Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 2, Politieke besluitvorming

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2135 woorden
  • 16 december 2003
  • 51 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.9
  • 51 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Politieke structuur: de min of meer duurzame verhoudingen tussen organisaties en groepen in de politiek en de regels van de besluitvorming.

Politieke cultuur: de politieke opvattingen en de manier waarop mensen met elkaar omgaan in de politiek.

Politieke actoren: mensen, groepen en organisaties die handelend optreden in de politiek.

1.
Wetten: voor iedereen geldende regels.

Staat:
1. een precies afgebakend grondgebied
2. binnen dat gebied woont een bevolking die iets gemeenschappelijks heeft.

3. de overheid heeft het hoogste gezag

Gezag: als de macht van de overheid als juist en redelijk wordt aanvaard.

Politiek: alles wat te maken heeft met de overheid.

Beleid voeren: proberen een bepaald doel te bereiken dor het doelgericht gebruik van bepaalde middelen.

Dictatuur: als 1 persoon of een kleine groep mensen de macht heeft.

Onderdanen: mensen die bij een dictatuur ondergeschikt zijn aan de staat.

Democratie: als de bewoners wel invloed uitoefenen op de besluiten. Ook mogen zij daar over praten en schrijven zonder bang te zijn in de cel te belanden.

Burgers: geen ondergeschikte onderdanen maar mensen die naast plichten ook rechten hebben.

- 19e eeuw: alleen rijke mannen mochten in Nederland stemmen.
- 1917: kiesrecht voor alle mannen.

- 1919: kiesrecht voor vrouwen.
- In Zwitserland mogen vrouwen pas sinds 1971 stemmen.
- De helft van de wereldbevolking leeft nu nog in een dictatuur.

~ Democratie is een Grieks woord dat betekend dat het volk heerst.
~ Indirecte / vertegenwoordigende democratie: als een volk niet rechtstreeks stemt maar via vertegenwoordigers.
~ Bij kleine groepen mensen is directe democratie mogelijk.
~ Democratische landen kennen allemaal het vertegenwoordigend stelsel.

Gelijkheid: gelijke rechten, er mag niet worden gediscrimineerd.

Vrijheid: Je eigen leven kunnen inrichten zoals jij dat wilt. Zolang je daarmee de vrijheid van andere burgers niet schaadt.

Kenmerken van vertegenwoordigende democratie:
- Algemeen kiesrecht: alle volwassenen mogen stemmen. Het is geheim.
- Regelmatige verkiezingen: elke vier jaar kiest men in NL leden van een volksvertegenwoordiging of parlement. Die neemt besluiten over wetten en controleert de regering.
- Vrijheid van meningsuiting maar je mag niet beledigen.
- Vrijheid van vereniging en vergadering: iedereen mag een vereniging oprichten met mensen met dezelfde mening en belangen.
- Machtenscheiding

Regering: het dagelijks bestuur van het land, het kan alleen blijven regeren zolang ze het vertrouwen hebben van de meerderheid van het parlement.

2.
Rechtsstaat: dat belangrijke rechten van alle burgers gegarandeerd zijn en dat iedereen zich aan de wetten moet houden.

Sociale voorwaarden voor democratie: vb Bij rijk en arm kunnen andere dingen goed uitkomen. Regels werken alleen goed onder bepaalde maatschappelijke omstandigheden.

De kans dat het met een democratie goed gaat, is groot als:
1. er een gunstige sociaal-economische ontwikkeling is.
2. er een zekere sociaal-economische gelijkheid bestaat.
3. er sprake is van een democratische politieke cultuur.
4. burgers zich hebben verenigd in organisaties op grond van ideeën of belangen.
5. militairen geen invloed hebben op de politiek. (geweld)
6. de staat goed functioneert, goede diensten verleend.
7. er geen hevige conflicten zijn tussen etnische groepen of mensen van verschillende godsdiensten.

Tolerantie: Als mensen ruimte geven aan meningen waar zij het niet mee eens zijn.

~ Rond1990: na de val van de communistische dictaturen zijn bijna overal democratische regels en vrijheden ingevoerd.

