrag van Geneve: staan boven nationaal recht.                                                            Internationale rechtbanken:                                                                                                                     – 1946: Internationaal Gerechtshof (in Vredespaleis); 15 door de VN aangewezen rechters buigen zich over rechtsverschillen tussen staten, bijv. grensconflicten.                                                          – Oorlogstribunalen; tijdelijke rechtbanken waar oorlogsmisdadigers worden berecht. Wanneer er geen verdachten meer zijn, wordt het opgeheven. Bijv: Rwanda-tribunaal, Joegoslavie-tribunaal.  –2002: Internationaal Strafhof (Den Haag): staatshoofden die vroeger altijd vrijuit gingen kunnen hier worden berecht voor schending van de mensenrechten en misdaden tegen de menselijkheid. De VS, Rusland, India,China erkennen dit niet; ze willen hun macht bij het Strafhof behouden.



De EU=soort waakhond voor het rechtsstatelijke karakter van de lidstaten; alleen rechtsstaten mogen lid worden.Lidstaten verschillen sterk, maar zijn het eens over het verbod op de doodstraf.



Internationale vergelijkingen: verschillen tussen de VS en Nederland                                             Invloed van de bevolking: burgers kiezen in de VS de president en lagere rechters, en zijn jury.  -Macht van het staatshoofd: In VS heeft de president vetorecht en is opperbevelhebber van het leger, in Nederland moeten die zaken eerst lang bediscussieerd worden in het parlement.               Onafhankelijkheid rechters: hoogste rechtsorganen:                                                                         -VS: Amerikaans Hooggerechtshof: 9 rechters door de president benoemd voor het leven; toetsen of de wetgeving niet in strijd is met de grondwet, geven openlijk hun mening over kwesties.                               -NL: Hoge Raad: raadsheren benoemd door Tweede Kamer voor het leven; mogen de wetgeving niet toetsen (alleen parlement mag dat), geven alleen mening bij een eigen rechtszaak.                  -Veel landen in Europa hebben een apart gerechtshof dat zich met het toetsingsrecht bezighoudt.  Rechtssysteem: In VS kan iedereen zonder strafblad gevraagd worden jury te zijn, in NL niet.     Grondrechten: In VS zijn nauwelijks sociale grondrechten, vrij wapenbezit, uitlokking is toegestaan, er zijn weinig rechten voor verdachten en er is de Patriot Act(alles mag tegen terreur). – De juridische gelijkheid van blank en zwart is pas in 1964 geregeld. Wel zijn de grondrechten goed geregeld in de “Bill of Rights'(1787): er is bijv. een grote religieuze vrijheid.                         Straffen: De VS heeft doodstraf, '3 strikes and you're out law', en plea bargaining:de aanklager laat een zwaardere aanklacht vallen als de verdachte een lichtere aanklacht bekent.                        Klassenjustitie: in VS krijgen buitenlanders 2-3 keer hogere straffen, in NL werklozen hoger.



Hoofdstuk 9:Grenzen aan de rechtsstaat.  De rechtsstaat staat soms onder druk, als:                  – mensen grondrechten willen afschaffen/ er een sterke roep is om zwaardere straffen                      – regering of parlement openlijk commentaar geven op rechtspraak,                                                     – opsporingsbevoegdheden politie&justitie worden uitgebreid door georganiseerde misdaad of dreigend terrorisme/ als politie&justitie grote fouten maken.                                             De vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht op gelijke behandeling kunnen soms botsen, bijv. wanneer is je mening discriminerend/haat zaaiend/beledigend? Pim Fortuyn, in 2002 vermoord,wilde voor de vrijheid van meningsuiting, het verbod op discriminatie afschaffen.



De strijd tegen georganiseerde misdaad is moeilijk,daarom is er de Wet bijzondere opsporings- bevoegdheden(Wet BOB). Hiermee heeft de politie de bevoegdheid tot:inkijkoperaties (stiekem een pand doorzoeken), infiltreren in misdaadorganisaties, schending van het recht op privacy.   Bij terrorismebestrijding komt de rechtszekerheid van burgers soms in gevaar:                 – In VS zijn de Patriot Act en de gevangenschap van procesloze verdachten op Guantanamo Bay.   – In EU mag opsluiting van procesloze verdachten niet,wel uitgebreide opsporingsbevoegdheden: straffen en voorarrest zijn verruimd en dingen als 'aanslag voorbereiden' worden eerder bestraft.             In Nederland is tegen terreur de Wet terroristische misdrijven aangenomen; 'samenspanning om een terroristische aanslag te plegen' werd strafbaar, terroristen werden tot 50% hoger gestraft.      – Mensen kunnen eerder 'terreurverdachte' worden genoemd en worden opgespoord.                     – De Wet afgeschermde getuigen biedt ruimere vervolgingsbevoegdheden: geheime informatie zoals afgeluisterde gesprekken door de AIVD mogen als bewijs dienen.



'Lone wolf'-terroristen zouden beter kunnen worden voorkomen d.m.v. Jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg, maar die actieve hulpverleners kunnen ook te bemoeizuchtig worden: discussie.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.