Een volwaardige democratie heeft ook een rechtsstaat:
1. Alle burgers hebben gelijke rechten
2. Wat wel en niet mag staat in de wetten
3. Er bestaat een machtsschending tussen:
- wetgevende macht: die de wetten maakt, meestal het parlement met de regering.
- Uitvoerende macht: die de wetten uitvoert, de regering en de ambtenaren.
- Rechterlijke macht: die optreedt als de wetten worden overtreden: de rechters.
4. In de grondwet en internationale verdragen zijn de belangrijkste grondrechten opgenomen.

Belangrijkste klassieke grondrechten in de Nederlandse grondwet:
- Vrijheid van godsdienst
- Vrijheid van drukpers/ meningsuiting
- Vrijheid van vereniging, vergadering en demonstratie
- Onaantastbaarheid van het lichaam
- Bescherming tegen willekeurige huiszoeking
- Brief, telefoon en telegraafgeheim

Sociale mensenrechten: recht op vb eten, onderdak, werk, onderwijs en gezondheidszorg.

3.
politici spreken over algemeen belang:
- welvaart
- veiligheid
- onderwijs
- gezondheidszorg

Ideologieën: opvattingen over hoe de maatschappij functioneert en in de toekomst moet functioneren.

Politieke stroming: mensen met dezelfde ideologie

Politieke partij: een georganiseerde groep mensen die:
1. ideeën heeft over belangrijke beleidsterreinen à die ideeën heten samen het programma.
2. kandidaten stelt bij de verkiezingen

- 3% van de volwassen Nederlanders zijn lid van een politieke partij.
- 15% was dat een halve eeuw geleden.

3 belangrijkste Nederlandse politieke stromen:
1. liberalisme
2. socialisme
3. christen democratie

- linkse partijen
1. willen dat de overheid actief ingrijpt om de sociale ongelijkheid te verminderen
2. hecht sterk aan gelijke kansen

- rechtse partijen
1. vrezen dat de vrijheid van mensen in gevaar komt als de overheid zich te veel met
de zaken bemoeit.

Socialisten: links
Liberalen: rechts

belangrijk bij liberalisme:
- vrijheid
- kiezen voor abortus en euthanasie
- economische vrijheid
- Staat moet zorgen voor:
* veiligheid
* infrastructuur
* onderwijs
* gezondheidszorg
- uitkeringen bij werkloosheid, ziekte en ongeval maar niet te hoog
- grote liberale partij : VVD ook D66 à maar D66 wil meer overheidsbemoeienis en wil ook meer invloed van kiezer door een referendum (volksstemming)
- veel vertrouwen in het individu

belangrijk bij socialisme (sociaal democratie):
- ontstaan uit reactie op liberalisme
- gelijke kansen voor iedereen op bijvoorbeeld onderwijs en werk
- vóór actieve overheid voor gelijke kansen
- mensen met hoge inkomens moeten meer belasting betalen
- kiezen voor abortus en euthanasie
- grootste partij is PvdAà heeft grote rol gespeeld bij de opbouw van de sociale voorzieningen in Nederland. PvdA is laatste tijd meer naar liberale kant gegaan.
- Meegeholpen bij afslanking van de verzorgingsstaat
- Ook socialistische partijen zijn: Groen Links en SP: zij denken niet dat de markt veel problemen op zal lossen als de overheid zich terugtrekt.
- Groen Links vestigt sterk de aandacht op de milieuproblemen.
- SP komt vooral op voor arbeiders en uitkeringsgerechtigden.
- Veel vertrouwen in de overheid

Belangrijk bij Christen- democratie:
- gebaseerd op een godsdienst
- op sociaal- economisch gebied tussen liberalen en socialisten in
- benadrukking dat het functioneren van de maatschappij een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van iedereen
- problemen moeten in overleg opgelost worden
- hebben meegewerkt aan opbouw van de verzorgingsstaat, maar geven nu de voorkeur aan de verantwoordelijke samenleving
- steun voor mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen is ook een taak van familie, buren, vrienden en particuliere organisaties ( niet alleen van overheid )
- eerbied voor Gods schepping
- niet te snel ingrijpen in menselijk leven
- tegen abortus en euthanasie
- grote partij is CDA ontstaan in 1980 uit 1 politieke en 2 protestante partijen
- van 1918 tot 1994 zaten ze altijd in de regering

4.
3e dinsdag in september: prinsjesdag
- de koningin leest dan de troonrede voor: daarin staan de plannen van de regering voor het komende jaar

Nederland= constitutionele monarchie:
- Taken van koningin staan in de grondwet, ze heeft vooral een symbolische en ceremoniële functie.
- Ze kan geen politieke beslissingen nemen of uitspraken doen.
- Als de koningin praat met ministers is dat het ‘geheim van Noordeinde’.

Elke 4 jaar kunnen Nederlanders stemmen voor:
· de Tweede kamer: het belangrijkste onderdeel van het parlement of de volksvertegenwoordiging
· de Provinciale Staten: de volksvertegenwoordiging in elk van de 12 provincies
· de Gemeenteraad: volksvertegenwoordiging in elk van de ± 550 gemeenten
· het Europese parlement: volksvertegenwoordiging in de EU (eens in 5 jaar)

De 1e kamer die samen met 2e kamer het parlement vormt wordt indirect gekozen. Dat doen de leden van de Provinciale Staten.

Actief kiesrecht:
Je stem uit kunnen brengen

Passief kiesrecht:
Gekozen kunnen worden

In Nederland is evenredige vertegenwoordiging:
Het aantal zetels is evenredig aan het aantal stemmen, een partij met 10% van de stemmen krijgt 10% van de zetels. Voor 1 zetel heb je dus 1/150 = 0,67% van de stemmen nodig.

Na de verkiezingen word er een regering gevormd uit partijen die samen de meerderheid (76 of meer zetels) hebben.

Kabinetsformatie: Als de grootste partijen met elkaar onderhandelen om een regering te vormen.

1. Tijdens de kabinetsformatie: koningin benoemt informateur.
2. Informateur: bekijkt wat voor soort regering mogelijk is.
3. Als dat duidelijk is benoemt de koningin de formateur (meestal word deze de leider)

Regeerakkoord: daarin staan de belangrijkste plannen voor 4 jaar

Coalitie(regering): een regering die bestaat uit verschillende partijen

Regering: de 15 ministers en de koningin gezamenlijk

Ministerraad: de 15 ministers

Kabinet: de 15 ministers en 14 staatssecretarissen (onderministers)

Het kabinet wordt geleid door de minister- president of premier.

- De premier en de minister van Financien hebben algemene taken
- De andere ministers hebben een gespecialiseerd beleidsterrein
- Ministers hebben de leiding over een departement of ministerie

Staatssecretarissen: onderministers die verantwoordelijk zijn voor een deel van het beleidsterrein van een ministerie

de regering moet zorgen dat:
- De bestaande wetten worden uitgevoerd
- In acute noodsituaties effectief wordt ingegrepen
- Problemen worden aangepakt

Het regeerakkoord word jaarlijks uitgewerkt in een troonrede

Miljoenennota: daarin staan de concrete plannen, een begroting en waar de overheid het benodigde geld vandaan denkt te halen

Volksvertegenwoordiging
Parlement = allemaal hetzelfde in Nederland
1e + 2e kamer samen
Staten- Generaal

Oppositiepartijen: niet- regeringspartijen

Fractie: de leden van 1 partij in de 2e kamer, gemeenteraad enz.

Fractievoorzitter: leider van een fractie, die voert het woord bij discussies over de belangrijkste onderwerpen.
- bij minder belangrijke discussies zijn andere leden van de partij aan het woord: fractiespecialisten genoemd, zo heeft iedere partij specialisten van onderwijs, buitenland enz.

2 belangrijke taken van parlement:
1. wetgeving: wetsvoorstellen moeten door het parlement worden goedgekeurd, eerst door de 2e kamer daarna door de 1e kamer.
2. controleren van de regering

een aantal rechten voor de wetgeving:
- begrotingsrecht: moet door elke minister afzonderlijk worden goedgekeurd
- amendemen: bij meerderheid veranderingen aanbrengen in wetsvoorstellen
- initiatief: kamerleden mogen zelf met nieuwe wetten komen, en die moeten hetzelfde behandeld worden als die van de regering

de weg van wetsontwerp tot wet:
1. regering maakt wetsontwerp, ministerraad past het eventueel nog aan
2. regering zendt het ontwerp naar de 2e kamer. Fractiespecialisten bekijken het, daar wijzigen ze nog vaak wat puntjes. Fractiespecialisten overleggen met minister in de zaal van de 2e kamer. Daarna de hele 2e kamer.
3. Als daar de meerderheid vóór heeft gestemd gaat het naar de 1e kamer. Die mogen alleen ja of nee zeggen tegen het wetsontwerp. De 1e kamer neemt het meestal aan.
4. minister en koningin zetten hun handtekening. De wet wordt dan gepubliceerd in het Staatsblad. Ze mogen weigeren maar moeten dan wel aftreden.

De volgende middelen heeft de 1e en 2e kamer om de regering te controleren:
- stellen van mondelinge en schriftelijke vragen
- houden van een interpellatie= spoeddebat waarbij minister uitleg geeft aan de kamer
- een enquête stellen als het parlement vind dat het op een belangrijk punt is misgegaan

motie van wantrouwen à het hele kabinet of de minister moet aftreden omdat kamerleden vinden dat er grote fouten zijn gemaakt = kabinetscrisis à nieuwe vervroegde verkiezingen

regering word gecontroleerd door:
· parlement
· pers
· burgers
· Organisaties die betrokken zijn bij bepaalde zaken

Daarom zijn vergaderingen van de kamers gemeenteraden enz. openbaar.
- publieke tribune
- perstribune
5.
- eisen, van burgers en organisaties
- poortwachters: media en politieke partijen maken een selectie
- politieke agenda: lijst van onderwerpen waarover de politiek waarschijnlijk binnenkort een besluit gaat nemen
- omzetting: eisen worden bekeken door parlementsleden en ministers
- uitvoer: besluit door regering en ambtenaren
- (terugkoppeling: als het besluit geen gewenste resultaten heeft)

barrièremodel:

barrière 1 barrière 2 barrière 3 barrière 4

eisen wensen politieke wensen politieke agen- besluiten wetten en
en verlangens en verlangens da punten maatregelen

(h)erkennen afweging besluitvorming uitvoering
van probleem

Pressiegroepen verschillen op 2 manieren van politieke partijen:
1. pressiegroepen richten zich op een deel van het overheidsbeleid, partijen richten zich op het hele overheidsbeleid
2. pressiegroepen doen niet mee aan verkiezingen

lobbyen: praten met ministers, kamerleden en ambtenaren over wensen

adviesorgaan: een raad waar je mee kunt praten over het beleid vb SER (sociaal economische raad)

planbureaus: doen onderzoek en voorzichtige voorspellingen over wat er de komende jaren kan gaan gebeuren en wat voor beleid dan gevoerd kan worden.
CPB sinds 1945
SCP sinds 1974

- Media word wel de waakhond van de democratie genoemd.

Compromissen: besluiten die genomen worden, waar niemand het helemaal eens mee kan zijn maar waarbij iedereen wat aan de ander moet kunnen toegeven.

6.
invloed proberen te krijgen op de politiek door:
- lid worden van een politieke partij of maatschappelijke organisatie
- politici en media benaderen
- handtekeningen verzamelen
- demonstreren en blokkeren
- in beroep gaan

om daarmee succes te hebben heb je in elk geval nodig:
- doorzettingsvermogen
- organisatie
- kennis van zaken

referendum: volksstemming

tegenstanders van referendum:
· burgers hebben te weinig kennis om ingewikkelde omstreden zaken te beoordelen
· velen zullen zich mee laten slepen door emoties of ze vinden het leuk om eens tegen het bestuur aan te trappen
· het is te simpel om alleen ja of nee te zeggen over een ingewikkelde zaak
voorstanders van referendum:
· zal burgers stimuleren om zich in de kwestie te verdiepen
· er zullen overal discussies komen en internet zal erover informeren
· leidt tot meer betrokkenheid van de burgers
· onjuiste beslissingen zullen zo gecorrigeerd kunnen worden

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.